Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201031930 nr. 15

31 930
Wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956)

nr. 15
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 september 2009

Hierbij doe ik u een reactie toekomen op het rondetafelgesprek dat plaats heeft gevonden op 23 september 2009, zoals verzocht in uw brief van 24 september jl. (2009D45173)

De deelnemers aan het rondetafelgesprek waren: (Deel I) Mw. Van Vijfeijken (Universiteit van Tilburg en wetenschappelijk adviseur Pricewaterhouse Coopers), Sjerps (Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie), Overduin (Grant Thornton), Boer (Deloitte en Universiteit Leiden), Van Rij (Ernst&Young), Blokland (De Kort Van der Kolk Van Tuijl en Vereniging van Estate Planners in het Notariaat), Sonneveldt (Mazars en Nederlandse Orde van Belastingadviseurs), (Deel II) Stevens (Pricewaterhouse Coopers en Vrije Universiteit), Tomassen (Vereniging Familiebedrijven Nederland), (Deel III) Mw. Berman (Vereniging Nederlandse Organisaties Vrijwillligerswerk), Helmer en Bosma (Samenwerkende Brancheorganisaties Filantropie), Slot (NOC*NSF) en Boersma (Scouting Nederland).

De kamerleden die bij deelnamen aan het rondetafelgesprek, waren: Remkes (VVD), Bashir (SP), Vos (PvdA), Van Dijck (PVV) en Omtzigt (CDA).

Deel I: Algemeen

Schenk- en erfbelasting – modernisering successiewetgeving

Mw. Van Vijfeijken spreekt haar teleurstelling uit over het feit dat in de nieuwe wetgeving wordt voortgeborduurd op het bestaande systeem en dat niet wordt overgegaan op een systeem dat volledig aansluit op het economische verkrijgersbegrip.

Het volledig aansluiten bij de economische verkrijging zou optimaal zijn. De (grote en pijnlijke) verdelingseffecten van een dergelijke keuze zijn echter redengevend geweest om hier niet voor te kiezen.

Tarieven en vrijstellingen – tarieven omlaag, structuren vereenvoudigd

Overduin merkt op dat kleine schenkingen in het wetsvoorstel zwaarder worden belast dan onder de huidige wetgeving.

De schenkbelasting is meer in overeenstemming gebracht met de verlaagde tarieven van de erfbelasting. Dat erfenissen die worden verkregen door ouders bij vooroverlijden van het kind (hetgeen overigens niet vaak voorkomt) tegen een iets hoger tarief (30% in plaats van 26%) worden belast in het wetsvoorstel, zoals Overduin constateert, is een keuze geweest bij de vaststelling van de (vereenvoudigde) tarieven- en vrijstellingen structuur.

Partnerbegrip – objectieve definitie

De insteek van het nieuwe partnerbegrip, waarbij samenwoners zonder samenlevingscontract niet meer als partner kwalificeren, is volgens Sjerps, Overduin en Blokland te eng. Mw. Van Vijfeijken geeft echter terecht aan dat het stroomlijnen van het partnerbegrip het nastreven waard is en dat het nieuwe partnerbegrip leidt tot met gehuwden objectief vergelijkbare situaties. Het overgangsrecht dat de wetgever in het wetsvoorstel heeft opgenomen, te weten een overgangstermijn van zes maanden, vinden alle genodigden te kort. Zij dringen aan op een intensieve publiciteitscampagne.

Het nieuwe partnerbegrip, waarin een definitie wordt gegeven aan de hand van objectieve en controleerbare criteria, betekent een aanzienlijke vereenvoudiging ten opzichte van de huidige situatie. Het hanteren van objectieve criteria is voor de uitvoering en het toezicht van groot belang. Bovendien sluit het in de Successiewet 1956 gehanteerde partnerbegrip naadloos aan bij het geüniformeerde basis partnerbegrip dat in het wetsvoorstel Fiscale vereenvoudigingswet 2010, onderdeel van het Belastingplan 2010, wordt ingevoerd in de overige fiscale wetgeving. Aanvullende eis voor de Successiewet 1956 is louter de verzorgingsclausule in het samenlevingscontract. Deze clausule rechtvaardigt evenwel de hoge vrijstelling die voor partners van toepassing is. Met betrekking tot het ontbreken van een dergelijke clausule of een samenlevingscontract merk ik op dat samenlevers die iets aan elkaar willen nalaten, doorgaans een testament nodig hebben. Het laat zich moeilijk denken dat samenlevers wel een testament opstellen, maar geen samenlevingscontract hebben.

