Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201031931 nr. 7

31 931 Regels omtrent de aanwijzing van een nationale accreditatie-instantie in verband met de implementatie van EG-verordening nr. 765/2008 (Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie)

Nr. 7 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 juli 2010

Bij brief van 24 juni 2010 (kenmerk 2010Z08526/2010D25794) heeft u mij gevraagd om een reactie in algemene zin op een brief die misstanden zou aankaarten bij ISO 9001 certificering. U heeft daarbij verzocht niet in te gaan op de individuele zaak, maar wel op de in die brief aangekaarte problematiek.

Certificering vindt plaats in een open stelsel met onderling concurrerende certificatie-instanties. In de brief gaat het echter niet zo zeer om misstanden bij ISO 9001 certificering, maar om de overgang naar een nieuwe situatie waarin er slechts één nationale accreditatie-instantie per lidstaat kan bestaan. Er is een algemeen kader van regels en beginselen vastgelegd met betrekking tot accreditatie, dat er toe moet leiden dat het vertrouwen in ondermeer ISO 9001 certificaten toeneemt. Deze regels en beginselen zijn vastgelegd in de Europese verordening 765/2008 inzake accreditatie en markttoezicht (hierna: de verordening), die op 9 juli 2008 is gepubliceerd. Op grond van deze verordening mogen lidstaten slechts één nationale accreditatie-instantie hebben, omdat mededinging tussen accreditatie-instanties kan leiden tot commercialisatie van hun activiteit en dit is onverenigbaar met hun rol als laatste controleniveau in de conformiteitsbeoordelingsketen. Hiermee creëert de verordening per lidstaat, zoals briefschrijver stelt, één organisatie die met uitsluiting van andere organisaties bevoegd is op het terrein van accreditatie.

Om in Nederland aan de voorwaarden van de verordening te voldoen, is vorig jaar de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie1 tot stand gekomen. Deze wet is op 1 januari 2010 in werking getreden. In deze wet wordt de Raad voor Accreditatie (RvA) aangewezen als de nationale accreditatie-instantie. Er is gekozen voor de RvA als nationale accreditatie-instantie, omdat de RvA in de praktijk al als nationale accreditatie-instantie functioneerde. Bovendien was de RvA reeds aangesloten bij de Europese samenwerking voor accreditatie (EA) en bij de internationale koepelorganisaties voor accreditatie-instanties (zie ook Kamerstukken II 2009/10, 31 931, nrs. 1–6). Door de aanwijzing in deze wet is de RvA een zelfstandig bestuursorgaan geworden.

De verordening en de wet zorgen er voor dat er geen belangenverstrengeling binnen de RvA kan ontstaan, zoals in de brief wordt gesuggereerd. Doordat de RvA een zelfstandig bestuursorgaan is geworden, wordt een onafhankelijke taakuitvoering en oordeelsvorming van de RvA gewaarborgd. De RvA is onafhankelijk ten opzichte van de partijen die de RvA accrediteert. Elke conformiteitsbeoordelingsinstantie die een accreditatie aanvraagt bij de RvA wordt getoetst aan dezelfde objectieve eisen die zijn bepaald door geharmoniseerde Europese normen. Een accreditatie kan niet worden toegekend als een instantie niet aan de gestelde eisen voldoet. Omdat de RvA een zelfstandig bestuursorgaan is, is ook de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit betekent dat de conformiteitsbeoordelingsinstantie, of een andere belanghebbende die het niet eens is met het besluit tot het al dan niet toekennen van een accreditatiecertificaat, bezwaar kan aantekenen bij de RvA. Indien degene die bezwaar heeft aangetekend het niet eens is met het besluit op zijn bezwaarschrift, kan hij in beroep gaan bij de bestuursrechter. Tenslotte kan hoger beroep worden ingesteld bij het College van beroep voor het bedrijfsleven.

Ook wordt in de brief naar voren gebracht dat er een wettelijke overgangsregeling had moeten zijn. De verordening bevat een overgangsregeling. Aangezien een verordening rechtstreeks doorwerkt in een lidstaat, kan een ieder in Nederland zich beroepen op de overgangsregeling in de verordening. In artikel 39 van de verordening staat dat accreditatiecertificaten die voor 1 januari 2010 zijn afgegeven, geldig kunnen blijven tot hun vervaldatum, doch niet na 31 december 2014. Conformiteitsbeoordelingsinstanties kunnen tot het einde van de geldigheid van het accreditatiecertificaat dus gewoon geldige certificaten uitgeven. Indien het accreditatiecertificaat wel is verlopen of wordt verlengd of uitgebreid, dient de certificatie-instantie opnieuw te worden geaccrediteerd. Zij had dit echter ook onder het oude stelsel moeten doen. Het enige verschil met het oude stelsel is dat de RvA de accreditatie nu zal doen in plaats van de voorheen accrediterende instantie. Het is dan ook niet zo dat de bedrijven die worden gecertificeerd door een geaccrediteerde conformiteitsbeoordelingsinstantie, door het nieuwe stelsel extra kosten moeten maken.

Gezien het bovenstaande ben ik dan ook van mening dat de verordening en de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie niet leiden tot onethisch gedrag of concurrentievervalsing, maar juist tot een verbetering van het vertrouwen in certificaten onder accreditatie.

De minister van Economische Zaken,

M. J. A. van der Hoeven