Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201232043 nr. 109

32 043 Toekomst pensioenstelsel

Nr. 109 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 april 2012

Hierbij zend ik uw Kamer een afschrift van het Witboek Pensioenen dat de Europese Commissie op 16 februari 2012 heeft uitgebracht1. In deze brief ga ik, mede namens de staatssecretaris van Financiën, in op de hoofdpunten uit het Witboek en de mogelijke effecten die hieruit voor Nederland zouden kunnen voortvloeien.

Vooropgesteld wordt dat het kabinet positief staat tegenover de analyses in het Witboek en de uitwerkingen die deze op de lidstaten kunnen hebben. Terecht wijst de Commissie op een aantal Europabrede ontwikkelingen die vrijwel alle lidstaten zullen nopen tot het treffen van maatregelen.

Hoofdlijn van de Commissie is dat de stijgende levensverwachting het aanpassen van de pensioenregelingen onvermijdelijk maakt, teneinde de betaalbaarheid van pensioenen in stand te houden. Die noodzaak tot hervormingen wordt versterkt door de economische crisis, waardoor er minder financiële ruimte is voor omslaggedekte pensioenstelsels. Ook leidt de crisis tot lagere rendementen voor kapitaalgedekte stelsels. In bepaalde lidstaten zijn ingrepen in de pensioenen nodig om het vertrouwen in de overheidsfinanciën te herstellen.

De Commissie doet in het Witboek een twintigtal aanbevelingen, waarvan de meeste positief beoordeeld kunnen worden. Nederland ziet echter op dit moment wel problemen met de aangekondigde herziening van de pensioenfondsenrichtlijn (IORP-richtlijn). Alvorens hierop in te gaan, wil ik eerst aandacht schenken aan de analyses van de Commissie, en aan de aanbevelingen die de Commissie naar aanleiding daarvan doet ten aanzien van het pensioenbeleid in het algemeen.

Algemeen

De Commissie wijst er met recht op dat het succes van pensioenhervormingen bepalend zijn voor de stabiliteit van de Euro en het halen van de Europa-2020-doelstellingen op het gebied van arbeidsparticipatie. Bij het opstellen van het Witboek, en de daarin gedane aanbevelingen, is nauw aansluiting gezocht bij de Annual Growth Surveys (AGS) 2011 en 2012. De AGS belichten het belang van pensioenhervormingen om bij te dragen aan de begrotingsconsolidatie. Voor de betaalbaarheid en toekomstbestendigheid van de pensioenen is het essentieel dat in Europa het draagvlak van de pensioenvoorziening wordt vergroot, dat er een betere balans komt tussen werkjaren en pensioenjaren en dat het gebruik van aanvullende pensioenspaarregelingen wordt bevorderd.

Vergroten draagvlak pensioenvoorziening

Om het draagvlak van pensioenen te vergroten en zodoende de pensioenen betaalbaar te houden, moeten meer mensen aan het werk. De Commissie wijst erop dat het echte probleem is dat de economische-afhankelijkheidsratio oploopt: het aantal werklozen en gepensioneerden als percentage van de werkenden. Een beperkte ontwikkeling in die verhouding is cruciaal om de pensioenproblematiek beheersbaar te houden.

In 2010 lag de arbeidsparticipatie van oudere werknemers (55–64 jaar) in de EU mede door vervroegde uittredingstrajecten gemiddeld nog onder de 50%. In sommige landen, zoals Frankrijk en Italië lag dit zelfs onder de 40%, terwijl anderzijds de participatie van ouderen in Zweden op 70% lag. Nederland (53,7%) neemt een middenpositie in, waarbij aangetekend wordt dat de arbeidsparticipatie van ouderen hier de laatste jaren sterk stijgt.

Veel lidstaten hebben dus nog aanzienlijke ruimte om door het vergroten van de arbeidsparticipatie de toekomstige adequaatheid en duurzaamheid van hun pensioenstelsels te vergroten. Daarbij gaat het overigens niet alleen om de arbeidsparticipatie van personen in hogere leeftijdsgroepen maar ook van anderen, zoals vrouwen, migranten en jongeren. De Commissie tekent daarbij aan dat als het werkgelegenheidsdoel van de Europa 2020-strategie, een arbeidsparticipatie van 75% in de leeftijdsgroep 20–64 jaar, wordt gerealiseerd en vervolgens in de periode 2020–2050 verdere vooruitgang wordt geboekt, de economische-afhankelijkheidsratio beperkt kan worden gehouden. Die stijgt dan van het huidige niveau van 65% tot 79% in 2050. De Commissie concludeert dan ook dat het bereiken van het EU-streefdoel voor werkgelegenheid, of het evenaren van de best presterende landen, de effecten van de vergrijzing van de bevolking op het gewicht van de pensioenen in het BBP bijna zou kunnen neutraliseren.

