Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201031865 nr. 22

31 865
Verbetering verantwoording en begroting

nr. 22
BRIEF VAN DE COMMISSIE VOOR DE RIJKSUITGAVEN

Den Haag, 25 maart 2010

1. Inleiding

De commissie voor de Rijksuitgaven heeft een evaluatie uitgevoerd naar de behandeling van de ontwerpbegrotingen 2010. In deze brief zijn de bevindingen van deze evaluatie verwoord.

Doel evaluatie

Sinds 2005 evalueert de commissie voor de Rijksuitgaven de begrotingsbehandeling jaarlijks met het doel om een beeld te krijgen van de wijze van behandeling. Op basis daarvan stuurt zij onder andere een brief aan alle vaste commissies met aanbevelingen en suggesties voor de eerstvolgende begrotingsbehandeling1.

Aanpak evaluatie en leeswijzer

In deze evaluatie is gekeken naar de wijze waarop de ontwerpbegrotingen 2010 zijn behandeld aan de hand van een beperkte documentstudie en interviews met Kamerleden.

Ten eerste is een analyse gemaakt van enkele feitelijke gegevens. Zo is bijvoorbeeld geïnventariseerd hoeveel en welke overleggen hebben plaatsgevonden en hoeveel Kamerleden hebben deelgenomen aan iedere begrotingsbehandeling (paragraaf 2).

Ten tweede zijn interviews afgenomen bij elf Kamerleden over hun ervaringen bij de begrotingsbehandeling (paragraaf 3). Een lijst met geïnterviewden en de gehanteerde interviewleidraad is bijgevoegd (bijlage I). In totaal zijn elf Kamerleden geïnterviewd, verspreid over meerdere fracties. Dit aantal is uiteraard niet representatief voor de gehele Kamer, maar in deze evaluatie is het doel om enkele ervaringen in kaart te brengen. Er worden dan ook geen Kamerbrede conclusies getrokken.

Ten derde is gekeken naar verbeteringen van de beleidsagenda’s in het licht van het experiment verbetering verantwoording en begroting (paragraaf 4).

Op basis van de feitelijke gegevens en de interviews met Kamerleden heeft de commissie voor de Rijksuitgaven in paragraaf 5 ten slotte twee conclusies geformuleerd. De commissie voor de Rijksuitgaven zal deze betrekken bij haar advies over de behandeling van de begrotingen 2011 (in september 2010).

2. De begrotingsbehandeling: feiten en cijfers

Uit de feitelijke gegevens over de behandeling van de begrotingen 2010 zijn de volgende bijzonderheden naar voren gekomen:

• Dit jaar is door twee commissies gebruik gemaakt van een rapporteur (V&W en LNV). Vorig jaar waren dit er nog vijf. Gemiddeld genomen waren er ongeveer zes leden aanwezig bij een begrotingsonderzoek. Over het geheel genomen werd er evenveel tijd uitgetrokken voor een begrotingsonderzoek en wetgevingsoverleg als vorig jaar.

• Alle commissies hebben gekozen voor het stellen van feitelijke vragen. Dit jaar zijn 2 665 feitelijke vragen gesteld ten opzichte van 2 830 vragen bij de vorige begrotingsbehandeling.

• Er hebben minder begrotingsonderzoeken (4) plaatsgevonden dan vorig jaar (9). Het aantal wetgevingsoverleggen is licht gestegen (van 9 naar 11). Het aantal commissies dat gekozen heeft voor alleen een plenair begrotingsdebat is dit jaar bijna verdubbeld (van 4 naar 7).

In onderstaande subparagrafen worden dit nader toegelicht.

2.1 Schriftelijke behandeling

De Tweede Kamer beschikt over verschillende instrumenten1 die bij de begrotingsbehandeling kunnen worden gekozen. In bijlage II bij deze brief is een korte toelichting opgenomen bij iedere keuzemogelijkheid.

Alle vaste commissies hebben schriftelijke vragen gesteld (zie tabel 2). Dit jaar zijn 2 665 feitelijke vragen gesteld ten opzichte van 2 830 vragen bij de behandeling in 2008. Het jaar ervoor (2007) waren dat er zelfs nog 3000. De aard van de vragen loopt zeer uiteen, van technische vragen tot politiek getinte vragen.

