31 985 Buitenlands beleid en handelspolitiek

F VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 28 januari 2026

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Buitenlandse Zaken en de Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp over Europees voorstel voor opschorting van handelsconcessies met Israël. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 12 november 2025.

  • De antwoordbrief van 26 januari 2026.

De waarnemend griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp, Karthaus

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BUITENLANDSE ZAKEN, DEFENSIE EN ONTWIKKELINGSHULP

Aan de Minister van Buitenlandse Zaken

Den Haag, 12 november 2025

De leden van de commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp (BDO) hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel2 aangaande opschorting van handelsconcessies met Israël, dat op 17 september 2025 door de Europese Commissie is gepubliceerd. De leden van de fracties van BBB, JA21, SP en SGP hebben naar aanleiding hiervan enkele vragen en opmerkingen. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA sluiten zich aan bij de vragen van de leden van de SP-fractie. De leden van de fractie van de PVV sluiten zich aan bij de vragen van de leden van de fracties van BBB, JA21 en SGP.

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

Tijdens de EU Raad Buitenlandse Zaken van 20 oktober 2025 is besloten de sancties tegen Israël, waaronder mogelijke opschorting van de handelspreferenties onder het associatieakkoord, nog niet in werking te laten treden. Dit staat onder meer in een artikel van Trouw3 en dit is ook via ambtelijke weg bevestigd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Naar aanleiding hiervan stellen de leden van de BBB-fractie de volgende vragen.

  • 1. Kunt u reflecteren op het feit dat het parlement een dergelijk belangrijk gegeven uit de krant moet vernemen in plaats van dat sprake is van proactieve informatieverstrekking door de regering? Welke andere van belang zijnde informatie op dit vlak is niet of nog niet gedeeld?

Deze leden constateren dat de Europese Commissie voorstelt om bepaalde handelsgerelateerde bepalingen van de Associatieovereenkomst tussen de EU en Israël tijdelijk op te schorten. De opschorting betreft met name de delen van de overeenkomst over: het vrije verkeer van goederen, het recht van vestiging en dienstverlening, en bepalingen met betrekking op overheidsopdrachten, mededinging en intellectueel eigendom.

  • 2. Kunt u specificeren wat onder opschorting wordt verstaan? Hoe kan sprake zijn van opschorting terwijl het besluit nog niet is genomen? Of wordt hier bedoeld opschorting van het nemen van zo’n besluit?

  • 3. Welke objectieve criteria worden gehanteerd om de status «opschorting» om te zetten in een definitieve voordracht een besluit voor te dragen en te nemen? Is aan de opschorting ook een termijn verbonden of blijft dit (te nemen) besluit in de lucht hangen met negatieve effecten op de diplomatieke relatie en de handelsrelatie met Israël?

Een dergelijk besluit betekent dat Israël zijn preferentiële toegang tot de EU-markt verliest en dat de gebruikelijke douanetarieven voor derde landen gaan gelden.

  • 4. Heeft de Europese Commissie of in ieder geval het kabinet in kaart gebracht welke tegenmaatregelen Israël overweegt of kan overwegen en wat de impact daarvan zal zijn op de Nederlandse economie alsmede de politieke en diplomatieke relatie?

Het voorstel van de Commissie volgt op een evaluatie van de naleving door Israël van artikel 2 van de Associatieovereenkomst, waarin het respect voor mensenrechten en democratische beginselen als essentieel onderdeel is vastgelegd. Volgens de evaluatie zijn er aanwijzingen dat Israël dit artikel schendt.

  • 5. Kunt u deze evaluatie delen? Wanneer heeft deze plaatsgevonden? Welke methode en fact finding is daarbij gebruikt? En op welke wijze zijn de conclusies getoetst en door wie?

De beoogde sanctie betreft uitsluitend Israël, een land dat onder dagelijkse terreur staat van een erkende terroristische organisatie die in het eerste jaar van het conflict (na oktober 2023) alleen al 13200 projectielen, raketten, mortiergranaten op weerloze Israëlische burgers heeft afgeschoten, zo constateren de leden van de BBB-fractie.

  • 6. Welke aanvullende sancties heeft de EU uitgevoerd sinds 7 oktober 2023 of is de EU van plan uit te voeren ten aanzien van de diverse terreurorganisaties die Israël bedreigen? En welke sancties zijn uitgevoerd of worden voorzien tegen de statelijke helpers van deze terreurorganisaties?

Vergelijkbare EU-sancties – gericht op het opschorten of intrekken van preferentiële handelsconcessies, zoals het Generalized System of Preferences (GSP), WTO most-favoured-nation (MFN)-status of associatieakkoorden – gelden slechts voor een beperkt aantal landen of regimes. Deze worden vaak ingevoerd bij zeer ernstige en objectief juridisch aangetoonde schendingen van mensenrechten, democratische normen of internationale verplichtingen. Volgens een overzicht van de meest relevante gevallen, gebaseerd op actuele EU-beleidsdocumenten en recente ontwikkelingen (stand oktober 2025) betreft het slechts een handjevol landen met focus op handel gerelateerde opschortingen, niet op bredere sectorale sancties (zoals energie-embargo’s tegen Rusland):

  • Myanmar (Birma),

  • Wit-Rusland,

  • Kenia,

  • Cambodja,

  • Guatemala.

Hieruit trekken de leden van de BBB-fractie de conclusie dat het blijkbaar een zeer zeldzaam instrument is om in te zetten met dientengevolge strenge criteria voor toepassing. Bent u het eens met deze conclusie, en zo niet, waarom niet?

  • 7. Kunt u aangeven welke criteria de EU gebruikt om toepassing van dit zware middel op Israël te overwegen, een democratisch land te midden van een zee aan (religieus) autocratisch geleide landen die het bestaan van het land Israël direct of indirect bedreigen?

  • 8. Kunt u voor elk van de genoemde landen die door de EU op basis van voormelde redenen door handelssancties zijn getroffen aangeven wat de criteria waren, hoe deze zijn getoetst en vooral ook of er evaluatie van het effect heeft plaatsgevonden zowel qua mensenrechten als impact op de wederzijdse relaties?

Deze sancties vallen onder de «essentiële elementen»-clausule in EU-handelsakkoorden (bijv. Artikel 2 van het EU-Israëlakkoord), die «passende maatregelen» bij mensenrechtenschendingen toestaat. Voor GSP (voor ontwikkelingslanden) geldt een vergelijkbaar systeem via Verordening (EU) 978/2012. Daarbij stellen de leden van de BBB-fractie dat WTO-MFN-opschortingen (zoals bij Rusland) zeldzaam zijn en deze vereisen coördinatie met partners zoals de G7. De voorgestelde Israël-maatregel is volgens deze leden nog beperkt (geen volledig handelsverbod), terwijl bij Rusland/Wit-Rusland bredere sectorale sancties gelden (bijvoorbeeld olie, technologie). Myanmar en Cambodja zijn klassieke GSP-voorbeelden, gericht op lage-inkomenslanden. De EU heeft bredere sancties (niet puur handelsopschorting) tegen Syrië (sinds 2011, incl. olie-embargo), Venezuela (sinds 2017, asset freezes en wapenban) en Iran (sinds 2010, nucleair programma; gedeeltelijk opgeschort in 2016 maar heringevoerd 2018). Deze zijn minder direct vergelijkbaar met «concessies-opschorting».

  • 9. Heeft u kennis van plannen, hoe prematuur ook, om bredere sancties tegen Israël te overwegen? Kunt u aangeven welke besluitvormingscriteria de regering zal hanteren bij de beoordeling van een mogelijk toekomstig voorstel tot uitbreiding?

De leden van de BBB-fractie constateren dat sancties periodiek worden herzien (bijv. Wit-Rusland in 2025 uitgebreid). De EU heeft in 2025 geen nieuwe GSP-opschortingen aangekondigd, maar monitort landen als Ethiopië en Bangladesh.

  • 10. Indien de opschorting uiteindelijk leidt tot implementatie, welke beoordelingscriteria worden dan gehanteerd met betrekking tot de (non-)effectiviteit en contraproductiviteit? Wanneer zou zo’n evaluatie plaatsvinden? Is dat ook een herijkingsmoment voor de Raad en behoeft verdere inzet van het middel dan goedkeuring van de Raad? Indien u voornemens bent het middel te ondersteunen kunt u dan goedkeuring koppelen aan evaluatie en een hernieuwde stemming? Zo niet, waarom niet? En kunt u daarop aansturen?

Het voorstel is in overeenstemming met artikel 2 van de overeenkomst, waarin de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen als essentieel element van die overeenkomst wordt aangemerkt. Dit initiatief is ook in overeenstemming met het beleid van de EU op het gebied van buitenlandse betrekkingen (met inbegrip van overwegingen inzake mensenrechten en fundamentele vrijheden). De leden van de BBB-fractie merken daarbij op dat meer in het bijzonder dit voorstel in overeenstemming is met artikel 21, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), waarin is bepaald dat de Unie toeziet op de samenhang tussen de verschillende onderdelen van haar externe optreden, met inbegrip van de consolidering en ondersteuning van de mensenrechten.

De EU prioriteert handel boven sancties (ECB: toenemende banden met autoritaire regimes sinds 2012), maar clausules bieden potentieel voor actie (bijvoorbeeld via gekwalificeerde meerderheid voor deelopschorting).

  • 11. Welke rechtvaardiging hanteert de EU om in het geval van Israël af te wijken van dit principe?

Het handelsverdrag met Israël is een Associatieovereenkomst (AA, in werking sinds 2000), een AA met een sterke vrije handelscomponent (vrijhandelsovereenkomst voor industriële goederen, preferentiële toegang voor landbouw). Dit type verdrag richt zich op politieke dialoog, economische integratie en mensenrechtenclausules (art. 2: respect voor mensenrechten en democratie als essentieel element).

De EU heeft vergelijkbare AA’s met een Vrijhandelsovereenkomst (FTA)-component gesloten met landen in de Europees Nabuurschapsbeleid (ENP) en andere regio’s. Hieronder geven de leden van de BBB-fractie een overzicht van de belangrijkste (in werking, gebaseerd op EU-gegevens tot 2025) met focus op bilaterale AA’s; multilaterale zoals met Mercosur of ACP zijn uitgesloten.

  • Turkije,

  • Marokko,

  • Egypte,

  • Tunesië,

  • Jordanië,

  • Algerije,

  • Libanon,

  • Oekraïne,

  • Georgië,

  • Moldavië,

  • Palestijnse Autoriteit,

  • Chili,

  • Mexico,

  • Zuid-Korea,

  • Singapore,

  • Canada,

  • Vietnam.

Alle genoemde verdragen bevatten mensenrechtenclausules (clausules inzake essentiële elementen) die schorsing toestaan bij ernstige schendingen (bijvoorbeeld art. 2 EU-Israel AA). De EU monitort dit via jaarrapporten en kan sancties opleggen (bijv. GSP+ intrekken of AA opschorten). Echter, opschorting is zeldzaam (nooit volledig voor AA’s; wel sectoraal, bijvoorbeeld Syrië 2011).

Gebaseerd op EU-rapporten (2024–2025), HRW, OHCHR, Freedom House en ECB-studie (die een daling in democratie onder EU-partners noteert sinds 1999), schenden de volgende landen ernstig en systematisch mensenrechten/democratische principes (marteling, onderdrukking oppositie, discriminatie, corruptie, geen vrije verkiezingen).

  • Turkije. EU-rapport 2024:4 «ernstige achteruitgang» onder andere door geweld richting Koerden, onwettige arrestaties en partijdige rechtspraak, arrestaties oppositie en journalisten. Schorsing onderhandelingen maar AA blijft intact.

  • Egypte. EU-rapport 20255: «systematische schendingen» door marteling, verdwijningen, repressie van Ngo’s, pers en oppositie. GSP onder druk maar geen opschorting.

  • Marokko. EU-rapport 20246: «betwist» door politioneel geweld in de Westelijke Sahara en verdergaande discriminatie van de Berbers. GSP-monitoring maar de handel groeit.

  • Algerije. EU-rapport 2025: «beperkte vooruitgang». AA intact ondanks alle kritiek.