Met betrekking tot de gevraagde langere overgangstermijn merk ik op dat – nu het geüniformeerde partnerbegrip per 1 januari 2011 in de Algemene wet inzake rijksbelastingen en in de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt ingevoerd – de overgangstermijn tot die datum zal worden verlengd. Overigens zijn de voorbereidingen voor een intensieve publiciteitscampagne reeds aangevangen.

Blokland en mw. Van Vijfeijken zijn van mening dat stiefkinderen en quasi-stiefkinderen (kinderen van een partner niet zijnde echtgenoot of geregistreerd partner) qua tarief en vrijstelling gelijk behandeld zouden moeten worden. Tevens zou de defiscalisering in de Wet inkomstenbelasting 2001 voor beide groepen kinderen moeten gelden.

Ten aanzien van het gelijkstellen van stiefkinderen van gehuwden en stiefkinderen van samenwonende partners heb ik in de nota naar aanleiding van het nader verslag opgemerkt dat ik niet onwelwillend sta tegenover een wetswijziging die daartoe strekt. De budgettaire ruimte daartoe ontbreekt echter op dit moment. Ten aanzien van de defiscalisering van vorderingen en schulden in box 3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 verwijs ik naar hetgeen hieromtrent is opgemerkt in de nota naar aanleiding van het nader verslag. De Kamer kan de toegezegde brief over defiscalisering van vorderingen en schulden die voortvloeien uit erfrechtelijke situaties eind 2009 of begin 2010 tegemoet zien. Dit vormt overigens geen enkel beletsel voor het onderhavige wetsvoorstel. Het al dan niet defiscaliseren van vorderingen en schulden dient zorgvuldig afgewogen te worden en is niet op korte termijn te realiseren.

BOR – overig algemeen

Mw. Van Vijfeijken spreekt haar vrees uit dat belastingplichtigen met succes een beroep op het gelijkheidsbeginsel kunnen doen, stellend dat verkrijgers van ondernemingsvermogen grotendeels vrijgesteld worden waar dat niet geldt voor verkrijgers van ander vermogen. Dat zou de facto betekenen dat in het geheel geen schenk- en erfbelasting meer geheven zou worden.

Deze vrees onderschrijf ik niet. Verkrijgers van ondernemingsvermogen zijn om verscheidene redenen niet vergelijkbaar met verkrijgers van ander vermogen. Zoals Stevens in het tweede blok aangeeft kan hierbij worden gedacht aan de argumenten dat ondernemingsvermogen «vastzit» in de onderneming of dat voor ondernemers een «level playing field» in vergelijking tot multinationals moet worden gecreëerd. De BOR beoogt te voorkomen dat de continuïteit van de onderneming in gevaar komt doordat vermogen aan het bedrijf moet worden onttrokken om de schenk- of erfbelasting bij bedrijfsoverdracht te kunnen voldoen. Bovendien is onder de huidige regeling, waarbij een vrijstelling van 75% geldt, nooit met succes beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan.

Van Rij stelt dat de BOR nog enkele weeffouten bevat. Inmiddels is besloten de BOR ruimer toegankelijk te maken voor indirecte belangen (zie ook de opmerkingen hierover onder blok II), waardoor aan zijn opmerkingen op dit vlak voor een belangrijk deel tegemoet gekomen wordt. Van Rij houdt een pleidooi om de BOR ruimer toegankelijk te laten voor liquiditeiten. Het inperken van de BOR op het punt van beleggingsvermogen van (15% naar 5%) is een bewuste keuze geweest. De faciliteit is nu ruimer, maar sluit meer aan bij reëel ondernemingsvermogen. Tevens ontstaat meer rechtsvormneutraliteit. Overigens vallen liquiditeiten welke onderdeel zijn van een gangbare bedrijfsvoering wél onder de faciliteiten van de BOR.

