nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
ALGEMEEN DEEL
Het advies van de Raad van State van het Koninkrijk wordt niet openbaar
gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt/uitsluitend opmerkingen van
redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet
op de Raad van State)In de jaren 2004 en 2005 hebben de bevolkingen van de
eilanden van de Nederlandse Antillen, gebruikmakend van het recht op zelfbeschikking,
zich in referenda uitgesproken voor een nieuwe staatkundige toekomst binnen
het Koninkrijk. Naar aanleiding daarvan is door de regering van Nederland,
de regering van de Nederlandse Antillen en de bestuurscolleges van de eilandgebieden
van de Nederlandse Antillen in het hoofdlijnenakkoord van 22 oktober
2005 afgesproken dat het land de Nederlandse Antillen zal ophouden te bestaan.
Vervolgens zijn afspraken gemaakt over de positie van Curaçao en Sint
Maarten als land binnen het Koninkrijk en over de positie van de eilandgebieden
Bonaire, Saba en Sint Eustatius als Nederlands openbaar lichaam. In dat kader
dienen onder meer de wateren rondom de toekomstige landen te worden verdeeld
door middel van het vaststellen van zeegrenzen.
Tijdens de politieke stuurgroep staatkundige veranderingen van 26 november
2008 is bevestigd dat overeenstemming bestaat over de inhoud van dit voorstel.1 De vaststelling van de zeegrenzen geschiedt, net als
bij de vaststelling van de zeegrens tussen de Nederlandse Antillen en Aruba
ten tijde van het verkrijgen door Aruba van de hoedanigheid van land in het
Koninkrijk bij rijkswet (Rijkswet van 12 december 1985 tot vaststelling
van een zeegrens tussen de Nederlandse Antillen en Aruba, Stb. 1985, 664;
P.B. 1986, no. 23; AB 1986, no. 7).
De nieuwe zeegrenzen betekenen een afbakening van de territoriale zee,
de aansluitende zone en de exclusieve economische zone (zie bijlage 1, koninkrijks-equidistantielijn
tussen Curaçao en Bonaire en bijlage 2, koninkrijks-equidistantielijn
tussen Sint Maarten en Saba). Een afbakening van de zeegrens tussen Sint Maarten
en Sint Eustatius is niet nodig, omdat de territoriale zee, de aansluitende
zone en de exclusieve economische zone van beide eilandgebieden niet aan elkaar
grenzen. Dit komt door de aanwezigheid van het tot Frankrijk behorende eiland
Saint Barthélemy (zie bijlage 2). Om deze reden is Sint Eustatius
niet genoemd in het ontwerp.
De in de artikelen 1 en 3 van het ontwerp genoemde punten zijn tot stand
gekomen op basis van equidistantie. De verbindingslijn tussen deze punten
is de equidistantielijn of middellijn.
ARTIKELSGEWIJS GEDEELTE
Artikelen 1 en 3
De artikelen 1 en 3 leggen de zeegrenzen tussen de Curaçaose en
de Bonairiaanse wateren, respectievelijk de Sint Maartense en de Sabaanse
wateren vast. Bij zowel Curaçao en Bonaire als Saba en Sint Maarten
lopen deze gedeeltelijk door de territoriale zee, de aansluitende zone en
de exclusieve economische zone, die conform het zeerecht, aan de ene en de
andere partij kunnen toebehoren. In dit verband wordt verwezen naar artikel
2 (in verband met de territoriale zee), artikelen 33 en 303, tweede lid (in
verband met de aansluitende zone) respectievelijk artikel 55 en volgende (in
verband met de exclusieve economische zone) van het op 10 december 1982
te Montego Bay tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake het
recht van de zee (Trb. 1983, 83), alwaar het regime van deze zones is uitgewerkt.
