Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201031891 nr. 13

31 891 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten in verband met de introductie van en het toezicht op premiepensioeninstellingen (Wet introductie premiepensioeninstellingen)

Nr. 13 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 september 2010

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel introductie premiepensioen-instellingen (Kamerstukken II 2009/10, 31 891) heeft de minister van Financiën u toegezegd dat u geïnformeerd zal worden over de planning van de derde fase van de invoering van een Algemene Pensioeninstelling (API). Met deze brief kom ik, mede namens de minister van Financiën, hieraan tegemoet.

In de hoofdlijnennotitie die eind 2007 naar de Tweede Kamer is gestuurd (Kamerstukken II 2007/08, 30 413, nr. 106) zijn de uitgangspunten voor de API uiteengezet.

  • De API moet in Europa concurrerend kunnen optreden. Daarbij past een vormvrije organisatie met beperkte pension fund governance vereisten.

  • DB-regelingen die door een API worden uitgevoerd kunnen onder het Financieel toetsingskader (ftk) van de Pensioenwet (PW) vallen, indien de sturingsinstrumenten van die regelingen volledig contractueel zijn vastgelegd.

  • Daarmee heeft de API niet langer discretionaire ruimte en kan worden volstaan met een voor de API gewenste beperkte vorm van de governance.

  • De API kan voor verschillende (binnen- en buitenlandse) ondernemingen pensioenregelingen uitvoeren en is niet gehouden aan een domeinafbakening.

  • Bij de uitvoering van de regelingen krijgt de API de mogelijkheid om te ringfencen.

In de praktijk blijkt echter dat een volledig expliciet contract voor een regeling met sturingsinstrumenten niet mogelijk is. Omstandigheden die niet voorzien waren bij de totstandkoming van het contract kunnen zich voordoen. Dat betekent dat er voor het bestuur altijd een zekere mate van discretionaire ruimte kan ontstaan. De API zal bij de invulling van die ruimte de belangen van de verschillende partijen (werkgever, (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden) op evenwichtige wijze moeten meenemen. Afhankelijk van de vormgeving van de API kunnen daarbij ook belangen van externe aandeelhouders een rol spelen.

De relatie tussen governance, niet volledige contracten en toepassing van het ftk levert een dilemma op. Ik constateer dat de vormgeving van de governance hierbij een belangrijke rol speelt. Daarmee is de verdere uitwerking van de verschillende governance modellen, in het bijzonder het model waarbij het pensioenfondsbestuur uit externe deskundigen bestaat, bepalend voor de uitwerking van de API.

Verder is ook de zogenoemde «brede aanpak» van de pensioenproblematiek relevant. In mijn brief van 7 april jl. heb ik uiteen gezet welke aanpassingen het kabinet voor ogen staan teneinde de sterke kanten van ons pensioenstelsel ook in de toekomst te kunnen behouden (Kamerstukken II 2009/10, 30 413, nr. 142). In de bedoelde brief is onder andere geschetst op welke wijze het ftk naar de mening van het kabinet dient te worden aangescherpt en uitgebreid. Daarnaast heb ik aandacht gevraagd voor de rol van de pension fund governance voor een goed risicobeheer.

In zowel de brede aanpak als de vormgeving van de API spelen dus het ftk én de pension fund governance een essentiële rol. In dat licht is het dan ook mijn streven de API concreet uit te werken in samenhang met – en volgens een vergelijkbaar tijdpad als – het wetgevingstraject ingevolge de brede aanpak.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. P. H. Donner