Tabel 2: Aantal schriftelijke vragen over de begroting

CommissieBegroting 2010
NAAZ24
BuZa233
Justitie355
BZK182
OCW213
Financiën44
Defensie237
VROM198
V&W157
EZ137
LNV127
SZW164
VWS306
J&G81
WWI207
Totaal2 665

2.2 Gekozen modaliteiten begrotingsbehandeling (commissies en plenair)

In tabel 1 zijn de gekozen modaliteiten vanaf de behandeling van de begrotingen 2008 in kaart gebracht.

Tabel 1: Wijze van de begrotingsbehandeling (naast schriftelijke vragen)

CommissieBegroting 2008Begroting 2009Begroting 2010
NAAZAlleen plenairAlleen plenairAlleen plenair
    
BuZaAlleen plenairAlleen plenairWGO1 Ontwikkelingssamenwerking
    
JustitieAlleen plenairBegrotingsonderzoekBegrotingsonderzoek
    
BZKWGO PolitieWGO Politie WGO Binnenlands BestuurWGO Politie WGO Binnenlands Bestuur WGO Provincie- en Gemeentefonds
    
OCWBegrotingsonderzoek WGO Media WGO CultuurBegrotingsonderzoek WGO Media WGO Cultuur WGO Hoger OnderwijsWGO Cultuur WGO Media
    
FinanciënAlleen Plenair (onderdeel van de AFB2Alleen Plenair (onderdeel van de AFB)Alleen plenair
    
DefensieWGO Personeel WGO MaterieelWGO Personeel WGO MaterieelWGO Personeel WGO Materieel
    
VROMBegrotingsonderzoekBegrotingsonderzoekBegrotingsonderzoek
    
V&WBegrotingsonderzoekBegrotingsonderzoekBegrotingsonderzoek
    
EZAlleen plenairAlleen plenairAlleen plenair
    
SZWBegrotingsonderzoekBegrotingsonderzoekAlleen plenair
    
VWSBegrotingsonderzoekBegrotingsonderzoek WGO SportWGO Sport
    
J&GAlleen plenairTechnische Briefing BegrotingsonderzoekAlleen plenair
    
WWIBegrotingsonderzoekBegrotingsonderzoekAlleen plenair
    
LNVBegrotingsonderzoek; WGO Visserij WGO NatuurBegrotingsonderzoek; WGO VisserijBegrotingsonderzoek; WGO Visserij WGO Natuur
Totaal6 alleen plenair 7 begrotingsonderzoeken 7 WGO’s4 alleen plenair 9 begrotingsonderzoeken 9 WGO’s7 alleen plenair 4 begrotingsonderzoeken 11 WGO’s

1 In deze evaluatie wordt de afkorting WGO gebruikt voor een wetgevingsoverleg over een onderdeel van de begroting.

2 Algemene Financiële Beschouwingen.

2.3 Het begrotingsonderzoek, begrotingsoverleg en wetgevingsoverleg

Net als in de afgelopen drie jaar heeft geen van de vaste commissies dit jaar gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid om een begrotingsoverleg te houden. Wel zijn er begrotingsonderzoeken en wetgevingsoverleggen over een specifiek onderdeel van de begroting georganiseerd.

Bij een begrotingsonderzoek waren gemiddeld genomen zes leden aanwezig. Dit was ook het gemiddelde over 2008. Bij een wetgevingsoverleg waren gemiddeld zeven leden aanwezig. Vorig jaar was dit gemiddelde nog acht leden per wetgevingsoverleg.

Gemiddeld genomen duurden de diverse begrotingsbehandelingen even lang als vorig jaar. In onderstaande tabellen volgt het beeld van de behandeling van de begroting 2010.

