Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132036 nr. 16

32 036 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten (Wijzigingswet financiële markten 2010)

Nr. 16 ZEVENDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 10 november 2010

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel I wordt voor onderdeel A een onderdeel ingevoegd, luidende:

0A

In artikel 1:1 worden in alfabetische twee definities ingevoegd, luidende:

verordening grensoverschrijdende betalingen :

verordening (EG) Nr. 924/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende grensoverschrijdende betalingen in de Gemeenschap en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2560/2001 (PbEU L 266);

verordening ratingbureaus:

verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (PbEU L 302);.

B

In artikel I worden na onderdeel C twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Ca

Artikel 1:79, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel c komt te luiden:

c. de verordening grensoverschrijdende betalingen;.

2. Onder verlettering van onderdeel d tot onderdeel e wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

d. de verordening ratingbureaus; en.

Cb

Artikel 1:80, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel c komt te luiden:

c. de verordening grensoverschrijdende betalingen;.

2. Onder verlettering van onderdeel d tot onderdeel e wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

d. de verordening ratingbureaus; en.

C

In artikel I wordt na onderdeel H een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ha

Artikel 2:54h, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a komt te luiden:

a. artikel 4:9, tweede en derde lid, met betrekking tot de vakbekwaamheid van de in artikel 4:9, tweede lid, bedoelde personen; en.

2. Onderdeel b komt te luiden:

b. artikel 4:15, tweede lid, onderdeel b, aanhef en onder 1° en 2°, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering.

D

In artikel I wordt na onderdeel WW een onderdeel ingevoegd, luidende:

WWa

Artikel 5:9, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a vervalt «en».

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door «; en» wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

c. artikel 4, eerste lid, tweede volzin, van de verordening ratingbureaus.

E

In artikel I komt onderdeel DDDa te luiden:

DDDa

Na hoofdstuk 5.7 wordt een hoofdstuk toegevoegd, luidende:

Hoofdstuk 5.8 Toezicht op ratingbureaus

Artikel 5:89

1. Onze Minister wijst de toezichthouder, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de verordening ratingbureaus, aan.

2. Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, zijn met het toezicht op de naleving van de verordening ratingbureaus belast de bij besluit van de toezichthouder aangewezen personen.

3. De artikelen 1:72, tweede lid, 1:73, 1:74 en 1:75, eerste en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

F

Aan artikel I, onderdeel EEE wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

4. Na het onderdeel «Uitvoeringsverordening MiFID» worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

Verordening grensoverschrijdende betalingen

3, eerste en tweede lid

4, eerste en tweede lid

8, eerste, derde en vierde lid

Verordening ratingbureaus

4, eerste, derde en vierde lid

5, eerste lid

6, eerste en tweede lid

7, eerste tot en met vijfde lid

8, eerste tot en met zesde lid

9.

G

Aan artikel I, onderdeel FFF, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

4. Na het onderdeel «Uitvoeringsverordening MiFID» worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

Verordening grensoverschrijdende betalingen

3, eerste en tweede lid

4, eerste en tweede lid

8, eerste, derde en vierde lid

Verordening ratingbureaus

4, eerste, derde en vierde lid

5, eerste lid

6, eerste en tweede lid

7, eerste tot en met vijfde lid

8, eerste tot en met zesde lid

9.

H

Artikel V komt te luiden:

ARTIKEL V. WIJZIGING VAN DE WET OP DE ECONOMISCHE DELICTEN

Artikel 1 van de Wet op de economische delicten wordt als volgt gewijzigd:

1. In subonderdeel 2 wordt in de zinsnede met betrekking tot de Wet op het financieel toezicht «1:12, derde en vierde lid,» vervangen door «1:12, vierde en vijfde lid,» en wordt na «4:96, eerste en tweede lid,» ingevoegd «5:2, 5:25i, tweede en vijfde lid,».

2. In subonderdeel 4 vervalt de zinsnede «De verordening (EG) nr. 2560/2001 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 december 2001 betreffende grensoverschrijdende betalingen in euro (PbEG L 344), de artikelen 3, 4 en 5».

