32 034 Digitale leermiddelen

Nr. 83 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 juli 2026

Dit kabinet heeft de ambitie om (digitale) riskante strategische afhankelijkheden af te bouwen en de digitale autonomie te versterken.1 Een te grote strategische afhankelijkheid van niet-Europese techbedrijven2 en het ontbreken van volledig of grotendeels Nederlandse of Europese alternatieven, beperkt de keuzevrijheid van overheden, bedrijven, instellingen, organisaties en burgers. Overstappen naar andere systemen of leveranciers is in veel gevallen complex. Deze afhankelijkheid kan negatieve strategische of maatschappelijke consequenties hebben. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit, zal na de zomer in een brief aan uw Kamer ingaan op de bredere strategische inzet van het kabinet op het versterken van digitale autonomie.

Ook in het onderwijs is de strategische afhankelijkheid van niet-Europese techbedrijven groot. In deze brief gaan we in op de urgentie van digitale autonomie in het onderwijs, welke ambitie wij hebben om digitale autonomie te versterken, wat nu al gebeurt in de onderwijssectoren en wat nodig is om dit te versterken.

Het onderwijs is in grote mate (digitaal) afhankelijk

Veel digitale voorzieningen, waar leerlingen, studenten en docenten mee werken, worden geleverd door niet-Europese techbedrijven. Dit geldt zowel in het funderend onderwijs3 als het vervolgonderwijs4, blijkt uit onderzoek dat Dialogic in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft uitgevoerd. Met deze onderzoeken voeren we het deel van de motie Kathmann en Rooderkerk uit waarin de regering wordt verzocht om «in kaart te brengen welke kwetsbaarheden nu volgen uit de big-tech afhankelijkheid.»5 Uit deze onderzoeken blijkt dat deze afhankelijkheid ertoe kan leiden dat publieke waarden in het onderwijs6 en academische waarden7 onder druk komen te staan. Het gaat bijvoorbeeld om de toegankelijkheid, gegevensbescherming en met name de mate van autonomie.8 Hierdoor kunnen onderwijsinstellingen en docenten worden beperkt in de mate waarin zij hun onderwijs zelfstandig vorm kunnen geven.

Veel onderwijsinstellingen voelen de urgentie om meer digitaal autonoom te worden of minder afhankelijk te worden van enkele leveranciers, maar ervaren veel complexiteit, bijvoorbeeld bij het in kaart brengen van passende alternatieven en het migreren naar een andere omgeving. Overstappen vergt niet alleen een forse investering, maar ook veel tijd van personeel om zich te scholen in nieuwe systemen. In de praktijk is er vaak sprake van een vendor lock-in9, omdat grote softwareaanbieders aan onderwijsinstellingen geïntegreerde totaaloplossingen bieden, een sterke positie op de markt hebben en stimuleren dat scholen binnen hun gesloten ecosysteem blijven. Dit levert ook gebruiksgemak op voor het onderwijs doordat alle applicaties goed samenwerken. Voor veel digitale voorzieningen bestaan alternatieven, maar die bieden niet een samenhangend en geïntegreerd geheel.10 Ook is er een grote indirecte afhankelijkheid: veel toeleveranciers zijn voor de werking van hun eigen systemen afhankelijk van de infrastructuur van diezelfde techbedrijven.

De strategische afhankelijkheid van niet-Europese techbedrijven, kan mogelijk als (geopolitiek) drukmiddel worden ingezet, leiden tot misbruik van persoonlijke gegevens, de impact van onderbrekingen of verstoringen van digitale processen vergroten en situaties voortbrengen die niet in lijn zijn met de publieke waarden in het onderwijs.11 Het is belangrijk dat onderwijsinstellingen de ruimte hebben om zelf keuzes te maken die passen bij de onderwijskundige visie en behoeften van de leerlingen en studenten, zonder vast te zitten aan de onderwijskundige en didactische keuzes in de producten van één leverancier.

Een gezamenlijke ambitie om digitale autonomie te versterken ...

Een gezamenlijke ambitie helpt om een sectoroverstijgende richting te hebben voor de langere termijn. De uitgangspositie en context tussen onderwijssectoren en instellingen verschilt, waardoor tempo en aanpak tussen sectoren en instellingen uiteenlopen.