Om dat te halen, beveelt de Commissie in brede zin aan om de toegang tot vroegpensioenregelingen te beperken en langer doorwerken te ondersteunen door levenslang leren, aanpassingen van de werkplek, ed.

Betere balans tussen werkjaren en pensioenjaren

Een andere manier om pensioenen betaalbaar te houden, is een betere balans tussen werkjaren en pensioenjaren. Momenteel zijn burgers circa een derde van hun volwassen leven met pensioen. Bij ongewijzigd beleid zou dit aandeel toenemen in lijn met de toekomstige stijging van de levensverwachting. Tegen deze achtergrond is het van belang dat mensen langer doorwerken teneinde werk en pensioen in een betere en toekomstbestendige verhouding tot elkaar te brengen. De Commissie beveelt daarom aan de pensioenleeftijd in lijn te brengen met de levensverwachting en de pensioenleeftijd van mannen en vrouwen gelijk te trekken.

Daarbij wijst de Commissie er uitdrukkelijk op dat het niet gaat om het uitspelen van de belangen van jongeren tegen die van ouderen. Het verhogen van de pensioenleeftijd hoeft immers niet te leiden tot een hogere jeugdwerkloosheid. De lidstaten met de hoogste werkgelegenheidspercentages voor ouderen hebben immers ook enkele van de laagste jeugdwerkloosheidscijfers. Geconstateerd wordt dat op langere termijn het aantal banen niet vaststaat, maar met name afhangt van het aanbod aan geschoolde werknemers, hetgeen een belangrijke aandrijver van economische groei is.

Bevorderen van aanvullende pensioenspaarregelingen

Een ander belangrijk punt om te zorgen voor betaalbare en houdbare pensioenen is het bevorderen van aanvullende pensioenspaarregelingen. Een goede balans tussen staatspensioenen, gefinancierd op basis van een omslagstelsel (eerste pijler), en aanvullende kapitaalgedekte pensioenen (tweede pijler) is belangrijk om de uitdagingen op pensioengebied aan te kunnen. Te veel nadruk op kapitaaldekking maakt kwetsbaar voor financiële crises, te veel omslagfinanciering maakt erg gevoelig voor de demografische ontwikkeling. Het is daarom van belang te risico’s te spreiden. In veel lidstaten kent men, in tegenstelling tot Nederland, een groot eerste pijler pensioen en niet of nauwelijks tweede pijler aanvullende pensioenen. De Commissie beveelt dan ook het bevorderen van aanvullende pensioenregelingen aan.

Visie kabinet

De aanbevelingen van de Commissie zijn goeddeels in lijn met het pensioenbeleid dat in Nederland reeds geruime tijd wordt gevolgd. De fiscale facilitering van vroegpensioenregelingen is in Nederland afgeschaft en wordt ontmoedigd. Nederland kent een gelijke pensioenleeftijd voor mannen en vrouwen. Goede aanvullende pensioenregelingen en de fiscale facilitering daarvan in zowel de tweede als derde pijler zijn de kern van het Nederlandse stelsel. Het kabinet werkt ook aan verhoging van de pensioenleeftijd en het ondersteunen van een beleid gericht op langer doorwerken.

Het kabinet is van mening dat de aanbevelingen in het Witboek, zoals die hier over het pensioenbeleid in den brede worden gedaan, in algemene zin ondersteund kunnen worden. Voor veel lidstaten is het noodzakelijk dat zij het draagvlak van hun pensioenstelsels verbreden, meer mensen langer aan het werk houden en hun financiële situatie beter op orde brengen. De daaruit voortvloeiende versterking van de economische groei en verbetering van de publieke financiën in Europa, strekt ook Nederland tot voordeel.