  • Libanon. EU-rapport 2024: hulpgelden gekoppeld maar AA niet geschorst.

  • Ook de Palestijnse Autoriteit heeft geen opschorting van handel gekregen.

De leden van de BBB-fractie merken hierbij op dat sommige van bovenvermelde landen een rol spelen in het vredesproces, maar zijn zelf onderwerp van kritiek. Daarnaast zijn er nog mensenrechtenproblemen in Oekraïne, Georgië en Moldavië.

  • 12. Kunt u aangeven waarom Israël wel in aanmerking zou komen voor handelssancties en de andere bovenvermelde landen niet? Dit terwijl Israël de enige democratie in de regio is, onder dagelijkse terreur lijdt, een gewapend conflict heeft met terroristen die hun eigen bevolking en ziekenhuizen gebruiken als schild?

    Bent u het eens met de uitleg van deze leden dat volgens bindend internationaal recht, onder andere het Genocideverdrag 1948 en het Statuut van Rome (ICC art 6) voor genocide twee vereisten zijn namelijk het plegen van (vijf) verboden handelingen (actus reus) en specifieke opzet (dolus specialis) om een beschermde groep te vernietigen. Bent u het ook eens dat sprake moet zijn van systematische en wijdverspreide handelingen «met de bedoeling om een nationale, etnische, raciale of religieuze groep als zodanig geheel te vernietigen» en dat een hoog aantal betreurenswaardige slachtoffers niet automatisch genocide inhoudt? Bent u het daarnaast met de leden van de BBB-fractie eens dat het de rechter is die het label genocide kan hanteren maar niet politici, de media of de massa?

In de periode 2023 tot nu (november 2025) zijn er meerdere conflicten met beschuldigingen van genocide of massale wreedheden, vaak door etnische of politieke lijnen. Deze zijn gebaseerd op rapporten van betrouwbare bronnen zoals de VN, Amnesty International, Human Rights Watch (HRW), Genocide Watch en het Early Warning Project van het US Holocaust Memorial Museum (USHMM).

De leden van de BBB-fractie leggen graag de volgende actieve of recente gevallen aan u voor waar deskundigen expliciet «genocide» of «massamoorden» noemen maar waar net zoals in geval van Israël (geheel of gedeeltelijk) geen rechterlijke toets aan ten grondslag ligt:

  • Sudan met naar schatting 50.000 tot 150.000 doden,

  • Ethiopië met 70.000 tot 130.000 dodelijke slachtoffers,

  • Congo DRC met 20.000 doden,

  • Jemen met 100.000 doden,

  • India (Manipur).

Het Early Warning Project rangschikt landen als Pakistan en Afghanistan hoog op «massamoorden».

  • 13. Zijn er vanuit de EU of Nederland (vergelijkbare) sancties geïmplementeerd, of zijn deze in de maak? Zo niet, waarom niet? Welke objectieve criteria gebruikt de EU om deze voorbeelden anders te behandelen dan Israël? En wat is de positie van de regering in dezen? Bent u bereid dit te onderzoeken c.q. in de Raad te bepleiten? Zo nee, waarom niet?

Naast landen waarmee vergelijkbare handelsakkoorden zijn gesloten zijn er landen waar sprake is van een onderdrukking van de vrije pers, gevangenhouding zonder onafhankelijke rechterlijke toets, agressieve bezetting, massamoorden, massadeportaties en andere gruwelijkheden zoals China met betrekking tot Hong Kong, Tibet en de Oeigoeren. U bent ongetwijfeld bekend met andere landen waar christen en andere religieuze vervolging plaatsvindt.

  • 14. Heeft de EU vergelijkbare sancties geïmplementeerd of voorbereid? Zo ja, welke zijn dat? Zo niet, wat is de positie van de Nederlandse regering zowel zelfstandig als binnen de EU ten aanzien van het ontwikkelen van een sanctiebeleid?

Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie

  • 1. De leden van de JA21-fractie stellen vast dat de regering eerder heeft verklaard dat meer diplomatieke druk op Israël noodzakelijk was om een staakt-het-vuren te bereiken. Inmiddels is dat staakt-het-vuren tot stand gekomen en houdt Israël zich aan de overeengekomen afspraken, inclusief terugtrekking achter de afgesproken lijn. Deze leden merken daarbij op dat Hamas daarentegen herhaaldelijk het bestand heeft geschonden, onder meer door vuurovertredingen en het niet overdragen van alle gijzelaars, waaronder de lichamen van acht vermoorde burgers. Kunt u toelichten waarom diplomatieke druk en sanctiedreiging primair op Israël wordt gericht? In welke mate past de regering vergelijkbare instrumenten toe of overweegt het die toe te passen ten aanzien van Hamas? Welke maatstaven hanteert de regering bij het bepalen van de richting en zwaarte van de diplomatieke druk?

  • 2. De regering motiveerde eerdere drukmaatregelen met het oog op het bereiken van een wapenstilstand. Nu die wapenstilstand is bereikt, wat is thans het doel van verdere druk op Israël? Hoe rijmt u dit met het risico dat aanhoudende druk de fragiele implementatiefase van het vredesplan ondermijnt?

  • 3. Het staakt-het-vuren en de de-escalatie van de Iraanse dreiging kwamen tot stand zonder noemenswaardige Europese diplomatieke rol. Hoe beoordeelt u het risico dat verdere sanctiemaatregelen tegen Israël de Europese Unie juist marginaliseren als geopolitieke actor, in plaats van die rol te versterken?

  • 4. De Europese integratie is historisch gestoeld op het beginsel van economische samenwerking als fundament voor vrede. Op welke wijze draagt economische isolatie van een democratische bondgenoot bij aan vrede en stabiliteit in de regio? Kunt u uitleggen waarom Nederland afwijkt van dit kernbeginsel van de EU door economische samenwerking met Israël te beperken?

  • 5. De regering benadrukt doorgaans dat economische diplomatie en samenwerking instrumenten zijn om vrede te bevorderen. Waarom wordt in dit dossier gekozen voor economische strafmaatregelen, in plaats van het stimuleren van gezamenlijke projecten tussen Israëliërs en Arabieren of Palestijnen, zoals onder de Abraham-akkoorden is gebleken effectief te zijn?

  • 6. De leden van de JA21-fractie constateren dat in EU-documenten uitvoerige verwijten aan Israël worden gemaakt, terwijl er nauwelijks aandacht is voor het systematisch gebruik van menselijke schilden, de roof van humanitaire goederen en executies door Hamas. Hoe verklaart u deze asymmetrische focus? Beaamt u dat een dergelijke selectieve benadering het beeld versterkt dat Israël anders wordt behandeld dan andere partijen in het conflict, inclusief terroristische organisaties?

  • 7. De Europese Commissie beroept zich op vermeende schendingen van artikel 2 van het Associatieverdrag door Israël. Bent u bereid inzichtelijk te maken op basis van welke objectieve criteria dergelijke schendingen worden vastgesteld, en op welke gronden in dit specifieke geval wordt geoordeeld dat Israël, en niet Hamas, verantwoordelijk is voor verslechtering van de humanitaire situatie?

  • 8. Israël is een belangrijke partner voor Nederland op het terrein van veiligheid, technologie, landbouw en innovatie. Welke analyse heeft de regering gemaakt van de economische en veiligheidsgevolgen van (gedeeltelijke) opschorting van het verdrag voor Nederland zelf? Is er sprake geweest van een nationale kosten-batenanalyse?

  • 9. Kunt u uiteenzetten op welke wijze (gedeeltelijke) opschorting van het EU-Israël Associatieverdrag, juist in deze fase van het vredesproces, concreet bijdraagt aan vrede, stabiliteit en humanitaire verbetering, en waarom de regering deze koers verkiest boven diplomatie, wederopbouwpartnerschappen en regionale economische samenwerking?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het langverwachte voorstel van de Europese Commissie om de handelsconcessies met Israël op te schorten. Deze leden constateren dat besluitvorming binnen de EU hierover opnieuw is uitgesteld, terwijl het staakt-het-vuren in Gaza recent is gebroken door Israël met massale aanvallen met vele tientallen onschuldige slachtoffers tot gevolg; de humanitaire crisis in Gaza als gevolg van de Israëlische vernietigingsoorlog nog steeds ongekend groot is en blijft mede doordat Israël nog steeds grote beperkingen oplegt aan de humanitaire toegang tot Gaza, en ook het Israëlische geweld op de bezette Westelijke Jordaanoever onverminderd voortduurt. De leden van de SP-fractie vragen u om een toelichting op de Nederlandse inzet en de afweging om verdere maatregelen vooralsnog af te wachten.

  • 1. De regering schrijft in haar beantwoording op vragen van de Tweede Kamer dat de prioriteit nu ligt bij het laten slagen van het zogenaamde vredesplan. Kunt u toelichten waarom economische druk via handelsmaatregelen niet juist kan bijdragen aan naleving van dat «vredesplan» door Israël?

  • 2. Waarom kiest de regering ervoor om nu af te wachten, in plaats van actief te pleiten voor snelle besluitvorming over dit voorstel?

  • 3. Deelt u de opvatting van de leden van de SP-fractie dat het blijven uitstellen van besluitvorming over dit voorstel het risico met zich meebrengt dat Israël de indruk krijgt dat er geen politieke of economische consequenties staan op schendingen van het internationaal humanitair recht, en zo ja welke conclusies verbindt zij daaraan, en zo nee, waarom niet?

  • 4. Welke criteria hanteert u om te bepalen wanneer de drempel is bereikt om handelsconcessies daadwerkelijk op te schorten?

  • 5. Acht u de huidige situatie in Gaza, waar Israël de humanitaire toegang nog altijd ernstig inperkt, voldoende verbeterd om af te zien van deze handelsmaatregelen?

  • 6. Hoe beoordeelt u de berichten7 dat Israël het staakt-het-vuren in Gaza heeft doorbroken met nieuwe aanvallen waarbij veel burgers zijn omgekomen, in het licht van het Europese voorstel tot opschorting van handelsconcessies met Israël? Geven deze ontwikkelingen voor de regering nog aanleiding tot een herziening van de huidige terughoudende houding binnen de EU?

  • 7. Hoe beoordeelt u het aanhoudende en vaak door het Israëlische bezettingsleger gesteunde geweld tegen Palestijnen door kolonisten op de Westelijke Jordaanoever met betrekking tot het vraagstuk van Europese sancties? Kunt u uitleggen waarom dit geweld voor de regering nog geen voldoende aanleiding vormt voor het in Europees verband pleiten voor verdergaande sancties tegen Israël?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de fractie van de SGP hebben met zorg kennisgenomen van het voorstel van de Europese Commissie voor een Besluit van de Raad voor opschorting van handelsconcessies met Israël en hebben hierover enkele vragen.

De grondslag voor het besluit rust op de niet naleving door Israël van artikel 2 van de Euro-mediterrane Overeenkomst. Dit betreft dan met name de wijze waarop Israël haar externe beleid voert. Hiermee wordt gedoeld op de oorlogssituatie in Gaza. Israël zou mensenrechten schenden. De leden van de fractie van de SGP zijn het ermee eens dat, indien dat het geval zou zijn, dit tot opschorting van handelsafspraken kan leiden.

In casu moet het externe beleid van Israël, naar de mening van deze leden, worden afgewogen, niet in het licht van het Internationaal Handelsrecht, maar in het licht van het Internationaal Oorlogsrecht, daar Israël een uitzonderlijk moeilijke oorlog voert tegen een terreurorganisatie die er niet voor schuwt om haar eigen burgers als schild te gebruiken. In dat licht vragen de leden van de fractie van de SGP zich af of wel is voldaan aan de criteria van artikel 7 van het Statuut van Rome.

  • 1. Kunt u hierop reflecteren?

  • 2. Welke rechterlijke uitspraak ligt er waarin Israël is veroordeeld voor het plegen van mensenrechtenschendingen dan wel misdaden tegen de menselijkheid?

Uit de evaluatie van de Hoge Vertegenwoordiger blijkt dat er aanwijzingen zijn dat Israël artikel 2 van de Euro-mediterrane Overeenkomst niet zou naleven. Deze evaluatie is onbekend voor de leden van de SGP-fractie. In ieder geval blijkt deze leden niet dat aanwijzingen een voldoende grondslag vormen om sanctionerend op te treden.