Wij vinden het belangrijk dat onderwijsinstellingen samen de voorwaarden en spelregels bepalen waaraan technologieaanbieders zich houden, waarbij publieke waarden centraal staan. We willen bijdragen aan een vrij toegankelijke markt met voldoende alternatieven. Dit is niet een opdracht voor onderwijsinstellingen alleen, maar vraagt een samenwerking tussen kennispartners, onderwijsinstellingen, andere partners in de publieke en private sector, de regering en Europese partijen. Het uitgangspunt is dat het onderwijs publieke regie voert op het versterken van digitale autonomie. Deze publieke regie gebeurt bij voorkeur via collectieve samenwerking tussen onderwijsinstellingen, en kan vormgegeven worden met onder andere collectieve afspraken, uniforme en open standaarden, het gezamenlijk stimuleren van (Europese) alternatieven en – indien nodig – het ontwikkelen van eigen digitale voorzieningen. De stip op de horizon is dat het onderwijs essentiële publieke voorzieningen onder (gezamenlijke) regie kan organiseren en dat alle onderwijsinstellingen hier gebruik van kunnen maken. De invulling van deze voorzieningen is niet altijd gelijksoortig tussen de onderwijssectoren, maar OCW wil met de onderwijssectoren werken aan eigen identiteitsvoorzieningen, de toegang tot (digitale) onderwijsmiddelen, autonome dataopslag en -uitwisseling van belangrijke onderwijsgegevens en het verantwoorde gebruik van Artificial Intelligence (AI).

... met een stapsgewijze aanpak die rekening houdt met verschillen tussen sectoren

Het versterken van digitale autonomie is complex: het is niet alleen een technologische maar ook een veranderkundige opgave bij onderwijsinstellingen, docenten en studenten en leerlingen zelf. Het versterken van digitale autonomie in het onderwijs vraagt om een stapsgewijze aanpak. Waar mogelijk werken we sector-overstijgend, rekening houdend met de uiteenlopende uitgangsposities en verschillen in mogelijkheden tussen onderwijssectoren en instellingen.

In het vervolgonderwijs zien we dat sectoren en instellingen met elkaar al flinke stappen zetten. Zo werken universiteiten samen aan een plan om digitaal autonomer te worden12 en heeft de Commissie Digitale Autonomie Universiteiten, UNL en het Rijk, uit naam van de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit, onlangs een intentieverklaring ondertekend met de gezamenlijke ambitie om de samenwerking op het gebied van digitale autonomie en digitale weerbaarheid te versterken. Het mbo heeft digitale autonomie als speerpunt opgenomen in de digitaliseringsroute,13 en in het hbo wordt digitale autonomie onderdeel van de digitale strategie. Binnen deze aanpakken kunnen zij voortbouwen op de intensieve samenwerking binnen SURF, en gebruik maken van de ontwikkelingen die al in gang zijn gezet bij Groeifondsprojecten Npuls voor het vervolgonderwijs en Edu-V voor het po, vo en mbo. In het vervolgonderwijs vinden we het belangrijk dat het initiatief voor het oppakken van deze opgave primair bij de onderwijssectoren zelf ligt. Dit past bij de verantwoordelijkheid van de instellingen voor de vormgeving van het onderwijs en de digitale middelen die ze daarbij inkopen en gebruiken. Bovendien vergroot dit het draagvlak voor de maatregelen omdat initiatieven aansluiten bij de onderwijspraktijk en voortbouwen op bestaande samenwerkingen.

Het funderend onderwijs heeft een aantal specifieke uitdagingen. De sector bestaat voor een aanzienlijk deel uit kleinere scholen met minder ict-expertise en innovatiemogelijkheden dan de instellingen in het vervolgonderwijs. De afhankelijkheden van de producten van grote techbedrijven zijn complex en de oplossing hiervan overstijgt over het algemeen de mogelijkheden van individuele schoolbesturen. Daarom is het hier belangrijk dat de schoolbesturen de handen ineenslaan en de rijksoverheid, samen met sectororganisaties, Kennisnet en SIVON, een coördinerende en faciliterende rol speelt, met name op landelijk en Europees niveau.

Er wordt al een aantal belangrijke stappen gezet. Vorig jaar is het Open Source Program Office (OSPO) gestart om scholen te ondersteunen bij het maken van bewuste en verantwoorde keuzes voor hun digitale voorzieningen. Tegelijkertijd werkt SIVON aan inkoopvoorwaarden en afspraken met leveranciers. Kennisnet ontwikkelt publieke voorzieningen in de ICT basisinfrastructuur. Het Edu-V keurmerk zorgt voor een veilige interoperabele digitale gegevensuitwisseling in het onderwijs.

