31 985 Buitenlands beleid en handelspolitiek

Nr. 24 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 januari 2015

Graag bied ik u hierbij de reactie aan op het verzoek van de algemene commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 18 december 2014 inzake een schriftelijke reactie op het rapport «The Trans-Atlantic Trade and Investment Partnership: European disintegration, Unemployment and instability» van het Global Development and Environment Institute van de Tufts University.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, E.M.J. Ploumen

Studie

Het Global Development and Environment Institute (GDAE) is een onderzoekscentrum van de Amerikaanse Tufts University dat zich richt op economische vraagstukken in relatie tot een duurzame agenda. Het onderzoek is uitgevoerd door Jeronim Capaldo. Capaldo is een onderzoeker bij het GDAE en is daarnaast werkzaam als econometrist bij de International Labour Organization (ILO).

Kritiek van de studie op huidige impact assessments TTIP

Dit onderzoek start met de constatering dat de meeste studies naar de economische impact van TTIP gebruik maken van eenzelfde soort econometrisch model (computable general equilibrium – CGE) om de toekomstige handelsstromen en welvaartseffecten te berekenen. Deze methode wordt door de onderzoekers beschreven als ontoereikend. Dit wordt onder meer gebaseerd op impactassessments in de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw die beperkingen bleken te hebben op handelsgebied. Daarnaast kan met het CGE-model geen effect op werkgelegenheid berekend worden. De inkomenseffecten zijn gemiddeldes en tonen dus niet aan hoe deze zijn verdeeld. Door deze gebreken, aldus Capaldo, zijn de resultaten van de impactanalyses niet betrouwbaar. Ook stelt Capaldo dat de voorspelde economische groei van 0,5% op lange termijn voor de EU relatief laag is.

Impact assessment met nieuw model

Capaldo heeft op basis van een ander economisch model, het United Nations Global Policy Model, een nieuwe analyse gemaakt van de impact van TTIP. Dit model verschilt op een aantal cruciale punten van het CGE-model:

  • 1. Effectieve vraag als basis voor economische groei in plaats van de efficiënte inzet van productiefactoren;

  • 2. Expliciete analyse van het macro-economische beleid in elke wereldregio, ook buiten de EU en de VS;

  • 3. Werkgelegenheidseffecten geschat op basis van ILO-cijfers over de relatie tussen BNP-groei en werkgelegenheid.

Capaldo gaat er vanuit dat door TTIP meer wederzijdse afhankelijkheid tussen EU en VS wordt gecreëerd en de EU kwetsbaarder is voor macro-economische ontwikkelingen in VS. Daarbij heeft de EU geen centrale fiscale autoriteit en zouden lidstaten in de praktijk belemmerd worden om fiscaal expansief beleid te voeren vanwege afspraken over het begrotingsbeleid binnen de eurozone. Deze twee punten zouden ertoe leiden dat de EU een periode van minder stabiliteit in gaat door TTIP. Tegen deze achtergrond maakt de studie een aantal aannames:

  • 1. In de komende 10 jaar zullen bezuinigingsmaatregelen elkaar op blijven volgen en blijft fiscale expansie uit;

  • 2. Verhoogde internationale concurrentie zal leiden tot druk op de reële wisselkoers (€/$), omdat bedrijven arbeidskosten willen verlagen door ontslagen en door wetgeving die arbeidsinzet verlaagt. Daardoor zal het arbeidsaandeel van het BNP en dus de effectieve vraag dalen;

  • 3. Beleidsmakers hebben invloed op banken om meer geld uit te lenen en gebruiken die invloed zodat er meer leningen op de markt komen, bijvoorbeeld door deregulering. Dit heeft als gevolg dat er een nieuwe «asset bubble» gecreëerd wordt, wat volgens de studie tot een instabiele situatie kan leiden als tijdens de crisis van 2008/2009.

De veranderingen in handelsvolumes zijn wel gebaseerd op de eerdere impactanalyses over TTIP, die berekend zijn met het CGE-model. Het door Capaldo gebruikte model kan namelijk geen analyse maken over het wegnemen van handelsbelemmeringen. Ook zijn investeringen buiten beschouwing gelaten.