I

Artikel VII, onderdeel A, wordt als volgt gewijzigd:

a. In subonderdeel 1 wordt «geldtransactiekantoren als bedoeld in artikel 1» vervangen door: geldtransactiekantoor als bedoeld in artikel 1.

b. Subonderdeel 4 komt te luiden:

4. Er worden drie subonderdelen toegevoegd, luidende:

18°. natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij de uitvoering van betaaldiensten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht optreedt voor rekening van:

a. een betaalinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht; of

b. een betaaldienstverlener als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht met zetel in een andere lidstaat die beschikt over een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning voor het uitoefenen van zijn bedrijf;

19°. betaaldienstverlener als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;

20°. natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die beroeps- of bedrijfmatig een adres of postadres ter beschikking stelt;.

J

In artikel VIII, onderdeel 2, wordt in subonderdeel 1 de zinsnede «die rechtspersoon of vennootschap» vervangen door: het trustkantoor.

K

Artikel VIIId, onderdeel 1, komt te luiden:

1. In onderdeel D wordt artikel 2:54h als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel k, wordt de zinsnede «artikel 4:71b, eerste lid» vervangen door: artikel 4:71c, eerste lid.

2. In het eerste lid, onderdeel l, wordt de zinsnede «artikel 4:71b, tweede lid» vervangen door: artikel 4:71c, tweede lid.

3. In het eerste lid, onderdeel m, wordt de zinsnede «artikel 4:71b, derde lid» vervangen door: artikel 4:71c, derde lid.

4. In het eerste lid, onderdeel n, wordt de zinsnede «artikel 4:71c» vervangen door: artikel 4:71d.

5. Het tweede lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. artikel 4:9, tweede en derde lid, met betrekking tot de vakbekwaamheid van de in artikel 4:9, tweede lid, bedoelde personen; en.

6. Het tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

b. artikel 4:15, tweede lid, onderdeel b, aanhef en onder 1° en 2°, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering.

L

Artikel VIIIe vervalt.

M

Artikel IX komt te luiden:

ARTIKEL IX

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, waarbij terugwerkende kracht kan worden verleend tot en met een daarbij te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Toelichting

A

Met deze wijziging worden twee definities ingevoegd. Ten eerste wordt de definitie van de verordening grensoverschrijdende betalingen ingevoegd. Hierbij wordt Verordening (EG) Nr. 924/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende grensoverschrijdende betalingen in de Gemeenschap en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2560/2001 (PbEU L 266) gedefinieerd (hierna: Verordening 924/2009).

Deze Verordening heeft, net als eerder Verordening 2560/2001, tot doel om te garanderen dat de kosten van grensoverschrijdende betalingen in euro en die van overeenkomstige binnenlandse betalingen in een lidstaat gelijk zijn. Na evaluatie van de Verordening 2560/2001 bleek dat een aantal punten nadere aandacht verdiende: de verstoring van de interne betaalmarkt doordat de statistische rapportageverplichtingen uiteen lopen, problemen met de handhaving doordat er geen specifieke autoriteit is aangewezen, het ontbreken van buitengerechtelijke geschillenbeslechting en het feit dat automatische afschrijvingen niet onder de Verordening vallen. Deze aandachtspunten zijn in Verordening 924/2009 geadresseerd.

Met betrekking tot de rapportageverplichting geldt dat Nederland deze in de praktijk al toepaste zoals in de Verordening is voorgestaan. Verder zijn de in de Verordening gehanteerde definities afgestemd op de definities die gebruikt zijn in de richtlijn betaaldiensten.

De bevoegde autoriteiten in Nederland zijn voor wat betreft het gedragstoezicht de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM); voor het prudentiële toezicht betreft het de Nederlandsche Bank (hierna: DNB). Tot slot is de reikwijdte van de nieuwe Verordening groter. Naast grensoverschrijdende overmakingen en grensoverschrijdende elektronische betalingstransacties is Verordening 924/2009 ook van toepassing op grensoverschrijdende automatische afschrijvingen.

Ten tweede wordt de definitie van de verordening ratingbureaus ingevoegd. Deze verordening verwijst naar de verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (verordening ratingbureaus). Deze nieuwe definitie dient er, samen met de wijzigingen in artikel 1:79, 1:80, 5:9 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) en het nieuwe hoofdstuk 5.8, voor om uitvoering te geven aan de verordening ratingbureaus. Een ratingbureau is een rechtspersoon tot wiens activiteit de afgifte van ratings op professionele basis behoort (artikel 3 van de verordening ratingbureaus). Deze ratings bevatten een oordeel over de kredietwaardigheid van bijvoorbeeld een financieel instrument waarbij gebruik wordt gemaakt van een vast en welomschreven rangordesysteem van ratingcategorieën (artikel 3 van de verordening ratingbureaus). Met de financiële crisis zijn zwakke punten aan het licht gekomen in de methoden en modellen die de ratingbureaus hanteren voor de beoordeling van financiële instrumenten. Ook wordt geoordeeld dat ratingbureaus de verslechtering van marktomstandigheden niet vroeg genoeg tot uiting hebben laten komen in hun ratings en deze ratings niet tijdig hebben aangepast toen de kredietcrisis verergerde.

