31 968
Aanpassing van een aantal wetten aan de Wet veiligheidsregio’s en enkele wijzigingen in de Wet veiligheidsregio’s (Aanpassingswet veiligheidsregio’s)

nr. 8
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 10 september 2009

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel VI wordt vervangen door:

ARTIKEL VI

De Politiewet 1993 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 16, tweede lid, wordt de zinsnede «de commissarissen van de Koning en de burgemeesters,» vervangen door: de commissarissen van de Koning, de burgemeesters en, in geval van een situatie als bedoeld in artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s, de voorzitter van een veiligheidsregio,.

B

Artikel 53a, vijfde lid, wordt vervangen door:

5. De Inspectie Openbare Orde en Veiligheid, bedoeld in artikel 57 van de Wet veiligheidsregio’s, is belast met de werkzaamheden die in het kader van het eerste en het vierde lid worden uitgevoerd.

C

Artikel 53b vervalt.

B

Na artikel VI wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL VIa

Artikel 32 van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt de laatste volzin.

2. In het tweede lid vervalt de laatste volzin.

3. Een derde lid wordt toegevoegd, luidende:

3. De Inspectie Openbare Orde en Veiligheid, bedoeld in artikel 57 van de Wet veiligheidsregio’s, is belast met de werkzaamheden die in het kader van het eerste en het tweede lid worden uitgevoerd.

C

In artikel X wordt «en de Wet kwaliteitsbevordering rampenbestrijding» vervangen door: , de Wet kwaliteitsbevordering rampenbestrijding en de Wet van 1 november 2007 tot wijziging van de Brandweerwet 1985 in verband met het verzekeren van de kwaliteit van brandweerpersoneel en de verbreding van de wettelijke taken van het Nederlands instituut fysieke veiligheid (Stb. 2007, 481).

D

Na artikel X wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL Xa

1. In artikel 10 van de Wet van 18 juli 2009 tot herindeling van de gemeenten Horst aan de Maas, Meerlo-Wanssum, Sevenum en Venray (Stb. 2009, 338), artikel 8 van de Wet van 18 juli 2009 tot samenvoeging van de gemeenten Reiderland, Scheemda en Winschoten (Stb. 2009, 339), artikel 8 van de Wet van 18 juli 2009 tot samenvoeging van de gemeenten Helden, Kessel, Maasbree en Meijel (Stb. 2009, 340), artikel 8 van de Wet van 18 juli 2009 tot samenvoeging van de gemeenten Arcen en Velden en Venlo en een deel van het grondgebied van de gemeente Bergen Lb (Stb. 2009, 341) en artikel 8 van de Wet van 18 juli 2009 tot samenvoeging van de gemeenten Moordrecht, Nieuwerkerk aan den IJssel en Zevenhuizen-Moerkapelle (Stb. 2009, 342) wordt «in de bijlage, genoemd in artikel 7 van de Wet veiligheidsregio’s» telkens vervangen door: in de bijlage, genoemd in artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s.

2. Indien het bij koninklijke boodschap van 21 januari 2009 ingediende voorstel van wet tot samenvoeging van de gemeenten Abcoude, Breukelen, De Ronde Venen en Loenen (31 840), na tot wet te zijn verheven, in werking treedt, wordt in artikel 8 van die wet «in de bijlage, genoemd in artikel 7 van de Wet veiligheidsregio’s» telkens vervangen door: in de bijlage, genoemd in artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s.

3. Indien het bij koninklijke boodschap van 7 april 2009 voorstel van wet tot herindeling van de gemeenten Rotterdam en Rozenburg (31 916), na tot wet te zijn verheven, in werking treedt, wordt in artikel 9 van die wet telkens «in de bijlage, genoemd in artikel 7 van de Wet veiligheidsregio’s» telkens vervangen door: in de bijlage, genoemd in artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s.

E

Artikel XI worden als volgt gewijzigd:

1. Na onderdeel A wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Aa

Artikel 3, derde lid, komt te luiden:

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde bouwwerken, en worden regels gesteld over de basishulpverlening in die ruimten.

2. Na onderdeel D wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Da

Aan het slot van artikel 43 wordt «bij de toepassing van artikel 42» vervangen door: bij de toepassing van de artikelen 41 en 42.