Budgettaire dekking uit APV’s – solide en reëel

Ten aanzien van APV’s spreken de genodigden vooral hun zorgen uit over de haalbaarheid van de budgettaire dekking die uit de maatregel voort moet komen. Enerzijds richten deze twijfels zich op de geraamde opbrengst van € 210 miljoen per jaar. Is bijvoorbeeld voldoende rekening gehouden met weglekeffecten en hoe wordt de opbrengst uit box 2 vermogen geraamd terwijl de a.b.-houder zelf aan de knoppen zit? Sonneveldt wijst er op dat de insteller van een trust kan emigreren en dat trustvermogen kan muteren: trustees kunnen met ingebracht vermogen onroerend goed (gelegen in het buitenland) kopen waardoor het vermogen alsnog niet tot opbrengst in de Nederlandse belastingheffing zou leiden.

Zoals reeds herhaaldelijk opgemerkt zie ik – behoudens de onzekerheidsmarge die inherent is aan iedere raming – geen budgettaire risico’s. De berekeningen en aannames die aan de ramingen ten grondslag liggen zijn zeer degelijk. Blijkbaar verschillen de genodigden annex belastingadviseurs en ik op dit punt van mening. Ik ben bereid in een vertrouwelijke technische briefing nader en dieper op dit punt in te gaan. Recente ontwikkelingen, welke zich hebben voorgedaan ná de raming, hebben ons overigens gesterkt in de gedachte dat sprake is van een degelijke dekking.

Anderzijds richten de twijfels zich op de Europeesrechtelijke en internationaalrechtelijke houdbaarheid van de toerekeningssystematiek. Een aantal genodigden roept de vraag op in hoeverre Nederland eenzijdig een wijziging aanbrengt in haar heffingsbevoegdheid, wat strijdigheid met de goede verdragstrouw zou betekenen.

Zoals ik al in de nota naar aanleiding van het verslag heb opgemerkt is naar mijn mening geen sprake van het eenzijdig wijzigen van heffingbevoegdheden en is er daarmee geen sprake van strijd met de goede verdragstrouw, zoals overeengekomen met onze verdragspartners. Daarbij sluit de voorgestelde toerekening aan bij het beleid van de Belastingdienst (Besluit van 16 december 1993, nr. DB93/4451): de toerekeningsfictie is in feite een vastlegging hiervan. Illustratief is dat de Raad van State op dit punt van mening is dat het enkele feit dat belasting naar de winst wordt geheven op het niveau van de APV op zichzelf geen reden is om af te zien van toerekening van vermogen of inkomen van een APV aan de insteller. Desalniettemin worden bezittingen en schulden alsmede opbrengsten en uitgaven van APV’s die zelf worden betrokken in de heffing naar een tarief van ten minste 10% over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst niet toegerekend aan de inbrenger (of zijn erfgenamen).

Naast dit alles bevinden veruit de meeste APV’s zich in (exotische) belastingparadijzen, waarmee Nederland doorgaans geen verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft afgesloten.

Boer en Sonneveldt merken op dat de toerekeningsfictie kan leiden tot situaties dat een belastingplichtige die wel erfgenaam maar geen begunstigde is moet betalen terwijl hij nooit een uitkering uit de trust verkrijgt. Ook op dit punt is al het nodige opgemerkt in de nota naar aanleiding van het nader verslag. Naast het feit dat deze situatie zich niet eenvoudig laat denken, is het zo dat de belastingplichtige de mogelijkheid heeft tegenbewijs te leveren. Overigens is de CCB van de Belastingdienst deze voorgestelde fictieve situatie nog niet tegengekomen in de onderzochte APV’s.