Omdat er binnen de EU geen toezicht op ratingbureaus bestond is met de verordening ratingbureaus een registratie- en toezichtregeling ingevoerd voor ratingbureaus die ratings afgeven die voornamelijk met het oog op de naleving van Gemeenschapsrecht worden gebruikt door financiële ondernemingen. Het hoofddoel van de verordening ratingbureaus is het handhaven van de stabiliteit van de financiële markten en het beschermen van investeerders. De verordening ratingbureaus bevat daartoe maatregelen op het gebied van belangenconflicten, de kwaliteit van ratings, de transparantie en interne governance van de ratingbureaus en het toezicht op de activiteiten van de ratingbureaus. Ook zullen door ratingbureaus ratingmethodologieën moeten worden gehanteerd die worden gekenmerkt door zorgvuldigheid, systematiek en continuïteit. Deze eis mag echter voor de toezichthouder geen reden zijn om zich te bemoeien met de inhoud van ratings en de methodologieën. Het is overigens van belang dat gebruikers van ratings niet blindelings op ratings vertrouwen maar bij het gebruik van dergelijke ratings hun eigen analyse verrichten.

Het toezicht op ratingbureaus in Europa is in ontwikkeling en de verwachting is dat dit toezicht Europees gecentraliseerd gaat worden maar waarschijnlijk zullen nationale toezichthouders ook na het centraliseren van het toezicht een (beperkte) rol in het toezicht blijven vervullen.

B

De nieuwe onderdelen c in de artikelen 1:79 en 1:80 van de Wft maken het voor de toezichthouder mogelijk om een last onder dwangsom of bestuurlijke boete op te leggen bij overtredingen van de verordening grensoverschrijdende betalingen (zie de toelichting op onderdeel A). In Verordening 924/2009 is expliciet benoemd dat de toezichthoudende autoriteiten daadwerkelijk moeten toezien op de naleving van deze verordening en alle nodige maatregelen moeten nemen om die naleving te waarborgen.

De nieuwe onderdelen d in de artikelen 1:79 en 1:80 van de Wft maken het voor de toezichthouder mogelijk om een last onder dwangsom of bestuurlijke boete op te leggen bij overtredingen van de verordening ratingbureaus (zie de toelichting op onderdeel A). De lidstaten dienen doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sancties vast te stellen indien sprake is van overtreding van bepaalde bepalingen van de verordening ratingbureaus (artikel 36 van de verordening ratingbureaus). Het merendeel van de gestelde normen in de verordening ratingbureaus is gericht tot de ratingbureaus zelf. Echter artikel 4, eerste volzin, van de verordening ratingbureaus is gericht tot de gebruikers van deze ratings. In artikel 4, eerste volzin, is bepaald dat de beleggingsondernemingen, herverzekeraars, instellingen voor collectieve belegging in effecten, kredietinstellingen, pensioenfondsen en verzekeraars voor regelgevingsdoeleinden (dat wil zeggen het gebruik van ratings met het oog op de naleving van EU-recht alleen gebruik mogen maken van ratings indien deze zijn afgegeven door in de EU gevestigde ratingbureaus die overeenkomstig de verordening ratingbureaus zijn geregistreerd.

In het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector worden de bepalingen die kunnen worden beboet en de bijbehorende boetecategorieën opgenomen.

C

Met de wijziging van artikel 2:54h, tweede lid, onderdeel a, van de Wft1 is beoogd nader te verduidelijken dat de onderliggende regelgeving ten aanzien van de vakbekwaamheidseisen aan het optreden als adviseur, bemiddelaar of gevolmachtigd agent eveneens van toepassing is op de premiepensioeninstelling die deze aanvullende diensten wil verlenen.

Beoogd was reeds om enkele eisen ten aanzien van de integere uitoefening van het bedrijf die gelden voor financiëledienstverleners, eveneens van toepassing te verklaren op de premiepensioeninstelling indien en voor zover deze tevens aanvullende financiële diensten verleent. In artikel 2:54h, tweede lid, onderdeel b, van de Wft was echter een foutieve verwijzing geplaatst. Met de voorgestelde wijziging wordt deze foutieve verwijzing gecorrigeerd.