In het aangekondigde Regieplan Digitalisering Funderend Onderwijs, dat in het najaar wordt gepresenteerd, zullen volgende stappen worden uitgewerkt ten aanzien van het terugdringen van strategische afhankelijkheden en het versterken van digitale autonomie door middel van voorwaarden en afspraken met educatieve- en techaanbieders over publieke waarden, en het stimuleren van scholen om de overstap te maken naar alternatieven in lijn met de publieke waarden in het onderwijs.

Er is daarmee al het nodige in gang gezet en we werken daarin goed samen met het onderwijsveld. Vanuit OCW richt onze inzet zich op een aantal elementen:

  • – Faciliteren van NGF-programma’s Npuls, Edu-V en NOLAI, waarmee ingezet wordt op onder andere uniforme standaarden en digitale sectorvoorzieningen.

  • – Verkennen op welke wijze we inzetten op inkoopvoorwaarden om de digitale autonomie te versterken en autonome cloud- en AI-oplossingen, in samenwerking met de onderwijspartners en de Europese Commissie.

  • – Inzetten op Europese samenwerking, onder andere met de Europees Digitaal Infrastructuur Consortium (EDIC) op het gebied van digitale autonomie in het onderwijs. Dit is een instrument van de Europese Commissie waarmee lidstaten samen digitale projecten opzetten, uitvoeren en versnellen.

  • – Faciliteren van het sector-overstijgende gesprek tussen onderwijsinstellingen, kennisorganisaties, het Rijk en de Europese Commissie.

Samen met de leden van de Informatiekamer14 hebben wij het initiatief genomen om een werkconferentie digitale autonomie te organiseren. Hierin bouwen we voort op deze Kamerbrief en werken we verder aan een breed gedragen aanpak met een bijbehorende routekaart. Ook komende jaren blijven we met deze partners samenwerken, zowel op bestuurlijk als uitvoerend niveau. Hiermee gaan wij in op een ander deel van de motie van de leden Kathmann en Rooderkerk om «met een structurele samenwerking met het onderwijsveld de afhankelijkheid van big-tech tegen te gaan.»15

In de bijlage bij deze brief, gaan wij in op de hoofdlijnen hoe het onderwijs meer digitaal autonoom kan worden, welke stappen op de kortere en langere termijn nodig zijn en welke partijen hierbij een rol hebben. Deze hoofdlijnen vergen een nadere uitwerking die we samen met de onderwijsverenigingen en landelijke partners willen maken. In het Regieplan Digitalisering voor het funderend onderwijs sturen we in het najaar een nadere uitwerking op een aantal onderdelen van digitale autonomie. Voor de bredere voortgang van de gezamenlijke aanpak informeren we u in de eerste helft van 2027.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.M. Letschert

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J.Z.C.M. Tielen

BIJLAGE 1 HOOFDLIJNEN GEZAMENLIJKE AANPAK

Bij het versterken van de digitale autonomie richten wij ons op twee pijlers, met een aantal onderdelen:

  • A. Versterken van de gezamenlijke regie

    • – Sturen op publieke waarden bij inkoop

    • – Het gebruik van uniforme standaarden

    • – Publieke digitale voorzieningen

  • B. Ruimte voor alternatieven

    • – Europese en Rijksbrede ontwikkelingen

    • – Alternatieven en bewustwording in het onderwijsdomein

Per pijler wordt uitgewerkt waarom dit belangrijk is, wat er al gebeurt en hoe dit versterkt of versneld kan worden.

A. Versterken van de gezamenlijke regie

Om als onderwijs zelf grip te hebben en te houden op de spelregels en voorwaarden waaronder digitale voorzieningen worden ingezet, is het belangrijk om op een aantal onderdelen gezamenlijk regie te voeren. Hiervoor kan een combinatie van diverse instrumenten worden ingezet, zoals sturen met inkoopvoorwaarden, afspraken, uniforme standaarden en het inrichten van gezamenlijke voorzieningen.