Budgettair overig

Het antwoord op de vraag in hoeverre bij de ramingen rekening is gehouden met het terugnemen van het aanvankelijke voorstel om de waarderingstabellen van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 die uitgaan van een rentevoet van 6% aan te passen aan de waarderingstabellen van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 die uitgaan van een rentevoet van 4% luidt als volgt. Zoals aangegeven in de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag is voor de oorspronkelijk voorgestelde maatregel uitgegaan van een beperkte meeropbrengst welke deel uitmaakte van de post «Aanpak diverse constructies in de schenk- en erfbelasting» van in totaal € 25 miljoen. Het effect dat onderbedelingsvorderingen van kinderen in veel gevallen zwaarder zouden worden belast dan thans het geval is was daarbij niet beoogd en daarom was hier ook geen rekening mee gehouden in de raming. Zou dit wel zijn gedaan, dan zou de opbrengst van de maatregel vele tientallen miljoenen euro’s hebben bedragen. Als gevolg hiervan leidt het terugnemen van de maatregel tot een beperkte minderopbrengst, welke budgettair neutraal binnen het wetsvoorstel is opgevangen met de nieuw voorgestelde maatregel om de rente op onderbedelingsvorderingen te maximeren op 6%.

Giftenaftrek ANBI’s en verenigingen met ten minste 25 leden

Overduin spreekt zijn verbazing er over uit dat bij de giftenaftrek bepalend is welke rechtsvorm de SBBI heeft. Van Rij merkt in dit kader op dat bij een periodieke gift aan een vereniging van ten minste 25 leden alsnog giftenaftrek kan worden verkregen, waaruit hij afleidt dat de SBBI-regeling niet voldoende is uitgewerkt.

De omstandigheid dat periodieke giftenaftrek (ook onder de huidige wetgeving) wordt verleend aan niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen of daarvan vrijgestelde verenigingen met ten minste 25 leden staat los van de nieuwe SBBI-regeling. Het onderscheid naar rechtsvorm wordt vanouds gemaakt in de periodieke giftenaftrekregeling in de Wet inkomstenbelasting 2001, vanuit de gedachte bij dat een vereniging die niet als ANBI kwalificeert maar wel een aanzienlijk ledental heeft dat ledental bescherming biedt tegen mogelijk oneigenlijk gebruik.

Een aantal genodigden begrijpt niet wat het introduceren van de SBBI-regeling toevoegt en vraagt om meer duidelijkheid. Hierop wordt integraal ingegaan in deel III aangaande de ANBI en SBBI.

Ik-opa-testament: bewust genomen risico

Enkele genodigden zijn ingegaan op de fiscale gevolgen van het zogenoemde ik-opa-testament.

Op grond van een dergelijk testament, heeft een erfgenaam («zoon») van der erflater («opa») de last aanvaard om aan zijn kinderen (kleinkinderen van opa) een vaak zeer groot bedrag schuldig te erkennen. Een dergelijk testament wordt gemaakt om door uitholling van de nalatenschap van de kinderen van de maker van het testament erfbelasting te besparen. Vanaf de introductie van deze testamentvorm bestond er twijfel aan of artikel 10 van de Successiewet 1956 kon worden toegepast. Met het wetsvoorstel is deze twijfel weggenomen. De keuze voor een ik-opa-testament was de keuze voor een testament met onzekere fiscale gevolgen, ingegeven door de wens om belasting te besparen. Deze keuze pakt nu nadelig uit maar dat is het risico dat de betrokkenen hebben genomen. Behalve voor eventuele belastingbesparing heeft een dergelijk testament geen enkel nut. Er bestaat geen maatschappelijk belang om deze testamenten fiscaal te ontzien. Er zijn testamentvormen, sommige genodigden hebben daarop gewezen, die soms economisch hetzelfde uitpakken als een ik-opa-testament. Die testamenten zitten echter fundamenteel anders in elkaar en bieden niet de mogelijkheid tot even agressieve belastingbesparing als het ik-opa-testament. Ze zijn daarom niet vergelijkbaar.