D

In de verordening ratingbureaus is in artikel 4, tweede volzin, een norm opgenomen inzake verwijzingen naar ratings in een prospectus (zie de toelichting op onderdeel A). De AFM die de goedkeuring voor een prospectus moet verlenen zal bij de beoordeling van een prospectus deze norm in acht dienen te nemen.

E

Op grond van artikel 5:89 van de Wft wijst de minister van Financiën een toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de verordening ratingbureaus (zie de toelichting op onderdeel A). Na inwerkingtreding van deze bepaling is de intentie om de AFM, op grond van artikel 5:89, als bevoegde toezichthouder aan te wijzen. Geen verandering wordt beoogd van de vastgestelde procedure voor de erkenning van externe kredietbeoordelingsinstellingen (EKBI's) overeenkomstig de bepalingen uit de herziene richtlijn banken2 die is geïmplementeerd in paragraaf 10.5 van het Besluit prudentiële regels Wft.3 Ook de bestaande verantwoordelijkheden van de toezichthouders op het gebied van ratings blijven ongewijzigd.

De aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, strekt ertoe dat (bepaalde) personen werkzaam bij de aangewezen toezichthouder conform artikel 1:72 van de Wft worden aangewezen als personen belast met de uitoefening van het toezicht. Met het derde lid worden de artikelen 1:72, tweede lid, 1:73, 1:74 en 1:75, eerste en derde lid, van de Wft van overeenkomstige toepassing verklaard. In deze artikelen zijn de toezichtbevoegdheden van de met het toezicht belaste personen opgenomen. Deze personen kunnen inlichtingen vorderen en aanwijzingen geven zodat effectief toezicht op de naleving van de verordening ratingbureaus kan worden gehouden (artikel 23 van de verordening ratingbureaus).

F en G

Deze toevoegingen aan de bijlagen bij de artikelen 1:79 en 1:80 van de Wft geven de normen uit de verordening ratingbureaus en de verordening grensoverschrijdende betalingen weer.

H

Deze wijziging behelst het schrappen van de verwijzing naar de verordening (EG) nr. 2560/2001 in artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten. Toen Verordening (EG) nr. 2560/2001 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 december 2001 betreffende grensoverschrijdende betalingen in euro (PbEG L 344) van kracht werd, is er gekozen voor handhaving door het Openbaar Ministerie, door strafbaarstelling in de Wet op de economische delicten. Na inwerkingtreding van voornoemde Verordening is de Wft van kracht geworden. In deze wet is een duidelijke rol voor handhaving van het gedragstoezicht en prudentiële toezicht ter zake van onder meer betaaldienstverleners weggelegd voor de AFM respectievelijk DNB. Overtreding van de bepalingen in de Verordening (EG) nr. 2560/2001 die gesanctioneerd zijn, worden ingedeeld in een lichte categorie van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Daarom wordt voorgesteld om strafrechtelijke handhaving door het Openbaar Ministerie voor de in de Verordening (EG) nr. 2560/2001 vervatte bepalingen, te schrappen.

I

Deze wijziging strekt tot herstel van een verzuim. In artikel VII, onderdeel A, van het wetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 20104 wordt in de wijziging van artikel 1 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT) een nieuwe subonderdeel 18 toegevoegd op grond waarvan betaaldienstagenten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft worden aangewezen als instellingen waarop in het kader van de WWFT toezicht wordt uitgeoefend. Die wijziging van de WWFT beoogt in Nederland werkzame natuurlijke personen of rechtspersonen die bij de uitvoering van dergelijke betaaldiensten optreden voor rekening van betaaldienstverleners, zogenoemde agenten, onder de reikwijdte van die wet te brengen. Echter, door in het hiervoor genoemde subonderdeel 18, te verwijzen naar betaaldienstagenten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft wordt dat doel slechts ten dele bereikt omdat een in Nederland werkzaam zijnde agent, die bij de uitvoering van betaaldiensten optreedt voor rekening van een betaaldienstverlener met zetel in een andere lidstaat, niet als betaaldienstagent kan worden aangemerkt. De reden hiervoor is dat laatstgenoemd artikel het begrip «betaaldienstagent» definieert als persoon die bij de uitvoering van betaaldiensten optreedt voor rekening van een betaalinstelling. Een betaalinstelling in de zin van de Wft is een betaaldienstverlener waaraan – door DNB – een vergunning als bedoeld in artikel 2:3a van die wet is verleend. Uitsluitend betaaldienstverleners met zetel in Nederland kunnen over een dergelijke Wft-vergunning beschikken. Betaaldienstverleners met zetel in een andere lidstaat, die hun bedrijf willen uitoefenen door tussenkomst van een in Nederland werkzaam zijnde agent, dienen namelijk te beschikken over een door de toezichthouder van die andere lidstaat verleende vergunning. Het merendeel van de in Nederland werkzaam zijnde agenten treedt bij de uitvoering van betaaldiensten op voor rekening van betaaldienstverleners met zetel in een andere lidstaat. Om te bewerkstelligen dat (ook) zodanige agenten onder het bereik van de WWFT vallen, wordt thans voorgesteld de reikwijdte van subonderdeel 18 uit te breiden.