3. Na onderdeel F worden vier onderdelen ingevoegd, luidende:

Fa

Artikel 57 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onder b, wordt na «in overeenstemming met» ingevoegd: de inspecties die werkzaam zijn onder gezag van.

2. Aan het eerste lid worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, de volgende onderdelen toegevoegd:

d. de werkzaamheden die in het kader van artikel 53a, eerste lid, van de Politiewet 1993 worden uitgevoerd;

e. het toezicht op de kwaliteit van de opleidingen, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs.

3. Het tweede en het derde lid worden vervangen door vier leden, luidende:

2. De inspectie is onder gezag van Onze Minister van Justitie belast met de werkzaamheden die in het kader van artikel 53a, vierde lid, van de Politiewet 1993 worden uitgevoerd.

3. De inspectie is onder gezag van Onze Minister en Onze Minister van Justitie gezamenlijk belast met het toezicht op de kwaliteit van de opleidingen, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs.

4. Het hoofd van de inspectie wordt aangewezen door Onze Minister na overleg met Onze Minister van Justitie. De overige ambtenaren van de inspectie worden aangewezen door Onze Minister.

5. De artikelen 5:12 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtenaren van de inspectie.

Fb

Artikel 58 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikel 57» vervangen door: artikel 57, eerste lid, onderdelen a tot en met c.

2. Aan het tweede lid wordt na «aan Onze Minister» ingevoegd: en, wat betreft de taken, bedoeld in artikel 57, tweede en derde lid, tevens aan Onze Minister van Justitie.

Fc

In artikel 61, derde lid, wordt na «tweede lid,» ingevoegd: en van de regels, bedoeld in artikel 3, derde lid,.

Fd

Artikel 64 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede, derde en vierde lid tot vierde, vijfde en zesde lid, komen het eerste, tweede en derde lid van artikel 64 te luiden:

1. Overtreding van de regels, gesteld krachtens artikel 3, tweede en derde lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

2. De raad van een gemeente kan bij verordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd voor overtreding van de regels, gesteld krachtens artikel 3, tweede en derde lid. De boete is niet hoger dan het bedrag, genoemd in de Arbeidsomstandighedenwet artikel 34, vierde lid, onder 1°.

3. Overtreding van het bij of krachtens artikel 30 bepaalde wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

7. De in het eerste en vierde lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

F

Artikel XXXIX, vijfde lid, komt te luiden:

5. Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Warenwetbesluit drukapparatuur, voor zover het berustte op artikel 17, eerste lid, van de Brandweerwet 1985, op artikel 30, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.

Toelichting

Inleiding

Na indiening van het wetsvoorstel is, gebleken dat het wetsvoorstel op onderdelen wijziging behoeft. Het betreft onvolkomenheden die worden hersteld dan wel aangevuld. Alle wijzigingen worden hieronder toegelicht.

A

(toelichting bij het nieuwe artikel VI, onderdelen B en C)

In het huidige artikel 53a, vijfde lid, van de Politiewet 1993 wordt bepaald dat er een Inspectie voor de politie is. Met ingang van 1 mei 2002 is de Inspectie voor de politie samengegaan met de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding, onder de nieuwe naam Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (Inspectie OOV) De Inspectie OOV wordt geregeld in de artikelen 57 en 58 van de Wet veiligheidsregio’s. In artikel 53a, vijfde lid, van de Politiewet kan daarom worden volstaan met een verwijzing naar artikel 57 van de Wet veiligheidsregio’s. De bepalingen met betrekking tot het aanwijzen van het hoofd van de Inspectie OOV, de werkzaamheden van de Inspectie OOV en het gezag over de Inspectie OOV, voor zover van belang voor de werkzaamheden die zij uitvoert krachtens de Politiewet 1993, zijn opgenomen in artikel 57 van de Wet veiligheidsregio’s. Dit geldt eveneens voor het van overeenkomstige toepassing verklaren van de artikelen 5:12 tot en met 5:20 Awb op de ambtenaren van de Inspectie OOV.