Met deze aannames laat het model zien dat met TTIP de EU er op achteruit zal gaan op de lange termijn (2025), waarbij Noord-Europese landen (waaronder Nederland) bijvoorbeeld een verlies van 2 procent van het BNP zullen zien en een verlies in werkgelegenheid van 223.000 banen. Verder verwacht Capaldo een verlies aan netto export, een verlies aan arbeidsinkomen, afname van het arbeidsaandeel in BNP, minder overheidsinkomsten en een grotere instabiliteit in het financieel stelsel. Daarmee concludeert de onderzoeker dat de EU-strategie die zich richt op het vergroten van de export niet duurzaam is en op lange termijn vooral negatieve effecten tot gevolg zal hebben. Een beleid dat zich richt op het vergroten van inkomen uit arbeid is een betere strategie, aldus Capaldo.

Appreciatie

De kritiek van Capaldo is vooral gericht op beperkingen van het CGE-model als zodanig en op de gebruikte aannames.

Het gebruik van het CGE-model in impactanalyses voor TTIP is recent onderzocht in een onderzoeksreeks over TTIP voor het Europees parlement. Het eerste rapport (14 oktober jl.)1 gaat in op de validiteit en toepasbaarheid van de gebruikte economische modellen. Daarin wordt geconcludeerd dat het gebruikte CGE-model «state of the art» is op economisch gebied en dat er geen modellen bekend zijn die beter in staat zijn om de lange-termijn effecten van dergelijke complexe handelsakkoorden in te schatten. Overigens wordt aangegeven dat geen enkel model perfect is en dat het CGE-model specifiek op gebied van arbeidsmarkteffecten beperkingen heeft. Ook het Centraal Planbureau maakt gebruik van het CGE-model in zijn analyses over handelsvraagstukken.

De kritiek van Capaldo over aannames in bestaande analyses is niet onverwacht: immers, elke studie moet, om de werkelijkheid te kunnen modelleren, aannames maken die in de realiteit complexer liggen. Dit geldt ook voor de studie van Capaldo: ook de aannames die Capaldo doet, zijn voor discussie vatbaar. Zo gaat zijn onderzoek ervan uit dat er aanhoudende bezuinigingen zijn en dat onder druk van beleidsautoriteiten nieuwe activazeepbellen kunnen ontstaan. Zijn aanname dat banken onder druk van beleidsautoriteiten (veel) meer leningen verstrekken en dat dit zal leiden tot nieuwe activazeepbellen is twijfelachtig. Zo spelen naast aanbodfactoren, ook vraagfactoren een grote rol bij de ontwikkeling van bijvoorbeeld de kredietgroei. Ook hebben toezichthouders – in Europa en daarbuiten – sinds de financiële crisis juist meer bevoegdheden en instrumenten gekregen om de opbouw van zeepbellen af te remmen en de gevolgen daarvan beter op te vangen.

TTIP zal deze nieuwe bevoegdheden en instrumenten van toezichthouders niet aantasten. De resultaten van de studie van Capaldo zijn daarmee minder waarschijnlijk en lijken eerder een weergave te zijn van de gevolgen van verwachte continue bezuinigingen en van een nieuwe financiële zeepbel dan van de impact van TTIP als zodanig. Ondanks de kritiek van Capaldo op bestaande analyses maakt hij wel gebruik van de analyses van het CGE-model over de impact van TTIP op handelsstromen.

De studie van Capaldo is een aanvulling op een lange rij studies die de kwantitatieve en kwalitatieve impact van TTIP proberen te analyseren. Deze studie geeft geen wezenlijk ander beeld van de handelseffecten van TTIP. De exportgroei is immers overgenomen van bestaande studies. Alleen de doorrekening van de effecten in de Europese lidstaten is door het gebruik van een nieuw model en op basis van de gemaakte aannames geheel anders dan eerdere studies.

Nederlandse studie

Nederland heeft in 2012 zelf ook een studie laten uitvoeren door Ecorys naar de impact van TTIP op de Nederlandse economie. Hierin wordt op basis van verschillende scenario’s gekeken naar de economische impact op BNP-niveau en naar de impact op verschillende sectoren. De studie laat zien dat op lange termijn de baten voor Nederland tussen de 1,4 en 4,1 miljard euro liggen. Uiteraard zijn er tussen en binnen de sectoren wel verschillen. Deze studie is openbaar en is vorig jaar ook naar uw Kamer gestuurd (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1350).

Naar boven