Tabel 3: Begrotingsonderzoeken in 2009 (over de begroting 2010)

CommissieDatum overlegAantal aanwezige leden (incl. vz)Duur van het overlegMoties ingediend?1Toezeggingen gedaan?
LNV29-10-200952 uurNeeJa
Justitie28-10-200962¼ uurNeeJa
V&W11-11-200955 minuten2NeeNee
VROM26-11-200952 uurJa (1)Ja
Gemiddelde 62 uur  

1 Indien er moties zijn ingediend is tussen haakjes het aantal ingediende moties aangegeven.

2 De minister is niet gekomen.

Tabel 4: Wetgevingsoverleggen in 2009 (over de begroting 2010)

CommissieDatum overlegAantal aanwezige leden (incl. vz)Duur van het overlegMoties ingediend?1Toezeggingen gedaan?
LNV Visserij16-11-200993¼ uurJa (12)Ja
LNV Natuur16-11-200995 uurJa (15)Ja
DEF materieel02-11-200966½ uurNeeJa
DEF personeel23-11-200967 uurJa (1)Ja
BZ Ontwikkelingssamenwerking02-11-200988 ½ uurJa (4)Ja
BZK WGO Politie16-11-200974 uurJa (18)Ja
BZK WGO Binnenlands Bestuur23-11-200953 uurJa (11)Nee
WGO Gemeente en Provinciefonds23-11-200942½ uurJa (1)Ja
OCW Cultuur02-11-200984¼ uurJa (11)Ja
OCW Media02-12-200994¼ uurJa (19)Ja
VWS Sport7-12-200955¼ uurJa (1)Nee
Gemiddelde 75 uur  

1 Indien er moties zijn ingediend is tussen haakjes het aantal ingediende moties aangegeven.

Uit bovenstaande tabellen valt op dat een aantal begrotingen dit jaar uitvoerig is behandeld in een wetgevingsoverleg. Dit jaar is bijvoorbeeld acht en een half uur uitgetrokken voor het wetgevingsoverleg over Ontwikkelingssamenwerking (onderdeel van de begroting van Buitenlandse Zaken). Ook de commissie Defensie heeft de begroting uitgebreid besproken (13½ uur in totaal). Vorig jaar duurde het langste wetgevingsoverleg bijna zeven uur.

Dit jaar zijn er in meer commissies moties (94 in totaal) ingediend tijdens een commissiebehandeling ten opzichte van vorig jaar (67 in totaal).

2.4 Gebruik van rapporteurs

Bij het begrotingsbehandeling is dit jaar door twee commissies gekozen om een rapporteur het woord te laten voeren over de kwaliteit van de begroting (V&W en LNV). Tijdens de begrotingsbehandeling in 2007 en 2008 werden nog in vijf commissies een rapporteur benoemd.

Tabel 5: Gebruik van rapporteurs

CommissieBegroting 2008Begroting 2009Begroting 2010
NAAZ   
BuZa   
Justitie   
BZK   
OCWXX 
Financiën   
Defensie   
VROMXX 
V&WXXX
EZ   
LNVXXX
SZW   
VWS   
J&G   
WWIXX 

3. Mening Kamerleden over begrotingsbehandeling in 2009

Dit jaar zijn elf Kamerleden kort bevraagd over het verloop van de begrotingsbehandeling om meer directe inzicht in de tevredenheid, wensen en behoeften van de Kamer. De interviews zijn afgenomen door het Bureau Onderzoek en Rijksuitgaven (BOR) van de Tweede Kamer.1

Er zijn twee hoofdthema’s aan de orde gekomen tijdens de interviews:

1. Rapporteurschap;

2. Behoefte aan het behandelen van de begroting door Kamerleden aan de hand van een begrotingsoverleg, begrotingsonderzoek dan wel wetgevingsoverleg over een onderdeel van de begroting.

De keuze van te interviewen Kamerleden is gemaakt uit Kamerleden die in één of meer wetgevingsoverleggen het woord hebben gevoerd. Hierbij is een spreiding over de verschillende fracties aangehouden.2 Daarnaast zijn de twee Kamerleden die dit jaar de rol van rapporteur op zich hebben genomen, geïnterviewd.

Hieronder zijn de bevindingen van deze interviews opgenomen. Alle opmerkingen zijn afkomstig uit de interviews.

3.1 Mening geïnterviewde Kamerleden over rapporteurschap

Zeven geïnterviewde Kamerleden zijn van mening dat het werken met een rapporteur bij de begrotingsbehandeling geen grote meerwaarde heeft. Het op objectieve wijze invullen van het rapporteurschap blijkt volgens hen in de praktijk lastig te realiseren. De voordelen van het rapporteurschap in theorie komen volgens hen dan ook in de praktijk niet tot uiting.