Geen fundamentele herziening artikel 10

Mw Van Vijfeijken heeft gepleit voor een fundamenteel andere opzet van de successiewet waarin geheel wordt uitgegaan van het economische voordeel van de verkrijger ten gevolge van een overlijden. Dat zou wellicht ook gevolgen hebben voor artikel 10. Het huidige wetsvoorstel is gericht op een beperkte herziening van de Successiewet 1956 waarbij binnen de bestaande kaders de tarieven worden verlaagd, de BOR wordt vereenvoudigd en lekken zoveel als mogelijk worden gedicht. Een meer fundamentele herziening van de Successiewet 1956 is iets voor de toekomst. Bij een dergelijke herziening verdienen de gedachten van Mw Van Vijfeijken zeker aandacht.

Blokland stelt dat overgangsrecht gewenst is in verband met het vervallen van de resolutie van 30 november 1964, nr. D4/8981, BNB 1965/96. Intrekking van de resolutie vormt een onderdeel van de verwezenlijking van één van de doelen van dit wetsvoorstel, te weten het beperken van allerlei estateplanningsmogelijkheden ter besparing van erfbelasting. Het betreft het onderwerp van de verkoop van een onroerende zaak met levering na overlijden. Door deze aanpassing zal de waardestijging van de onroerende zaak tussen het moment van de verkoop en het moment van overlijden in de heffing van erfbelasting worden betrokken. Voor deze wetswijziging is gemotiveerd aangegeven waarom niet is voorzien in overgangsrecht. Door intrekking van de resolutie wordt in het verlengde van deze wetswijziging bereikt dat ook in andere situaties die zich bij uitstek lenen voor toepassing van artikel 10 van de Successiewet 1956 de bedoelde waardestijging in de heffing wordt meegenomen.

Overgangsrecht

Een aantal genodigden merkt op dat het overgangsrecht in het wetsvoorstel vooralsnog erg mager is. Ik wacht geïnteresseerd de door de adviseurs toegezegde opsomming af van onderwerpen waar (meer) overgangsrecht gewenst zou zijn. Vooralsnog ben ik van mening dat in het wetsvoorstel voorzien is in voldoende overgangsrecht, maar ik ga graag het debat hierover aan met uw Kamer.

Deel II – Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR)

Ruimere faciliteit voor reële bedrijfsopvolging

Stevens betoogt dat de ratio achter een (gedeeltelijke) vrijstelling van ondernemingsvermogen bij vererven/schenken breder is dan alleen het faciliteren van een regeling voor bedrijfsopvolging. Ondernemingsvermogen zit «klem» in de onderneming en de bedrijfsopvolgingsregeling creëert een «level playing field» met grote multinationals, waar de heffing van erf- en schenkbelasting de continuïteit van de onderneming niet bedreigt.

Ik ben verheugd dat de genodigden het gelijktrekken van schenken en erven van ondernemingsvermogen in de inkomstenbelasting als positief ervaren. Stevens verwacht dat in de praktijk de waardering van ondernemingsvermogen niet als groot discussiepunt wordt ervaren nu het ondernemingsvermogen toch nagenoeg is vrijgesteld van schenk- of erfbelasting. Op de vragen die opkomen of zo’n ruime faciliteit nu echt nodig is en waarom voor deze regeling wordt gekozen en niet voor bijvoorbeeld een belastinguitstelregeling verwijs ik naar hetgeen hieromtrent eerder is opgemerkt in de nota naar aanleiding van het verslag en de nota naar aanleiding van het nader verfslag. Met genoegen kan ik constateren dat, nu de door genodigden gesignaleerde technische knelpunten door mij zijn weggenomen, het wetsvoorstel op het punt van de BOR rijp voor behandeling is.