Artikel 53b van de Politiewet 1993 kan vervallen, nu artikel 58, vijfde lid, van de Wet veiligheidsregio’s regels stelt over het aanbieden van het verslag van de Inspectie OOV aan de Staten-Generaal.

B

Krachtens het huidige artikel 32 van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties belast met het toezicht op de kwaliteit van de opleidingen van de Politieacademie, welk toezicht onder zijn gezag wordt uitgeoefend door de Inspectie voor de politie. De Inspectie voor de politie is inmiddels opgegaan in de Inspectie OOV, bedoeld in artikel 57 van de Wet veiligheidsregio’s (zie de toelichting bij onderdeel A). Artikel 32 van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs wordt dienovereenkomstig aangepast.

C

Aan artikel X wordt toegevoegd: de Wet van 1 november 2007 tot wijziging van de Brandweerwet 1985 in verband met het verzekeren van de kwaliteit van brandweerpersoneel en de verbreding van de wettelijke taken van het Nederlands instituut fysieke veiligheid (Stb. 2007, 481). Die wijzigingswet is op dit moment nog niet in werking is getreden en dient te worden ingetrokken nu de Brandweerwet 1984 wordt ingetrokken vanwege de Wet veiligheidsregio’s. De inhoud van de wijzigingswet is overgenomen in de bepalingen van de Wet veiligheidsregio’s.

D

Dit onderdeel wijzigt de verwijzingen naar de bijlage, bij de Wet veiligheidsregio’s in de verschillende herindelingswetten. Deze aanpassing is nodig in verband met de vernummering van het voorstel voor een Wet veiligheidsregio’s na de behandeling in de Tweede Kamer.

E

Toelichting onderdelen1 en 3, onder Fc en Fd

Sinds de indiening van het voorstel voor de Wet veiligheidsregio’s zijn er met betrekking tot brandveiligheid twee ontwikkelingen geweest die aanleiding zijn om artikel 3 van die wet te wijzigen op het moment van inwerkingtreding.

De eerste ontwikkeling speelt op het terrein van de brandveiligheid van bouwwerken. De Woningwet heeft mede betrekking op de brandveiligheid van bouwwerken, die overigens nu nog geregeld wordt langs de weg van de gemeentelijke bouwverordening. De Woningwet zal worden gewijzigd (zie Stb. 2009, 324; Kamerstukken 31 722), hetgeen er onder meer toe leidt dat voorschriften omtrent het gebruik van bouwwerken niet langer bij de gemeentelijke bouwverordening zullen worden gegeven, maar bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Als tussenstap is met ingang van 1 november 2008 het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (vaak ook aangeduid als: het Gebruiksbesluit) in werking getreden. Dit besluit zorgt voor de gewenste uniformiteit in de gemeentelijke verordeningen. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Woningwet berust de bevoegdheid tot het geven van voorschriften over het (brandveilig) gebruik van bouwwerken weliswaar bij de gemeenteraad, maar op basis van artikel 8, achtste lid, kunnen er met het oog op landelijke uniformiteit regels worden gegeven over die gemeentelijke voorschriften. Het Gebruiksbesluit dwingt gemeenten feitelijk tot het deels «overschrijven» van landelijke regels, om hun verordening daarmee in overeenstemming te brengen («overschrijfbesluit»). Gelet daarop was tot voor kort uiterst terughoudend gebruik gemaakt van de bevoegdheid van artikel 8, achtste lid. Gezien het zeer grote maatschappelijke en politieke draagvlak voor snelle landelijke uniformering van de betreffende voorschriften, heeft het kabinet evenwel gemeend dat een dergelijk besluit in dit geval voldoende gerechtvaardigd is.