  • 3. Kunt u hierop reflecteren? En kunt u de evaluatie van de Hoge Vertegenwoordiger met de Kamer delen?

Ingevolge artikel 79 lid 2 van de Euro-mediterrane Overeenkomst kan een partij passende maatregelen treffen indien zij vermoed dat een andere partij bepalingen uit de overeenkomst niet naleeft.

  • 4. Op welke wijze worden de maatregelen passend geacht?

Daarbij is het verplicht dat eerst een grondig onderzoek plaatsvindt naar de betreffende situatie. De leden van de fractie van de SGP gaan ervan uit dat de evaluatie van de Hoge Vertegenwoordiger niet het bedoelde onderzoek is, daar de evaluatie blijkbaar slechts van aanwijzingen spreekt en niet van juridische feiten. Verder blijkt deze leden ook niet dat in deze evaluatie vooreerst is gezocht naar een voor beide partijen aanvaardbare oplossing.

  • 5. Welk onderzoek ligt ten grondslag aan deze beslissing?

  • 6. Indien dit de voormelde evaluatie van de Hoge Vertegenwoordiger is, welke inspanning is dan geleverd om tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen?

In het voorstel is gesteld dat er sprake is van een dusdanig dringend geval dat de maatregelen zonder voorafgaand nader overleg mogen worden genomen. Daarbij wordt verwezen naar de hongersnood na de militaire interventie, de aanhoudende blokkade van humanitaire hulp en de schendingen van mensenrechten. Van het laatste blijkt de leden van de fractie van de SGP niet dat er een rechterlijke uitspraak is die dit heeft vastgesteld. Met betrekking tot de blokkade van humanitaire hulp constateren deze leden dat het voorstel erop wijst dat de inspanningen van de EU ertoe leidden dat Israël in juli 2025 instemde met een verruiming van de toevoer van humanitaire hulp. Daarnaast heeft Israël zich constructief opgesteld bij het vormgeven van een dialoog om de humanitaire toevoer te vergemakkelijken. De praktijk leert dat Israël tot actie kan worden aangespoord zonder de voorgestelde maatregel.

  • 7. Waarom wordt de maatregel in dat licht wenselijk geacht?

Uiteraard betreuren de leden van de SGP-fractie dat de militaire interventie heeft geleid tot hongersnood in het gebied en zij wensen dat dit zo spoedig mogelijk ten einde komt. Daarbij moet echter worden opgemerkt dat Gaza onder verantwoordelijkheid valt van Hamas, niet van Israël. Het is derhalve een unieke situatie dat van Israël wordt verlangd om de burgers te voeden van het gebied waarmee zij in oorlog is. Temeer daar humanitaire hulp ook via Egypte kan worden toegevoerd. Het is de leden van de SGP-fractie daarom onduidelijk waarom op basis van voornoemde redenen het voorstel wordt gedaan om de handelsconcessies met Israël op te schorten, terwijl een dergelijk voorstel niet wordt gedaan met betrekking tot Egypte.

  • 8. Kunt u hierop reflecteren?

De Euro-mediterrane Overeenkomst stelt in artikel 79 tevens een proportionaliteitsvereiste.

  • 9. Hoe is de overweging voor de voorgestelde maatregelen gemaakt?

  • 10. Welke andere maatregelen zijn overwogen?

  • 11. Hoe wordt verantwoord dat de voorgestelde maatregelen de goede werking van de overeenkomst het minst verstoren?

In de toelichting op het voorstel wordt het besluit tot opschorting gegrond op artikel 60 lid 1 van het Verdrag van Wenen, in samenhang gelezen met het derde lid onder b. De leden van de SGP-fractie constateren dat deze bepaling is gesteld voor bilaterale verdragen, terwijl de Euro-mediterrane Overeenkomst naar haar aard multilateraal is. Derhalve is 60 lid 2 van het Verdrag van Wenen van toepassing. Volgens deze bepaling dient voor de algehele opschorting van Europese zijde eerst unaniem te worden ingestemd. Wel kunnen partijen eenzijdig de keuze maken om hun verplichtingen op te schorten. Daarover gaat echter niet de Raad. De leden hebben daarom ernstige twijfels bij de juridische onderbouwing van het voorstel.

  • 12. Kunt u hierop uitgebreid reflecteren?

  • 13. Heeft de vereiste stemming over het voorstel plaatsgevonden of gaat dit plaatsvinden?

  • 14. Hoe is het kabinet voornemens te stemmen?

Gezien de magere juridische onderbouwing, de onduidelijkheden betreffende de proportionaliteit en de vraagtekens bij het beoogde effect verzoeken de leden van de SGP-fractie het kabinet om:

  • 15. In Europees verband niet in te stemmen met dit voorstel, en;

  • 16. Vanuit nationaal verband de handelsconcessies niet op te schorten.

Daar een kabinetsreactie vooralsnog ontbreekt is het voor de leden van de fractie van de SGP lastig te duiden welke inzet Nederland op dit dossier zal plegen. Derhalve verzoeken zij het kabinet:

  • 17. In Europees verband in te zetten op het bevorderen van de dialoog met Israël, daar dit in het verleden tot resultaat heeft geleid;

  • 18. In Europees verband te benadrukken dat vervreemding door het opleggen van sancties en het opschorten van handelsconcessies niet een gewenste of proportionele route is, aangezien de internationaalrechtelijke onderbouwing mager is het de dialoog eerder bemoeilijkt door het verstoren van de onderlinge verhoudingen;

  • 19. In Europees verband in te zetten op het tegengaan van verdere polarisatie en te onderzoeken hoe men op dit moeilijke dossier juist tot elkaar kan komen;

  • 20. In Europees verband aandacht te vragen voor constructieve maatregelen die zowel Israël als de Palestijnse bevolking in staat stellen om te komen tot een duurzame dialoog.

De leden van de SGP-fractie vragen u om een afzonderlijke reactie op de bovengenoemde punten.

De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp (BDO) zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

Hoogachtend,

Voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp, K. Petersen

BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN EN DE STAATSSECRETARIS BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSHULP

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 26 januari 2026

Met dank aan de door de leden van de commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp (BDO) op 12 november jl. gestelde vragen inzake het Europees voorstel voor handelsconcessies met Israël, komt uw Kamer hierbij de schriftelijke beantwoording van deze vragen toe.

De Minister van Buitenlandse Zaken, D.M. van Weel

De Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, A. de Vries

De leden van de commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp (BDO) hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel8 aangaande opschorting van handelsconcessies met Israël, dat op 17 september 2025 door de Europese Commissie is gepubliceerd. De leden van de fracties van BBB, JA21, SP en SGP hebben naar aanleiding hiervan enkele vragen en opmerkingen. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA sluiten zich aan bij de vragen van de leden van de SP-fractie. De leden van de fractie van de PVV sluiten zich aan bij de vragen van de leden van de fracties van BBB, JA21 en SGP.

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie @@@

Tijdens de EU Raad Buitenlandse Zaken van 20 oktober 2025 is besloten de sancties tegen Israël, waaronder mogelijke opschorting van de handelspreferenties onder het associatieakkoord, nog niet in werking te laten treden. Dit staat onder meer in een artikel van Trouw9 en dit is ook via ambtelijke weg bevestigd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Naar aanleiding hiervan stellen de leden van de BBB-fractie de volgende vragen.

1. Kunt u reflecteren op het feit dat het parlement een dergelijk belangrijk gegeven uit de krant moet vernemen in plaats van dat sprake is van proactieve informatieverstrekking door de regering? Welke andere van belang zijnde informatie op dit vlak is niet of nog niet gedeeld?

Het kabinet stuurt voorafgaand aan een Raad Buitenlandse Zaken altijd een Geannoteerde Agenda aan de Eerste Kamer, en informeert de Kamer na elke Raad over de uitkomsten via een verslag. Zoals aan uw Kamer gemeld in het verslag van de Raad van 20 oktober jl., is ten aanzien van de situatie in het Midden-Oosten met name gesproken over de voortgang van de implementatie van het vredesplan van president Trump voor de Gazastrook. Daarbij is niet gestemd over bestaande voorstellen zoals het Commissievoorstel voor gedeeltelijke opschorting van het handelsgedeelte van het EU-Israël Associatieakkoord10 (waarbij Israël zijn preferentiële toegang tot de EU-markt zou verliezen en invoertarieven zouden gaan gelden zoals voor landen zonder handelsovereenkomst), maar is wel gesproken over hoe de EU kan bijdragen aan het slagen van dit vredesplan.11

Deze leden constateren dat de Europese Commissie voorstelt om bepaalde handelsgerelateerde bepalingen van de Associatieovereenkomst tussen de EU en Israël tijdelijk op te schorten. De opschorting betreft met name de delen van de overeenkomst over: het vrije verkeer van goederen, het recht van vestiging en dienstverlening, en bepalingen met betrekking op overheidsopdrachten, mededinging en intellectueel eigendom.

2. Kunt u specificeren wat onder opschorting wordt verstaan? Hoe kan sprake zijn van opschorting terwijl het besluit nog niet is genomen? Of wordt hier bedoeld opschorting van het nemen van zo’n besluit?

Het Commissievoorstel ziet op de (gedeeltelijke) opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord. Dit Commissievoorstel is op dit moment niet aangenomen door de Raad. Indien dit voorstel wel zou worden aangenomen, zouden zowel Israël als de EU geen aanspraak meer kunnen maken op preferentiële behandeling onder titel II, titel III en hoofdstukken 2, 3 en 4 van titel IV van de Associatieovereenkomst zolang de opschorting van kracht zou zijn. In de praktijk zou dit betekenen dat handel tussen de EU en Israël zou plaatsvinden onder de voorwaarden zoals vastgelegd in de verdragen van de Wereldhandelsorganisatie.

3. Welke objectieve criteria worden gehanteerd om de status «opschorting» om te zetten in een definitieve voordracht een besluit voor te dragen en te nemen? Is aan de opschorting ook een termijn verbonden of blijft dit (te nemen) besluit in de lucht hangen met negatieve effecten op de diplomatieke relatie en de handelsrelatie met Israël?

Er is momenteel geen sprake van (een gedeeltelijke) opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord. Opschorting zou pas aan de orde zijn indien de Raad instemt met het Commissievoorstel hiertoe. Hier is geen concrete termijn aan verbonden. Een dergelijk besluit betekent dat Israël zijn preferentiële toegang tot de EU-markt verliest en dat de gebruikelijke douanetarieven voor derde landen gaan gelden.

4. Heeft de Europese Commissie of in ieder geval het kabinet in kaart gebracht welke tegenmaatregelen Israël overweegt of kan overwegen en wat de impact daarvan zal zijn op de Nederlandse economie alsmede de politieke en diplomatieke relatie?

De Europese Commissie heeft in kaart gebracht wat de voorgestelde gedeeltelijke opschorting van het Associatieakkoord zou betekenen voor zowel de Europese import uit Israël, als de export naar Israël. Ook mogelijke politieke en diplomatieke gevolgen zijn onderdeel van de discussie over deze maatregel.

Het voorstel van de Commissie voor de (gedeeltelijke) opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord volgt op een evaluatie van de naleving door Israël van artikel 2 van de Associatieovereenkomst, waarin het respect voor mensenrechten en democratische beginselen als essentieel onderdeel is vastgelegd. Volgens de evaluatie waren er aanwijzingen dat Israël dit artikel schendt.

5. Kunt u deze evaluatie delen? Wanneer heeft deze plaatsgevonden? Welke methode en fact finding is daarbij gebruikt? En op welke wijze zijn de conclusies getoetst en door wie?

