31 858
Intrekking van enige wetten betreffende het waterbeheer, aanpassing van een aantal andere wetten, regeling van het overgangsrecht en aanvulling van de Waterwet, met het oog op de invoering van die wet (Invoeringswet Waterwet)

nr. 4
OORSPRONKELIJKE TEKST VAN HET VOORSTEL VAN WET EN VAN DE MEMORIE VAN TOELICHTING ZOALS VOORGELEGD AAN DE RAAD VAN STATE EN VOORZOVER NADIEN GEWIJZIGD

VOORSTEL VAN WET

ARTIKEL 1.9

Onderdeel B

B

In artikel 12b vervalt «artikel 11, tweede lid,» en «artikel 12a».

ARTIKEL 1.10

Onderdeel A, onder 2

2. De begripsomschrijving van oppervlaktewaterlichaam komt te luiden:

– oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende waterbodem, oevers en, voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens deze wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna;.

Onderdeel B

B

Artikel 2.7, tweede lid, komt te luiden:

2. De in het eerste lid bedoelde kustlijn wordt aangegeven op een door Onze Minister kosteloos verkrijgbaar gestelde peilkaart die telkens na zes jaren wordt herzien. De verkrijgbaarstelling wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

Onderdeel E, artikel 3.2, tweede lid

2. Voor zover bij provinciale verordening andere lichamen dan waterschappen worden belast met beheer, zijn de artikelen 4.6, 7.2, 8.1 en 8.2 van deze wet niet van toepassing voor de betrokken beheerders en, indien het provincies en gemeenten betreft, evenmin artikel 5.24, behoudens voor zover dat artikel bij of krachtens die verordening van toepassing wordt verklaard voor daarbij aan te wijzen waterstaatswerken, in verband met de bijzondere betekenis van die waterstaatswerken.

Onderdeel Q, onder 4 (artikel 6.1):

revisievergunning: vergunning die wordt verleend krachtens artikel 6.15a of 6.15b;

Onderdeel S

S

Artikel 6.4 komt te luiden:

Artikel 6.4

Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van gedeputeerde staten grondwater te onttrekken of water te infiltreren:

a. ten behoeve van industriële toepassingen, indien de onttrokken hoeveelheid water meer dan 150 000 m3 per jaar bedraagt;

b. ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening of een bodemenergiesysteem.

Onderdeel V

V

Artikel 6.10, onderdeel d, komt te luiden:

d. handelingen in het zeegebied waaromtrent regels zijn gesteld bij of krachtens de Mijnbouwwet alsmede het onttrekken van water aan een grondwaterlichaam bij of ten behoeve van het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte in de zin van artikel 1 van die wet, voor zover het onttrekken op een diepte van meer dan 500 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem plaatsvindt;

Onderdeel W (artikel 6.15a, derde en vierde lid)

3. Het bevoegd gezag voor de revisievergunning kan bij de verlening van die vergunning de rechten die de aanvrager aan de al eerder verleende vergunningen ontleent, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn ingevolge artikel 6.18, in samenhang met de artikelen 2.1, 6.9 en 6.16.

4. Een revisievergunning vervangt met ingang van het tijdstip waarop zij in werking treedt, de eerder voor het betrokken samenstel van handelingen verleende vergunningen. Deze vergunningen vervallen op het tijdstip waarop de revisievergunning onherroepelijk wordt.

Onderdelen X tot en met AN

X

In artikel 7.1 wordt in de alfabetische rangschikking de volgende definitie ingevoegd:

Algemene wet: de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

Y

Artikel 7.3 komt te luiden:

Artikel 7.3

1. Voor de verontreinigingsheffing geldt als grondslag de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd. Als heffingsmaatstaf geldt de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd, uitgedrukt in vervuilingseenheden.

2. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking tot:

a. het zuurstofverbruik: het jaarlijks verbruik van 54,8 kilogram zuurstof;

b. de gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel zilver en zink: 1,00 kilogram;

c. de gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen arseen, kwik en cadmium: 0,100 kilogram;

d. de gewichtshoeveelheden van de stof chloride: 650 kilogram;

e. de gewichtshoeveelheden van de stof sulfaat: 650 kilogram;

f. de gewichtshoeveelheden van de stof fosfor: 20,0 kilogram.

3. De verontreinigingsheffing van het Rijk wordt niet geheven ter zake van het lozen van de stoffen chloride, sulfaat, fosfor en zilver.

Z

Na artikel 7.3 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 7.3a

1. Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de gewichtshoeveelheden van de onderstaande groepen stoffen die in een kalenderjaar in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk worden geloosd, wordt per bedrijfsruimte, riolering of zuiveringtechnisch werk tot minimaal nihil verminderd met het product van het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik van de in dat kalenderjaar vanuit die bedrijfsruimte, riolering of dat zuiveringtechnisch werk in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk gebrachte stoffen, en:

a. voor de groep stoffen chroom, koper, lood, nikkel, en zink: 0,04;

b. voor de groep stoffen kwik, cadmium en arseen: 0,006.

2. Het aantal vervuilingseenheden, berekend na toepassing van het eerste lid, wordt voor elk van de in dat lid bedoelde groepen stoffen op nihil gesteld indien dat aantal minder bedraagt dan 10.

3. Op een heffing ter zake van lozingen op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij een waterschap is artikel 122f, derde lid, van de Waterschapswet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.3b

1. Het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met behulp van door de heffingplichtige, gedurende elk etmaal van het kalenderjaar ondernomen meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens, overeenkomstig bij ministeriële regeling, onderscheidenlijk belastingverordening te stellen regels.

2. Op aanvraag van de heffingplichtige staat de beheerder onder nader te stellen voorwaarden toe dat van de frequentie van meting, bemonstering en analyse, bedoeld in het eerste lid, wordt afgeweken indien door de heffingplichtige aannemelijk wordt gemaakt dat voor de berekening van de vervuilingswaarde met gegevens over meting, bemonstering en analyse van een beperkt aantal etmalen kan worden volstaan. Deze beslissing wordt genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking.

3. De bepaling van het zuurstofverbruik van de stoffen welke in een kalenderjaar worden geloosd, geschiedt op basis van de som van het chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van stikstofverbindingen.

4. Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op die uitkomst een correctie toegepast, overeenkomstig bij ministeriële regeling, onderscheidenlijk belastingverordening te stellen regels.

5. Artikel 122h, eerste, vijfde en zesde lid, en artikel 122i tot en met 122k van de Waterschapswet zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 122i, eerste lid, van de Waterschapswet is eveneens van overeenkomstige toepassing op lozingen vanuit een riolering of vanuit een zuiveringstechnisch werk.

Artikel 7.3c

1. Het tarief van de heffing ter zake van lozingen op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk bedraagt € 35,50 per vervuilingseenheid.

2. In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief per vervuilingseenheid van de heffing ter zake van lozingen op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk vanuit een zuiveringstechnisch werk voor het biologisch zuiveren van huishoudelijk afvalwater dat bij een waterschap in beheer is of in opdracht van een waterschap wordt geëxploiteerd, 50% van het in het eerste lid genoemde bedrag.

3. Het tarief van de heffing ter zake van lozingen op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij een waterschap is gelijk aan het door dat waterschap voor het desbetreffende belastingjaar vastgestelde tarief van de zuiveringsheffing, bedoeld in artikel 122d van de Waterschapswet.

AA

Artikel 7.4 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid, onderdeel d, komt te luiden:

d. in verband met de vergoeding ingevolge artikel 7.11, eerste lid, van schade, voortvloeiend uit de uitvoering van artikel 6.4;.

2. Aan het eerste lid wordt na onderdeel d, onder vervanging van de punt aan het slot van dat onderdeel door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidend:

e. in verband met de uitvoering van artikel 7.14a.

