32 043 Toekomst pensioenstelsel

Nr. 148 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 februari 2013

Bij de plenaire behandeling van het voorstel van Wet verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW, heeft dhr. Van den Besselaar (PVV-fractie) drie vragen gesteld die ik in deze brief beantwoord.1 Daarnaast los ik middels deze brief een toezegging in over arbeidsongeschiktheidspensioen.2

1. Langlevenswap

De eerste vraag is hoe ik aankijk tegen de zogenaamde langlevenswap waarbij een levensverzekeraar en een pensioenfonds hun risico’s uitruilen. Daarmee zouden beide partijen de financiële gevolgen van een onverwachte ontwikkeling van de levensverwachting kunnen afdekken.

Het langlevenrisico van deelnemers is een risicofactor voor pensioenfondsen. Producten zoals langlevenswaps kunnen pensioenfondsen helpen om hun blootstelling aan dit langlevenrisico te verlagen. De swap zorgt er in beginsel voor dat een pensioenfonds geld van de tegenpartij ontvangt indien de deelnemers van het fonds langer leven dan verwacht. Omgekeerd moet het fonds betalen indien de deelnemers korter leven dan de vooraf door beide partijen overeengekomen levensverwachting.

In het algemeen geldt dat pensioenfondsen moeten beleggen in het belang van aanspraak- en pensioengerechtigden en dat beleggingen in lijn moeten zijn met de aard en duur van de pensioenuitkeringen; het zogenaamde prudent person beginsel. Een langlevenswap kan daarbij passen, want de langlevenswap is een instrument voor pensioenfondsen om het langlevenrisico te verminderen. Volgens het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen zijn beleggingen in derivaten, waartoe langlevenswaps behoren, toegestaan voor zover deze bijdragen aan een vermindering van het risicoprofiel of een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken. Wel moet het risicobeheer van pensioenfondsen van voldoende hoog niveau zijn om de risico's te beheersen die een dergelijk product met zich meebrengt, bijvoorbeeld ten aanzien van het tegenpartijrisico, liquiditeitsrisico en de waardering van het contract.

In de huidige markt worden langlevenswaps voor zover ik kan overzien (nog) niet gebruikt. Er zijn in de praktijk kennelijk nog geen partijen die in ruil voor een redelijke premie het risico van een stijgende levensverwachting op zich willen nemen. Als dergelijke producten in de toekomst toch ontstaan, zal de toezichthouder beoordelen of deze binnen het wettelijk kader vallen. Ik wil daarom op dit moment geen finaal oordeel vellen.

2. Waardeoverdracht tussen verschillende pensioensystemen

De tweede vraag is hoe ik zal omgaan met de mogelijk complexe uitvoering van waardeoverdracht tussen verschillende pensioensystemen, tegen een achtergrond van toenemende arbeidsmobiliteit.

Door het recht op individuele waardeoverdracht kunnen deelnemers bij baanwisselingen hun aanspraken meenemen naar de nieuwe pensioenuitvoerder waardoor achteruitgang in pensioenaanspraken in het geval van een eindloonregelingen wordt voorkomen. Tevens is het mogelijk alle pensioenaanspraken bij één pensioenuitvoerder onder te brengen.

Vanwege de ontwikkelingen op pensioengebied en de praktische knelpunten die deze regeling vertoont, heeft mijn voorganger op 13 februari 2012 de Stichting van de Arbeid gevraagd op hoofdlijnen te adviseren over een heroverweging van deze regeling, die sinds 1994 bestaat. Daarbij is de suggestie gedaan ook de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars te betrekken.

In het advies van 17 december 2012 (dat bij deze brief is gevoegd)3 delen de Stichting van de Arbeid, de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars het standpunt dat er aanleiding is het huidige systeem van waardeoverdracht te heroverwegen. Zij wijzen erop dat de oorspronkelijke doelstelling van deze wettelijke faciliteit, namelijk het voorkomen van pensioenverlies na baanwisseling bij eindloonregelingen, is komen te vervallen. Dit is het gevolg van de massale overgang van eind- naar middelloonregelingen. Daarnaast wijzen zij op de problemen bij de uitvoering van waardeoverdrachten waarvan de bijbetalingsproblematiek voor met name kleine werkgevers wel het meest in het oog springt. Voorts geven zij aan dat de beoogde overgang naar een nieuw reëel pensioencontract niet alleen de complexiteit van de keuze om tot waardeoverdracht over te gaan nog verder zal vergroten, maar ook een majeure aanpassing van de rekenregels noodzakelijk zal maken. In de nieuwe situatie zullen immers overdrachten plaatsvinden van nominale naar reële aanspraken en omgekeerd, en uiteraard ook tussen reële aanspraken.

Gelet op het belang dat de genoemde organisaties hechten aan de individuele keuzevrijheid om opgebouwde pensioenaanspraken over te dragen, vinden deze organisaties dat een serieuze poging moet worden gedaan om het recht op waardeoverdracht in stand te houden. Daarbij moet gezocht worden naar een evenwichtige oplossing voor de huidige problemen.

Zij achten een geloofwaardige handhaving van het individuele keuzerecht voor waardeoverdracht in geval van een baanwisseling alleen verdedigbaar als aan een drietal criteria kan worden voldaan:

  • De noodzakelijke wijziging van de systematiek met andere spel- en rekenregels moet werkbaar zijn en niet leiden tot onbedoelde neveneffecten.