Nederland heeft in mei jl. in EU-verband het initiatief genomen voor een evaluatie naar de naleving van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord door Israël. De Hoge Vertegenwoordiger (HV) en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) hebben hierop in juni jl. geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn dat Israël in strijd zou handelen met zijn verplichtingen onder artikel 2 van het akkoord. Bij deze evaluatie heeft de EU zich gebaseerd op bronnen van de Verenigde Naties, mede omdat Israël de EU toegang tot de Gazastrook weigerde. Deze conclusie werd onderschreven door de EU-lidstaten. De inhoud van de evaluatie is vertrouwelijk. Graag verwijzen wij uw Kamer ook naar eerdere antwoorden op schriftelijke vragen hierover.12

De beoogde sanctie betreft uitsluitend Israël, een land dat onder dagelijkse terreur staat van een erkende terroristische organisatie die in het eerste jaar van het conflict (na oktober 2023) alleen al 13200 projectielen, raketten, mortiergranaten op weerloze Israëlische burgers heeft afgeschoten, zo constateren de leden van de BBB-fractie.

6. Welke aanvullende sancties heeft de EU uitgevoerd sinds 7 oktober 2023 of is de EU van plan uit te voeren ten aanzien van de diverse terreurorganisaties die Israël bedreigen? En welke sancties zijn uitgevoerd of worden voorzien tegen de statelijke helpers van deze terreurorganisaties?

Het kabinet draagt internationaal bij aan het opvoeren van de druk op Hamas, onder andere via sancties. De EU heeft begin 2024 een nieuw sanctieregime opgericht tegen Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad. Deze sanctielijst richt zich specifiek op personen en entiteiten die Hamas financieren of op andere wijze faciliteren. Tot op heden zijn 12 individuen en 3 entiteiten op deze sanctielijst geplaatst. Nederland blijft zich samen met EU-partners inzetten voor verdere maatregelen. Zoals bekend pleit Nederland tevens voor plaatsing op de EU terrorismelijst (GS931) van de Houthi’s en is Nederland ook voorstander van een EU terrorismelisting van het IRGC. De militaire tak van Hezbollah staat reeds op de EU terrorismelijst.

Vergelijkbare EU-sancties – gericht op het opschorten of intrekken van preferentiële handelsconcessies, zoals het Generalized System of Preferences (GSP), WTO most-favoured-nation (MFN)-status of associatieakkoorden – gelden slechts voor een beperkt aantal landen of regimes. Deze worden vaak ingevoerd bij zeer ernstige en objectief juridisch aangetoonde schendingen van mensenrechten, democratische normen of internationale verplichtingen. Volgens een overzicht van de meest relevante gevallen, gebaseerd op actuele EU-beleidsdocumenten en recente ontwikkelingen (stand oktober 2025) betreft het slechts een handjevol landen met focus op handel gerelateerde opschortingen, niet op bredere sectorale sancties (zoals energie-embargo’s tegen Rusland):

  • Myanmar (Birma)

  • Wit-Rusland

  • Kenia

  • Cambodja

  • Guatemala

7. Hieruit trekken de leden van de BBB-fractie de conclusie dat het blijkbaar een zeer zeldzaam instrument is om in te zetten met dientengevolge strenge criteria voor toepassing. Bent u het eens met deze conclusie, en zo niet, waarom niet? Kunt u aangeven welke criteria de EU gebruikt om toepassing van dit zware middel op Israël te overwegen, een democratisch land te midden van een zee aan (religieus) autocratisch geleide landen die het bestaan van het land Israël direct of indirect bedreigen?

De beperking van markttoegang door het opschorten van handelsafspraken en/of tariefpreferenties betreft inderdaad een instrument dat met terughoudendheid wordt ingezet.

Zoals bekend in uw Kamer heeft het kabinet in mei jl. in EU-verband het initiatief genomen voor een evaluatie van de naleving van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord. Dit artikel bepaalt dat betrekkingen tussen partijen en alle bepalingen van de overeenkomst berusten op de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen, die een essentieel onderdeel van het Associatieakkoord vormen. De partijen bij het Associatieakkoord kunnen, wanneer één van de partijen het akkoord niet naleeft, overgaan tot (gedeeltelijke) opschorting van het akkoord als deze maatregel passend wordt geacht in de zin van artikel 79 van het Associatieakkoord. Partijen kunnen hier direct toe overgaan in bijzonder dringende gevallen, en dienen bij voorrang te kiezen voor de minst verstorende maatregel(en).

De Hoge Vertegenwoordiger en de Europese Dienst voor Extern Optreden hebben in juni jl. geconcludeerd dat er aanwijzingen waren dat Israël in strijd zou handelen met zijn verplichtingen onder artikel 2 van het akkoord. De voorstellen die de Commissie deed, waaronder die om het handelsgedeelte van het EU-Israël Associatieakkoord (gedeeltelijk) op te schorten, volgden op deze evaluatie.13

8. Kunt u voor elk van de genoemde landen die door de EU op basis van voormelde redenen door handelssancties zijn getroffen aangeven wat de criteria waren, hoe deze zijn getoetst en vooral ook of er evaluatie van het effect heeft plaatsgevonden zowel qua mensenrechten als impact op de wederzijdse relaties?

Wanneer de Europese Commissie een voorstel doet voor beperking van de markttoegang van specifieke landen tot de EU wordt per geval, afhankelijk van het toepasselijke juridische kader, een op merites gebaseerde afweging gemaakt. Voorts bestaan er substantiële verschillen tussen de gedeeltelijke opschorting van het EU-Israël Associatieakkoord en opschorting van markttoegang in het kader van het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS) of van de meestbegunstigde (MFN) status van leden van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). De bovengenoemde voorbeelden zijn daarom ook niet één op één vergelijkbaar met elkaar, noch met het voorstel voor gedeeltelijke opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord. Het instellen van handelssancties is in alle gevallen tijdelijk en onderhevig aan continue monitoring van de relevante omstandigheden.

Deze sancties kunnen in beginsel worden opgelegd als akkoorden tussen de EU en derde landen in deze mogelijkheid voorzien. Veel EU-akkoorden bevatten een clausule waarin wordt bepaald dat de eerbiediging van mensenrechten en de democratische beginselen een essentieel onderdeel van het akkoord vormt. Bij schending daarvan kan het mogelijk zijn – zoals bij het EU-Israël Associatieakkoord – om (eenzijdig) «passende maatregelen» te treffen. Voor het APS geldt een vergelijkbaar systeem via Verordening (EU) 978/2012. Daarbij stellen de leden van de BBB-fractie dat WTO-MFN-opschortingen (zoals bij Rusland) zeldzaam zijn en deze vereisen coördinatie met partners zoals de G7. De voorgestelde maatregel ten aanzien van Israël is volgens deze leden nog beperkt (geen volledig handelsverbod), terwijl voor Rusland en Belarus bredere sectorale sancties gelden. Myanmar en Cambodja zijn klassieke GSP-voorbeelden, gericht op lage-inkomenslanden. De EU heeft bredere sancties (niet puur handelsopschorting) tegen Syrië (sinds 2011, incl. olie-embargo), Venezuela (sinds 2017, asset freezes en wapenban) en Iran (sinds 2010, nucleair programma; gedeeltelijk opgeschort in 2016 maar heringevoerd 2018). Deze zijn minder direct vergelijkbaar met «concessiesopschorting».

9. Heeft u kennis van plannen, hoe prematuur ook, om bredere sancties tegen Israël te overwegen? Kunt u aangeven welke besluitvormingscriteria de regering zal hanteren bij de beoordeling van een mogelijk toekomstig voorstel tot uitbreiding?

Nederland heeft zich samen met gelijkgezinde landen ingezet om concrete maatregelen in te stellen om de druk op te voeren richting een staakt-het-vuren en opheffing van de humanitaire blokkade. Nu ligt er een vredesplan voor de Gazastrook waar een groot deel van de wereld zich achter heeft geschaard en is tevens VN Veiligheidsraadresolutie 2803 (2025) aangenomen. De inzet van het kabinet is nu primair gericht op het laten slagen van deze initiatieven.

Dat betekent niet dat EU-maatregelen van tafel zijn, maar wel dat lidstaten zich nu vooral richten op het laten welslagen van het vredesplan en de implementatie van de VNVR-resolutie. Tegelijkertijd blijven het Israëlische nederzettingenbeleid, het kolonistengeweld en het optreden van het Israëlische leger zorgen voor een steeds verder verslechterende situatie op de Westelijke Jordaanoever. De verdere inname na de val van Assad-regime van Syrisch grondgebied, uitingen van de Israëlische regering over permanente aanwezigheid en het verder uitbreiden van onrechtmatige nederzettingen, zetten ook de situatie op de Golanhoogvlakte verder onder druk. Israëls besluiten en optreden ondermijnen daarmee de verwezenlijking van een tweestatenoplossing.

Het kabinet bereidt, zoals op 10 september jl. aan de Tweede Kamer gemeld, nationale maatregelen voor om producten uit de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden te weren.

De leden van de BBB-fractie constateren dat sancties periodiek worden herzien (bijv. Wit-Rusland in 2025 uitgebreid). De EU heeft in 2025 geen nieuwe GSP-opschortingen aangekondigd, maar monitort landen als Ethiopië en Bangladesh.

10. Indien de opschorting uiteindelijk leidt tot implementatie, welke beoordelingscriteria worden dan gehanteerd met betrekking tot de (non-)effectiviteit en contraproductiviteit? Wanneer zou zo’n evaluatie plaatsvinden? Is dat ook een herijkingsmoment voor de Raad en behoeft verdere inzet van het middel dan goedkeuring van de Raad? Indien u voornemens bent het middel te ondersteunen kunt u dan goedkeuring koppelen aan evaluatie en een hernieuwde stemming? Zo niet, waarom niet? En kunt u daarop aansturen?

Zie ook het antwoord op vraag 2. Er is op dit moment geen sprake van gedeeltelijke opschorting van het EU-Israël Associatieakkoord. Daarvoor is instemming van de Raad vereist, waarvoor op dit moment onvoldoende draagvlak is. De inzet van de EU is op dit moment gericht op bijdragen aan het laten slagen van het vredesplan en de uitvoering van VNVR resolutie 2803, en Nederland steunt deze aanpak.

Het voorstel is in overeenstemming met artikel 2 van de overeenkomst, waarin de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen als essentieel element van die overeenkomst wordt aangemerkt. Dit initiatief is ook in overeenstemming met het beleid van de EU op het gebied van buitenlandse betrekkingen (met inbegrip van overwegingen inzake mensenrechten en fundamentele vrijheden). De leden van de BBB-fractie merken daarbij op dat meer in het bijzonder dit voorstel in overeenstemming is met artikel 21, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), waarin is bepaald dat de Unie toeziet op de samenhang tussen de verschillende onderdelen van haar externe optreden, met inbegrip van de consolidering en ondersteuning van de mensenrechten.

De EU prioriteert handel boven sancties (ECB: toenemende banden met autoritaire regimes sinds 2012), maar clausules bieden potentieel voor actie (bijvoorbeeld via gekwalificeerde meerderheid voor deelopschorting).

11. Welke rechtvaardiging hanteert de EU om in het geval van Israël af te wijken van dit principe?

De Hoge Vertegenwoordiger en de Europese Dienst voor Extern Optreden hebben in juni jl. geconcludeerd dat er aanwijzingen waren dat Israël in strijd zou handelen met zijn verplichtingen onder artikel 2 van het akkoord. De voorstellen die de Commissie deed, waaronder die om het handelsgedeelte van het EU-Israël Associatieakkoord (gedeeltelijk) op te schorten, volgden op deze evaluatie.14 Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 10, is er op dit moment geen sprake van gedeeltelijke opschorting van het EU-Israël Associatieakkoord.

Het handelsverdrag met Israël is een Associatieovereenkomst (AA, in werking sinds 2000), een AA met een sterke vrije handelscomponent (vrijhandelsovereenkomst voor industriële goederen, preferentiële toegang voor landbouw). Dit type verdrag richt zich op politieke dialoog, economische integratie en mensenrechtenclausules (art. 2: respect voor mensenrechten en democratie als essentieel element).

De EU heeft vergelijkbare AA’s met een Vrijhandelsovereenkomst (FTA)-component gesloten met landen in de Europees Nabuurschapsbeleid (ENP) en andere regio’s. Hieronder geven de leden van de BBB-fractie een overzicht van de belangrijkste (in werking, gebaseerd op EU-gegevens tot 2025) met focus op bilaterale AA’s; multilaterale zoals met Mercosur of ACP zijn uitgesloten.