AB

Artikel 7.5 komt te luiden:

Artikel 7.5

1. Van verontreinigingsheffing zijn vrijgesteld lozingen die plaatsvinden met behulp van een openbaar vuilwaterriool en lozingen van stoffen vanuit een zuiveringstechnisch werk door een beheerder op een oppervlaktewaterlichaam dat bij hem in beheer is.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat bij die maatregel aan te geven onttrekkingen zijn vrijgesteld van grondwaterheffing.

3. Voorts kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk bij belastingverordening nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verontreinigingsheffing. Nadere regels met betrekking tot de kosten, bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, onderdeel b, kunnen worden gesteld bij algemene maatregel van bestuur.

AC

In artikel 7.7, derde lid, komt «en artikel, 19, eerste lid en 25a, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken» te vervallen.

AD

In de artikelen 7.7 tot en met 7.9 wordt «Algemene wet inzake rijksbelastingen» telkens gewijzigd in: Algemene wet.

AE

Na artikel 7.12 wordt een artikel ingevoegd, luidend:

Artikel 7.12a

Afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening blijft buiten toepassing, voor zover een belanghebbende met betrekking tot de schade een beroep doet of kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid.

AF

Na artikel 7.15 wordt een artikel ingevoegd, luidend:

Artikel 7.15a

1. Hij, die op grond van artikel 7.14, eerste, tweede of derde lid, een vordering kan doen met betrekking tot schade in verband met een watervergunning als bedoeld in artikel 6.4 of 6.5, onderdeel b, kan eerst aan gedeputeerde staten van de provincie waarin de in artikel 7.14 bedoelde onroerende zaak geheel of grotendeels is gelegen verzoeken een onderzoek in te stellen.

2. Indien een onroerende zaak is gelegen in een gebied waarin de grondwaterstand invloed ondergaat van meer dan één onttrekking en blijkens het onderzoek niet of niet binnen redelijke termijn is vast te stellen door welke onttrekking de schade die de onroerende zaak ondervindt wordt veroorzaakt, kennen gedeputeerde staten de rechthebbende ten aanzien van die onroerende zaak op zijn verzoek een vergoeding van de kosten van ondervanging van de schade dan wel een schadevergoeding toe. De rechthebbende is in dat geval gehouden tot overdracht van de rechten welke hij tegenover derden mocht kunnen doen gelden.

AG

Na artikel 7.15a wordt een opschrift ingevoegd, luidend:

§ 3a. Schade aan waterstaatswerken

AH

Na artikel 7.16 wordt in paragraaf 3a een artikel ingevoegd, luidend:

Artikel 7.16a

1. De Staat kan – behoudens matiging door de rechter – de ten laste van het Rijk komende kosten van onderzoek naar verontreiniging of aantasting van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam en van maatregelen als bedoeld in artikel 4.6, tweede lid, onder a, of artikel 5.14a, eerste lid, in verband met verontreiniging of aantasting van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam die een belemmering vormt voor het bereiken van de gewenste gebiedskwaliteit, verhalen op degene door wiens onrechtmatige daad die verontreiniging of aantasting in het betrokken geval is veroorzaakt en die deswege of anderszins buiten overeenkomst jegens enige overheid krachtens burgerlijk recht aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan.

2. De Staat kan, indien de kosten bedoeld in het eerste lid mede ten laste komen van een waterschap, ook deze kosten overeenkomstig dat lid verhalen.

3. De Staat kan ten laste van het Rijk komende kosten als bedoeld in het eerste lid overeenkomstig de regels betreffende ongerechtvaardigde verrijking verhalen op degene die door dat onderzoek of die maatregelen ongerechtvaardigd wordt verrijkt. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

4. De bevoegdheden, bedoeld in het eerste en derde lid, komen toe aan het waterschap in gevallen waarin kosten als bedoeld in het eerste lid geheel te haren laste komen, alsmede in gevallen waarin de Staat niet van deze bevoegdheid gebruik maakt, voor zover zodanige kosten te haren laste komen.