Sturen op publieke waarden bij inkoop

Instellingen geven jaarlijks tussen de 5 en 8 procent van hun budget uit aan digitale voorzieningen.16 Het onderwijs bezit daarmee als collectief een vraagmacht richting de markt. Hoewel het inkopen van digitale diensten aan de instellingen zelf is, kunnen zij via de inkoopvoorwaarden sturen op het versterken van digitale autonomie. Via de coöperaties SURF en SIVON wordt door instellingen in wisselende samenstellingen op sommige thema’s gezamenlijk ingekocht. In de praktijk blijkt echter dat onderwijsinstellingen op veel onderwerpen zelfstandig opereren en eigen inkoopvoorwaarden hanteren, mede omdat zij andere inkoopeisen hebben. Digitale autonomie is nog geen standaard onderdeel van deze voorwaarden.

  • – Wij willen als eerste stap met SURF, SIVON, Kennisnet en onderwijsinstellingen verkennen welke elementen in inkoopvoorwaarden bijdragen aan het versterken van digitale autonomie. Hierbij kan gedacht worden aan afspraken over uitwisselbaarheid met andere aanbieders, eisen rond de mate van soevereiniteit (zoals met een soevereiniteitsscore, uitgewerkt onder het kopje «uniforme standaarden»), de voorkeur voor open source toepassingen, het hebben van een exitstrategie en de keuze voor Europese oplossingen.

  • – Op basis van deze verkenning kunnen de onderwijssectoren bekijken of uniforme, sectoroverstijgende inkoopvoorwaarden opgesteld kunnen worden. Ook kan bekeken worden of en op welke onderdelen gezamenlijk inkopen bijdraagt aan het versterken van digitale autonomie. Het is belangrijk dat private partijen hierbij betrokken zijn, mede omdat zij niet alleen producten aanbieden op de onderwijsmarkt, maar ook zelf te maken met strategische afhankelijkheden van niet-Europese techaanbieders.

Het gebruik van uniforme standaarden

Standaarden vormen een basis voor digitale autonomie, omdat het hiermee gemakkelijker wordt om van aanbieder te wisselen en producten naast elkaar te gebruiken – zowel marktoplossingen als open-source toepassingen. Dit versterkt de autonomie. In het onderwijs werken we per sector vanuit een vastgestelde sectorarchitectuur (doelarchitectuur zoals de FOSA/MOSA/HOSA) die kaders bevat die leveranciers van de gemeenschappelijke informatie- en technologievoorzieningen helpen bij het ontwikkelen en leveren van voorzieningen in de komende 5 tot 10 jaar. Vanuit deze architectuur zijn er al veel standaarden in gebruik en bestaat ook een structuur met Edustandaard om standaarden tussen onderwijsinstellingen en marktpartijen met elkaar af te spreken en in beheer te nemen. De afgesproken standaarden worden echter nog niet door alle partijen altijd gebruikt. Binnen NGF-programma’s Edu-V en Npuls, wordt hard gewerkt aan een gezamenlijk afsprakenstelsel met een keurmerk voor leveranciers, waarmee onderwijsinstellingen en leveranciers gemakkelijk, uniform en veilig gegevens uit kunnen wisselen. Voor het versterken van de digitale autonomie, is het essentieel dat deze standaarden waar mogelijk tussen de onderwijssectoren geharmoniseerd worden, bij onderwijsinstellingen en leveranciers bekend zijn en collectief gebruikt worden. Om het gebruik van uniforme standaarden te stimuleren, loopt een aantal ontwikkelingen:

  • – Binnen de onderwijssectoren en de genoemde NGF-programma’s, is het belangrijk om bestuurlijk af te spreken dat onderwijsinstellingen zich inzetten om de architectuur, relevante standaarden en keurmerken te (gaan) gebruiken, zoals het Edu-V keurmerk. Wij zien dat alle onderwijssectoren, passend bij hun situatie, hier stappen in nemen en volgen deze ontwikkeling nauwgezet.