  • Turkije

  • Marokko

  • Egypte

  • Tunesië

  • Jordanië

  • Algerije

  • Libanon

  • Oekraïne

  • Georgië

  • Moldavië

  • Palestijnse Autoriteit

  • Chili

  • Mexico

  • Zuid-Korea

  • Singapore

  • Canada

  • Vietnam

Alle genoemde verdragen bevatten mensenrechtenclausules (clausules inzake essentiële elementen) die schorsing toestaan bij ernstige schendingen (bijvoorbeeld art. 2 EU-Israel AA). De EU monitort dit via jaarrapporten en kan sancties opleggen (bijv. GSP+ intrekken of AA opschorten). Echter, opschorting is zeldzaam (nooit volledig voor AA’s; wel sectoraal, bijvoorbeeld Syrië 2011).

Gebaseerd op EU-rapporten (2024–2025), HRW, OHCHR, Freedom House en ECB-studie (die een daling in democratie onder EU-partners noteert sinds 1999), schenden de volgende landen ernstig en systematisch mensenrechten/democratische principes (marteling, onderdrukking oppositie, discriminatie, corruptie, geen vrije verkiezingen).

  • Turkije. EU-rapport 2024:15 «ernstige achteruitgang» onder andere door geweld richting Koerden, onwettige arrestaties en partijdige rechtspraak, arrestaties oppositie en journalisten. Schorsing onderhandelingen maar AA blijft intact.

  • Egypte. EU-rapport 202516: «systematische schendingen» door marteling, verdwijningen, repressie van Ngo’s, pers en oppositie. GSP onder druk maar geen opschorting.

  • Marokko. EU-rapport 202417: «betwist» door politioneel geweld in de Westelijke Sahara en verdergaande discriminatie van de Berbers. GSP-monitoring maar de handel groeit.

  • Algerije. EU-rapport 2025: «beperkte vooruitgang». AA intact ondanks alle kritiek.

  • Libanon. EU-rapport 2024: hulpgelden gekoppeld maar AA niet geschorst.

  • Ook de Palestijnse Autoriteit heeft geen opschorting van handel gekregen.

De leden van de BBB-fractie merken hierbij op dat sommige van bovenvermelde landen een rol spelen in het vredesproces, maar zijn zelf onderwerp van kritiek. Daarnaast zijn er nog mensenrechtenproblemen in Oekraïne, Georgië en Moldavië.

12. Kunt u aangeven waarom Israël wel in aanmerking zou komen voor handelssancties en de andere bovenvermelde landen niet? Dit terwijl Israël de enige democratie in de regio is, onder dagelijkse terreur lijdt, een gewapend conflict heeft met terroristen die hun eigen bevolking en ziekenhuizen gebruiken als schild?

Bent u het eens met de uitleg van deze leden dat volgens bindend internationaal recht, onder andere het Genocideverdrag 1948 en het Statuut van Rome (ICC art 6) voor genocide twee vereisten zijn namelijk het plegen van (vijf) verboden handelingen (actus reus) en specifieke opzet (dolus specialis) om een beschermde groep te vernietigen. Bent u het ook eens dat sprake moet zijn van systematische en wijdverspreide handelingen «met de bedoeling om een nationale, etnische, raciale of religieuze groep als zodanig geheel te vernietigen» en dat een hoog aantal betreurenswaardige slachtoffers niet automatisch genocide inhoudt? Bent u het daarnaast met de leden van de BBB-fractie eens dat het de rechter is die het label genocide kan hanteren maar niet politici, de media of de massa?

Volgens artikel 2 van het Genocideverdrag wordt onder genocide verstaan een van de in het verdrag genoemde handelingen (zoals het doden van leden van de groep) gepleegd met de bedoeling om een nationale, etnische, godsdienstige groep, dan wel een groep, behorende tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen (genocidale opzet).

Onder het Genocideverdrag is systematisch of wijdverspreid handelen geen afzonderlijke of specifieke voorwaarde voor het vaststellen van genocide. Ook het aantal (burger)slachtoffers is op zichzelf niet doorslaggevend. Het kenmerkende van genocide is namelijk gelegen in het bijzondere oogmerk dat bij de dader aanwezig moet zijn om een nationale, etnische, raciale of religieuze groep geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen. In de praktijk kan een groot aantal (burger)slachtoffers en systematisch handelen gericht tegen een beschermde groep wel wijzen op het bestaan van genocidale opzet.

Genocide is een uiterst serieuze kwalificatie en daarom is het kabinet in de regel terughoudend om situaties als genocide te kwalificeren. Om genocide vast te stellen, moet aan alle elementen van de juridische definitie van genocide uit het Genocideverdrag worden voldaan, namelijk het aantonen van één of meerdere handelingen uit het Genocideverdrag én van genocidale opzet. Hierbij geldt een hoge bewijslast en is grondig feitenonderzoek noodzakelijk. Daarom zijn uitspraken van internationale gerechts- en strafhoven, eenduidige conclusies volgend uit wetenschappelijk onderzoek, of vaststellingen door de VN-Veiligheidsraad voor het kabinet zwaarwegend bij het kwalificeren van dergelijke handelingen als genocide.

Momenteel ligt de kwestie over vermeende genocide in de Gazastrook voor bij het Internationaal Gerechtshof in de rechtszaak van Zuid-Afrika v. Israël. In het voorliggende geval wacht het kabinet deze uitspraak daarom af. Dit betekent echter niet dat het in alle gevallen alleen aan de rechter is om een situatie als genocide te kwalificeren. Zo kunnen zich bijvoorbeeld omstandigheden voordoen waarbij betrokken partijen geen toegang hebben tot een rechter. Afhankelijk van de omstandigheden van het specifieke geval, kunnen ook andere vaststellingen of conclusies (zoals de hierboven genoemde vaststellingen door de VN-Veiligheidsraad) voldoende aanleiding geven voor het kabinet om over te gaan tot het kwalificeren van een situatie als genocide. Het kabinetstandpunt over dit onderwerp is verwoord in de Kabinetsreactie op het gezamenlijk advies van de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV) en de Extern Volkenrechtelijk Adviseur (EVA) over het gebruik van de term «genocide» door politici.18

In de periode 2023 tot nu (november 2025) zijn er meerdere conflicten met beschuldigingen van genocide of massale wreedheden, vaak door etnische of politieke lijnen. Deze zijn gebaseerd op rapporten van betrouwbare bronnen zoals de VN, Amnesty International, Human Rights Watch (HRW), Genocide Watch en het Early Warning Project van het US Holocaust Memorial Museum (USHMM).

De leden van de BBB-fractie leggen graag de volgende actieve of recente gevallen aan u voor waar deskundigen expliciet «genocide» of «massamoorden» noemen maar waar net zoals in geval van Israël (geheel of gedeeltelijk) geen rechterlijke toets aan ten grondslag ligt:

  • Sudan met naar schatting 50.000 tot 150.000 doden,

  • Ethiopië met 70.000 tot 130.000 dodelijke slachtoffers,

  • Congo DRC met 20.000 doden,

  • Jemen met 100.000 doden,

Het Early Warning Project rangschikt landen als Pakistan en Afghanistan hoog op «massamoorden».

13. Zijn er vanuit de EU of Nederland (vergelijkbare) sancties geïmplementeerd, of zijn deze in de maak? Zo niet, waarom niet? Welke objectieve criteria gebruikt de EU om deze voorbeelden anders te behandelen dan Israël? En wat is de positie van de regering in dezen? Bent u bereid dit te onderzoeken c.q. in de Raad te bepleiten? Zo nee, waarom niet?

Op dit moment is het Commissievoorstel tot opschorting van het handelsgedeelte van het EU-Israël Associatieakkoord niet aangenomen. Van geïmplementeerde EU-sancties is dus geen sprake. Nederland zet zich in zijn algemeenheid, en dus ook ten aanzien van de genoemde landen, op gepaste wijze in voor het tegengaan van mensenrechtenschendingen en de strijd tegen straffeloosheid. Dat draagt Nederland consistent uit in de EU, in VN-verband en bilateraal.

Naast landen waarmee vergelijkbare handelsakkoorden zijn gesloten zijn er landen waar sprake is van een onderdrukking van de vrije pers, gevangenhouding zonder onafhankelijke rechterlijke toets, agressieve bezetting, massamoorden, massadeportaties en andere gruwelijkheden zoals China met betrekking tot Hong Kong, Tibet en de Oeigoeren. U bent ongetwijfeld bekend met andere landen waar christen en andere religieuze vervolging plaatsvindt.

14. Heeft de EU vergelijkbare sancties geïmplementeerd of voorbereid? Zo ja, welke zijn dat? Zo niet, wat is de positie van de Nederlandse regering zowel zelfstandig als binnen de EU ten aanzien van het ontwikkelen van een sanctiebeleid?

Het kabinet is voorstander van de inzet van sanctiemaatregelen in reactie op ernstige mensenrechtenschendingen. Voor plaatsing op de EU-sanctielijsten dient te worden voldaan aan de desbetreffende listingscriteria, uitgangspunt van EU-eenheid en doelstellingen van de sancties. Nederland levert hier een actieve bijdrage aan, ook in het kader van het harmoniseren van sancties met internationale partners om de impact en het effect van de sancties te verhogen. Het EU-mensenrechtensanctieregime bevat een sanctielijst die ziet op ernstige en wijdverbreide mensenrechtenschendingen wereldwijd. Dit sanctieregime is in het verleden ingezet ten aanzien van o.a. Noord-Korea, Rusland, Zuid-Sudan, China en Eritrea.

Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie

15. De leden van de JA21-fractie stellen vast dat de regering eerder heeft verklaard dat meer diplomatieke druk op Israël noodzakelijk was om een staakt-het-vuren te bereiken. Inmiddels is dat staakt-het-vuren tot stand gekomen en houdt Israël zich aan de overeengekomen afspraken, inclusief terugtrekking achter de afgesproken lijn. Deze leden merken daarbij op dat Hamas daarentegen herhaaldelijk het bestand heeft geschonden, onder meer door vuurovertredingen en het niet overdragen van alle gijzelaars, waaronder de lichamen van acht vermoorde burgers. Kunt u toelichten waarom diplomatieke druk en sanctiedreiging primair op Israël wordt gericht? In welke mate past de regering vergelijkbare instrumenten toe of overweegt het die toe te passen ten aanzien van Hamas? Welke maatstaven hanteert de regering bij het bepalen van de richting en zwaarte van de diplomatieke druk?

16. De regering motiveerde eerdere drukmaatregelen met het oog op het bereiken van een wapenstilstand. Nu die wapenstilstand is bereikt, wat is thans het doel van verdere druk op Israël? Hoe rijmt u dit met het risico dat aanhoudende druk de fragiele implementatiefase van het vredesplan ondermijnt?

17. Het staakt-het-vuren en de de-escalatie van de Iraanse dreiging kwamen tot stand zonder noemenswaardige Europese diplomatieke rol. Hoe beoordeelt u het risico dat verdere sanctiemaatregelen tegen Israël de Europese Unie juist marginaliseren als geopolitieke actor, in plaats van die rol te versterken?

Het kabinet zet zich al lange tijd in om de situatie te verbeteren en de druk op te voeren richting een staakt-het-vuren, door een combinatie van druk en dialoog. Om deze reden heeft Nederland in mei jl. in EU-verband het initiatief genomen voor een evaluatie van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord. Aanleiding was de catastrofale humanitaire situatie in de Gazastrook, maar ook de verslechterende situatie op de Westelijke Jordaanoever en Israëlische stappen die een tweestatenoplossing verder op afstand plaatsen.

Nederland heeft zich samen met gelijkgezinde landen ingezet om concrete EU-maatregelen in te stellen om de druk op te voeren richting een staakt-het-vuren en opheffing van de humanitaire blokkade. Het kabinet is in Europees verband eveneens voortrekker op sancties tegen Hamas en de Palestijns Islamitische Jihad en personen of entiteiten die hen faciliteren of ondersteunen.

