Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-200931931 nr. 5

31 931
Regels omtrent de aanwijzing van een nationale accreditatie-instantie in verband met de implementatie van EG-verordening nr. 765/2008 (Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie)

nr. 5
VERSLAG

Vastgesteld 4 juni 2009

De vaste commissie voor Economische Zaken1 belast met het voorbereidend onderzoek van bovengenoemd wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

I Algemeen

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel omtrent de aanwijzing van een accreditatie-instantie. Naar aanleiding van dit wetsvoorstel hebben de leden van de VVD-fractie een aantal aandachtspunten die zij graag onder de aandacht zouden willen brengen.

3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

De leden van de CDA-fractie benadrukken dat bedrijven door het systeem van accrediteren zelf stappen kunnen zetten op weg naar bijvoorbeeld een duurzame productie en dat door bijvoorbeeld een keurmerk ook zichtbaar maken richting consument. Het werk van een accreditatie-instelling is erop gericht het vertrouwen van een afnemer in de kwaliteit van een product of dienst te ondersteunen, zodat afnemers weten dat een keurmerk de garantie biedt die het beweert te geven. Dat doet de Raad door te bekijken of een «conformiteitverklarende instelling» (die bijvoorbeeld vaststelt of er inderdaad duurzaam geproduceerd wordt) o.a. onafhankelijk en deskundig is. De leden van de CDA-fractie vinden onafhankelijkheid van de Raad zelf van belang. De Raad wordt door de toekenning van publiekrechtelijke bevoegdheden een ZBO. Op welke wijze is de onafhankelijkheid van de Raad gewaarborgd? Welke mogelijkheden heeft de regering om in te grijpen als de Raad de wettelijke taken niet goed uitvoert?

De leden van de VVD-fractie vragen of de Nederlandse markt ruimte blijft bieden aan andere accreditatie-instanties voor accreditaties die buiten de reikwijdte van de verordening liggen. Hoe draagt de overheid er zorg voor dat een gelijk speelveld blijft bestaan tussen de Raad voor Accreditatie (RvA) en andere instanties die op commerciële basis dezelfde taken vervullen.

Deze leden vragen hoe te controleren of de geldstromen binnen het publieke gedeelte van de RvA niet zullen en kunnen worden gebruikt voor de uitvoering van het privaatrechtelijke gedeelte van de RvA waar immers geen verandering in bedrijfsvoering is voorgenomen?

De leden van de VVD-fractie vragen voorts hoe de financiering van de werkzaamheden van de RvA zich verhoudt tot die van accreditatie-instellingen van andere lidstaten? Daarnaast zijn deze leden benieuwd of er een harmonisering van kosten tussen de verschillende accreditatie-instanties in andere lidstaten is voorgenomen?

Omdat het volgens de verordening niet verplicht is om een nationale accreditatie-instantie te hebben is het voor lidstaten zonder een dergelijke instantie mogelijk om gebruik te maken van een accreditatie-instantie in een andere lidstaat. De leden van de VVD-fractie vragen of Nederlandse aanvragers van accreditatie verplicht zijn een beroep te doen op de RvA, dan wel of de mogelijkheid zal gaan bestaan om een aanvraag voor accreditering in een andere lidstaat dan de eigen lidstaat te doen.

5. Effecten voor het bedrijfsleven en administratieve lasten

De leden van de VVD-fractie vragen waarom administratieve lasten die ontstaan door het instellen van het publieke orgaan RvA niet tot de administratieve lasten worden gerekend? Wat bedragen de administratieve lasten die kennelijk altijd al bestonden?

II Artikelsgewijs

Artikel 5

De Raad voor Accreditatie moet binnen zes maanden besluiten over een aanvraag tot accreditatie. Dit lijkt de leden van de CDA-fractie wat lang, het zou goed zijn als we bedrijven sneller zekerheid kunnen geven. Waarom kiest de regering voor een termijn van zes maanden? Welke ruimte biedt de Verordening op dit punt? Is de regering bereid deze termijn te heroverwegen?

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,

Timmer

De adjunct-griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken,

De Veth


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Schreijer-Pierik (CDA), Vendrik (GL), Ten Hoopen (CDA), Spies (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Aptroot (VVD), Smeets (PvdA), Samsom (PvdA), Timmer (PvdA), voorzitter, Irrgang (SP), Jansen (SP), Biskop (CDA), Ortega-Martijn (CU), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Van der Burg (VVD), Graus (PVV), Zijlstra (VVD), Besselink (PvdA), Gesthuizen (SP), Ouwehand (PvdD), Vos (PvdA), de Rouwe (CDA) en Elias (VVD).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Van Dijk (CDA), Sap (GL), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Koşer Kaya (D66), Ulenbelt (SP), Blok (VVD), Boelhouwer (PvdA), Kalma (PvdA), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Karabulut (SP), Luijben (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU), Atsma (CDA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Madlener (PVV), Nicolaï (VVD), Van Dam (PvdA), Gerkens (SP), Thieme (PvdD), Heerts (PvdA), Uitslag (CDA) en Weekers (VVD).