  • – OCW en EZK verkennen, samen met SURF, SIVON, de sectorverenigingen, of het mogelijk en haalbaar is bij essentiële onderwijsprocessen een minimale «soevereiniteitscore» te gebruiken waar aanbieders aan moeten voldoen. Dit sluit aan op de inhoud van de voorgestelde Cloud and AI Development Act.17

  • – Het is belangrijk dat instellingen zich als eerste richten op applicaties die op het gebied van digitale autonomie de grootste urgentie hebben. Om dit te bepalen, kunnen zij bijvoorbeeld gebruik maken van het door de Universiteit Utrecht ontwikkelde Digital Autonomie Assessment Framework.18

Publieke digitale voorzieningen

Op een beperkt aantal onderdelen van de digitale infrastructuur, kan het noodzakelijk zijn om voorzieningen collectief te organiseren. Deze voorzieningen versterken de digitale autonomie, zorgen voor schaalvoordelen en bieden lerenden beter onderwijs. Met name in het vervolgonderwijs worden nu al een aantal voorzieningen ontwikkeld die bijdragen aan de digitale autonomie van de onderwijsinstellingen. Het gaat om identiteits- en toegangsoplossingen, de toegang tot (digitale) onderwijsmiddelen, dataopslag en -uitwisseling van belangrijke onderwijsgegevens en AI. Via coöperatieve samenwerking worden deze voorzieningen ontwikkeld en beschikbaar gesteld aan onderwijsinstellingen in het vervolgonderwijs.

  • – Onze inzet is dat het beheer en de doorontwikkeling van deze voorzieningen duurzaam bekostigd wordt. Daarom is OCW betrokken bij het initiatief van Npuls om te komen tot een plan hoe de governance en de bekostiging van digitale sectorvoorzieningen structureel georganiseerd kan worden. Voor het funderend onderwijs wordt in het Regieplan Digitalisering Funderend Onderwijs nader ingegaan op de ontwikkeling van publieke digitale voorzieningen.

  • – We faciliteren het gesprek tussen het funderend- en vervolgonderwijs om waar mogelijk samen op te trekken en waar nodig gebruik te maken van elkaars ervaringen en kennis.

De eerste prioriteit om digitale autonomie te versterken, ligt bij de identiteits- en toegangsoplossingen omdat zij de toegang vormen tot het verdere digitale ecosysteem en onderwijsmiddelen. De Dialogic-onderzoeken laten zien dat deze oplossingen vaak in handen zijn van een niet-Europese techaanbieders, wat strategische afhankelijkheden met zich meebrengt.

Het onderwijs heeft een aantal digitale voorzieningen die hier een oplossing voor bieden. Met de bestaande voorzieningen Entreefederatie van Kennisnet in het funderend onderwijs en SURFconext in het vervolgonderwijs, hebben de leerling, student en docent met één inlog toegang tot alle digitale voorzieningen en leermaterialen. In het vervolgonderwijs wordt gewerkt aan eduID, waarmee een lerende een instellingsonafhankelijke, digitale identiteit heeft waarmee hij bij iedere onderwijsinstelling gemakkelijk en veilig kan inloggen: voor, tijdens én na de studie. In het funderend onderwijs werken scholen al langer met ECK-ID om leerlinggegevens veilig uit te wisselen.

  • – Voor het vergroten van de digitale autonomie is eduID een belangrijk instrument. De voorziening is al voor elke instelling in het vervolgonderwijs beschikbaar. Binnen NGF-programma Npuls hebben de onderwijsinstellingen in het vervolgonderwijs afgesproken dat alle instellingen deze voorziening uiterlijk in 2031 gebruiken.

Ten tweede richten we ons op de beschikbaarheid van onderwijsgegevens, waardedocumenten en de toegang tot het onderwijs. Het is voor de digitale autonomie van het onderwijs essentieel dat de toegang en opslag van belangrijke gegevens gewaarborgd is. De opslag van data en het gebruik van clouddiensten worden nu veelal geleverd door enkele grote leveranciers, die zich niet binnen de Europese jurisdictie bevinden.

  • – Het verminderen van deze afhankelijkheid vraagt intensieve samenwerking tussen OCW en EZK. Samen met EZK, SURF, SIVON, Kennisnet en de sectorverenigingen verkennen we de mogelijkheden om de cloud-afhankelijkheid van het onderwijs te verminderen, bijvoorbeeld via eigen cloud-oplossingen van bijvoorbeeld SURF, het aanscherpen van aanbestedingseisen voor publieke cloud-oplossingen en op langere termijn mogelijk het gebruik van de overheidsbrede soevereine clouddienst die in ontwikkeling is.

  • – Voor waardedocumenten werkt Npuls aan de eduwallet. Deze wallet stelt lerenden in staat hun identiteit en resultaten te bewaren en te delen, en hierin zelf de regie te hebben. Bij de ontwikkeling van de eduwallet worden de Europese ontwikkelingen op de het gebied van wallets meegenomen.