Acties Commissie

Wat betreft de rol van Europa in de pensioendiscussie geeft de Commissie aan dat de lidstaten in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor het opzetten van hun pensioenstelsels. Het Witboek respecteert uitdrukkelijk de verantwoordelijkheden van de lidstaten. Wel ziet de Commissie voor de EU een rol bij het ondersteunen van de lidstaten op het gebied van de sociale bescherming, en geeft de Commissie aan de beleidsinstrumenten van de EU te willen aanwenden om de inspanningen voor de hervorming van de pensioenen in de lidstaten beter te ondersteunen.

In de bijlage bij het Witboek kondigt de Commissie een twintigtal acties aan. Het gaat hier om een reeks elkaar versterkende initiatieven. Deze variëren van wetgeving – via financiële prikkels – tot beleidscoördinatie en monitoring van de vooruitgang bij de verwezenlijking van gemeenschappelijke doelstellingen binnen het geïntegreerde en omvattende kader van Europa 2020. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om benutting van het Europees Sociaal Fonds (ESF) en Progress, en beleidscoördinatie in de sfeer van de EU-2020 strategie.

Het kabinet ziet de voorstellen met belangstelling tegemoet, en voorziet daarbij op dit moment voor de meeste voorstellen geen specifieke gevolgen voor het Nederlandse pensioenstelsel. Dit kabinetsstandpunt beperkt zich daarom tot het maken van enkele opmerkingen ten aanzien van die onderwerpen die mogelijk wel van invloed kunnen zijn op de situatie in Nederland, met name de richtlijnen over IORP en portabiliteit.

Europese Pensioenfondsrichtlijn (IORP-richtlijn)

Onder aanbeveling 11 kondigt Commissie aan, dat zij in 2012 een wetgevingsvoorstel zal indienen om Richtlijn nr. 2003/41/EG (richtlijn) te herzien. De herziening is volgens de Commissie bedoeld om een gelijk speelveld met Richtlijn nr. 2009/138/EG (Solvency II Richtlijn) te behouden, meer grensoverschrijdende activiteiten door pensioenfondsen te bevorderen en de algemene pensioenvoorziening in de EU te helpen verbeteren. Ook zou het de uitdagingen van de vergrijzing en de overheidsschuld kunnen helpen aanpakken. Op dit punt uit het Witboek heeft het kabinet zwaarwegende bezwaren.

Vooropgesteld moet worden dat er nog geen uitgewerkt voorstel ligt, zodat een definitieve reactie nu nog niet mogelijk is. De voortekenen maken echter dat het kabinet sterke twijfels heeft over de noodzaak van de herziening en de rol van de Europese Unie hierin. Daarbij komt dat ook de kleinste wijziging in het regelgevend kader in een land als Nederland, met zijn grote pensioenvermogen, tot grote financiële effecten kan leiden. Dat maakt de grootst mogelijke zorgvuldigheid noodzakelijk en dwingt ons tot waakzaamheid.

De zorgen van het kabinet liggen op verschillende niveaus. Allereerst is het kabinet gealarmeerd door de mogelijke financiële consequenties van herziening van de IORP-richtlijn. Het streven van de Commissie naar een gelijk speelveld met private pensioenverzekeraars zou zich ten onrechte kunnen vertalen in het definiëren van de huidige pensioenen als eenzelfde product als verzekeringen. Indien op basis van deze misvatting voor pensioenfondsen vervolgens vergelijkbare solvabiliteitseisen als voor private verzekeraars (uit Solvency II) worden gesteld, dan zouden de financiële buffers voor Nederlandse pensioenfondsen aanzienlijk vergroot moeten worden. Dat zal ten aanzien van reeds toegezegde pensioenaanspraken heel veel geld kunnen kosten. Initiële berekeningen leren dat pensioenen daarmee weliswaar aan dezelfde zekerheidsmaatstaf als verzekeringen zouden voldoen, maar dat daardoor ófwel de uitkeringen heel sterk gekort moeten worden, ófwel de premies aanzienlijk zouden moeten stijgen.

Het moge duidelijk zijn dat een dergelijke kostenstijging voor Nederland onacceptabel is. Aan hogere solvabiliteiteisen is ook geen behoefte. Er bestaan fundamentele verschillen tussen pensioenfondsen enerzijds en private verzekeraars anderzijds, die tot uiting dienen te komen in het regime van financieel toezicht dat daarop van toepassing is.