5. Artikel 75, vijfde lid, van de Wet bodembescherming is van overeenkomstige toepassing.

AI

Paragraaf 4 komt te luiden:

§ 4. Subsidie voor maatregelen primaire waterkeringen

Artikel 7.17

1. Onze Minister verleent op aanvraag een subsidie aan de beheerder die vanwege wijziging van de krachtens artikel 2.2, 2.3 of 2.12, vierde lid, gestelde regels maatregelen dient te treffen, indien de desbetreffende maatregelen zijn opgenomen in een jaarlijks door Onze Minister vast te stellen programma.

2. De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend voor honderd procent van de kosten van uitvoering.

3. De Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat is van toepassing.

AJ

Artikel 8.1 wordt gewijzigd als volgt:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. In de aanhef wordt «dan wel het op grond van hoofdstuk 6 bevoegde gezag» geschrapt.

3. In onderdeel a wordt na «de daarbij behorende beschermingszones» ingevoegd: en van het bij of krachtens de titels 12.1 en 12.3 van de Wet milieubeheer bepaalde met betrekking tot het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam.

4. Toegevoegd wordt een lid, luidend:

2. Met de beheerder worden voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld gedeputeerde staten, ter zake van handelingen als bedoeld in artikel 6.4.

AK

Na artikel 8.1 wordt een artikel ingevoegd, luidend:

Artikel 8.1a

In afwijking van artikel 8.1, eerste lid, rusten de daarin bedoelde taken ten aanzien van:

a. een vergunningplichtige handeling waarop artikel 6.15, eerste of tweede lid, van toepassing is: op het bestuursorgaan dat op de vergunningaanvraag beslist;

b. een handeling waarvoor krachtens artikel 6.7 een meldings-, meet-, registratie- of opgaveverplichting geldt: op het ingevolge dat artikel aangewezen bestuursorgaan.

AL

Artikel 8.4 komt te luiden:

Artikel 8.4

Onze Minister is bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang ter handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde in gevallen waarin hem de zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving daarvan is opgedragen.

AM

Na artikel 8.4 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 8.4a

Op de handhaving van het bij of krachtens hoofdstuk 6 of krachtens artikel 10.1 bepaalde zijn de artikelen 18.3 tot en met 18.3f en 18.8a en 18.8b van de Wet milieubeheer van toepassing, met dien verstande dat in artikel 18.3e, vijfde lid, onder b, voor «intrekking van een vergunning of ontheffing op grond van artikel 18.12» wordt gelezen: intrekking van een vergunning op grond van artikel 8.3 van de Waterwet.

Artikel 8.4b

Het bestuursorgaan waaraan de zorg voor bestuursrechtelijke handhaving van het bij of krachtens de hoofdstukken 5 en 6 of krachtens artikel 10.1 bepaalde is opgedragen, is bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang ter handhaving van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het betreft de verplichting tot het verlenen van medewerking aan de krachtens artikel 8.2 aangewezen ambtenaren.

Artikel 8.4c

De ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, geven geen toestemming tot vertrek van een vaartuig of luchtvaartuig uit Nederland indien zij ernstige redenen hebben om te vermoeden dat in strijd met een van de in artikel 6.3 omschreven verboden is of zal worden gehandeld.

AN

In artikel 10.1 wordt «verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties» vervangen door: internationale verplichtingen.

ARTIKEL 1.13, onderdeel B

B

Artikel 12 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «het infiltreren van water in de zin van artikel 1 van de Grondwaterwet (Stb. 1981, 392)» vervangen door: het infiltreren van water, bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet,.

ARTIKEL 1.14

Artikel 1a van de Wet op de economische delicten wordt gewijzigd als volgt:

1. In de onderdelen 1° tot en met 3° vervallen telkens de zinsneden met betrekking tot de Grondwaterwet, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de Wet verontreiniging zeewater.

2. In onderdeel 1° wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: de Waterwet, de artikelen 6.2, 6.3, 6.4, 6.5, 6.6, eerste en tweede lid, 6.7, 6.8, eerste lid, 6.16, derde lid, en 10.1;.

