31 875
Wijziging van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek ter uitvoering van het op 23 maart 2001 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie, 2001 (Trb. 2005, 329)

nr. 5
NADER RAPPORT

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt/uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State)

Hieronder is opgenomen het nader rapport d.d. 16 februari 2009, aangeboden aan de Koningin door de minister van Justitie, mede namens de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 9 juli 2008, nr. 08.002046, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 30 juli 2008, nr. W03.08.0260/II, bied ik U hierbij aan.

1. Het ontwerp geeft de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.

2. De redactionele kanttekeningen zijn, met uitzondering van de kanttekening bij artikel 650, derde lid, verwerkt. Het voorgestelde artikel 8:650, derde lid, BW bepaalt dat de werking van de beschikking wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. De formulering van deze bepaling is in overeenstemming met aanwijzing voor de regelgeving 160. Uit de toelichting op deze aanwijzing blijkt dat de opschortende werking in beginsel geldt voor de periode waarbinnen bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld bij de administratieve rechter. Uit het systeem van de Awb vloeit voort dat de schorsende werking zowel in de bezwaarfase als de beroepfase geldt. Dit wordt bevestigd in de rechtspraak (Vz. ABRvS 18 april 2006, LJN: AW3965). Een verwijzing naar de bezwaarfase in artikel 650, derde lid, is derhalve overbodig.

3. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om nog enkele wijzigingen van redactionele aard in de toelichting aan te brengen die niet het gevolg zijn van het advies van de Raad van State.

Ik moge U, mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Naar boven