In de nota Bouwregelgeving 2002–2006 (Kamerstukken II 2001/02, 28 325, nr. 1, p. 23) was al aangekondigd dat er met het oog op uniformiteit een grondslag voor een algemene maatregel van bestuur zou komen in zowel de Woningwet als in (toen nog) de Brandweerwet 1985. De reden dat ook de Brandweerwet 1985 werd genoemd, is gelegen in de omstandigheid dat de bouwregelgeving wat betreft brandveiligheid alleen ziet op bouwwerken. Naast de brandveiligheid van bouwwerken is evenwel ook de brandveiligheid van niet-bouwwerken een onderwerp dat regulering behoeft. Het gaat dan bijvoorbeeld om verplaatsbare tenten, partyboten en festivalterreinen. Aangezien dat onderwerp niet bij of krachtens de Woningwet wordt geregeld, moeten gemeenten op grond van artikel 12 van de Brandweerwet 1985 die onderwerpen regelen in hun brandbeveiligingsverordening. Dit blijkt overduidelijk uit de formulering van artikel 12, dat eindigt met de woorden: voor zover daarin niet bij of krachtens de Woningwet of enige andere wet is voorzien. Artikel 12 is in de (komende) Wet veiligheidsregio’s opgenomen als artikel 3, tweede lid. De hierboven geciteerde toevoeging is daarbij weggelaten; deze is immers overbodig, omdat het inherent is aan ons staatsbestel dat de bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever zich niet uitstrekt tot wat op nationaal niveau is geregeld. De bovenbedoelde, in de nota Bouwregelgeving 2002–2006 aangekondigde, grondslag is eveneens in artikel 3 van de Wet veiligheidsregio’s opgenomen: in het derde lid staat dat «met het oog op uniformiteit» bij algemene maatregel van bestuur regels worden gegeven «over de inhoud van de brandbeveiligingsverordening». Dit artikellid was – ook qua systematiek – bedoeld als een pendant voor de regeling op grond van de Woningwet, zoals te lezen is in de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2007/08, 31 117, nr. 3, p. 57). Uit de gekozen formulering blijkt evenwel dat de regulering van het onderwerp nog steeds afhankelijk is van de afzonderlijke gemeentelijke verordeningen; de gewenste uniformiteit is daarmee dus niet gewaarborgd. Om die reden, en in lijn met de ontwikkeling op het gebied van de bouwregelgeving. wordt artikel 3, derde lid, nu zodanig gewijzigd dat er rechtstreeks in een algemene maatregel van bestuur regels worden gegeven over het brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde bouwwerken, hierna kortweg aangeduid als: niet-bouwwerken.

De tweede ontwikkeling is dat – mede naar aanleiding van de brand in het cellencomplex bij Schiphol – de noodzaak bleek om helder te regelen dat in ruimten waar mensen zijn, ook altijd voorzien moet zijn in hulpverlening ter plaatse, in afwachting van de hulpverlening door politie, brandweer en geneeskundige hulpverleners. In bedrijven is dat geregeld in de vorm van bedrijfshulpverlening (bekend onder de afkorting BHV), op basis van de Arbeidsomstandighedenwet (de Arbo-wet). Uitgangspunt daarbij is de verantwoordelijkheid van de werkgever. Een dergelijke voorziening dient evenwel ook geregeld te worden voor andere personen dan alleen werknemers, en voor alle categorieën ruimten, bouwwerken en niet-bouwwerken. Daarom is aangekondigd (zie brief van 14 juli 2008, Kamerstukken II 2007/08, 24 587 en 31 117, nr. 294) dat dit geregeld zal worden in één algemene maatregel van bestuur, zodat alle bepalingen ter zake in één regeling zijn te vinden. Het centrale begrip in dat besluit zal zijn: basishulpverlening. Dat brengt tot uitdrukking dat het om de primaire fase na een incident gaat, in afwachting van de publieke hulpverleners. Bovendien blijft de vertrouwde afkorting «BHV» bruikbaar. Gelet op de reikwijdte van de regeling zal deze gebaseerd worden op de Arbo-wet, de Woningwet en de Wet veiligheidsregio’s. Voor deze laatste wet is gekozen omdat (zoals hiervoor is uiteengezet) op basis van die wet regelgeving met betrekking tot niet-bouwwerken plaatsvindt. De Woningwet en de Wet veiligheidsregio’s bestrijken zo alle ruimten waarvoor in casu regelgeving gewenst is. De grondslag voor het Besluit basishulpverlening past derhalve goed in het derde lid van artikel 3. Dat artikel bevat na wijziging dus een grondslag voor twee amvb’s.