Inmiddels ligt er een vredesplan waar een groot deel van de wereld zich achter heeft geschaard en is tevens VN-Veiligheidsraadresolutie 2803 (2025) aangenomen. De inzet van het kabinet is nu primair gericht op het laten welslagen van deze initiatieven. Dat betekent niet dat EU-maatregelen van tafel zijn, maar dat lidstaten zich nu vooral richten op het laten slagen van het vredesplan inclusief de onderhandelingen over volgende fases, in de hoop dat dit een duurzaam einde kan betekenen van dit gewapend conflict. Het staakt-het-vuren houdt stand doch is fragiel gebleken, Israël blijft verantwoordelijk onder het humanitair oorlogsrecht voor het verlichten van de aanhoudende humanitaire noden, en ook blijft de situatie op de Westelijke Jordaanoever zorgelijk. Hamas dient zo spoedig mogelijk het laatste resterende stoffelijk overschot van de Israëlische gijzelaar over te dragen en hun wapens neer te leggen. Hamas mag en kan geen rol spelen in de toekomst van Gaza. Hiervoor blijft dan ook druk op beide partijen nodig.

18. De Europese integratie is historisch gestoeld op het beginsel van economische samenwerking als fundament voor vrede. Op welke wijze draagt economische isolatie van een democratische bondgenoot bij aan vrede en stabiliteit in de regio? Kunt u uitleggen waarom Nederland afwijkt van dit kernbeginsel van de EU door economische samenwerking met Israël te beperken?

Het kabinet onderschrijft het belang van economische samenwerking voor vrede en stabiliteit. Daar doet de kabinetsinzet ten aanzien van Israël niets aan af. Het Commissievoorstel voor de gedeeltelijke opschorting van het handelsgedeelte van het EU-Israël Associatieakkoord is op dit moment niet aangenomen. Ook wanneer dit voorstel wel zou zijn aangenomen zou er geen sprake zijn van economische isolatie van Israël: in de praktijk zou dit betekenen dat handel tussen de EU en Israël zou plaatsvinden onder de voorwaarden van de verdragen van de Wereldhandelsorganisatie terwijl de tariefpreferenties voor Israël worden opgeschort.

19. De regering benadrukt doorgaans dat economische diplomatie en samenwerking instrumenten zijn om vrede te bevorderen. Waarom wordt in dit dossier gekozen voor economische strafmaatregelen, in plaats van het stimuleren van gezamenlijke projecten tussen Israëliërs en Arabieren of Palestijnen, zoals onder de Abraham-akkoorden is gebleken effectief te zijn?

Graag verwijzen wij uw Kamer naar het antwoord op de vragen 15 t/m 17.

20. De leden van de JA21-fractie constateren dat in EU-documenten uitvoerige verwijten aan Israël worden gemaakt, terwijl er nauwelijks aandacht is voor het systematisch gebruik van menselijke schilden, de roof van humanitaire goederen en executies door Hamas. Hoe verklaart u deze asymmetrische focus? Beaamt u dat een dergelijke selectieve benadering het beeld versterkt dat Israël anders wordt behandeld dan andere partijen in het conflict, inclusief terroristische organisaties?

Het kabinet zet zich al lange tijd in om de druk op te voeren richting een staakt-het-vuren, door een combinatie van druk en dialoog. Daarbij heeft het kabinet oog voor zowel de rol van Israël als die van Hamas. Het kabinet heeft vanaf het begin de afgrijselijke terreuraanval die Hamas pleegde in Israël op 7 oktober 2023 veroordeeld in de scherpste bewoordingen. Daarnaast is tijdens de Europese Raad van 26 en 27 oktober jl. het gebruik van menselijke schilden door Hamas onder de aandacht gebracht. Tevens is in de brief aan uw Kamer van 25 juli jl. melding gemaakt van het gebruik van menselijke schilden door Hamas. Daarnaast is meerdere malen expliciet aandacht gevraagd voor het ontoelaatbare seksuele geweld dat is gepleegd door Hamas. Ook zet het kabinet al lange tijd in op het aannemen van EU-sancties tegen Hamas.

Tegelijkertijd moet Israël, als bezettende macht, zijn verplichtingen onder het humanitair oorlogsrecht naleven en is Israël verplicht de mensenrechten van de bevolking van de bezette Palestijnse Gebieden te respecteren, te beschermen en te eerbiedigen, inclusief door de aanwezigheid en activiteiten van de VN, andere internationale organisaties en derde staten. Ook daar heeft het kabinet aandacht voor.

Zie verder beantwoording van vraag 15, 16 en 17

21. De Europese Commissie beroept zich op vermeende schendingen van artikel 2 van het Associatieverdrag door Israël. Bent u bereid inzichtelijk te maken op basis van welke objectieve criteria dergelijke schendingen worden vastgesteld, en op welke gronden in dit specifieke geval wordt geoordeeld dat Israël, en niet Hamas, verantwoordelijk is voor verslechtering van de humanitaire situatie?

Nederland heeft in mei jl. in EU-verband het initiatief genomen voor een evaluatie naar de naleving van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord door Israël. De Hoge Vertegenwoordiger (HV) en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) hebben hierop in juni jl. geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn dat Israël in strijd zou handelen met zijn verplichtingen onder artikel 2 van het akkoord. Bij deze evaluatie heeft de EU zich gebaseerd op bronnen van de Verenigde Naties, mede omdat Israël de EU toegang tot de Gazastrook weigerde. Deze conclusie werd onderschreven door de EU-lidstaten. De inhoud van de evaluatie is vertrouwelijk. Graag verwijzen wij uw Kamer ook naar eerdere antwoorden op schriftelijke vragen hierover van de Tweede Kamer.19

22. Israël is een belangrijke partner voor Nederland op het terrein van veiligheid, technologie, landbouw en innovatie. Welke analyse heeft de regering gemaakt van de economische en veiligheidsgevolgen van (gedeeltelijke) opschorting van het verdrag voor Nederland zelf? Is er sprake geweest van een nationale kosten-batenanalyse?

Zoals in het antwoord op vraag 18 gemeld, is het Commissievoorstel voor de gedeeltelijke opschorting van het handelsgedeelte van het EU-Israël Associatieakkoord op dit moment niet aangenomen. Wanneer dit voorstel wel zou zijn aangenomen zou handel tussen de EU en Israël kunnen doorgaan onder de voorwaarden van de verdragen van de Wereldhandelsorganisatie, in plaats van onder de preferentiële tarieven van het Associatieakkoord.

23. Kunt u uiteenzetten op welke wijze (gedeeltelijke) opschorting van het EU-Israël Associatieverdrag, juist in deze fase van het vredesproces, concreet bijdraagt aan vrede, stabiliteit en humanitaire verbetering, en waarom de regering deze koers verkiest boven diplomatie, wederopbouwpartnerschappen en regionale economische samenwerking?

Nu er een vredesplan is waar een groot deel van de wereld zich achter heeft geschaard, is de kabinetsinzet nu primair gericht op het laten slagen van dit plan en de uitvoering van de aangenomen VNVR-resolutie 2083 (2025). Dat betekent niet dat EU-maatregelen van tafel zijn, maar wel dat lidstaten zich nu vooral richten op het laten slagen van deze initiatieven, gelet op de hoop dat dit een duurzaam einde kan betekenen van dit gewapend conflict. Zie verder de antwoorden op vragen 15, 16, 17 en 20.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het langverwachte voorstel van de Europese Commissie om de handelsconcessies met Israël op te schorten. Deze leden constateren dat besluitvorming binnen de EU hierover opnieuw is uitgesteld, terwijl het staakt-het-vuren in Gaza recent is gebroken door Israël met massale aanvallen met vele tientallen onschuldige slachtoffers tot gevolg; de humanitaire crisis in Gaza als gevolg van de Israëlische vernietigingsoorlog nog steeds ongekend groot is en blijft mede doordat Israël nog steeds grote beperkingen oplegt aan de humanitaire toegang tot Gaza, en ook het Israëlische geweld op de bezette Westelijke Jordaanoever onverminderd voortduurt. De leden van de SP-fractie vragen u om een toelichting op de Nederlandse inzet en de afweging om verdere maatregelen vooralsnog af te wachten.

24. De regering schrijft in haar beantwoording op vragen van de Tweede Kamer dat de prioriteit nu ligt bij het laten slagen van het zogenaamde vredesplan. Kunt u toelichten waarom economische druk via handelsmaatregelen niet juist kan bijdragen aan naleving van dat «vredesplan» door Israël?

25. Waarom kiest de regering ervoor om nu af te wachten, in plaats van actief te pleiten voor snelle besluitvorming over dit voorstel?

26. Deelt u de opvatting van de leden van de SP-fractie dat het blijven uitstellen van besluitvorming over dit voorstel het risico met zich meebrengt dat Israël de indruk krijgt dat er geen politieke of economische consequenties staan op schendingen van het internationaal humanitair recht, en zo ja welke conclusies verbindt zij daaraan, en zo nee, waarom niet?

Het kabinet zet zich door middel van druk en dialoog naar vermogen in om de situatie in Israël en de Palestijnse Gebieden te verbeteren. Het kabinet beziet steeds welke inzet het meest effectief is en hoe deze kan bijdragen aan verbetering van de situatie in de Gazastrook, zowel bilateraal als via de EU en andere multilaterale kanalen.

Nu er een vredesplan is waar een groot deel van de wereld zich achter heeft geschaard, is de inzet primair gericht op het laten slagen van dit plan. Dat betekent niet dat EU-maatregelen van tafel zijn, maar wel dat lidstaten zich nu vooral richten op het laten slagen van het vredesplan, gelet op de hoop dat dit een einde kan betekenen van dit gewapend conflict. Zie ook het antwoord op vraag 1.

27. Welke criteria hanteert u om te bepalen wanneer de drempel is bereikt om handelsconcessies daadwerkelijk op te schorten?

Het kabinet heeft reeds gepleit voor het opschorten van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord en daarmee de tariefpreferenties. Aanleiding hiervoor was de evaluatie van artikel 2 van het akkoord en de serieuze aanwijzingen die daarin vastgesteld werden voor schenden van dat artikel door Israël. Hier bleek echter onvoldoende draagvlak voor.

28. Acht u de huidige situatie in Gaza, waar Israël de humanitaire toegang nog altijd ernstig inperkt, voldoende verbeterd om af te zien van deze handelsmaatregelen?

Graag verwijzen wij uw Kamer naar het antwoord op de vragen 24 t/m 26.

29. Hoe beoordeelt u de berichten20 dat Israël het staakt-het-vuren in Gaza heeft doorbroken met nieuwe aanvallen waarbij veel burgers zijn omgekomen, in het licht van het Europese voorstel tot opschorting van handelsconcessies met Israël? Geven deze ontwikkelingen voor de regering nog aanleiding tot een herziening van de huidige terughoudende houding binnen de EU?

Nederland heeft zich samen met gelijkgezinde landen ingezet om concrete maatregelen in te stellen om de druk op te voeren richting een staakt-het-vuren en opheffing van de humanitaire blokkade. Nu is er een staakt-het-vuren en is de inzet van het kabinet erop gericht om dit in stand te houden. Ook ligt er een vredesplan waar een groot deel van de wereld zich achter heeft geschaard. De inzet van het kabinet is nu primair gericht op het laten slagen van dit plan. Dat betekent niet dat maatregelen van tafel zijn, maar wel dat lidstaten zich nu vooral richten op het laten slagen van het vredesplan gelet op de hoop dat dit een einde kan betekenen van dit gewapend conflict.

30. Hoe beoordeelt u het aanhoudende en vaak door het Israëlische bezettingsleger gesteunde geweld tegen Palestijnen door kolonisten op de Westelijke Jordaanoever met betrekking tot het vraagstuk van Europese sancties? Kunt u uitleggen waarom dit geweld voor de regering nog geen voldoende aanleiding vormt voor het in Europees verband pleiten voor verdergaande sancties tegen Israël?