Daarnaast zijn de verklaringen genoemd voor het minder inzetten van rapporteurs dit jaar als volgt:

• eerdere ervaringen met het gebruik van een rapporteur bij de begrotingsbehandeling waren niet zo goed (3 keer genoemd);

• in het derde kabinetsjaar kan vaak niet veel invloed worden uitgeoefend op de begroting, aangezien het grootste deel in het eerste jaar is vastgelegd;

• De begroting van de commissie is overzichtelijk;

• Voor kleinere fracties is het meestal ondoenlijk om een rapporteur voor te dragen, vanwege de toch al hoge werkdruk.

Overigens is uit de interviews ook naar voren gekomen dat vijf Kamerleden minder positief staan tegenover het rapporteurschap in het algemeen, dus los van de begrotingsbehandeling. Één Kamerlid geeft expliciet aan dat hij geen grote meerwaarde hecht aan het rapporteurschap bij de begrotingsbehandelingen, maar dat dit wel zinvol is op andere momenten (bijvoorbeeld bij de behandeling van het Groenboek).

Vier van de geïnterviewde Kamerleden – van wie drie zelf rapporteur waren of ooit zijn geweest – zijn van mening dat het werken met een rapporteur voordelen oplevert. Zij geven aan dat de rapporteur zich beter kan verdiepen in de begrotingstechnische kant van het begrotingsvoorstel en het debat daardoor de politiek kan overstijgen. Hierdoor krijgen commissieleden meer grip op de begroting.

3.2 Keuze commissies voor lid dat het voortouw neemt bij een onderwerp

Zes geïnterviewde Kamerleden zijn van mening dat het toekennen van het voortouw bij een onderwerp door één commissielid geen meerwaarde heeft dan wel niet nodig is omdat het aantal aanwezige leden bijvoorbeeld klein is. Een ander argument hiervoor is dat iedere woordvoerder andere accenten legt bij zijn inbreng.

Drie Kamerleden staan positief tegenover een commissielid dat het voortouw krijgt. Zij geven aan dat:

• het uit eigen ervaring is gebleken dat het goed werkt;

• het tot meer verdieping kan leiden;

• het voorkomt dat fracties dezelfde punten naar voren brengen;

• het leidt tot efficiënter en doelmatiger werken. Kamerleden hebben weinig tijd om alles goed en grondig te bekijken.

Voor twee Kamerleden is het niet duidelijk waarom er in bepaalde gevallen wel of niet gekozen wordt voor een lid dat het voortouw voert.

3.3 Mening geïnterviewde Kamerleden over wijze van begrotingsbehandeling

In het licht van het kleinere aantal begrotingsonderzoeken dit jaar is aan de geïnterviewde Kamerleden de vraag voorgelegd of er dit jaar minder behoefte was aan een begrotingsonderzoek dan wel begrotingsoverleg en wat hiervan de redenen waren.

De meningen zijn verdeeld als het gaat over een verminderde behoefte van Kamerleden. Drie Kamerleden vinden dat het dit jaar niet anders is als andere jaren. Het beeld van een eventuele verminderde behoefte is hen niet opgevallen. Vijf Kamerleden zijn van mening dat er dit jaar wel degelijk minder behoefte was. Dit heeft te maken met het derde kabinetsjaar waarin we ons bevinden, waarin minder nieuw beleid wordt geformuleerd en het gaat om de uitvoering. Één Kamerlid geeft aan dat dit aan de huidige politieke situatie ligt, waarin weinig wordt besloten. Drie Kamerleden geven aan niet te weten of er dit jaar inderdaad minder behoefte was.

De gekozen mogelijkheden voor de begrotingsbehandeling hebben dit jaar in de praktijk goed gewerkt. Het niet behandelen van de begroting in commissieverband levert volgens vier Kamerleden geen belemmeringen op.

Één Kamerlid geeft aan dat vragen bij een begroting over de wijze van operationalisering van de doelen en de wijze van verantwoorden kunnen worden meegenomen in een wetgevingsoverleg over een onderdeel van de begroting. Een apart begrotingsonderzoek of begrotingsoverleg is hiervoor niet nodig.

Één Kamerlid geeft expliciet aan dat de mogelijkheid om een begrotingsonderzoek of begrotingsoverleg te houden wel moet worden behouden, ondanks het feit dat hij geen belemmeringen heeft ondervonden van het niet behandelen van de begroting.