De amvb met betrekking tot het brandveilig gebruik van niet-bouwwerken zal voorschrijven dat in bepaalde (in de amvb genoemde) gevallen een gemeentelijke vergunning nodig is voor het gebruiken daarvan. De vergunning mag alleen verleend worden indien brandveilig gebruik gewaarborgd is – hetgeen het geval is indien is voldaan aan de voor dat niet-bouwerk relevante eisen die in de amvb worden gesteld. Dit is feitelijk niet anders dan nu. Op dit moment geldt immers evenzeer een vergunningenstelsel. Het verschil is dat eerst getoetst werd aan eisen uit de gemeentelijke brandbeveiligingsverordening – die veelal was opgesteld aan de hand van de modelverordening van de VNG. Vanwege de hiervoor beschreven ontwikkelingen neemt de amvb als het ware de plaats in van de modelverordening. Aangezien de amvb een algemeen verbinden voorschift is, behoeven er op dit gebied geen gemeentelijke verordeningen te worden opgesteld. Op de naleving van de gemeentelijke vergunningverlening, dat wil zeggen of gemeenten alleen vergunningen afgeven indien de aanvrager heeft voldaan aan de eisen die in de amvb zijn neergelegd, houdt de Inspectie OOV toezicht. De grondslag hiervoor is artikel 57, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s dat de Inspectie onder meer belast met het toetsen van de wijze waarop een orgaan van een gemeente uitvoering geeft aan de taken met betrekking tot de brandweerzorg. Daaronder valt zonder twijfel ook de wijze waarop het college van burgemeester en wethouders omgaat met de vergunningverlening in het kader van het brandveilig gebruik van niet-bouwwerken. De gemeenten op hun beurt zullen erop moeten toezien dat binnen de gemeentegrenzen de vergunningplichtige niet-bouwwerken slechts worden gebruikt met de benodigde vergunning, dat de vergunninghouder handelt conform de eisen die als uitgangspunt voor de vergunningverlening fungeerden, te weten de eisen die in de amvb aan het gebruik worden gesteld. Daartoe is in artikel 61, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s een verwijzing naar artikel 3, derde lid, opgenomen.

De amvb met betrekking tot de basishulpverlening zal voorschrijven dat degene die een vergunning nodig heeft voor het gebruik van een niet-bouwwerk, doeltreffende maatregelen treft ten behoeve van de basishulpverlening. Die amvb zelf zal overigens weinig uitgewerkte maatregelen bevatten; het gaat hier om een zogeheten doelvoorschrift, zodat maatwerk moet worden geleverd op basis van in concrete omstandigheden aanwezige risico’s. Omdat de gemeente vanwege de vergunningverlening een relatie heeft met de aanvrager van een vergunning, ligt het in de rede de gemeente ook met betrekking tot de basishulpverlening een rol te geven. Daarom wordt als tweede eis voor de vergunningverlening geformuleerd dat een vergunning niet wordt verleend indien de basishulpverlening niet op orde is. Voor het toezicht geldt hetzelfde als hierboven is geformuleerd: de Inspectie ziet toe op de gemeenten, de gemeenten zien toe op de vergunningaanvragers en -houders.

Het bovenstaande betekent in samenhang dat iemand die in de toekomst een niet-bouwwerk wil gebruiken, moet voldoen aan eisen van het Besluit brandveilig gebruik niet-bouwwerken én het Besluit basishulpverlening. De gemeente moet bezien of aan die eisen wordt voldaan. Is dat het geval, dan kan een vergunning worden afgegeven. Is dat niet het geval, dan wordt de vergunning niet verleend. De vergunning wordt verleend voor het gebruik. Zou tijdens het gebruik blijken dat de niet (meer) wordt voldaan aan de eisen, dan moet daartegen worden opgetreden. Voor zover in strijd wordt gehandeld met de eisen die zijn opgenomen in de amvb, wordt nu voorzien in een strafrechtelijke sanctie in de Wet veiligheidsregio’s (artikel 64, eerste lid). Daarnaast heeft de gemeente een aantal bestuursrechtelijke mogelijkheden. Zo kan de gemeente de vergunning intrekken. Artikel 125 Gemeentewet geeft een bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang, hetgeen in samenhang met de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betekent dat niet-vergund of«onbehoorlijk» gebruik beëindigd kan worden.