3. In onderdeel 3° wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd:

de Waterwet, artikel 6.20, tweede lid, tenzij de in die bepaling bedoelde vergunning uitsluitend bestaat uit een vergunning of ontheffing als bedoeld in artikel 6.11 van die wet;.

ARTIKEL 1.17

Artikel 100 van de Wet inzake de luchtverontreiniging komt te luiden:

Artikel 100

Deze wet is niet van toepassing op luchtverontreiniging welke kan ontstaan door het lozen of het storten van stoffen, bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet.

ARTIKEL 1.18, onderdelen I tot en met M

I

In artikel 8.28 wordt «een inrichting» vervangen door «een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort» en «artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren» door «artikel 6.1 van de Waterwet», alsmede «een vergunning krachtens die wet vereist is» door «krachtens artikel 6.2 van die wet een vergunning vereist is».

J

In artikel 8.29 wordt «de Wet verontreiniging oppervlaktewateren» vervangen door: de Waterwet.

K

In artikel 8.30, eerste, tweede en derde lid, wordt «de Wet verontreiniging oppervlaktewateren» vervangen door: artikel 6.2 van de Waterwet.

L

In artikel 8.31, eerste en tweede lid, wordt «de Wet verontreiniging oppervlaktewateren» vervangen door: artikel 6.2 van de Waterwet.

M

In artikel 8.31a, eerste lid, wordt «de Wet verontreiniging oppervlaktewateren» vervangen door: artikel 6.2 van de Waterwet.

ARTIKEL 1.20

In artikel 42 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen wordt «Wet verontreiniging zeewater (Stb. 1975, 352)» vervangen door: artikel 6.4 juncto artikel 6.3 van de Waterwet.

In de artikelen 2.5, 2.23, 2.24 en 2.26 was telkens vermeld: «Onze Minister» op plaatsen in de tekst waar in het wetsvoorstel zoals ingediend «Onze Minister van Verkeer en Waterstaat» vermeld is.

Artikel 2.22, tweede lid:

2. Een vergunning met betrekking tot het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water in andere gevallen dan bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet, die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel van de Waterwet van kracht is overeenkomstig artikel 14 van de Grondwaterwet, wordt gelijkgesteld met:

a.  een door het bestuur van het betrokken waterschap verleende watervergunning als bedoeld in de Waterwet voor de desbetreffende handeling, voor zover bij verordening van een waterschap dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 6.5 van die wet een vergunning of ontheffing voor die handeling wordt vereist;

b. een aan het bestuur van het betrokken waterschap gedane melding van de desbetreffende handeling, voor zover bij verordening van een waterschap dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 6.6 van de Waterwet een melding van die handeling wordt vereist.

Paragraaf 2.2.9 (OVERGANGSBEPALINGEN WATERSCHAPSWET) ontbrak in de aan de Raad van State voorgelegde tekst.

ARTIKEL 3.2

Indien het bij koninklijke boodschap van 18 oktober 2006 ingediende voorstel van wet, houdende regels inzake een vergunningstelsel met betrekking tot activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving en inzake handhaving van regelingen op het gebied van de fysieke leefomgeving (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) (kamerstukken 30 844) nadat het tot wet is verheven, in werking treedt vóór of op het tijdstip waarop het artikel 1.10 van deze wet in werking treedt, komt het in genoemd artikel 1.10 opgenomen artikel 8.4a te luiden:

Artikel 8.4a

Met betrekking tot de handhaving van het bij of krachtens de hoofdstukken 5 en 6 of krachtens artikel 10.1 bepaalde zijn de paragrafen 5.2 en 5.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing, met dien verstande dat in artikel 5.8, vijfde lid, onder b, van die wet voor «intrekking van een vergunning of ontheffing op grond van artikel 5.19» wordt gelezen: intrekking van een vergunning op grond van artikel 8.3 van de Waterwet.