Verwaterde a.b.-belangen – BOR verruimd, familiebedrijven gered

Ik ben verheugd met de in de praktijk breed gedragen uitbreiding van de BOR van 75% naar 90%. Tomassen geeft aan dat in het wetsvoorstel echter voorbij wordt gegaan aan de familiebedrijven. In de eerste nota van wijziging is de BOR reeds opengesteld voor fictief a.b.-houders. Desalniettemin bleek dat in voorkomende situaties de BOR niet van toepassing was bij via holdings gehouden verwaterde (vaak vererfde) a.b.-belangen.

Hiertoe zal ik in de tweede nota van wijziging een aanpassing opnemen die ertoe strekt de BOR ruimer toegankelijk te maken voor indirecte belangen, mits het indirect gehouden belang in de werkmaatschappij ten minste 0,5% bedraagt.

Tomassen meent dat er, ook na deze uitbreiding, nog sprake kan zijn van onredelijke situaties en heeft toegezegd deze kenbaar te maken.

Hoewel ik het niet realistisch acht dat zich nog onredelijke situaties voordoen, wacht ik zijn suggestie met interesse af. Overigens wil ik hier, ter voorkoming van misverstanden die zich tijdens het rondetafelgesprekken al voordeden, duidelijk maken dat het toegankelijk maken van de BOR voor fictief a.b.-houders niet is voorbehouden aan familiebedrijven. Elk fictief a.b.-pakket – dat dus is ontstaan uit een «echt» a.b.-pakket – kwalificeert voor de BOR, mits aan de overige voorwaarden is voldaan. Hierbij is geen voorwaarde dat sprake is van een familiebedrijf.

Preferente aandelen – bij reële bedrijfsovergang gefaciliteerd!

Stevens merkt op dat het erop lijkt dat preferente aandelen in het wetsvoorstel als iets vies worden aangemerkt en vraagt zich af waarom niet alle preferente aandelen onder de faciliteit kunnen worden gebracht.

Preferente aandelen die ontstaan in het kader van een gefaseerde bedrijfsoverdracht kwalificeren echter wél voor de BOR. Mij is niet duidelijk hoe dit misverstand heeft kunnen ontstaan. Alleen preferente aandelen die – zoals Stevens zelf ook aangeeft – materieel overeenkomen met een lening, komen niet in aanmerking voor de faciliteit. Dit sluit naadloos aan op de ratio bij de aangepaste faciliteit; het wél faciliteren van een reële bedrijfsoverdracht en het niet faciliteren van ieder vermogen dat aan een onderneming ter beschikking wordt gesteld.

Inconsistent ondernemingsbegrip – onterechte ophef

De geplaatste opmerkingen met betrekking tot de divergerende ondernemingsbegrippen in de inkomstenbelasting en in de schenk- en erfbelasting kan ik niet plaatsen. Zowel ten aanzien van onroerend goed als ten aanzien van overtollige middelen wordt in het wetsvoorstel juist aangesloten bij het ondernemingsbegrip in de Wet inkomstenbelasting 2001. Hetgeen in de nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt rondom het onderscheiden van normaal vermogenbeheer en ondernemerschap dient ertoe nader te duiden in welke gevallen sprake is van een onderneming. Hiervoor wordt juist gerefereerd aan jurisprudentie die betrekking heeft op de inkomstenbelasting. Voor de BOR zal hierbij worden aangesloten en het ondernemingsbegrip wijkt op dit punt dus niet af.

Deel III – ANBI/SBBI

ANBI’s en SBBI’s – open norm biedt ruimte in de praktijk!