Zie het antwoord op vraag 29. Het kabinet spreekt zich doorlopend met klem uit tegen geweld van kolonisten en zet zich in EU-verband dan ook al lange tijd in voor aanvullende sanctiemaatregelen tegen gewelddadige kolonisten op de Westelijke Jordaanoever, en voor druk op de personen en organisaties die hen steunen. In april en juli 2024 zijn hiertoe twee sanctiepakketten aangenomen. Nederland blijft zich inzetten voor een derde sanctiepakket dat zich richt tegen gewelddadige kolonisten en organisaties die kolonistengeweld financieren en faciliteren, maar hiervoor ontbreekt vooralsnog draagvlak in de Raad. Ook heeft het kabinet gepleit voor handelspolitieke EU-maatregelen tegen de onrechtmatige Israëlische nederzettingen. Vanwege het uitblijven van draagvlak voor dergelijke maatregelen, bereidt het kabinet nu nationale maatregelen voor.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de fractie van de SGP hebben met zorg kennisgenomen van het voorstel van de Europese Commissie voor een Besluit van de Raad voor opschorting van handelsconcessies met Israël en hebben hierover enkele vragen.

De grondslag voor het besluit rust op de niet naleving door Israël van artikel 2 van de Euromediterrane Overeenkomst. Dit betreft dan met name de wijze waarop Israël haar externe beleid voert. Hiermee wordt gedoeld op de oorlogssituatie in Gaza. Israël zou mensenrechten schenden. De leden van de fractie van de SGP zijn het ermee eens dat, indien dat het geval zou zijn, dit tot opschorting van handelsafspraken kan leiden.

In casu moet het externe beleid van Israël, naar de mening van deze leden, worden afgewogen, niet in het licht van het Internationaal Handelsrecht, maar in het licht van het Internationaal Oorlogsrecht, daar Israël een uitzonderlijk moeilijke oorlog voert tegen een terreurorganisatie die er niet voor schuwt om haar eigen burgers als schild te gebruiken. In dat licht vragen de leden van de fractie van de SGP zich af of wel is voldaan aan de criteria van artikel 7 van het Statuut van Rome.

31. Kunt u hierop reflecteren?

32. Welke rechterlijke uitspraak ligt er waarin Israël is veroordeeld voor het plegen van mensenrechtenschendingen dan wel misdaden tegen de menselijkheid?

Het kabinet stelt voorop dat het niet aan het kabinet is om vast te stellen of personen zich schuldig hebben gemaakt aan misdrijven tegen de menselijkheid, zoals is strafbaar gesteld in artikel 7 van het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof. Dit is aan de rechter om te beoordelen. Wel heeft het kabinet in de afgelopen jaren meermaals en duidelijk aangegeven dat zorgen bestaan over de naleving van het internationaal recht door Israël, waaronder het humanitair oorlogsrecht en de mensenrechten. Zo heeft het kabinet Israël aangesproken op de inmiddels opgeheven algehele blokkade van humanitaire hulp voor de Gazastrook, wat indruist tegen het humanitair oorlogsrecht. Mede gelet hierop heeft de Minister van Buitenlandse Zaken op 6 mei 2025 de Hoge Vertegenwoordiger van de EU, Kaja Kallas, medegedeeld dat Nederland een evaluatie van de naleving door Israël van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord noodzakelijk acht. Het kabinet roept daarnaast op tot zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek naar mogelijke schendingen van internationaal recht, zoals naar onder meer de feitelijke omstandigheden, zodat een bevoegde rechter hierover een uitspraak kan doen.

Uit de evaluatie van de Hoge Vertegenwoordiger blijkt dat er aanwijzingen zijn dat Israël artikel 2 van de Euro-mediterrane Overeenkomst niet zou naleven. Deze evaluatie is onbekend voor de leden van de SGP-fractie. In ieder geval blijkt deze leden niet dat aanwijzingen een voldoende grondslag vormen om sanctionerend op te treden.

33. Kunt u hierop reflecteren? En kunt u de evaluatie van de Hoge Vertegenwoordiger met de Kamer delen?

Op grond van artikel 79 van het EU-Israël Associatieakkoord en artikel 79 lid 2 van de Euromediterrane overeenkomst kan een verdragspartij, indien zij van mening is dat de andere partij een verplichting van het akkoord niet is nagekomen, eenzijdig passende maatregelen te treffen. Hiertoe kan een verdragspartij direct overgaan in bijzondere dringende gevallen. Gelet hierop is het aan de EU en haar lidstaten om te bepalen wanneer het van mening is dat een andere partij zich niet aan zijn verplichting(en) houdt.

Zoals onder meer gedeeld met uw Kamer in de Kamerbrief over de situatie in het Midden-Oosten van 28 juli jl., heeft de Commissie in de evaluatie van artikel 2 van het Associatieakkoord, voldoende aanleiding gezien om (onder meer) voorstellen te doen tot gedeeltelijke opschorting van het Associatieakkoord. Deze maatregelen zijn momenteel niet aangenomen in de Raad. Bij deze evaluatie heeft de EU zich gebaseerd op bronnen van de Verenigde Naties, mede omdat Israël de EU toegang tot de Gazastrook weigerde. Deze conclusie werd onderschreven door de EU-lidstaten. De inhoud van de evaluatie is vertrouwelijk. Graag verwijzen wij uw Kamer ook naar eerdere antwoorden op schriftelijke vragen hierover van de Tweede Kamer.21

34. Op welke wijze worden de maatregelen passend geacht?

Zoals gecommuniceerd in de Kamerbrief van 28 juli jl. heeft het kabinet zich tegen de achtergrond van de extreme ontbering door de Israëlische humanitaire blokkade en het aanhoudende geweld in Gaza, de verslechterende situatie op de Westelijke Jordaanoever, en stappen die een tweestatenoplossing verder op afstand plaatsen ingezet, voor een aantal concrete stappen.22 Dit volgde op het verzoek van Nederland aan de EU Hoge Vertegenwoordiger om de naleving door Israël van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord te evalueren, waarvoor de aanhoudende Israëlische blokkade van humanitaire hulp en elektriciteitslevering in de Gazastrook, en het besluit van het Israëlische veiligheidskabinet om de operaties in de Gazastrook uit te breiden, concrete aanleidingen vormden.23 Wij verwijzen uw Kamer voor nadere toelichting op de afwegingen bij de specifieke inzet om de druk op Israël en Hamas op te voeren om een staakt-het-vuren te bereiken graag naar overige Kamerbrieven waarin het kabinet dit heeft toegelicht, waaronder de geannoteerde agenda’s, schriftelijke overleggen en verslagen van de Raad Buitenlandse Zaken.

Daarbij is het verplicht dat eerst een grondig onderzoek plaatsvindt naar de betreffende situatie. De leden van de fractie van de SGP gaan ervan uit dat de evaluatie van de Hoge Vertegenwoordiger niet het bedoelde onderzoek is, daar de evaluatie blijkbaar slechts van aanwijzingen spreekt en niet van juridische feiten. Verder blijkt deze leden ook niet dat in deze evaluatie vooreerst is gezocht naar een voor beide partijen aanvaardbare oplossing.

35. Welk onderzoek ligt ten grondslag aan deze beslissing?

De evaluatie van de naleving door Israël van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord ligt ten grondslag aan deze beslissing. Zie verder het antwoord op vragen 32 en 33.

36. Indien dit de voormelde evaluatie van de Hoge Vertegenwoordiger is, welke inspanning is dan geleverd om tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen?

Voorafgaand aan het verzoek dat Nederland heeft gedaan aan de EU Hoge Vertegenwoordiger om de naleving door Israël van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord te evalueren, zijn de zorgen over de naleving van Israël van dit artikel via andere kanalen overgebracht. Zo is eerst de EU-Israël Associatieraad bijeengeroepen, waarin de EU met Israël in gesprek kon gaan. Deze bijeenkomst vond plaats op 24 februari 2025. Vanwege het feit dat deze, en andere contacten niet tot oplossingen hebben geleid, de Israëlische blokkade van humanitaire hulp en elektriciteitslevering in de Gazastrook aanhield, en het Israëlische veiligheidskabinet op 4 mei 2025 besloot om de operaties in de Gazastrook uit te breiden, is Nederland overgegaan tot een verzoek om voornoemde evaluatie.24

In het voorstel is gesteld dat er sprake is van een dusdanig dringend geval dat de maatregelen zonder voorafgaand nader overleg mogen worden genomen. Daarbij wordt verwezen naar de hongersnood na de militaire interventie, de aanhoudende blokkade van humanitaire hulp en de schendingen van mensenrechten. Van het laatste blijkt de leden van de fractie van de SGP niet dat er een rechterlijke uitspraak is die dit heeft vastgesteld. Met betrekking tot de blokkade van humanitaire hulp constateren deze leden dat het voorstel erop wijst dat de inspanningen van de EU ertoe leidden dat Israël in juli 2025 instemde met een verruiming van de toevoer van humanitaire hulp. Daarnaast heeft Israël zich constructief opgesteld bij het vormgeven van een dialoog om de humanitaire toevoer te vergemakkelijken. De praktijk leert dat Israël tot actie kan worden aangespoord zonder de voorgestelde maatregel.

37. Waarom wordt de maatregel in dat licht wenselijk geacht?

Er is op dit moment geen sprake van gedeeltelijke opschorting van het EU-Israël Associatieakkoord. Daarvoor is instemming van de Raad vereist, waarvoor op dit moment onvoldoende draagvlak is. De inzet van de EU is op dit moment gericht op bijdragen aan het laten slagen van het vredesplan en de uitvoering van VNVR resolutie 2803, en Nederland steunt deze aanpak. Zie ook het antwoord op o.a. vraag 2 en 10.

Uiteraard betreuren de leden van de SGP-fractie dat de militaire interventie heeft geleid tot hongersnood in het gebied en zij wensen dat dit zo spoedig mogelijk ten einde komt. Daarbij moet echter worden opgemerkt dat Gaza onder verantwoordelijkheid valt van Hamas, niet van Israël. Het is derhalve een unieke situatie dat van Israël wordt verlangd om de burgers te voeden van het gebied waarmee zij in oorlog is. Temeer daar humanitaire hulp ook via Egypte kan worden toegevoerd. Het is de leden van de SGP-fractie daarom onduidelijk waarom op basis van voornoemde redenen het voorstel wordt gedaan om de handelsconcessies met Israël op te schorten, terwijl een dergelijk voorstel niet wordt gedaan met betrekking tot Egypte.

38. Kunt u hierop reflecteren?

Israël moet, als bezettende macht, zijn verplichtingen onder het humanitair oorlogsrecht naleven en is verplicht de mensenrechten van de bevolking van de bezette Palestijnse Gebieden te respecteren, te beschermen en te eerbiedigen, inclusief door de aanwezigheid en activiteiten van de VN, andere internationale organisaties en derde staten. Voor Egypte gelden ten aanzien van de Gazastrook geen dergelijke verplichtingen, omdat Egypte aldaar geen bezettende macht is.

De Euro-mediterrane Overeenkomst stelt in artikel 79 tevens een proportionaliteitsvereiste.

39. Hoe is de overweging voor de voorgestelde maatregelen gemaakt?

De betreffende maatregelen zijn door de voorzitter van de Europese Commissie, Ursula Von der Leyen, in haar State of the Union toespraak van 10 september jl. voorgesteld als opvolging van de evaluatie van de naleving door Israël van Artikel 2 van het Associatieakkoord. De Commissie mag eigenstandig maatregelen nemen, waaronder het opschorten van de bilaterale steun aan Israël als ook maatregelen voorleggen aan de Raad, die hierover vervolgens stemt. De voorstellen van de Commissie sluiten aan bij de Nederlandse inzet, zoals op dat moment ook is toegelicht aan uw Kamer.25 Zie verder het antwoord op de vragen 33, 34 en 36.

40. Welke andere maatregelen zijn overwogen?

Naast het Commissievoorstel voor een gedeeltelijke opschorting van het handelsgedeelte van het Associatieakkoord, heeft de Commissie een voorstel gedaan voor opschorting van Israëlische deelname aan Horizon Europe. Ook liggen verschillende sanctievoorstellen op tafel, waaronder tegen gewelddadige kolonisten en extremistische Ministers. Op dit moment is stemming over de voorstellen niet aan de orde. Zie verder het antwoord op de vragen 1, 9, 17, 23, 26, 29 en 43.

41. Hoe wordt verantwoord dat de voorgestelde maatregelen de goede werking van de overeenkomst het minst verstoren?

Op dit moment zijn de EU-maatregelen niet aangenomen en is er dus geen sprake van een verstoring van de werking van de overeenkomst als gevolg van dergelijke maatregelen. Het kabinet weegt voortdurend welke beleidsinzet passend is bij de situatie en het handelingsperspectief van Nederland en de EU. Eventuele gevolgen voor de bilaterale relatie of de samenwerking worden altijd meegenomen in dergelijke afwegingen.