ARTIKELEN 3.3 en 3.4 waren genummerd artikelen 3.4 onderscheidenlijk 3.5.

MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

Het opschrift van onderdeel 2.6 luidde: «2.6. Overgangsrecht».

Onderdeel 2.8, tweede alinea:

Ook een historische verontreiniging (die is ontstaan voor 1 januari 1987) kan zich uitstrekken over zowel de landbodem als de waterbodem. Na inwerkingtreding van de Waterwet wordt zo’n verontreiniging in principe gesplitst in een geval van verontreiniging van de landbodem, waarop de saneringsparagraaf van de Wet bodembescherming van toepassing is, en een verontreiniging in de waterbodem, die onder de zorg van de beheerder valt. Dit gaat in ieder geval op voor diffuse verontreinigingen, die geen duidelijke bron hebben in ofwel de landbodem ofwel de waterbodem.

Onderdeel 3.1, eerste alinea

De milieucomponent speelt in de Waterwet een belangrijke rol. In de afgelopen jaren is veel inspanning geleverd om de milieuhandhaving te verbeteren, waarbij de afstemming en de samenwerking tussen de diverse op dat terrein actieve handhavingspartners van groot belang is. In onderdeel 13.3 van de memorie van toelichting bij de Waterwet is aangekondigd dat in de invoeringswet voor de samenwerking bij de milieuhandhaving bij de betrokken bepalingen van de Wet milieubeheer (Wm) of bij de beoogde Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)1 zal worden aangesloten. Het betreft de bepalingen die zien op de doelmatige handhaving van de betrokken wetgeving.

In de tweede alinea was tussen de huidige eerste en tweede volzin een zin opgenomen, luidend: In de Invoeringswet zijn hiervoor bepalingen opgenomen bij de wet van 16 juli 2005 tot wijziging van hoofdstuk 18 van de Wm (Wet handhavingsstructuur).

Onderdeel 3.3

3.3. Nieuwe sanctiemethoden

In onderdeel 13.4 van de memorie van toelichting bij de Waterwet is ook vermeld dat nog nader zou worden bezien welke methoden voor sanctionering van overtreding door bestuursorganen zouden kunnen worden ingezet bij de handhaving van de wet. Twee figuren zijn hierbij van belang, de bestuurlijke strafbeschikking en de bestuurlijke boete.

De Wet OM-afdoening2 is op 1 februari 2008 in werking getreden. De wet geeft het OM de bevoegdheid om buiten de rechter om eenvoudige, op heterdaad vastgestelde strafbare feiten af te doen met een strafbeschikking. De wet voorziet eveneens in de mogelijkheid om deze bevoegdheid bij amvb toe te kennen aan bestuursorganen. De bestuursorganen oefenen de bevoegdheid vervolgens uit onder toezicht en volgens de richtlijnen van het College van procureurs-generaal. Het bestuursorgaan zal met deze bevoegdheid een eigen (beleids-) verantwoordelijkheid krijgen voor de handhaving van de betrokken regelgeving door middel van bestuurlijke strafbeschikkingen. De strafopleggingsbevoegdheid voor bestuursorganen is mede vastgelegd in de WED. Aldus wordt ook voor bepaalde overtredingen van de Waterwet het opleggen van een bestuurlijke strafbeschikking mogelijk. De concretisering hiervan via een algemene maatregel van bestuur is in voorbereiding.

Het wetsvoorstel Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht1, waarin de regeling van de bestuurlijke boete is opgenomen, is thans in behandeling bij de Eerste Kamer. Uit het verslag van de vaste commissie voor Justitie op het wetsvoorstel van november 2007 blijkt echter dat deze kritisch staat tegenover de bestuurlijke boete als handhavingsinstrument en het toepassingsbereik bij voorkeur niet wil uitbreiden.