  • – Voor het aanmelden, intekenen en inschrijven ontwikkelt het vervolgonderwijs binnen Npuls een nieuwe gezamenlijke voorziening voor alle lerenden in het vervolgonderwijs. Hierdoor kunnen lerenden zich zonder drempels aanmelden voor hele opleidingen, onderdelen van opleidingen of delen van een opleiding bij een andere onderwijsinstelling volgen. Het doel is dat in 2028 alle onderwijsinstellingen in het vervolgonderwijs deze voorziening kunnen gebruiken en dat in 2031 85% van de instellingen dit ook doet.

De derde prioriteit is het versterken van de autonomie op het gebied van Artificial Intelligence (AI). AI ontwikkelt zich tot een generieke systeemtechnologie die in toenemende mate bepaalt hoe kennis wordt geproduceerd, verspreid en toegepast.

Commerciële AI-modellen worden in het onderwijs door leerlingen en studenten al volop gebruikt. Docenten worden hierdoor geconfronteerd met nieuwe uitdagingen, bijvoorbeeld hoe zij op een betekenisvolle manier hun onderwijs kunnen inrichten, op welke wijze zij toetsen en examineren en hoe ze leerlingen en studenten verantwoord leren omgaan met AI.

Veldpartijen geven aan dat we juist met AI nog niet vastzitten aan bepaalde ecosystemen en de mogelijkheid hebben om nieuwe, ongewenste afhankelijkheden te voorkomen. Het onderwijsdomein heeft een goede uitgangspositie en kennisbasis om studenten en docenten gebruik te laten maken van AI op basis van onze publieke waarden. Hierop lopen al een aantal belangrijke ontwikkelingen:

  • – Onderwijsinstellingen in het vervolgonderwijs ontwikkelen samen met SURF en Npuls een veilige, transparante en soevereine infrastructuur die toegang biedt tot AI-modellen aan studenten en docenten. De belangrijkste onderdelen daarvan zijn de AI-hub (een infrastructuur waarmee AI-modellen gedeeld kunnen worden) en EduGenAI (een gebruiksvriendelijke interface voor gebruikers).

  • – Momenteel test een forse groep instellingen, docenten en studenten uit het mbo, hbo en wo deze voorzieningen. Onderwijsinstellingen in het vervolgonderwijs hebben zelf zeer recent gezamenlijk € 5 miljoen aanvullend op de Npuls-middelen beschikbaar gesteld voor de doorontwikkeling en opschaling van EduGenAI. Het doel is dat eind 2026 alle instellingen in het vervolgonderwijs gebruik kunnen maken van EduGenAI. Onderwijsinstellingen ervaren een hoge urgentie om hun studenten en docenten te faciliteren met een veilige AI-oplossing. Snelheid, opschaling en het ontwikkelen van extra toepassingen op EduGenAI is daarom essentieel, omdat individuele onderwijsinstellingen zich anders genoodzaakt voelen zelfstandig met grootschalige techaanbieders verder te gaan.

  • – Op dit moment doet Kennisnet, in opdracht van OCW, een verkenning naar dergelijke voorzieningen in het funderend onderwijs, in afstemming met SURF.

  • – De Europese Commissie streeft naar meer Europese autonome AI-modellen.19 In combinatie met het gebruik van de AI-hub, kunnen onderwijsinstellingen hierdoor hun digitale autonomie verder vergroten. We volgen de ontwikkelingen hierbij op de voet.

  • – Tevens zetten we volop in op kennisdeling over de verantwoorde inzet van AI in het onderwijs. In het funderend onderwijs spelen NOLAI en Kennisnet hierin een belangrijke rol. NOLAI ontwikkelt intelligente onderwijsinnovaties voor het funderend onderwijs en onderzoekt de pedagogische en maatschappelijke gevolgen van AI. Kennisnet ondersteunt scholen onder andere met praktische handreikingen voor AI in het onderwijs. In het vervolgonderwijs gebeurt dit via Npuls en SURF. Npuls heeft bijvoorbeeld het AI-GO-raamwerk voor AI-geletterdheid ontwikkeld. SURF ondersteunt onderwijs- en onderzoeksinstellingen met digitale voorzieningen, kennisdeling en innovatie.