Artikel 5:32, eerste lid, van de Awb geeft het tot bestuursdwang bevoegde bestuursorgaan als alternatief de bevoegdheid een last onder dwangsom op te leggen. Voorts wordt in artikel 64, tweede lid, (nieuw) van de Wet veiligheidsregio’s een bevoegdheid opgenomen om bij verordening te bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd voor overtreding van de vergunningvoorschriften. Conform artikel 5:46 van de Awb is bepaald wat het maximum is van de boete die kan worden opgelegd. Daarbij is aangesloten bij het boetebedrag van de Arbeidsomstandighedenwet.

Ten slotte wordt aan artikel 64 van de Wet veiligheidsregio’s, dat de voortzetting is van artikel 25 van de Brandweerwet 1985, een lid toegevoegd (het zevende lid, nieuw), waarmee wordt hersteld dat de standaardbepaling over de aard van de strafbare feiten niet was overgenomen.

2. Artikel 43 verplicht de voorzitters van de veiligheidsregio’s, de commissarissen van de Koningin en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties elkaar de nodige inlichtingen te verstrekken. Abusievelijk is deze wederzijdse inlichtingenplicht beperkt tot de toepassing van artikel 42, waarin is geregeld dat de commissaris als rijksorgaan de voorzitter van de veiligheidsregio aanwijzingen kan geven in geval van een ramp of crisis van meer dan regionale betekenis. Deze inlichtingenplicht moet ook gelden voor de toepassing van artikel 41, waarin is bepaald dat de commissaris als rijksorgaan toeziet op de samenwerking in het regionaal beleidsteam en daartoe aanwijzingen kan geven

3.

Onderdeel Fa

1. Nu in de aanhef van artikel 57, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s de Inspectie OOV het onderwerp van de zin is, ligt het in de rede om in onderdeel b eveneens inspecties te noemen, en niet direct de ministers onder wie deze inspecties ressorteren.

2.  Aan de taken van de Inspectie OOV, genoemd in artikel 57, eerste lid, van de Wet veiligheidregio’s, worden toegevoegd de taken die de Inspectie voor thans heeft op grond de Politiewet 1993 en de Wet op het LSOP en het politieonderwijs. Zie hiervoor de toelichting bij de onderdelen A en B.

3.  De werkzaamheden van de Inspectie OOV in het kader van de Politiewet 1993 en de Wet op het LSOP en het politieonderwijs worden deels uitgevoerd onder gezag van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie gezamenlijk en deels onder gezag van de Minister van Justitie. Dit wordt vastgelegd in het nieuwe tweede en derde lid.

In het nieuwe vierde lid wordt bepaald dat het hoofd van de Inspectie OOV wordt benoemd door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties na overleg met de Minister van Justitie. Dit is thans voor wat betreft de Inspectie voor de politie geregeld in artikel 53a, vijfde lid, van de Politiewet 1993.

Het huidige tweede en derde lid kunnen vervallen, nu in het nieuwe vijfde lid wordt bepaald dat de artikelen 5:12 tot en met 5:20 Awb van overeenkomstige toepassing zijn op de ambtenaren van de Inspectie OOV, waarin onder meer de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen is opgenomen.

Onderdeel Fb

De wijzigingen houden verband met de bijzondere positie van de Minister van Justitie bij de uitvoering van een deel van de werkzaamheden van de Inspectie OOV in het kader van de Politiewet 1993 en de Wet op het LSOP en het politieonderwijs.

F

In artikel III, onderdeel V, van het Besluit van 3 juli 2003 tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit en enkele op de Wet op de gevaarlijke werktuigen en de Warenwet gebaseerde algemene maatregelen van bestuur in verband met de integratie van de Wet op de gevaarlijke werktuigen in de Warenwet (Stb. 2003, 315) is de citeertitel van het Besluit drukapparatuur gewijzigd in: Warenwetbesluit drukapparatuur. In het voorstel van Aanpassingswet veiligheidsregio’s was abusievelijk de oude citeertitel opgenomen. Dit wordt met deze wijziging hersteld.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

G. ter Horst

Naar boven