Verder is van de gelegenheid gebruik gemaakt enkele wijzigingen van redactionele aard door te voeren.

J

Uit de in artikel 1, onderdeel a, van de Wet toezicht trustkantoren (hierna: Wtt) opgenomen definitie van het begrip «trustkantoor» blijkt dat niet als trustkantoor kan worden aangemerkt een persoon of vennootschap die slechts (trust)diensten verleent in opdracht van een tot dezelfde groep als waarvan het trustkantoor deel uitmaakt, behorende persoon of vennootschap. De Wtt is niet gericht op dienstverlening binnen de «eigen» groep van het trustkantoor, d.w.z. de economische eenheid waarin personen of vennootschappen organisatorische eenheid zijn verbonden (artikel 1, onderdeel f, Wtt). In artikel VIII van het wetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 20105 wordt voorgesteld artikel 1, onderdelen a en d, van de Wtt te wijzigen. Als gevolg van de wijziging van artikel 1, onderdeel d, onder 1°, van de Wtt wordt in dat subonderdeel – indien het onderhavig wetsvoorstel tot wet wordt verheven en in werking is getreden – ten onrechte als voorwaarde opgenomen dat de persoon of vennootschap waaraan een trustdienst wordt verleend, de doelvennootschap, niet behoort tot de dezelfde groep als de opdrachtgever. In plaats daarvan moet in artikel 1, onderdeel d, onder 1°, als voorwaarde worden opgenomen dat degene die opdracht geeft voor het verlenen van de hiervoor bedoelde dienst niet behoort tot de dezelfde groep als waarvan het trustkantoor deel uitmaakt. Met de in deze nota van wijziging opgenomen wijziging van artikel VIII wordt die onjuistheid hersteld.

K

Op het moment van aanhangig maken van deze nota van wijziging is het wetsvoorstel tot Wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten in verband met de introductie van en het toezicht op premiepensioeninstellingen6 (hierna: PPI) in behandeling bij de Eerste Kamer. Het is waarschijnlijk dat dat wetsvoorstel eerder in werking zal kunnen treden dan het onderhavige; zo niet, dan bewerkstelligt deze samenloopbepaling dat het wetsvoorstel PPI op de bedoelde wijze wordt gewijzigd.

L

Met het verstrijken van de datum opgenomen in dit artikel is dit artikel overbodig en dient derhalve te vervallen.

M

Vanwege juridisch-technische redenen is gekozen voor een inwerkingtredingbepaling die het mogelijk maakt om bij koninklijk besluit een voor de verschillende artikelen van dit besluit verschillend tijdstip van inwerkingtreding te bepalen. Daarnaast is een mogelijkheid gecreëerd een aantal artikelen met terugwerkende kracht te laten gelden. Dit zal gelden voor Artikel VII, onderdeel K, welke zal terugwerken tot en met 1 augustus 2008 en de artikelen I, onderdeel Fa, VIIIa en VIIIb welke tot en met 1 november 2009 zullen terugwerken.

De minister van Financiën,

J. C. de Jager


XNoot
1

Artikel 2:54h wordt ingevoerd door middel van het wetsvoorstel tot Wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten in verband met de introductie van en het toezicht op premiepensioeninstellingen (Kamerstukken II 2008/09, 31 891, nr. 2).

XNoot
2

Richtlijn nr. 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEU L 77).

XNoot
4

Kamerstukken II 2008/09, 32 036, nr. 2, blz. 18.

XNoot
5

Kamerstukken II 2008/09, 32 036, nr. 2.

XNoot
6

Kamerstukken II 2008/09, 31 891, nr. 2.