Vier geïnterviewde Kamerleden geven aan hier geen zicht op te hebben, vooral omdat in hun commissies wel gekozen is voor een begrotingsonderzoek.

Drie geïnterviewde Kamerleden vinden het wel een belemmering. Zo geeft één Kamerlid aan dat een behandeling in commissieverband noodzakelijk is. Een ander Kamerlid geeft aan dat er bij een commissiebehandeling gewoonweg meer tijd is voor de bespreking van de begroting ten opzichte van een plenair debat.

3.4 Opmerkingen over kwaliteit begrotingen

Een aantal Kamerleden heeft tijdens de interviews zijdelings opmerkingen gemaakt over de toegankelijkheid van de begrotingen.

Één Kamerlid geeft aan dat de opzet van de begrotingen te ruim is en posten niet goed zijn gespecificeerd. De begrotingen zijn niet goed leesbaar en het is niet goed mogelijk om de precieze verdelingen van de budgetten er uit op te maken. Een ander Kamerlid geeft aan dat de opzet van de begrotingen zeer onduidelijk is. Het is haast onmogelijk om deze te lezen, te meer omdat de opzet elk jaar verandert. Een derde Kamerlid geeft aan dat er wel vragen zijn bij een begroting over de wijze van operationalisering van de doelen en de wijze van verantwoorden.

4. Experiment verbetering verantwoording en begroting

Naar aanleiding van het verantwoordingsdebat in 2007 heeft de minister van Financiën op verzoek van de Tweede Kamer voorstellen gedaan ter verbetering van de verantwoording en de begroting.1 Dit heeft onder andere geresulteerd in het voorstel om een tweejarig experiment uit te voeren om de begrotingen en jaarverslagen meer politieke focus te geven. Dit experiment is later uitgebreid naar drie jaar om ook de jaarverslagen 2009 te kunnen omvatten. De commissie voor de Rijksuitgaven heeft sinds de uitvoering van dit experiment de resultaten jaarlijks betrokken bij de evaluaties van de behandeling van de begrotingen en jaarverslagen.

Het ministerie van Financiën gaat de resultaten van het experiment verbetering verantwoording en begroting dit jaar evalueren.2 De commissie voor de Rijksuitgaven heeft de minister van Financiën onder andere verzocht om de reikwijdte van deze evaluatie van het experiment uit te breiden door tevens op hoofdlijnen breder te kijken naar de oorspronkelijke doelen van de VBTB-operatie3 en de voornaamste leerpunten van de afgelopen tien jaar.

De commissie constateert op basis van de begrotingen 2010 dat het inrichten van de beleidsagenda aan de hand van de 74 kabinetsdoelstellingen uit het beleidsprogramma, aangevuld met enkele departementale prioriteiten, structurerend heeft gewerkt. Daarbij vraagt de commissie zich af of een dergelijke structurering een zinvolle aanpak zal blijken te zijn bij minder uitgebreide kabinetsprogramma’s en in hoeverre bij een wisseling van kabinetsprogramma discontinuïteit zal optreden in de informatievoorziening aan de Kamer. De meetbaarheid van de kabinetsdoelstellingen en de koppeling van de kabinetsprioriteiten in de beleidsagenda met de begrotingsartikelen blijft een punt van zorg. De evaluatie van de experimenten zal onder meer moeten uitwijzen in hoeverre de informatie over de beleidsprioriteiten en de informatiewaarde van de totale begroting zijn verbeterd.

5. Conclusies

Behandeling begroting in commissies voorziet in behoeften

De commissies kunnen met de begrotingsonderzoeken en thematische wetgevingsoverleggen goed uit de voeten. Dit geeft voldoende mogelijkheden om de begroting thematisch te bespreken en desgewenst aandacht te besteden aan de «VBTB-kwaliteit» van de begroting. Een behandelingswijze die gericht is op het systematisch doorlichten van de gehele begroting gedurende een gehele dag, het zogenaamde begrotingsoverleg, is de afgelopen drie jaar niet meer door een commissie gekozen. Dit jaar is het aantal begrotingsonderzoeken gedaald. Per saldo zijn dit jaar minder commissiebehandelingen geweest dan in voorgaande jaren. Uit het beeld van de interviews met Kamerleden komt naar voren dat dit niet als een belemmering wordt ervaren. Bovendien lijkt de primaire insteek bij veel vaste commissies niet zozeer de gekozen modaliteit als wel het behandelen van (thema’s uit) de begroting. Vragen over de kwaliteit van de begroting kunnen ook gesteld worden in een wetgevingsoverleg over een onderdeel van de begroting. En in een begrotingsonderzoek kan ook gefocust worden op een bepaald thema.