Naar de mate waarin de uitoefening van rechtsmacht die met betrekking
tot het zeegebied krachtens volkenrecht aan Staten toekomt, wordt overgedragen
aan de afzonderlijke staatkundige eenheden tussen wie door deze wet een grens
wordt vastgesteld, zal de betekenis van die grens toenemen. Met andere woorden,
voorstelbaar is dat door maatregelen van wetgeving aan weerszijden van de
grens afzonderlijke, zij het inhoudelijk misschien nauwelijks verschillende
regimes ontstaan voor instandhouding en beheer, exploratie of exploitatie
van natuurlijke rijkdommen, levend of niet-levend, van zeebodem en ondergrond
of van de daarboven gelegen wateren. Ook onderdanen van derde Staten die activiteiten
van deze aard in het betrokken zeegebied ontplooien, zullen met die regimes
rekening moeten houden. In zoverre is de grens dus ook voor hen relevant.
Anderzijds blijft het Koninkrijk in volkenrechtelijke zin voor het gehele
gebied van de exclusieve economische zone aansprakelijk voor de conformiteit
van de daar geldende wetgeving van zijn samenstellende delen met de door het
volkenrecht gestelde normen. Het vorenstaande is mutatis
mutandis van toepassing op de territoriale zeegebieden en aansluitende
zones van Curaçao en Bonaire alsmede Sint Maarten en Saba, die deels
aan elkaar grenzen.
Bezien vanuit de bilaterale verplichtingen jegens naburige staten blijft
het Koninkrijk voor het gehele betrokken zeegebied verantwoordelijk voor de
naleving van het bepaalde in het op 31 maart 1978 te Willemstad tot stand
gekomen Grensverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek
Venezuela (Trb. 1978, 61; 1979, 11). De daarin neergelegde regels onder meer
met betrekking tot doorvaart en overvlucht en met betrekking tot de bouw en
aanwezigheid van installaties in zee worden geenszins aangetast door de vaststelling
van een zeegrens tussen het land Curaçao en het openbaar lichaam Bonaire,
noch door de mogelijkheid dat aan weerszijden van die grens uiteenlopende
nationaalrechtelijke regimes van kracht worden.
Artikelen 2 en 4
De verwijzing, in de aanhef van artikel 1, naar het bepaalde in artikel
2, beoogt buiten twijfel te stellen dat de onderhavige zeegrens aansluit op
de eerder met Venezuela overeengekomen grens. Zou ooit een verschil blijken
tussen de ligging van de punten A en W zoals hier door coördinaten bepaald
en de ligging van diezelfde punten als drielandenpunt (of tripunt) op de overeengekomen
grens met Venezuela, dan komt aan die laatste ligging een doorslaggevende
betekenis toe.
In artikel 4 wordt bepaald dat in oostelijke richting en in westelijke
richting de eindpunten van de zeegrens, bedoeld in artikel 3, eerste lid,
de tripunten zijn, die de snijpunten vormen van de middellijnen tussen de
zeegebieden van het land Sint Maarten, het openbaar lichaam Saba en Frankrijk.
Anders dan in artikel 1, is er hier nog geen overeengekomen grens om op aan
te sluiten. De eindpunten liggen derhalve nog niet vast. De onderhandelingen
met Frankrijk hierover zijn gaande.
Ingevolge artikel 22, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk
geschieden de afkondiging en de opvolgende publicatie van een rijkswet of
een algemene maatregel van rijksbestuur in het land of de landen waar de regeling
zal gelden. Deze rijkswet zal, gezien de inhoud en strekking, niet gelden
in Aruba. Plaatsing in het Afkondigingsblad van Aruba is dan ook geen voorwaarde
voor haar inwerkingtreding. Niettemin is het wenselijk dat Aruba de rijkswet
publiceert, vanwege het scheepvaartverkeer tussen Aruba en de andere Benedenwindse
eilanden.
De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A. Th. B. Bijleveld-Schouten
De minister van Buitenlandse Zaken,
M. J. M. Verhagen