Maar ook meer ten principale vraagt het kabinet zich af of een herziening van de IORP-richtlijn op dit moment gewenst is. Onvoldoende duidelijk is waarom de bestaande voorschriften niet voldoen, en waarom een verdergaand ingrijpen van Europa noodzakelijk en gewenst is. Het grensoverschrijdende belang van pensioenstelsels is, gezien de verwevenheid met de nationale arbeidsmarkten, te verwaarlozen. Er dienen wel zeer dringende redenen te worden aangevoerd wil dieper Europees ingrijpen hier gerechtvaardigd zijn.

Nederlandse acties rond IORP

Het spreekt voor zich dat het grote belang dat Nederland heeft bij de herziening van de IORP-richtlijn een substantiële inzet in Brussel vergt. In de technische briefing van de Tweede Kamer van 5 april 2012 is er al op gewezen dat al vanaf de eerste signalen in 2009, dat de Commissie bezig was met de voorbereiding van een herziening van de richtlijn, daarop vanuit Nederland gecoördineerd actie is ondernomen. Centraal heeft daarbij steeds gestaan te voorkomen dat Nederland door herziening van de IORP-richtlijn schade zou kunnen ondervinden. Vanuit SZW wordt het optreden van de verschillende Nederlandse actoren in het pensioendebat (de departementen van Financiën en BZK, DNB en de pensioenfondsen) op elkaar afgestemd. Dit optreden loopt langs verschillende lijnen.

  • Op politiek niveau hebben verschillende interventies plaatsgevonden. Reeds tijdens enkele pensioenconferenties tijdens het Belgische Voorzitterschap (tweede helft 2010) hebben de bewindslieden van SZW in het openbaar duidelijk afstand genomen van de voornemens rond IORP. Vervolgens is in directe contacten tussen de bewindslieden van SZW en de betrokken Eurocommissarissen (de heren Barnier en Andor) steeds uitdrukkelijk gewezen op de Nederlandse bezwaren. Ook tijdens diverse Raden WSBVC heeft de minister van SZW aandacht gevraagd voor de IORP-problematiek. Andere leden van het kabinet hebben eveneens bij diverse gelegenheden deze problematiek aan de orde gesteld.

  • Op ambtelijk niveau wordt, zowel vanuit de beleidmatige invalshoek, als ook in technische overleggen, de Nederlandse positie systematisch onder de aandacht gebracht van de verantwoordelijke functionarissen bij de Commissie. Centraal daarbij staan enerzijds het uitleggen van het Nederlandse systeem en de risico’s die wij lopen bij een herziening van de IORP-richtlijn, waarbij Solvency II van toepassing wordt op pensioenfondsen. Anderzijds wordt echter ook toegelicht welke lessen men in Europa trekken kan uit de Nederlandse ervaringen. Vergeten mag niet worden dat het Nederlandse pensioenstelsel in Europa ook een voorbeeldfunctie wordt toegedicht als het gaat om het zekerstellen van een toereikend en betaalbaar pensioen.

  • Vertegenwoordigers van Nederlandse belangengroepen en deelnemers aan Europese gremia hebben zich vanuit hun specifieke deskundigheid steeds kritisch uitgelaten over de plannen van de Commissie en de mogelijke gevolgen daarvan voor Nederland (en andere landen met kapitaalgedekte stelsels) geschetst. Nederlandse deskundigheid speelt ook een grote rol bij het tot stand komen van de adviezen en assessments van de Europese pensioentoezichthouders (EIOPA).

  • Op het bilaterale vlak zijn besprekingen geweest tussen vertegenwoordigers van de ministeries van Financiën en SZW met hun counterparts in het VK en Duitsland, teneinde inzichten uit te wisselen en tot een gezamenlijk benadering te komen. Dat heeft mede geleid tot een gezamenlijk brandbrief van de verantwoordelijke personen op ambtelijk niveau aan de Commissie, waarin nog eens helder de gezamenlijke bezwaren van het VK, Duitsland en ook Ierland tegen de Commissievoornemens werden uiteengezet. Ook mogelijkheden tot verdere samenwerking met andere lidstaten worden thans verkend.