B. Ruimte voor alternatieven

Om de keuzevrijheid voor instellingen en daarmee de digitale autonomie te versterken, zijn volwaardige alternatieven nodig die gebruikt kunnen worden. Dit vraagt om de ontwikkeling en het bestaan van een goed aanbod van Europese en Nederlandse alternatieven. Het vraagt om een meer volwassen (Europees) ecosysteem.

Europese en Rijksbrede ontwikkelingen

Met name voor het versterken van autonomie rondom infrastructuur en voorzieningen, zoals cloud- en platformdiensten, is een Europese en nationale aanpak essentieel. Dit vraagt om goede aansluiting op, en afstemming met, de inspanningen die hierop vanuit de Europese Commissie worden ondernomen. De komende tijd verwachten we een aantal belangrijke ontwikkelingen:

  • – De afgelopen maanden heeft intensieve afstemming plaatsgevonden met de Europese Commissie en een kopgroep van lidstaten om samen te gaan werken in een Europees Digitaal Infrastructuur Consortium (EDIC) op het gebied van digitale autonomie in het onderwijs. In maart, april en mei hebben verkennende gesprekken met de Europese Commissie plaatsgevonden vanuit zowel het Ministerie van OCW als SURF, SIVON, Kennisnet en NOLAI. Ik zie dit als een grote kans om nationale initiatieven op Europees niveau op te schalen. Nederland zal binnen de EDIC een leidende rol innemen en actief bijdragen aan de werkzaamheden.

  • – Europees wordt sterk ingezet op digitale wetgeving. Op 3 juni is het Europese Tech Soevereiniteitspakket verschenen, met onder meer de Cloud and AI Development Act (CADA) en een Open-Source Strategie. Bij deze initiatieven is er nadrukkelijk aandacht voor het versterken van Europese (open source) alternatieven en cloud- en datacentercapaciteiten. In breder perspectief zal er vanuit de focus op Europees concurrentievermogen in het nieuwe Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2028–2034 aandacht zijn voor innovatie door middel van digitale middelen.

  • – De Europese Commissie werkt aan de Roadmap 2030 voor digitaal onderwijs en training, met als belangrijk aandachtspunt digitale autonomie. Naar verwachting zal de Commissie voor publicatie van de Roadmap, in het najaar van 2026, een open consultatie publiceren waar het ministerie en het onderwijsveld nogmaals de prioriteiten voor de komende jaren kunnen inbrengen. Hierbij zullen wij het belang van het creëren van Europese alternatieven inbrengen.

  • – In de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) is digitale autonomie één van de prioriteiten. Hierbij wordt gedacht aan het opzetten van een soevereine overheidscloud. Daarnaast lopen projecten zoals «MijnBureau», waarmee gewerkt wordt aan open source samenwerkingssoftware voor de overheid en publieke sector. OCW, EZK en BZK gaan in gesprek over hoe hier in kan worden samengewerkt en hoe de oplossingen die worden ontwikkeld kunnen worden uitgewisseld tussen de overheid en het onderwijsdomein.

Alternatieven en bewustwording in het onderwijsdomein

Het Dialogic-onderzoek naar strategische afhankelijkheden in de OCW-sectoren20 laat zien dat de context rondom afhankelijkheden en autonomie veelal sectorspecifiek zijn. Het onderwijsdomein heeft een eigen verantwoordelijkheid om in te zetten op (open source) alternatieven en het creëren van bewustwording van de afhankelijkheid van niet-Europese techbedrijven. Vanuit de sectoren wordt volop geëxperimenteerd met alternatieven. Zoals in de inleiding is aangegeven, vraagt dit om een stapsgewijze aanpak en met oog voor de uiteenlopende uitgangsposities en verschillen tussen de sectoren en instellingen.

De komende tijd zetten we in op het volgende:

  • – Het blijven stimuleren en testen van alternatieven en het ondersteunen van onderwijsinstellingen hierbij, zoals via de Open Source Program Office bij SIVON voor het funderend onderwijs en de pilots met Nextcloud, Mastodon en Peertube van SURF.

  • – SURF, SIVON en Kennisnet ondersteunen scholen bij het in kaart te brengen welke alternatieven beschikbaar zijn en stellen een stappenplan op over hoe naar alternatieven kan worden overgestapt en wat daarvoor nodig is.