De genodigden voor dit onderdeel vragen, zoals enkele genodigden bij het algemene deel van de rondetafelgesprek ook deden, om duidelijkere definities van de begrippen algemeen nut en sociaal belang. Tevens bestaat onduidelijkheid over wat de SBBI-regeling toevoegt dat niet in de ANBI-regeling zou kunnen worden geregeld. Zoals al meermalen is aangegeven is een SBBI een instelling die primair de particuliere belangen van de leden of een beperkte doelgroep behartigt. Aan het behartigen van die particuliere belangen kan evenwel een grote maatschappelijk waarde kan worden toegekend omdat door middel van de activiteiten wordt bijdragen aan individuele ontplooiing van de leden of de doelgroep, de cohesie in de samenleving en daarmee een gezondere maatschappij. De SBBI-regeling geeft invulling aan de behoefte vanuit de Tweede Kamer de categorie instellingen die een sociaal belang vervullen vrij te stellen van schenk- en erfbelasting1. Hierbij worden als voorbeelden genoemd sportverenigingen, jeugdgroepen, niet-commerciële buurt- en dorpshuizen, muziekverenigingen, hobbyclubs en andere maatschappelijke organisaties die van waarde zijn voor de samenleving. In dit kader bevreemdt het mij dat de introductie van de SBBI-regeling, die een fiscale tegemoetkoming betekent voor een grote categorie instellingen, op zoveel weerstand stuit.

Redenen om een open norm op te nemen en niet (limitatief) op te sommen wat onder sociaal belang of algemeen nut wordt verstaan, zijn dat:

– een opsomming er toe zou kunnen leiden dat instellingen worden uitgesloten die niet onder een beschreven categorie vallen maar wel degelijk een sociaal belang behartigen;

– er vele tussenvormen denkbaar zijn die tussen wal en schip zouden vallen;

– een open norm in tegenstelling tot een opsomming leidt tot leesbare en begrijpelijke wetgeving;

– een opsomming nog steeds tot discussie zou leiden, namelijk of een instelling onder een categorie te scharen is;

– een (niet-limitatieve) opsomming geen zekerheid zou bieden of een instelling uiteindelijk in aanmerking komt voor de regeling, en

– door een open normstelling beter kan worden omgegaan met ontwikkelingen en veranderingen in de maatschappelijke opvattingen die thans onvoorzienbaar zijn.

Deze argumenten hebben mij doen besluiten een open norm op te nemen voor het sociaal belang, net als het geval is en blijft voor het algemeen nut. Dit laat de praktijk en de rechterlijke macht de ruimte om nadere invulling aan het begrip te geven. Juist bij een nieuwe categorie, waarbij mogelijk veel van de kwalificerende instellingen nog niet in beeld zijn, is een open norm in het belang van de praktijk en wordt de faciliteit niet onnodig ingeperkt. De onzekerheid die zou bestaan vanwege een open norm wordt overigens niet weggenomen door een opsomming; het gaat er immers om dat de instelling, qua doel en feitelijke werkzaamheden, kwalificeert. Bovendien kan in voorkomende situaties op voorhand zekerheid worden verkregen over het karakter van een instelling.

In het rondetafelgesprek werd ook een databank of register voor SBBI’s aan de orde gesteld. De redenen dat ik hier een tegenstander van ben komen deels overeen met hiervoor genoemde redenen. Een register zou geen zekerheid bieden, zeker niet bij een nalatenschap – het aanmerken als SBBI op een zeker moment zegt niets over die status op een later moment – en er is vooraf zekerheid te krijgen door een instelling of een belastingplichtige. Bovenal zou het aanleggen en onderhouden van een SBBI-register een zeer arbeidsintensieve bezigheid zijn (er zijn immers veel meer SBBI’s dan ANBI’s door de ruimere norm), waarbij de baten niet opwegen tegen de (administratieve) kosten hiervan. In tegenstelling tot een ANBI leidt een gift aan een SBBI in beginsel niet tot giftenaftrek (tenzij het een periodieke gift betreft aan een niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen of daarvan vrijgestelde vereniging met ten minste 25 leden) waardoor het belang voor een belastingplichtige bij een dergelijk register gering is. Wel ben ik bereid om in overleg te treden met praktijkorganisaties en te bezien of er aanleiding is een beleidsbesluit te publiceren indien alsnog meer duidelijkheid ten aanzien van concrete definities is gewenst. Ik ben ten slotte verheugd dat alle genodigden tevreden zijn met de aanpassingen van de integriteitstoets.

De staatssecretaris van Financiën,

J. C. de Jager


XNoot
1

Motie van de leden Omtzigt en Cramer, Kamerstukken II, 2008–2009, 31 704, nr. 57.