De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de algehele wijziging van het LVB onder andere toeziet op het maximumaantal
vliegtuigbewegingen en de verdeling tussen etmaal- en nachtvluchten met als doel een
reductie van geluidshinder;
constaterende dat de regering met het gewijzigde LVB Schiphol een reële balans wil
bereiken tussen het economische belang van de internationale luchthaven Schiphol en
de kwaliteit van de leefomgeving voor omwonenden;
constaterende dat het zowel voor Schiphol als voor het Rijk niet mogelijk is om luchtvaartmaatschappijen
te dwingen om vluchten over te plaatsen naar regionale luchthavens, maar dat Schiphol
wel in overleg met de luchtvaartmaatschappijen kan bekijken of er vluchten op andere
regionale luchthavens kunnen worden uitgevoerd, waaronder Maastricht Aachen Airport
(MAA), Lelystad Airport en Groningen Airport Eelde (GAE);
overwegende dat de hoge vliegbelasting als gevolg van nationale regelgeving een groot
nadeel betekent voor de concurrentiepositie tegenover regionale luchthavens in de
aangrenzende buurlanden;
verzoekt de regering om beleidsopties in kaart te brengen om het negatieve (financiële)
effect van de vliegbelasting voor met name de regionale luchthavens te neutraliseren
en aan te geven welke budgettaire impact harmonisatie met de grenslanden heeft, opdat
een eventuele overloopfunctie van regionale luchthavens voor Schiphol een reële optie
wordt;
verzoekt de regering om er goed op te letten dat de belangrijke infrastructuur van,
met name, de regionale luchthavens voor de Nederlandse defensie behouden blijft;
verzoekt de regering om deze Kamer driejaarlijks inzicht te geven in de daadwerkelijke
effecten en consequenties van de genomen maatregelen van zowel het kabinet als van
Schiphol,
en gaat over tot de orde van de dag.
Van Kesteren