De commissie voor de Rijksuitgaven concludeert dat de modaliteiten begrotingsonderzoek en thematisch wetgevingsoverleg in een behoefte voorzien. Vooral omdat vorm en inhoud door commissies naar behoefte kunnen worden ingevuld. De modaliteit van het begrotingsoverleg blijkt in de praktijk niet gehanteerd te worden en zou in de toekomst als aparte modaliteit kunnen vervallen.

Meningen over rapporteurschap lopen uiteen

Daar waar in de afgelopen twee jaar vaak een rapporteur bij de begrotingsbehandeling is ingezet, is dat dit jaar minder gebeurd. Aan de ene kant komt een beeld naar voren dat het a-politieke karakter van de rol van een rapporteur in de praktijk lastig te realiseren. Bovendien is aangegeven dat het derde kabinetsjaar wordt gekenmerkt door minder nieuw beleid en een grotere focus op het volgen van de uitvoering. Mogelijk is dit in een aantal commissies reden geweest om dit jaar geen rapporteur te benoemen. Aan de andere kant wordt aangegeven dat het rapporteurschap belangrijk en noodzakelijk is. De meningen over het instrument rapporteurschap in het algemeen lopen uiteen. Uit de evaluatie is derhalve geen eenduidige conclusie over het rapporteurschap te trekken. De commissie voor de Rijksuitgaven concludeert dat voortzetting van de inmiddels gegroeide praktijk, waarbij een vaste commissie zelf jaarlijks de afweging maakt of er behoefte bestaat aan een rapporteur, in de rede ligt.

De voorzitter van de commissie,

Aptroot

De griffier van de commissie,

Groen

BIJLAGE I

Interviewleidraad en lijst met geïnterviewde Kamerleden

Interviewleidraad

1. Waarom hebben commissies wel/geen rapporteur benoemd?

2. Waarom wordt door commissies wel of niet gekozen voor het model dat bepaalde leden het voortouw nemen bij een onderwerp?

3. Levert het werken met een rapporteur meerwaarde ten opzichte van commissies die dat niet doen? Zo ja, welke?

4. Bestaat dit jaar meer of minder behoefte bij de leden voor de begrotingsbehandelingen ten opzichte van vorig jaar? Wat is daarvoor een mogelijke verklaring?

5. Hebben de commissies die dit jaar geen begrotingsonderzoek- of overleg hebben gehouden hier achteraf belemmeringen van ondervonden?

Lijst geïnterviewde Kamerleden

1. P.M.M. Heijnen, PvdA, op 27 januari 2010

2. P. de Krom, VVD, op 27 januari 2010

3. A.A.G.M. van Raak, SP op 27 januari 2010

4. C.B. Aptroot, VVD, op 28 januari 2010

5. H.T.M. Pieper, CDA, op 28 januari 2010

6. A.J. Boekestijn, voormalig Kamerlid voor de VVD, op 29 januari 2010

7. E. Ouwehand, PvdD, op 1 februari 2010

8. H. van Leeuwen, SP, 2 februari 2010

9. G.P.J. Koopmans, CDA, 3 februari 2010

10. H. Brinkman, PVV, 8 februari 2010

11. A.M.C. Eijsink, PvdA, 19 februari 2010

BIJLAGE II

Toelichting op de verschillende modaliteiten voor de begrotingsbehandeling

Mogelijkheden voor de begrotingsbehandeling

1. schriftelijke vragen
2a. begrotingsonderzoek2b. begrotingsoverleg
3. wetgevingsoverleg over een onderdeel van de begroting
4. plenaire begrotingsbehandeling

Ad 1. Schriftelijke vragen

Door vrijwel alle commissies wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om in eerste instantie schriftelijke vragen te stellen aan bewindspersonen over de ontwerpbegroting. De termijn van beantwoording wordt bij voorkeur zodanig vastgesteld dat antwoorden beschikbaar zijn bij een eventueel te houden begrotingsonderzoek of begrotingsoverleg.