In de toelichting op het voorstel wordt het besluit tot opschorting gegrond op artikel 60 lid 1 van het Verdrag van Wenen, in samenhang gelezen met het derde lid onder b. De leden van de SGP-fractie constateren dat deze bepaling is gesteld voor bilaterale verdragen, terwijl de Euro-mediterrane Overeenkomst naar haar aard multilateraal is. Derhalve is 60 lid 2 van het Verdrag van Wenen van toepassing. Volgens deze bepaling dient voor de algehele opschorting van Europese zijde eerst unaniem te worden ingestemd. Wel kunnen partijen eenzijdig de keuze maken om hun verplichtingen op te schorten. Daarover gaat echter niet de Raad. De leden hebben daarom ernstige twijfels bij de juridische onderbouwing van het voorstel.

42. Kunt u hierop uitgebreid reflecteren?

Het Raadsvoorstel van 17 september 2025 inzake de opschorting van bepaalde handelsgerelateerde bepalingen van het EU-Israël Associatieakkoord is conform het verdragenrecht gegrond op de bepalingen van het akkoord zelf, in het bijzonder artikel 79, tweede lid. De verwijzing in de toelichting bij het Raadsvoorstel naar artikel 60 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht tussen staten en internationale organisaties of tussen internationale organisaties (Verdrag van Wenen) doet daar niets aan af. De toelichting in het Raadsvoorstel dat artikel 79, tweede lid, van het Akkoord in samenhang met het internationaal gewoonterecht zoals gecodificeerd in artikel 60 van het Verdrag van Wenen moet worden gelezen, is in dit geval vooral bedoeld ter verdere onderbouwing van de rechtvaardiging van de (gedeeltelijke) opschorting als een passende maatregel in overeenstemming met het Akkoord.

43. Heeft de vereiste stemming over het voorstel plaatsgevonden of gaat dit plaatsvinden?

De voorstellen zijn in EU-verband besproken. Zoals eerder aan uw Kamer is gemeld, is er vooralsnog onvoldoende draagvlak om de voorstellen aan te nemen.26

44. Hoe is het kabinet voornemens te stemmen?

Het kabinet heeft in EU-verband steun uitgesproken voor de voorstellen van de Commissie, aangezien deze in lijn zijn met de kabinetsinzet. Op dit moment is stemming over de voorstellen niet aan de orde. Zie verder het antwoord op de vragen 1, 9, 17, 23, 26, 29 en 43.

Gezien de magere juridische onderbouwing, de onduidelijkheden betreffende de proportionaliteit en de vraagtekens bij het beoogde effect verzoeken de leden van de SGP-fractie het kabinet om:

45. In Europees verband niet in te stemmen met dit voorstel, en;

Zie het antwoord op vraag 44.

46. Vanuit nationaal verband de handelsconcessies niet op te schorten.

Het is niet mogelijk om vanuit nationaal verband de handelsconcessies uit het EU-Israël Associatieakkoord op te schorten. Dit betreft een EU-competentie en behoeft dus ook een EU-besluit.

Daar een kabinetsreactie vooralsnog ontbreekt is het voor de leden van de fractie van de SGP lastig te duiden welke inzet Nederland op dit dossier zal plegen. Derhalve verzoeken zij het kabinet:

47. In Europees verband in te zetten op het bevorderen van de dialoog met Israël, daar dit in het verleden tot resultaat heeft geleid;

48. In Europees verband te benadrukken dat vervreemding door het opleggen van sancties en het opschorten van handelsconcessies niet een gewenste of proportionele route is, aangezien de internationaalrechtelijke onderbouwing mager is het de dialoog eerder bemoeilijkt door het verstoren van de onderlinge verhoudingen;

49. In Europees verband in te zetten op het tegengaan van verdere polarisatie en te onderzoeken hoe men op dit moeilijke dossier juist tot elkaar kan komen;

50. In Europees verband aandacht te vragen voor constructieve maatregelen die zowel Israël als de Palestijnse bevolking in staat stellen om te komen tot een duurzame dialoog.

Graag verwijzen wij in reactie op de voorgenoemde punten naar eerdere correspondentie met uw Kamer, zoals de geannoteerde agenda’s en verslagen van de recente bijeenkomsten van de Europese Raad, Raad Buitenlandse Zaken en Raad Algemene Zaken, evenals de Kamerbrief van 28 juli jl.27 waarin het kabinet zijn inzet van druk en dialoog toelicht.

De leden van de SGP-fractie vragen u om een afzonderlijke reactie op de bovengenoemde punten.

De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp (BDO) zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

Voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp, K. Petersen


X Noot
1

Samenstelling:

Aerdts (D66), Van Apeldoorn (SP), Van Ballekom (VVD), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD) (ondervoorzitter), Van Gasteren (BBB), Goossen (BBB), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Huizinga-Heringa (CU) (ondervoorzitter), Karimi (GroenLinks-PvdA), Marquart Scholtz (BBB), Martens (GroenLinks-PvdA), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Petersen (VVD) (voorzitter), Prins (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van Strien (PVV), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD),

De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp

X Noot
2

COM(2025)890, gepubliceerd op 17 september 2025. Zie ook dossier E250022 op www.europapoort.nl.

X Noot
3

Trouw, «EU houdt sancties in de lucht om druk op Israël te houden», 20 oktober 2025.

X Noot
4

Türkiye 2024 Report European Commission, te raadplegen via EUR-Lex - 52024SC0696 - NL - EUR-Lex

X Noot
5

Human Rights Watch, Egypt Events of 2024, https://www.hrw.org/world-report/2025/country-chapters/egypt

X Noot
6

Freedom House, «Freedom in the world 2024: Morocco» https://freedomhouse.org/country/morocco/freedom-world/2024.

X Noot
7

Onder meer: NOS, «Na dag vol bombardementen en beschietingen lijkt bestand Gaza weer overeind», 19 oktober 2025, https://nos.nl/artikel/2587101-na-dag-vol-bombardementen-en-beschietingen-lijkt-bestand-gaza-weer-overeind.

X Noot
8

COM(2025)890, gepubliceerd op 17 september 2025. Zie ook dossier E250022 op www.europapoort.nl.

X Noot
9

Trouw, «EU houdt sancties in de lucht om druk op Israël te houden», 20 oktober 2025.

X Noot
10

Zie ook Kamerbrief 23 432, nr. 603.

X Noot
11

Kamerbrief verslag Raad Buitenlandse Zaken 20 oktober 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3265)

X Noot
12

Tweede Kamer, Aanhangsel van de handelingen 2024–2025, nr. 2811.

X Noot
15

Türkiye 2024 Report European Commission, te raadplegen via EUR-Lex - 52024SC0696 – NL – EUR-Lex

X Noot
16

Human Rights Watch, Egypt Events of 2024, https://www.hrw.org/world-report/2025/countrychapters/egypt

X Noot
17

Freedom House, «Freedom in the world 2024: Morocco» https://freedomhouse.org/country/morocco/freedom-world/2024.

X Noot
18

Kamerstuk 34 775, nr. 44 (2017).

X Noot
19

Tweede Kamer, Aanhangsel van de handelingen 2024–2025, nr. 2811.

X Noot
20

Onder meer: NOS, «Na dag vol bombardementen en beschietingen lijkt bestand Gaza weer overeind», 19 oktober 2025, https://nos.nl/artikel/2587101-na-dag-vol-bombardementen-enbeschietingen-lijkt-bestand-gaza-weer-overeind.

X Noot
21

Tweede Kamer, Aanhangsel van de handelingen 2024–2025, nr. 2811.

X Noot
22

Kamerbrief over de situatie in het Midden-Oosten, 28 juli 2025 (Kamerstuk 23 432 nr. 569).

X Noot
23

Kamerbrief Verzoek om de naleving door Israël van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord te evalueren (Kamerstuk 32 623 nr. 352).

X Noot
24

Kamerbrief Verzoek om de naleving door Israël van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord te evalueren (Kamerstuk 32 623 nr. 352).

X Noot
25

Kamerbrief over de situatie in het Midden-Oosten, 19 september 2025 (Kamerstuk 23 432 nr. 603).

X Noot
26

Kamerbrief Verslag Raad Algemene Zaken 16 september 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3248).

X Noot
27

Kamerstuk 23 432, nr. 569.


X Noot
1

Samenstelling:

Aerdts (D66), Van Apeldoorn (SP), Van Ballekom (VVD), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD) (ondervoorzitter), Van Gasteren (BBB), Goossen (BBB), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Huizinga-Heringa (CU) (ondervoorzitter), Karimi (GroenLinks-PvdA), Marquart Scholtz (BBB), Martens (GroenLinks-PvdA), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Petersen (VVD) (voorzitter), Prins (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van Strien (PVV), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD),

De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp

X Noot
2

COM(2025)890, gepubliceerd op 17 september 2025. Zie ook dossier E250022 op www.europapoort.nl.

X Noot
3

Trouw, «EU houdt sancties in de lucht om druk op Israël te houden», 20 oktober 2025.

X Noot
4

Türkiye 2024 Report European Commission, te raadplegen via EUR-Lex - 52024SC0696 - NL - EUR-Lex

X Noot
5

Human Rights Watch, Egypt Events of 2024, https://www.hrw.org/world-report/2025/country-chapters/egypt

X Noot
6

Freedom House, «Freedom in the world 2024: Morocco» https://freedomhouse.org/country/morocco/freedom-world/2024.

X Noot
7

Onder meer: NOS, «Na dag vol bombardementen en beschietingen lijkt bestand Gaza weer overeind», 19 oktober 2025, https://nos.nl/artikel/2587101-na-dag-vol-bombardementen-en-beschietingen-lijkt-bestand-gaza-weer-overeind.

X Noot
8

COM(2025)890, gepubliceerd op 17 september 2025. Zie ook dossier E250022 op www.europapoort.nl.

X Noot
9

Trouw, «EU houdt sancties in de lucht om druk op Israël te houden», 20 oktober 2025.

X Noot
10

Zie ook Kamerbrief 23 432, nr. 603.

X Noot
11

Kamerbrief verslag Raad Buitenlandse Zaken 20 oktober 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3265)

X Noot
12

Tweede Kamer, Aanhangsel van de handelingen 2024–2025, nr. 2811.

X Noot
15

Türkiye 2024 Report European Commission, te raadplegen via EUR-Lex - 52024SC0696 – NL – EUR-Lex

X Noot
16

Human Rights Watch, Egypt Events of 2024, https://www.hrw.org/world-report/2025/countrychapters/egypt

X Noot
17

Freedom House, «Freedom in the world 2024: Morocco» https://freedomhouse.org/country/morocco/freedom-world/2024.

X Noot
18

Kamerstuk 34 775, nr. 44 (2017).

X Noot
19

Tweede Kamer, Aanhangsel van de handelingen 2024–2025, nr. 2811.

X Noot
20

Onder meer: NOS, «Na dag vol bombardementen en beschietingen lijkt bestand Gaza weer overeind», 19 oktober 2025, https://nos.nl/artikel/2587101-na-dag-vol-bombardementen-enbeschietingen-lijkt-bestand-gaza-weer-overeind.

X Noot
21

Tweede Kamer, Aanhangsel van de handelingen 2024–2025, nr. 2811.

X Noot
22

Kamerbrief over de situatie in het Midden-Oosten, 28 juli 2025 (Kamerstuk 23 432 nr. 569).

X Noot
23

Kamerbrief Verzoek om de naleving door Israël van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord te evalueren (Kamerstuk 32 623 nr. 352).

X Noot
24

Kamerbrief Verzoek om de naleving door Israël van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord te evalueren (Kamerstuk 32 623 nr. 352).

X Noot
25

Kamerbrief over de situatie in het Midden-Oosten, 19 september 2025 (Kamerstuk 23 432 nr. 603).

X Noot
26

Kamerbrief Verslag Raad Algemene Zaken 16 september 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3248).

X Noot
27

Kamerstuk 23 432, nr. 569.

Naar boven