In verband met het voorgaande en omdat de amvb die de bevoegdheid toedeelt om bestuurlijke strafbeschikkingen voor milieudelicten op te leggen, naar verwachting, gereed is vóór de inwerkingtreding van de Waterwet, is in het onderhavige wetsvoorstel uit pragmatische overwegingen nog slechts voorzien in de strafrechtelijke sanctionering van overtredingen van de Waterwet. Mocht bij nadere overweging alsnog de bestuurlijke boete een geschikt alternatief blijken voor bepaalde overtredingen, dan kan dit instrument alsdan in de Waterwet worden geïntroduceerd.

Opschrift van paragraaf 9:

§ 9. Beperking van goedkeuring en beroep in de Waterschapswet

Paragraaf 13 van de memorie zoals ingediend ontbrak, de paragrafen 14 en 15 waren in de aan de Raad van State voorgelegde tekst aangeduid als paragrafen 13 en 14.

TOELICHTING OP DE ARTIKELEN

Artikel 1.10 (wijziging Waterwet)

In de derde alinea van de toelichting bij onderdeel A, luidde de laatste volzin: «Het oppervlaktewaterlichaam blijft dan beperkt tot het gebied van waterbodem en oevers.» In de derde alinea bij onderdeel F ontbrak de volzin «Ook is een uitzondering opgenomen voor de leggerplicht van artikel 5.1, nu het niet gebruikelijk is dat provinciale of gemeentelijjke vaarwegbeheerders leggers vaststellen voor dat beheer.»

In onderdeel O, in de toelichting bij de artikelen 5.14c en 5.14d, ontbrak de passage: «Overigens zal het toetsingskader voor waterbodems ten aanzien van de beoordeling van samenhangende grondwaterverontreinigingen in de landbodem verwijzen naar het Wbb-toetsingskader voor de landbodem, omdat het voor die sporadische gevallen niet loont om een apart toetsingskader te formuleren. De eenheid in het bodembeschermingsbeleid wordt hiermee bovendien bevorderd.»

In onderdeel Q luidde de eerste volzin: «De nadere begripsomschrijving van onttrekken van grondwater met behulp van het inrichtingsbegrip en de toevoeging van het samenhangcriterium in het tweede lid brengen de Waterwet meer in overeenstemming met het begrippenstelsel van de Grondwaterwet.». In onderdeel Q ontbrak de zin: «De nieuwe definitie omvat mede de zogenaamde monobronsystemen voor de benutting van bodemenergie, in overeenstemming met de strekking van het tijdens de Tweede Kamerbehandeling van de Waterwet aanvaarde amendement-Boelhouwer2

Onderdeel R, toelichting bij het eerste lid

De toevoeging strekt tot het wegnemen van een doublure in vergunningplichten voor lozen in het zeegebied.

Onderdeel S

Eerste zin: «Hoewel onderdeel a van artikel 6.4 niet wordt gewijzigd, bleek bij het IPO wel behoefte te bestaan aan nadere toelichting bij het begrip

industriële toepassingen, dat in de Waterwet niet is gedefinieerd.»

Aan het slot van onderdeel S ontbrak de volgende tekst uit de ingediende versie: «Het nieuwe tweede lid maakt het mogelijk om vrijstellingen voor kleine onttrekkingen in de categorieën waarop het eerste lid van toepassing is, zoals die tot nog toe mogelijk zijn ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Grondwaterwet, inhoudelijk voort te zetten onder de Waterwet.»

Onderdeel U

Aan het slot van onderdeel U ontbrak de volgende tekst uit de ingediende versie: «Net als de verplichtingen van de artikelen 13 en 27 van de Wet bodembescherming, wordt overtreding van de verplichtingen van de artikelen 6.7a en 6.7b als economisch delict aangemerkt, door opname in artikel 1a van de Wet op de economische delicten, via artikel 1.14 van deze invoeringswet.»

Onderdeel V

V

Deze geherformuleerde bepaling houdt nu mede een afbakening met de Mijnbouwwet in voor onttrekkingen van water uit grondwaterlichamen. Dit voorziet in een omissie en is al aangekondigd tijdens behandeling van de Waterwet in de Tweede Kamer. Tot nog toe is een overeenkomstige afbakeningsbepaling van kracht in de Grondwaterwet (artikel 1, derde lid, onder b).