Deze verschillende acties hebben ertoe geleid, dat het Nederlandse standpunt, en dat van de andere betrokken lidstaten, thans bij de Commissie in de volle breedte bekend is. Recent heeft Commissaris Barnier ook te kennen gegeven dat «IORP II geen copy-paste zal worden van Solvency II», en dat het zeker «niet de bedoeling van de herziene IORP-richtlijn is goed werkende stelsels te bestraffen». Het kabinet acht dit een belangrijk signaal. Dit neemt echter niet weg dat het noodzakelijk is dat wij ook in dit stadium goed druk houden op het proces, teneinde te voorkomen dat de IORP-plannen zich in een voor het Nederlandse stelsel schadelijke richting ontwikkelen.

Portabiliteit

In aanbeveling 15 kondigt de Commissie aan te zullen komen met een aangepaste richtlijn over portabiliteit van pensioenen, waarin minimumnormen worden gesteld voor de verwerving en het behoud van aanvullende pensioenrechten. Tevens kondigt de Commissie daarbij aan om ter bevordering van de grensoverschrijdende pensioenmobiliteit ook de lopende werkzaamheden met betrekking tot een pan-Europees pensioenfonds voor onderzoekers voort te zullen zetten.

Over het thema van de overdraagbaarheid van de pensioenen valt op te merken dat in de komende voorstellen van de Commissie geen sprake meer zal zijn van de overdracht van pensioenkapitaal. Uit de consultatie volgend op het Groenboek pensioenen is gebleken dat coördinatieaanpak die voor Verordening (EG) nr. 883/2004 werd toegepast, niet geschikt werd geacht voor aanvullende pensioenregelingen en dat de meerderheid van de lidstaten fel was gekeerd tegen het idee om opnieuw over overdrachten te praten. De Commissie wijst daar ook zelf op.

Om die reden zal de Commissie zich nu concentreren op een op verwerving en behoud van pensioenrechten gerichte aanpak, die ook vanuit het Europees Parlement brede steun heeft gekregen. Vanuit Nederlandse optiek is hier geen bezwaar tegen. Werknemers uit andere lidstaten verwerven in Nederland reeds aanvullend pensioen en hun rechten blijven behouden als zij tijdelijk in Nederland werken. Daarnaast is het voor Nederland van belang dat de behandeling van de waarde van de slapende pensioenrechten in overeenstemming kan blijven, zoals we dat in Nederland kennen, met die van de gepensioneerden conform het richtlijnvoorstel van 2007. Een meer concrete afweging van het Commissie voorstel kan echter pas plaatsvinden als de Commissie in de loop van het jaar met het hernieuwde voorstel komt.

Ten aanzien van een pan-Europees pensioenfonds voor onderzoekers wordt geen specifieke wetgeving aangekondigd. Onderzoekers die internationaal mobiel zijn worden steeds vaker geconfronteerd met ongunstige voorwaarden voor de opbouw, het behoud en de overdracht van aanvullende pensioenrechten. Dit kan een belemmering vormen voor de verdere ontwikkeling van de Europese Onderzoeksruimte (ERA). De Commissie heeft daarom een haalbaarheidsstudie gedaan waaruit is gebleken dat het mogelijk is een pan-Europees pensioenfonds op te richten. Er is nu een driejarig project gestart om de werkgevers van onderzoekers de mogelijkheid te bieden te onderzoeken of zij willen deelnemen aan een dergelijk pensioenfonds. Het kabinet volgt de ontwikkelingen op dit gebied met belangstelling.

Coördinatie bedrijfspensioenregelingen

In aanbeveling 16 kondigt de Commissie aan dat in 2012 beoordeeld zal worden of het nodig is om de werkingssfeer van Verordening 883/2004/EG betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels uit te breiden met bepaalde bedrijfspensioenregelingen. Het betreft hier een onderzoek op technisch niveau in de Administratieve Commissie, waarin aandacht zal worden besteed aan de vraag of het nodig is maatregelen te treffen in coördinerende sfeer ten behoeve van migrerende werknemers die voor een groot deel van hun pensioeninkomsten afhankelijk zijn van tweede en derde pijlerpensioenen. Thans vindt – op basis van Verordening 883/2004 (Coördinatie Sociale Zekerheid) – alleen coördinatie plaats voor eerste pijler pensioenen. De discussie zal in de tweede helft van 2012 aanvangen, en zal volgens de Commissie enige tijd vergen. Het kabinet zal deze discussie goed volgen. Regelgevende voorstellen worden volgens de Commissie voorlopig niet verwacht.