  • – We zetten in op digitale geletterdheid van alle leerlingen en studenten. Voor het maken van een weloverwogen keuze is het namelijk belangrijk dat lerenden, docenten en bestuurders voldoende digitaal geletterd en bewust zijn. Dit begint al op de basisschool. Wij zijn daarom erg blij dat digitale geletterdheid één van de kerndoelen is geworden in het curriculum in het funderend onderwijs. Scholen die aan de slag willen met de nieuwe kerndoelen digitale geletterdheid kunnen dat nu al doen. Zij kunnen via het Expertisepunt digitale geletterdheid of het Masterplan Basisvaardigheden kennis en inspiratie opdoen. In het vervolgonderwijs is het doel dat digitale vaardigheden in elke curriculum is opgenomen, waar via Npuls hard aan wordt gewerkt.

  • – Essentieel voor het kunnen ontstaan en duurzaam blijven bestaan van Nederlandse en Europese alternatieven, is de beschikbaarheid van voldoende digitaal talent. Hier is een belangrijke rol voor het onderwijs zelf weggelegd. Via het Actieplan Groene en Digitale Banen werken de ministeries van OCW en EZK hier o.a. samen aan met het Ministerie van SZW.


X Noot
1

Regeerakkoord 2026 – 2023 Aan de slag, Bouwen aan een beter Nederland

X Noot
2

Zogenoemde «big-tech aanbieders». Hierbij hanteren wij de definitie van Dialogic en Rathenau: «de technologiebedrijven met de hoogstgenoteerde beurswaarde ter wereld en waarvan de diensten door de Nederlandse samenleving veelvuldig gebruikt worden en die zich kenmerken door een hoge mate van horizontale en verticale integratie van diensten.»

X Noot
3

Dialogic (2025), Afhankelijkheid en autonomie, Bigtech-dienstverlening in het funderend onderwijs

X Noot
4

Dialogic (2026) Big-tech in OCW-sectoren

X Noot
5

Kamerstukken II, 2025/26, 32 034, nr. 70.

X Noot
6

SURF & Kennisnet (2025), waardenwijzer, https://www.surf.nl/themas/publieke-waarden/waardenwijzer

X Noot
7

Het gaat hierbij om waarden als openheid, onafhankeheilijkheid, integriteit, transparantie, verifieerbaar, toetsbaar en ruimte voor autonome kennisontwikkeling.

X Noot
8

Kerssens, N., & Van Dijck, J. (2022). Governed by edtech? Valuing pedagogical autonomy in a platform society. Harvard Educational Review, 92(2), 284–303.

X Noot
9

Een vendor-lock in betekent dat een organisatie zo afhankelijk is van één leverancier dat overstappen naar een alternatief zeer kostbaar, tijdrovend of technisch vrijwel onmogelijk is.

X Noot
10

Dialogic (2025), Afhankelijkheid en autonomie, Bigtech-dienstverlening in het funderend onderwijs, p. 5.

X Noot
11

SURF & Kennisnet (2025), waardenwijzer, https://www.surf.nl/themas/publieke-waarden/waardenwijzer

X Noot
12

Universiteiten van Nederland, versterken digitale autonomie bij universiteiten, Versterken Digitale Autonomie bij de Universiteiten | Universiteiten van Nederland

X Noot
13

MBO Digitaal (2026), digitaliseringsroute mbo, De mbo digitaliseringsroute - MBO Digitaal

X Noot
14

In de informatiekamer zitten de bestuurders van de sectorraden van het po, vo, mbo, hbo en wo, Surf, Kennisnet, SIVON en OCW.

X Noot
15

Kamerstukken II, 2025/26, 32 034, nr. 70.

X Noot
16

Berenschot (2025) IT-kosten hogescholen stijgen ondanks dalende studentenaantallen; MBO Raad (2023), financiële benchmark MBO

X Noot
17

Europese Commissie (2026), Proposal for the Cloud and AI Development Act (CADA), https://digital-strategy.ec.europa.eu/en/library/proposal-cloud-and-ai-development-act-cada

X Noot
19

Europese Commissie (2026), Proposal for the Cloud and AI Development Act (CADA), https://digital-strategy.ec.europa.eu/en/library/proposal-cloud-and-ai-development-act-cada

X Noot
20

Dialogic (2026) Big-tech in OCW-sectoren

Naar boven