De huidige onderdelen X en Y ontbraken in de aan de Raad voorgelegde tekst, de huidige onderdelen Z tot en met AP waren aangeduid als X tot en met AN.

Artikel 1.14 (wijziging Wet op de economische delicten)

Alinea met toelichting op categorie 2o:

In categorie 2 worden delicten ondergebracht die een minder grote (potentiële) aantasting van het milieu opleveren. Hieronder vallen onder andere het niet nakomen van belangrijke administratieve verplichtingen. Dergelijke verplichtingen zijn tot nog toe in de Wvo afzonderlijk in de wet geregeld. In de Waterwet vormen zij onderdeel van meeromvattende bepalingen waarvan de overtreding reeds in categorie 1 is ondergebracht.

In de daaropvolgende alinea stond «in het zeegebied» waar in de ingediende versie staat «in zee».

Laatste alinea:

Overtreding van voorschriften voor handelingen in of bij watersystemen van burgers of bedrijven die zijn vastgesteld in een verordening van een provincie of een waterschap (de keur) kan krachtens artikel 81 van de Waterschapswet een strafbaar feit opleveren. Indien een zodanige verordening voor een bepaalde handeling een vergunning of ontheffing voorschrijft, kan samenloop optreden met overtreding van artikel 6.16, derde lid van de Waterwet. Laatstgenoemde bepaling houdt een verbod in op overtreding van vergunningvoorschriften en is op grond van artikel 6.11 van de Waterwet mede van toepassing op een vergunning of ontheffing die vereist is krachtens een verordening van een waterschap. Voor deze gevallen wordt in de WED een voorziening opgenomen inhoudende dat bij samenloop sanctionering op basis van de waterschapsverordening voorrang heeft. Hetzelfde geldt bij een vergelijkbare samenloop die kan optreden tussen overtreding van artikel 6.20, tweede lid, van de Waterwet en een decentrale verordening.

Artikel 1.15 (wijziging Goedkeurings- en uitvoeringswet CCR-scheepsafvalstoffenverdrag)

Alinea over onderdeel A:

– Onderdeel A voorziet in wijzigingen van artikel II van de Goedkeurings- en uitvoeringswet CCR-scheepsafvalstoffenverdrag, waarin de Wet verontreiniging oppervlaktewateren wordt gewijzigd. Onderdeel B van dat artikel II, waarin was voorzien in het opnemen van een hoofdstuk IVA in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, vervalt en in de onderdelen C en D van dat artikel II worden daardoor nodige aanpassingen aangebracht.

Artikel 1.18 (wijziging Wet milieubeheer)

De onderdelen J, W en X van de tekst zoals ingediend waren aangeduid als I, Y en Z.

Artikel 2.8 (overgangsbepalingen artikel 3.2 Waterwet)

De slotzin luidde: «Met de overgangsbepaling wordt voorkomen dat het waterschap, als het verantwoordelijke overheidslichaam voor het regionale waterbeheer in zijn gebied, bij inwerkingtreding van de Waterwet ook (financieel) verantwoordelijk wordt voor het vaarweg- dan wel havenbeheer van wateren voor zover dat nu bij provincies of gemeenten berust.»

Artikel 3.2

Artikel 3.2 (nadere wijziging Waterwet in verband met wetsvoorstel inzake omgevingsvergunning)

Verwezen wordt naar de toelichting bij onderdeel AM van artikel 1.10 (wijziging Waterwet).

De toelichting bij het artikel 3.2 van het wetsvoorstel zoals ingediend was in de aan de Raad van State voorgelegde versie genummerd 3.3, de huidige toelichting bij artikel 3.3 (inwerkingtreding) ontbrak.


XNoot
1

(Stb. 2008, 496).

XNoot
2

Stb. 2006, 330.

XNoot
1

Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 2.

XNoot
2

Kamerstukken II 2007/2008, 30 818, nr. 22.

Naar boven