Pensioentraceerdiensten

In aanbeveling 17 geeft de Commissie aan de ontwikkeling van pensioentraceerdiensten te zullen bevorderen om mensen in staat te stellen hun in verschillende banen verworven pensioenaanspraken bij te houden. De Commissie zal in de context van de herziening van de IORP-richtlijn en het voorstel voor een portabiliteitsrichtlijn bekijken hoe de verstrekking van de vereiste informatie voor pensioentracering kan worden geregeld en zij zal een proefproject inzake grensoverschrijdende tracering ondersteunen.

Nederland kan het idee van het ontwikkelen van Europese Pensioentraceerdiensten ondersteunen. Als burgers in verschillende lidstaten werken is het van het grootste belang dat zij een helder inzicht kunnen krijgen in welke pensioenrechten zij hebben opgebouwd, zodat zij daarmee in hun verdere carrière en bij het treffen van aanvullende pensioenvoorzieningen rekening kunnen houden. Nationaal zijn met het pensioenregister goede ervaringen opgedaan. Bezien kan worden of nationale pensioentraceerdiensten zodanig uitgereid kunnen worden dat zij ook grensoverschrijdend inzicht kunnen geven in opgebouwde rechten. Indien gewenst, is Nederland bereid de Commissie hierin bij te staan, mede op basis van de in Nederland opgedane ervaringen.

Fiscale aspecten

In aanbeveling 18 suggereert de Commissie meer te willen gaan toezien op de houdbaarheid van fiscale regelgeving met betrekking tot grensoverschrijdende waardeoverdrachten en premiebetalingen betreffende pensioen- en levensverzekeringen, in het licht van de geldende verdragsvrijheden. Waar nodig zal de Commissie infractieprocedures opstarten. Het Nederlandse kabinet is van oordeel dat de Nederlandse regelgeving in overeenstemming is met het EU-recht. De Commissie kondigt verder aan met de lidstaten te willen bespreken hoe het risico van dubbele belasting en het risico van het ontgaan van belasting in grensoverschrijdende situaties kan worden voorkomen. Door het uitgebreide bilaterale verdragennetwerk van Nederland worden genoemde risico’s reeds in belangrijke mate beperkt. Overigens streeft Nederland bij het verdragsbeleid naar het overeenkomen van bronstaatheffing voor gefacilieerd opgebouwde pensioenen – zowel voor reguliere pensioenuitkeringen als voor afkoopsommen van pensioenen – onafhankelijk van de fiscale behandeling van de pensioenen in de (nieuwe) woonstaat van de pensioengerechtigde.

Slot

Alles overziende staat het kabinet positief ten opzichte van het Witboek. Als het Witboek mede bevordert dat Europabreed de noodzakelijke maatregelen worden getroffen om de pensioenen adequaat en betaalbaar te houden, betekent dit een grote winst voor de concurrentiekracht van Europa als geheel en dus ook voor de positie van Nederland daarbinnen. Het Nederlandse pensioenstelsel staat er relatief goed voor en vervult in die zin, zo heeft de Commissie ook aangegeven, een voorbeeldfunctie binnen en buiten Europa. Deze positie willen we uiteraard graag behouden en daarom is het belangrijk dat Europa voldoende ruimte laat aan de lidstaten om zelf hun nationale stelsels in te vullen en te hervormen. De herziening van de IORP-richtlijn kan sterk kostenverhogend werken en komt daarmee in strijd met het streven van de EU om meer landen ertoe te brengen te gaan sparen voor pensioenen. Met name voor Nederland kan dit ernstige problemen opleveren. Het kabinet blijft daarom zeer alert op de ontwikkelingen in Europa en de uitwerkingen die Europese beleidsvoornemens op pensioengebied kunnen hebben op het Nederlandse stelsel. Deze mogen het Nederlandse stelsel niet aantasten. Waar het de algemene uitgangspunten van toereikendheid en houdbaarheid van de pensioenen betreft, beoordeelt het kabinet het Witboek echter positief.

Over de verdere voortgang van de diverse trajecten uit het Witboek zal ik uw Kamer, als daar aanleiding toe is, informeren.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, H. G. J. Kamp


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.