  • Werknemers die van baan wisselen moeten in redelijkheid een rationeel besluit kunnen nemen om wel of niet de waarde van hun opgebouwde pensioenaanspraak over te dragen. Daarvoor is in ieder geval nodig dat men begrijpt wat er bij de waardeoverdracht gebeurt en dat men hierbij ook deskundige hulp kan krijgen.

  • De bijbetalingsproblematiek zal moeten verdwijnen, of in ieder geval in belangrijke mate worden beperkt.

De Stichting van de Arbeid, de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars willen onderzoeken of een systeem van waardeoverdracht op basis van een recht op afkoop en inkoop, de gesignaleerde knelpunten wegneemt zonder andere problemen te veroorzaken. Het is daarbij een open vraag of waardeoverdracht kan plaatsvinden op basis van de geldende tarieven voor inkoop en afkoop van de betrokken pensioenuitvoerders.

Bij de verdere uitwerking van een zodanige nieuwe systematiek zullen nog meerdere vraagpunten verkend en beantwoord moeten worden zoals beschreven in het bijgevoegde advies4. Dit onderzoek onder leiding van de Stichting van de Arbeid zal in de komende maanden plaatsvinden. De uitkomst ervan zal worden meegenomen bij de beoogde aanpassing van de Pensioenwet om het nieuwe reëele pensioencontract mogelijk te maken.

3. «Zekerheidspensioen AEGON»

De derde vraag is hoe ik aankijk tegen het voorstel van AEGON over een zekerheidspensioen.5

Ik heb kennisgenomen van dit voorstel (dat bij deze brief is gevoegd)6. Het voorziet er in dat deelnemers in pensioenfondsen door verzekeraars de mogelijkheid wordt geboden om tegen betaling additionele financiële zekerheid te verkrijgen voor hun pensioenaanspraken. Daarmee krijgen dat ze dezelfde, hogere, mate van zekerheid als waar pensioendeelnemers bij verzekeraars recht op hebben. Op dit moment wordt het zekerheidspensioen niet aangeboden door AEGON of andere pensioenverzekeraars.

Ik zie een aantal aandachtspunten bij de uitvoering van het voorgestelde zekerheidspensioen. Zo zou de relatie die hierdoor ontstaat tussen het pensioenfonds en de verzekeraar tot problemen kunnen leiden. Het fondsbestuur is namelijk verantwoordelijk voor een goed pensioen terwijl de zorg voor de financiële zekerheid bij de verzekeraar ligt. Daarmee ligt een belangrijk deel van de pensioenzorg buiten het bereik van het fondsbestuur. Omgekeerd is het niet duidelijk hoe verzekeraars dekking kunnen bieden voor risico’s die het pensioenfonds neemt, bijvoorbeeld bij beleggingen. Daarnaast is het een gegeven dat de kosten van extra zekerheid hoog zullen zijn en al snel leiden tot hogere pensioenpremies of lagere uitkeringen. Het specifieke pleidooi van AEGON voor een zekerheidspensioen is op zich interessant, maar ik kan op dit moment niet inschatten hoe aan de genoemde beperkingen kan worden ontkomen. Ik heb overigens nog niet vernomen of sociale partners het zekerheidspensioen, of een vorm daarvan, een interessante aanvulling vinden op bestaande pensioenregelingen.

4. Arbeidsongeschiktheidspensioen

Toenmalig minister Donner heeft op 25 maart 2008 per brief de Kamer informatie toegezegd over de vraag of het arbeidsongeschiktheidspensioen (AO-pensioen) voor gedeeltelijk arbeids-ongeschikte werknemers geregeld is op risicobasis of op kapitaaldekkingsbasis.

Het inlossen van de toezegging heeft lang op zich laten wachten omdat overleg nodig was met de Stichting van de Arbeid, de Pensioenfederatie en De Nederlandsche Bank, maar ook omdat intern prioriteit is gegeven aan meer urgente onderwerpen. Ondertussen is gebleken dat het toezicht van De Nederlandsche Bank geen voorbeelden kent van arbeidsongeschiktheidspensioen op basis van een kapitaaldekking. In praktijk wordt alleen dekking op risicobasis waargenomen.

Dit beeld is begrijpelijk omdat het hier een pensioenaanspraak betreft die niet wordt opgebouwd in samenhang met dienstjaren en salaris, maar wordt toegekend indien sprake is van arbeidsongeschiktheid tijdens het dienstverband. Het arbeidsongeschiktheidspensioen is bedoeld om een arbeidsinkomen te vervangen tijdens het dienstverband. Daarom is het niet nodig dat na beëindiging daarvan een opgebouwde aanspraak blijft bestaan, zoals bij het partnerpensioen op basis van kapitaaldekking wel het geval is. Overigens vallen de verplichtingen uit hoofde van de risicodekking onder de regels van het financieel toetsingskader.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma


X Noot
1

Kamerstukken II 2011/12, 33 046, nr. 48

X Noot
2

Kamerstukken II 2007/08, 30 413, nr. 108

X Noot
3

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
4

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
5

Volkskrant, 25-01-2012 «AEGON pleit voor zekerheidspensioen»

X Noot
6

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

Naar boven