Ad 2. Begrotingsonderzoek (optie a) of begrotingsoverleg (optie b)

Optie 2a: Begrotingsonderzoek

Een begrotingsonderzoek is een wetgevingsoverleg van doorgaans twee uur, dat veelal de week voorafgaand aan de plenaire begrotingsbehandeling wordt gehouden. Op de agenda staan door de commissie vooraf geselecteerde onderwerpen, waaronder soms ook enkele beleidsartikelen van de begroting. Het systematisch langslopen van de gehele begroting is gezien de tijdsduur niet mogelijk. Traditioneel heeft het begrotingsonderzoek vooral een technisch, a-politiek karakter.

Optie 2b: Begrotingsoverleg

Bij deze overlegvorm wordt de begroting eerst systematisch en uitgebreid – bij voorkeur artikelsgewijs – in commissieverband behandeld, waardoor de plenaire afronding meer toegespitst kan worden op de politieke hoofdpunten. Behandeling geschiedt in een uitvoerig wetgevingsoverleg dat in beginsel een gehele (maan)dag kan beslaan. De commissie kan vooraf besluiten over de vergadervolgorde, de tijdsindeling, maar vooral ook hoe daarbij de politieke hoofd- en bijzaken worden verdeeld over het begrotingsoverleg en de plenaire afronding. Omdat de begroting een beleidsbegroting is geworden, heeft het begrotingsoverleg per definitie een zeker politiek karakter.

Zowel bij een begrotingsonderzoek als een begrotingsoverleg kan in een eerste gedeelte ook nadrukkelijk aandacht worden besteed aan de kwaliteit van de begroting, bijvoorbeeld door een rapporteur namens de commissie.

Ad 3. Wetgevingsoverleg over een onderdeel van de begroting

In sommige gevallen besluit een commissie een bepaald onderdeel van de begroting in een afzonderlijk wetgevingsoverleg te behandelen. Veelal zijn dit uitvoerige overleggen op maandag van een aantal uren of een hele dag. Deze variant werd in het verleden vaak gekozen met het oog op verdeling van beleidsterreinen tussen bewindslieden, respectievelijk verdeling van woordvoerderschappen binnen fracties. Bijvoorbeeld over visserij (onderdeel LNV-begroting), cultuur (onderdeel OCW-begroting), politie (onderdeel BZK-begroting).

Ad 4. Voltallige begrotingsbehandeling

De afronding van iedere begrotingsbehandeling vindt plaats in een plenair debat. Veelal wordt dit gehouden in twee termijnen en die bewust over twee vergaderdagen worden gespreid. Voor de totale spreektijd die de fracties krijgen voor alle plenaire begrotingsbehandelingen wordt vooraf centraal een verdeelsleutel vastgesteld. De fracties kunnen vervolgens de hun toebemeten spreektijd naar eigen inzicht verdelen over de verschillende begrotingsbehandelingen.


XNoot
1

Brief d.d. 20 juni 2007 (07-RU-B-027) inzake behandeling van de ontwerpbegroting 2008, Brief d.d. 5 juni 2008 (08-RU-B-036) inzake behandeling van de ontwerpbegroting 2009 en brief d.d. 2 juli 2009 (09-RU-B-010) inzake behandeling van de ontwerpbegroting 2010.

XNoot
1

Schriftelijke vragen, begrotingsonderzoek, begrotingsoverleg, wetgevingsoverleg over een onderdeel van de begroting, plenaire begrotingsbehandeling.

XNoot
1

In bijlage I is een lijst van geïnterviewde Kamerleden en de gehanteerde interviewleidraad opgenomen.

XNoot
2

PvdA, VVD, SP, CDA, PvdD, PVV. De benaderde Kamerleden van overige fracties waren niet in staat om binnen de termijn af te spreken of stelden zich niet beschikbaar voor een interview.

XNoot
1

Kamerstuk 31 301, nr. 19.

XNoot
2

Kamerstuk 31 865, nr. 18.

XNoot
3

Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording.