Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201031847 nr. 18

31 847
Onderzoek naar de besluitvorming rond de inval in Irak

nr. 18
BRIEF VAN DE MINISTER PRESIDENT, MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN EN DE MINISTERS VAN BUITENLANDSE ZAKEN, VAN DEFENSIE EN VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 februari 2010

1. Inleiding en verantwoording

Op 13 januari jongstleden heeft het kabinet u toegezegd een kabinetsreactie te geven op het rapport van de commissie onderzoek besluitvorming Irak onder leiding van mr. Davids (hierna: de commissie) en dit rapport leidend te laten zijn bij een kritische terugblik op het verleden en het trekken van lessen voor de toekomst.

Bij onderhavige kabinetsreactie zijn toegevoegd de antwoorden op de nog openstaande vragen van de Tweede (zie bijlagen 1 t/m 13 bij deze brief) en van de Eerste Kamer.1 Bij de beantwoording wordt waar mogelijk naar de kabinetsreactie en het rapport verwezen.

De commissie heeft op 12 januari jongstleden haar rapport aan het kabinet aangeboden onder gelijktijdige toezending aan beide Kamers der Staten-Generaal. Tevens heeft de commissie op 19 januari jl. een rondetafelgesprek gevoerd met de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken van de Tweede Kamer.

Het kabinet is, zo is reeds benadrukt bij de inontvangstneming, de commissie erkentelijk voor het vele werk dat in relatief korte tijd is verricht.

In de hoofdstukken 1 en 2 geeft de commissie de aanleiding tot het onderzoek weer en legt zij verantwoording af over de werkzaamheden (conclusies 1 en 49).

De commissie heeft in onafhankelijkheid een gedegen studie verricht naar de voorbereiding van de besluitvorming in de periode zomer 2002 tot zomer 2003 over de politieke steun van Nederland aan de inval door de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk in Irak in het algemeen, en over de aspecten van volkenrechtelijke aard, van inlichtingen- en informatievoorziening en van vermeende militaire betrokkenheid in het bijzonder.

Thans ligt het rapport van de commissie voor. Het rapport gaat – in de kern – over de periode zomer 2002 tot zomer 2003. In die periode werd het kabinet Kok II op 22 juli 2002 door het kabinet Balkenende I afgelost; dat kabinet was vanaf 16 oktober 2002 demissionair en werd op 27 mei 2003 opgevolgd door het kabinet Balkenende II.

Zoals verwoord in de brief van 13 januari jongstleden (Kamerstuk 31 847, nr. 15), waren die kabinetten ervan overtuigd een zuivere en integere afweging te hebben gemaakt bij het besluit om de inval in Irak politiek te steunen. Hierover is destijds met de Kamers van gedachten gewisseld. Een ruime Kamermeerderheid heeft het toenmalige kabinet daarin gesteund.

Dat bijna zeven jaar later het huidige kabinet een reactie geeft op bevindingen van een onafhankelijke commissie over de voorbereiding van de besluitvorming door toenmalige kabinetten, die bovendien anders van politieke samenstelling waren, vraagt om een heldere duiding van de staatsrechtelijke context.

Vooropstaat dat de individuele en collectieve ministeriële verantwoordelijkheid is verbonden aan het ambt van de minister, ongeacht wie het ambt vervult. Zittende ministers dienen aan het parlement verantwoording af te leggen over de ambtsvervulling van hun voorgangers, bijvoorbeeld door het beantwoorden van vragen en het verstrekken van informatie. Bij «ambtsvervulling» gaat het om het handelen en nalaten in de functie en hoedanigheid van minister. Ook over de opvattingen van voorgangers en eerder verschafte informatie moeten de door het parlement verlangde inlichtingen worden gegeven. Zittende ministers kunnen daarin uiteraard niet ex post wijzigingen brengen. Wel zijn zij verantwoordelijk voor de besluiten die zij thans nemen naar aanleiding van – onder andere – hun bevindingen over het verleden. Verantwoording is immers ook een vooruitblik, bedoeld om lessen te trekken in het belang van een goed overheidsbestuur. Het kabinet gaat daar in deze reactie nader op in.

Zoals aangegeven in de brief van 13 januari jl., heeft het kabinet het rapport van de commissie leidend laten zijn voor zijn kritische terugblik en het trekken van lessen voor heden en de toekomst.

Daarmee accepteert het kabinet de beschrijving van de feitelijke gang van zaken, waarbij het kabinet zich realiseert dat ieder van de destijds betrokkenen de beschrijving van de feitelijke gang van zaken leest en beoordeelt vanuit de persoonlijke beleving en herinnering. Tegen deze achtergrond laat het kabinet de door de commissie gegeven kwalificaties, zoals woorden als «onwaarachtig», voor haar rekening en gaat de kabinetsreactie in op die passages en/of conclusies van het rapport die vanuit de huidige verantwoordelijkheid hetzij een opmerking behoeven, hetzij jegens de Kamers een expliciete reactie vergen.

Enkele belangrijke lessen voor de toekomst worden in paragraaf 2 van deze kabinetsreactie benoemd. Voorts gaat het kabinet in paragraaf 3 in op het volkenrechtelijk mandaat. Op de informatievoorziening aan de Kamer wordt separaat in paragraaf 4 ingegaan.

Met betrekking tot de voorbereiding van de besluitvorming in de periode zomer 2002–zomer 2003, is het kabinet van mening dat de door de Tweede Kamer met spoed gevraagde brief van 4 september 2002 (Kamerstuk 23 432, nr. 56) beter in de ministerraad had kunnen worden behandeld, zonder daarbij de suggestie te wekken dat de uitkomst van dergelijk overleg anders zou zijn geweest. In het besef dat er een spanningsveld kan bestaan tussen vereiste afstemming in de ministerraad enerzijds en het tijdig voldoen aan verzoeken van de Kamers anderzijds, spreekt het kabinet graag ook met de Kamers hoe hier in de praktijk beter mee kan worden omgegaan.

Ten aanzien van de kabinetsformatie in 2003 zij er ten overvloede op gewezen dat het niet aan het kabinet is om een oordeel te hebben over hoe dit proces is verlopen. Het is vanuit staatsrechtelijk oogpunt aan de fracties in de Tweede Kamer om zich rekenschap te geven van de conclusies en waar relevant lessen te trekken met het oog op toekomstige kabinetsformaties.

Het kabinet neemt voorts kennis van de conclusies op een aantal specifiek aan de commissie gestelde vragen, namelijk dat geen aanwijzingen gevonden zijn dat het uitspreken van politieke steun voor de Amerikaans-Britse invasie in Irak was gemotiveerd door handelsbelangen, dat er geen feiten zijn gevonden waaruit zou blijken dat Nederland een actieve militaire bijdrage heeft geleverd en dat bij het besluit tot politieke steun de eventuele benoeming van de heer De Hoop Scheffer tot secretaris-generaal van de NAVO geen rol heeft gespeeld.

2. Lessen geleerd

De gebeurtenissen tijdens de periode zomer 2002 en zomer 2003 vonden destijds plaats slechts een jaar na «9/11» 2001 en de daaropvolgende internationale interventie in Afghanistan waarin Nederland participeerde. Daarover bestond toen brede overeenstemming; vanaf het begin waren de meningen over Irak verdeeld.

De commissie spreekt over «een nieuwe fase in de wereldgeschiedenis». Op dat moment werd dat zo gevoeld: de schok van de aanslagen in de Verenigde Staten, op zijn minst grote onzekerheden over de militaire intenties en mogelijkheden van het barbaarse regime van Saddam Hoessein, dreiging van terrorisme wereldwijd, bezorgdheid in Nederland zelf over repercussies in de eigen samenleving zowel als steun van naar Nederland gevluchte bevolkingsgroepen voor het Nederlands standpunt in de maanden na 18 maart 2003.

Naarmate de jaren verstreken zijn de overschattingen van de capaciteiten van Saddam Hoessein, de jarenlang slecht verlopen wederopbouw van Irak, de gesneuvelde en gewonde militairen en hulpverleners – ook van Nederlandse zijde – die te betreuren waren bij missies in Irak en Afghanistan, het beeld van destijds achteraf mee gaan bepalen.

Er waren ruim zeven jaar geleden diepgevoelde verschillen in opvattingen in het politieke en publieke debat. Dat is te begrijpen. Deze verschillen bestaan thans nog. Het is de vraag of die diepgevoelde verschillen overbrugd kunnen worden. Het kabinet rekent het tot zijn taak vanuit de ervaringen uit het verleden een opvatting over toekomstig handelen te ontwikkelen. Daarbij spreekt het kabinet de wens uit dat verschillen in opinies door een ieder voluit gerespecteerd worden. Het kabinet meent dat het rapport van de commisie van onderzoek besluitvorming Irak, deze kabinetsreactie en het komende parlementair debat daarover, een zinvolle afronding daartoe mogelijk maken.

«Lessen geleerd»

Op basis van een kritische reflectie zijn lessen geformuleerd die samengevat als volgt luiden:

a. In het coalitieakkoord dat ten grondslag ligt aan het huidige kabinet is bepaald dat een adequaat volkenrechtelijk mandaat is vereist bij deelname aan een missie met Nederlandse militairen. Het kabinet bevestigt expliciet dat dit ook geldt voor het geven van politieke steun door Nederland in situaties dat andere landen vergelijkbare missies ondernemen.

b. Wanneer de inzet van de krijgsmacht betrekking heeft op bescherming van het eigen bondgenootschappelijk grondgebied alsmede de handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde, zal het kabinet de Tweede Kamer zoveel mogelijk langs de lijnen van het Toetsingskader informeren.

c. Het kabinet kan zich voorstellen dat, zoals inmiddels bij Afghanistan gebruikelijk, vaker en meer specifieke informatie vertrouwelijk aan de Kamers wordt verstrekt (waaronder aan de CIVD).

d. De minister van Buitenlandse Zaken zal een aparte positie van volkenrechtelijk adviseur op zijn ministerie instellen.

e. Het kabinet onderschrijft het belang om informatie van beide inlichtingen- en veiligheidsdiensten op een goede manier in beleidsnotities, ministerraadstukken en brieven aan de Kamers te verwoorden. Hoofdregel is dat de diensten moeten kunnen instemmen met hoe hun rapportage wordt weergegeven in het verkeer met de Kamers. In het verlengde daarvan zal het kabinet in documenten die mede op basis van informatie van deze diensten worden opgesteld, zichtbaar maken welke informatie door hen geleverd is, met inachtneming van eisen vertrouwelijkheid.

f. Het kabinet onderschrijft tevens dat informatie van buitenlandse inlichtingendiensten niet rechtstreeks naar ministeries behoort te gaan zonder tussenkomst van de AIVD of de MIVD.

g. Het kabinet herbevestigt de regel dat ambtelijke notities met afwijkende meningen over belangrijke onderwerpen de politieke leiding dienen te bereiken.

h. Het kabinet overlegt graag met de Kamers over het geconstateerde spanningsveld tussen vereiste afstemming in de ministerraad enerzijds en het tijdig voldoen aan verzoeken van de Kamers anderzijds.

3. Volkenrechtelijk mandaat

In het rapport worden vragen betreffende de volkenrechtelijke grondslag van militair ingrijpen in Irak en betreffende artikel 100 van de Grondwet en Toetsingskader 2001 besproken in de hoofdstukken 8 en 11 (conclusies 7, 8, 18, 19, 20, 21, 22 en 44, 45, 46 en 47). In de brief van 13 januari jongstleden is toegezegd terug te komen op het volkenrechtelijk mandaat.

Destijds was het toenmalige kabinet, evenals verscheidene andere regeringen, van oordeel dat de betreffende VN-Veiligheidsraadresoluties een toereikende grondslag vormden voor het – door Nederland politiek gesteunde – militaire optreden van de door de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk geleide coalitie. Gebleken is dat dit standpunt in de internationale gemeenschap onvoldoende steun heeft gevonden en ook door andere landen niet langer wordt aanvaard.

In het coalitieakkoord dat ten grondslag ligt aan het huidige kabinet is reeds bepaald dat een adequaat volkenrechtelijk mandaat vereist is bij deelname aan een missie met Nederlandse militairen. Deze bepaling is mede opgenomen tegen de achtergrond van de discussie die bestond over de rechtsgrondslag van de inval in Irak (zie ook de brief van de ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie van 22 juni 2007 over de Nederlandse deelname aan vredesmissies: Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 29 521, nr. 41).

In het licht van deze ontwikkelingen en met de kennis van nu aanvaardt het kabinet dat voor een dergelijk optreden een adequater volkenrechtelijk mandaat nodig zou zijn geweest.

De manier waarop dit kabinet in de toekomst met dit soort situaties wil omgaan, is vastgelegd in de brief van 22 juni 2007. Zoals daarin staat, kunnen zich situaties voordoen waarin geen overeenstemming kan worden bereikt over een resolutie in de Veiligheidsraad, maar waarbij in de internationale gemeenschap een breed gedragen gevoelen bestaat dat militair optreden legitiem is. In de brief wordt beschreven dat deze situaties zich kunnen voordoen in geval van een (dreigende) humanitaire ramp, met inbegrip van genocide, ingeval van evacuatie van eigen onderdanen, en op verzoek van het desbetreffende land. Zoals bekend is zelfverdediging ook een volkenrechtelijk gelegitimeerde grondslag.

Het kabinet bevestigt voorts dat een volkenrechtelijk mandaat, zoals hiervoor beschreven, ook geldt voor het geven van politieke steun door Nederland in situaties dat andere landen vergelijkbare missies ondernemen.

4. Informatievoorziening

De commissie heeft kritische kanttekeningen geplaatst bij onderdelen van de informatievoorziening aan het parlement (hoofdstukken 5, 7, 9, 10 en 11; conclusies 25, 29, 30, 31, 32, 33, 37). Het betreft de informatievoorziening over verzoeken van de Verenigde Staten (3.1), en de benutting van de informatie van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (3.2) en van openbare rapportages van UNMOVIC en IAEA (7.4).

4.1 De verzoeken van de Verenigde Staten

Het toenmalige kabinet heeft op 21 november 2002 de Tweede Kamer geïnformeerd over het Amerikaanse verzoek om – in het kader van het opvoeren van druk op het Iraakse regime – bij te dragen aan de planning voor een mogelijk militair optreden tegen Irak. Op 6 december 2002 is de Tweede Kamer gemeld dat het Amerikaanse verzoek had geleid tot beginselbereidheid bij het kabinet voor het verlenen van overvliegvergunningen en het faciliteren van doorvoer van personeel en materieel over Nederlands grondgebied, alsmede de planning voor ondersteunende en defensieve taken (bijvoorbeeld de Patriots). Tevens werd aan de Tweede Kamer gemeld «dat de VS met Nederland in contact wil blijven over eventuele aanvullende bijdragen». Daarover hebben de VS en Nederland in januari–maart 2003 meermalen contact gehad. Ook in de ministerraad is over die «aanvullende bijdragen» gesproken. Er is door het toenmalige kabinet besloten om dergelijke aanvullende bijdragen niet te leveren.

Het kabinet is van mening dat hoewel er geen rechtsplicht daartoe bestond, het van wijsheid had getuigd indien indertijd via vertrouwelijke informatieverstrekking ook dit deel van het verzoek ter inzage was gegeven, zoals door de commissie tijdens het rondetafelgesprek met de Tweede Kamer verwoord.

Het kader voor Host Nation Support wordt gevormd door een stelsel van verdragen en gewoonterechtelijke normen over wederzijdse militaire hulp tussen NAVO-bondgenoten in het algemeen, en tussen Nederland en de VS in het bijzonder. Dit stelsel vormde zowel de juridische basis als de achtergrond voor het (politieke) besluit. Het kabinet beschouwt de Kamerbrief van 17 februari 2003 als de instemming met een specifiek verzoek binnen dit kader, dat volgde op een al eerder uitgesproken beginselbereidheid. De Tweede Kamer was op de hoogte gesteld van dit specifieke verzoek op 4 februari 2003 door middel van de beantwoording van vragen van het lid Van Bommel. Het kabinet is van mening dat de toezegging in de laatste passage van de Kamerbrief van 6 december 2002 vooral betrekking heeft op de beoordeling van «material breach» en de eventuele beschikbaarstelling van militaire capaciteiten die daaruit kon voortvloeien. Het instemmen met Host Nation Support stond echter los van de beoordeling van «material breach».

Wanneer de inzet van de krijgsmacht betrekking heeft op bescherming van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied alsmede de handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde, zal het kabinet de Tweede Kamer zoveel mogelijk langs de lijnen van het Toetsingskader informeren. Het kabinet komt op basis van het vorenstaande tot de conclusie dat de Tweede Kamer over een besluit zoals indertijd dat tot uitzending van de Patriots en de begeleidende militairen naar Oost-Turkije, die met het oog op de verdediging van het bondgenootschappelijk grondgebied plaatsvond, langs de lijnen van het toetsingskader zou moeten worden geïnformeerd.

4.2 MIVD, AIVD en UNMOVIC

De commissie concludeert de gehele onderzochte periode overziend dat zowel de MIVD als de AIVD zich terughoudender opgesteld hadden over de dreiging die uitging van het massavernietigingswapenprogramma van Irak dan de toenmalige bewindspersonen deden in de communicatie met de Tweede Kamer. De Nederlandse regering interpreteerde de rapportages van UNMOVIC selectief, aldus de commissie.

Het gaat hierbij in het rapport van de commissie met name om informatie van de diensten in de brief van 4 september 2002 aan de Tweede Kamer (kamerstuk 23 432, nr. 94) ten aanzien van de dreiging van massavernietigingswapens, van informatie uit rapportages van UNMOVIC in de brief van 18 maart 2003 aan de Tweede Kamer (Kamerstuk 23 432, nr. 94) ten aanzien van de medewerking van Irak aan de wapeninspecties en voorts de beperkte weergave van de beoordeling van de Britse 45-minutenclaim in de beantwoording van Kamervragen op 21 oktober 2003 (Kamerstuk 23 432, nr. 129). Ook betreft het achteraf gegeven toelichtingen aan de (besloten) commissie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer (CIVD).

Al deze gevallen hebben met elkaar gemeen dat het evenwicht van twijfels, vermoedens en (on)zekerheden waarvan in de diverse rapportages sprake was, uitgebreider en explicieter terug had moeten komen in de informatie aan de Kamers.

In retrospectief meent het kabinet dat het beter was geweest wanneer de communicatie met de Kamer meer inzicht had geboden in enerzijds de beschikbare informatie van de inlichtingen- en veligheidsdiensten en van de wapeninspecteurs en anderzijds in de vertaling daarvan. Zo had uitgebreider en meer geëxpliciteerd kunnen worden ingegaan op meer details binnen het containerbegrip «massavernietigingswapens» op de deelgebieden nucleair, chemisch en biologisch alsmede de overbrengingsmiddelen met daarbij ook de nadere details betreffende het onderscheid tussen daadwerkelijke wapens, restanten ervan, kennis en kunde, productie- en ontwikkelingscapaceit, en inzetbaarheid.

Op grond van deze waarnemingen, neemt het kabinet ter harte dat informatie van beide inlichtingen- en veiligheidsdiensten nauwgezet in beleidsnotities, ministerraadstukken en brieven aan de Kamers moet worden verwoord. Hoofdregel is dat de diensten moeten kunnen instemmen met hoe hun rapporage wordt weergegven in het verkeer met de Kamers. In de betrokken ministeries zijn al geruime tijd geleden afspraken gemaakt die een juist gebruik van informatie van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in ambtelijke voorbereiding resp. voor notities en brieven moeten borgen. In het verlengde daarvan zal het kabinet in documenten die mede op basis van informatie van deze diensten worden opgesteld, zichtbaar maken welke informatie door hen geleverd is, met inachtneming van eisen van vertrouwelijkheid.

Het kabinet kan zich voorstellen dat, zoals inmiddels bij Afghanistan gebruikelijk is, vaker en meer specifieke informatie vertrouwelijk aan de Kamers wordt verstrekt, en is gaarne beschikbaar om met de Kamers van gedachten te wisselen over de modaliteiten en voorwaarden (inclusief het verkeer met de CIVD). Het kabinet onderschrijft tevens dat informatie van buitenlandse inlichtingendiensten niet rechtstreeks naar ministeries behoort te gaan zonder tussenkomst van de AIVD of de MIVD.

De minister-President,

De minister van Algemene Zaken,

J. P. Balkenende

De minister van Buitenlandse Zaken,

M. J. M. Verhagen

De minister van Defensie,

E. van Middelkoop

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

G. ter Horst

BIJLAGE 1

Mondelinge vraag van het lid Van Dam tijdens de regeling van werkzaamheden van 20 januari 2009 (Handelingen der Kamer II, vergaderjaar 2008–2009, nr. 43, blz. 3763–3764)

1

Vanmorgen stond in de Volkskrant dat een Nederlandse burger in die dagen een brief van de Nederlandse regering heeft ontvangen waarin bewoordingen zijn gebruikt die, voor zover ik heb kunnen nagaan, in de brieven van de regering aan de Kamer destijds niet zijn gebruikt. Als de regering toch een aantal vragen moet beantwoorden, kan zij dan ook een briefje aan deze Kamer sturen waarin zij ingaat op deze discrepantie.

De zinnen uit de brief die de Volkskrant noemt sluiten aan bij de inhoud van de brief van de minister van Buitenlandse Zaken van 4 september 2002 (TK 2001–2002, 23 432, nr. 56) en bij het debat dat daarover op 5 september 2002 in de Tweede Kamer is gevoerd (TK 2001–2002, 23 432, nr. 95).

BIJLAGE 2

Mondelinge vraag van het lid Van Bommel tijdens de regeling van werkzaamheden van 20 januari 2009 (Handelingen der Kamer II, vergaderjaar 2008–2009, nr. 43, blz. 3764)

1

Ik vraag of bij de beantwoording van de Kamervragen van de fracties van SP, VVD, D66 en wat er de komende twee weken mogelijk nog volgt, ook een afschrift van die memo’s [–] en eventuele memo’s van het ministerie van Defensie over hetzelfde onderwerp, namelijk de legitimiteit van de Nederlandse steun, aan de Kamer te sturen.

Zie het antwoord op vraag 3 van de heer Van Baalen (zie bijlage 7).

BIJLAGE 3

Mondelinge vragen van het lid Pechtold tijdens het interpellatiedebat van 4 februari 2009 (Handelingen der Kamer II, vergaderjaar 2008–2009, nr. 50, blz. 1491–4246)

1

Voormalig onderminister van buitenlandse zaken Armitage voegde daaraan toe: wij hebben officiële documenten verzonden en diplomaten naar Nederland gestuurd. Ik noem dat een verzoek. Hoe iemand anders dat noemt, moet hij weten. Hoe beoordeelt de minister-president deze uitspraak?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 10.3 en bijlage L, alsmede de kabinetsreactie.

2

Sluit de minister-president uit dat de heer Armitage de juiste visie gaf op de benoeming van de heer De Hoop Scheffer toen hij zei dat er een verband is tussen deze benoeming en de Nederlandse steun aan de inval van Irak? Sluit hij enige relatie uit?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 7.5.2 en conclusie 48, alsmede de kabinetsreactie.

3

De Kamer heeft over deze feiten en vermoedens vragen gesteld die nog niet eerder aan de orde zijn geweest in de tientallen debatten die wij daarvoor hebben gehad. Klopt het gerucht dat de antwoorden klaarliggen op het ministerie van Buitenlandse Zaken, maar dat is besloten ze niet naar de Kamer te versturen?

Niet van toepassing.

BIJLAGE 4

Mondelinge vraag van het lid Halsema tijdens het interpellatiedebat van 4 februari 2009 (Handelingen der Kamer II, vergaderjaar 2008–2009, nr. 50, blz. 1491–4246)

1

Volgens de premier is het nodig om de beeldvorming in de media weer onder controle te brengen; beeldvorming overigens die de afgelopen weken door de premier zelf is bepaald door onduidelijkheid te scheppen over bijvoorbeeld de benoeming van De Hoop Scheffer als secretaris-generaal van de NAVO. Ik neem aan dat de premier de verantwoordelijkheid neemt voor die beeldvorming. Graag een reactie.

Zie het antwoord op vraag 1 van de heer Pechtold (zie bijlage 13).

BIJLAGE 5

Interpellatievragen van het lid Kant (SP) aan de minister-president, minister van Algemene Zaken over uitlatingen van een voormalig topambtenaar over Nederlandse steun aan een oorlog in Irak (Handelingen der Kamer II, vergaderjaar 2008–2009, nr. 55, blz. 4484)

1

Wat is uw reactie op de uitspraak van een voormalig topambtenaar dat rondom de besluitvorming voor het steunen van de oorlog in Irak de vraag niet was «óf we de VS in Irak zouden steunen» maar dat de vraag was «welke argumentatie we daarbij zouden verzinnen?» Is dit waar? Kunt u een dergelijke gang van zaken uit sluiten?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 4.5.

2

Is er na het besluit dat Nederland politieke steun zou verlenen aan de oorlog in Irak een opdracht uitgegaan naar inlichtingendiensten en ministeries die de reeds gemaakt beslissing verder moesten onderbouwen?

Neen.

3

Kunt u uitsluiten dat de besluitvorming over de politieke steun aan de oorlog in Irak vooral is ingegeven door de Nederlandse politieke posities en belangen ten opzichte van de VS? Zo ja, over welke informatie, die niet inmiddels in de openbaarheid als onjuist is bestempeld, beschikte het kabinet om een eigen afweging te kunnen maken?

Het kabinet verwacht dat deze vraag met het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak en de kabinetsreactie daarop voldoende is beantwoord.

4

Wat is uw reactie op de geschetste cultuur op ministeries, dat niet argumentatie en openheid de norm zijn, maar het volgen van het pad dat altijd gevolgd wordt, namelijk onvoorwaardelijke steun aan de besluiten vanuit de VS?

Zie het antwoord op vraag 3.

5

Wat is uw mening over het feit dat in Groot Brittannië de inlichtingen en feiten aan het gewenste beleid zijn aangepast, ter rechtvaardiging van de oorlog, zoals blijkt uit een geheim memo (Downing Street memorandum) dat gepubliceerd is in de Sunday Times in mei 2005? Acht u het mogelijk dat in Nederland iets soortgelijks is gebeurd?

Het is niet aan het kabinet om een oordeel te geven op het Britse Irak-beleid, temeer omdat in het Verenigd Koninkrijk nog steeds onderzoek plaatsvindt naar de betrokkenheid van dat land bij het militaire optreden tegen Irak in 2003. Zie verder het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragrafen 9.3, 9.4 en 9.5.

6

Waren Nederlandse ambtenaren op de ministeries bekend met de Engelse discussie over de legitimiteit van de naderende oorlog, zoals het standpunt van de attorney general Goldsmith, die, naar later bleek, grote juridische bezwaren had tegen de rechtmatigheid van de oorlog? Op welke wijze speelde deze discussie een rol in het Nederlandse voorlichtingsbeleid? Is er druk uitgeoefend op de strategiegroep van de directeuren voorlichting om twijfel vanuit het buitenland buiten het voorlichtingsbeleid te houden?

Genoemde discussie was onder ambtenaren bekend. Zij speelde geen rol in het voorlichtingsbeleid. Zie verder het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 4.5.

7

Als de Nederlandse strategiegroep van de directeuren voorlichting bekend was met deze Engelse discussie, hoe werd in de stuurgroep over aarzelingen en kritiek geoordeeld? Kunt u inzicht geven in de discussies van de werkgroep waarin weerstand bestond tegen het verzinnen van bij passende argumenten?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 4.5.

8

Als de stuurgroep voor directeuren voorlichting niet bekend was met de Engelse discussie hoe oordeelt u dan over de kwaliteit van het werk van deze stuurgroep? Op welke wijze vond hoor en wederhoor plaats en werd er geargumenteerd over de politieke keuzen van de regering?

Zie het antwoord op vraag 6.

BIJLAGE 6

Vragen van het lid Van Bommel (SP) aan de minister van Buitenlandse Zaken over achtergehouden Irak-advies (Aanhangsel der Handelingen II, vergaderjaar 2009–2010, nr. 1489)

1

Kent u het bericht «Buitenlandse Zaken hield kritisch Irak-advies achter»?1

Ja.

2

Is het waar dat op 29 april 2003 door de Directie Juridische Zaken (DJZ) in een memorandum is gesteld dat de juridische onderbouwing van het standpunt van het toenmalige kabinet-Balkenende met betrekking tot de inval in Irak «zowel materieel als procedureel tekort» schiet? Indien ja, kunt u toelichten wat precies wordt bedoeld met dit materiële en procedurele tekortschieten?

Ja. Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 8.7.1.

3

Is het waar dat dit memorandum bij de minister is weggehouden? Indien ja, wat is uw mening daarover?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 8.7.1 en de kabinetsreactie.

4

Is het waar dat juristen van de Directie Juridische Zaken de inschatting hadden «dat Nederland een eventuele procedure voor het Internationaal Gerechtshof hierover zou verliezen»? Indien ja, is de minister hier op enige wijze over geïnformeerd? Is die kennis gedeeld met de minister-president?

De inschatting van DJZ was, dat de kans groot zou zijn dat een eventuele zaak voor het Internationaal Gerechtshof – mocht het Hof ooit tot een uitspraak in de «merits» komen – zou worden verloren. Deze inschatting van DJZ is indertijd niet met de minister-president gedeeld. Zie verder het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 8.7.1.

5

Is het waar dat DJZ niet om een objectieve volkenrechtelijke beoordeling is gevraagd, maar om een juridische onderbouwing van het Nederlandse standpunt dat de inval in Irak gelegitimeerd was? Kunt u uw antwoord toelichten?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 8.7.1.

6

Kunt u bevestigen dat het door NRC Handelsblad geopenbaarde memorandum echt is?

Ja.

BIJLAGE 7

Vragen van het lid Van Baalen (VVD) aan de minister van Buitenlandse Zaken over een juridisch advies inzake Irak (Aanhangsel der Handelingen II, vergaderjaar 2009–2010, nr. 1490)

1

Heeft u kennisgenomen van het artikel waarin wordt aangegeven dat een advies van de Directie Juridische Zaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken over de juridische onderbouwing van Nederlandse politieke steun aan de Amerikaanse interventie in Irak van 29 april 2003 niet aan Uw ambtsvoorganger De Hoop Scheffer is doorgegeven?1

Ja.

2

Deelt u de mening dat het achterhouden van een dergelijk rapport onjuist was, omdat de minister ook in diens relatie met de Kamer over de volledige juridische informatie had moeten beschikken?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 8.7.1.

3

Bent u bereid het desbetreffende rapport bij de beantwoording van deze vragen aan de Kamer aan te bieden met Uw appreciatie van de inhoud van het juridisch advies, waarin werd gesteld dat de juridische onderbouwing van Iraqi Freedom juridisch ondeugdelijk was?

Politieke besluiten steunen op ambtelijke adviezen en daarbij spelen persoonlijke beleidsopvattingen van ambtenaren een rol. Daarom hecht het kabinet eraan dat ambtenaren onbevangen en in vertrouwen kunnen adviseren. Over haar beleid en haar besluiten legt de regering verantwoording af aan het parlement.

Het kabinet is in dit bijzondere geval evenwel bereid de Kamer de relevante documenten vertrouwelijk ter inzage te geven. Zie verder het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 8.7.1.

BIJLAGE 8

Vragen van het lid Pechtold (D66) aan de minister-president, minister van Algemene Zaken, en de minister van Buitenlandse zaken over een achtergehouden kritisch juridisch advies over de politieke steun aan de oorlog in Irak (Aanhangsel der Handelingen II, vergaderjaar 2009–2010, nr. 1491)

1

Bent u bekend met het memorandum van 29 april 2003 waarin de Directie Juridische Zaken (DJZ) stelt dat het standpunt van het toenmalige kabinet inzake de politieke ondersteuning van de oorlog in Irak, zowel materieel als procedureel tekort schiet? Sinds wanneer bent u van dit betreffende memorandum op de hoogte?

De inhoud van het betreffende memorandum is ons bekend sinds de publicatie ervan door NRC Handelsblad op 17 januari 2009.

2

Sinds wanneer bent u van dit standpunt van DJZ op de hoogte?

In de gedachtewisselingen over Irak sinds het begin van de negentiger jaren komen de volkenrechtelijke aspecten en de opvattingen daarover steeds terug: onder ambtenaren, binnen het kabinet, in het parlement en in publieke discussies.

3

Is het waar dat het betreffende memorandum de toenmalig minister van Buitenlandse Zaken niet onder ogen is gekomen?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 8.7.1.

4

Heeft de toenmalige minister op een andere wijze kennis genomen van de inhoud van het memorandum?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 8.7.1.

5

Kende oud-minister Bot, die zegt het hele dossier te hebben gelezen, de inhoud van het betreffende memorandum, of had hij het memorandum zelf gezien?

Oud-minister Bot kent de inhoud van het betreffende memorandum sinds de publicatie ervan door NRC Handelsblad op 17 januari 2009.

6

Kende de opvolger van de toenmalige secretaris-generaal (SG) de inhoud van het betreffende memorandum? Op welke wijze is dit punt aan de orde geweest bij de overdracht?

Betrokkene kent de inhoud van het betreffende memorandum sinds de publicatie ervan door NRC Handelsblad op 17 januari 2009. Het is bij de overdracht aan hem niet aan de orde geweest.

7

Is de kritiek van DJZ op de rechtmatigheid van de legitimering van de oorlog in Irak aan de orde geweest bij de overdracht naar u en uw voorganger?

Dit is noch bij de overdracht aan toenmalig minister Bot aan de orde geweest, noch bij de overdracht aan de huidige minister van Buitenlandse Zaken.

8

Waarom werd het desbetreffende memorandum, aan de minister, door de secretaris-generaal niet doorgestuurd maar gearchiveerd?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 8.7.1.

9

Waarom heeft de SG geen behoefte gevoeld de twijfel van DJZ over de volkenrechtelijke legitimering van het kabinetsbesluit, aan de toenmalige minister voor te leggen, terwijl het niet nakomen van VN-resoluties door Saddam Hoessein de kern vormt van het beleid van het kabinet om de oorlog in Irak te steunen?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 8.7.1.

10

Wat is de standaardprocedure inzake de aan de minister geadresseerde memoranda over zeer belangrijke beleidskeuzes?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 8.7.1.

11

Waarom werden deze adviezen slechts voor het nageslacht gearchiveerd? Waarom is er niet besloten om de huidige generaties te informeren over de legitimiteit van de oorlog in Irak door middel van het openbaar maken van de verschillende adviezen?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 8.7.1.

12

Op welke wijze zou het nageslacht volgens u kennis moeten nemen van de besluitvorming inzake de steun van het kabinet voor de oorlog in Irak?

Men kan hierover onder meer kennisnemen door middel van Kamerstukken, de media en het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak.

13

Behoeft deze procedure aanpassing in het licht van kennis van vandaag?

Zie de kabinetsreactie op het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak.

14

Aan wie is de SG verantwoording schuldig met betrekking tot de informatiestromen naar de minister?

Over de informatievoorziening aan de bewindspersonen van een ministerie legt de secretaris-generaal verantwoording af aan die bewindspersonen.

15

Vindt u dat de SG in dit geval juist gehandeld heeft door het memorandum niet aan de minister door te sturen?

Zie de kabinetsreactie op het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak.

16

Is er informatie over het volkenrechtelijke mandaat met de toenmalige minister gewisseld die niet via de SG liep?

Aangezien het dan zou zijn gegaan om informele informatie, is het antwoord op deze vraag niet te achterhalen in de archieven van het ministerie van Buitenlandse Zaken. In ieder geval is in die archieven niets aangetroffen, dat duidt op informele informatievoorziening over dit onderwerp aan de toenmalige minister.

17

Kunt u bevestigen dat er naast de drie opstellers minimaal vier mensen uit de ambtelijke top op de hoogte waren van het memorandum van DJZ van 29 april 2003?

Ja.

18

Wat is er met het memorandum gebeurd tussen 29 april 2003 en 18 mei 2003, de datum waarop dit memorandum volgens de aantekeningen op het document is gearchiveerd?

De secretaris-generaal heeft het memorandum bestudeerd en vervolgens teruggestuurd naar DJZ, waar het op 18 mei 2009 is gearchiveerd. Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 8.7.1.

19

Is dit memorandum alleen bij DJZ gearchiveerd of ook bij de Directoraat-Generaal Politieke Zaken of het Bureau SG? Indien ja, hoe?

Het memorandum is in ieder geval op de gebruikelijke wijze bij DJZ gearchiveerd. Het is niet gebleken dat het ook is gearchiveerd bij de directeur-generaal Politieke Zaken of bij het Bureau Secretaris-Generaal.

20

Wat is uw reactie op de handgeschreven notitie op het memorandum van DJZ, te weten «Het audite et alteram partem geldt hier kennelijk niet»?

Het betreft hier een persoonlijke opvatting. Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 8.7.1.

21

Op welke wijze heeft de toenmalige minister hoor en wederhoor toegepast ten aanzien van de tegenstrijdige adviezen inzake de volkenrechtelijke legitimiteit van de oorlog in Irak en bij afgeleide het besluit van het kabinet deze oorlog politiek te steunen?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragrafen 8.7, 8.8 en 8.11.

22

Deelt u de mening dat een advies van commissies als de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV) bij uitstek geschikt zijn om onafhankelijke en zelfs kritische adviezen te formuleren?

Ja. De CAVV is een van de instanties die zowel de Staten-Generaal als de regering volkenrechtelijke adviezen kan geven. Zie ook het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 5.9.

23

Hoe beoordeelt u het gegeven dat de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV) afgezien heeft van advies omdat de ambtelijke ondersteuning van het departement, welke deze commissie ondersteunde, inschatte dat het kabinet niet open stond voor kritisch advies?

Zie ook het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 5.9.

24

Deelt u de mening dat het de onafhankelijkheid van adviezen van een adviescommissie als het CAVV ten goede zou komen wanneer deze tot stand kunnen komen zonder ambtelijke ondersteuning vanuit het departement?

Overeenkomstig de Kaderwet Adviescolleges besluiten alleen de leden van een adviescollege, zoals de CAVV, over het werk van dat college. Diezelfde wet biedt een adequaat kader voor ambtelijke ondersteuning.

25

Is het waar dat het kabinet zich in 2003 bij de besluitvorming mede heeft gebaseerd op een samenvatting van het rapport «Goldsmith», waarin niet was opgenomen, ten opzichte van het volledige rapport, dat de oorlog in Irak zonder nieuwe resolutie vermoedelijk illegaal zou zijn?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 8.8.

26

Deelt u de stelling van DJZ dat de toenmalige regering onvoldoende geïnformeerd was over de volkenrechtelijke aspecten van de politieke steun aan de inval in Irak? Waarom wel/niet?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragrafen 5.7.2 en 8.7.

27

Waarop baseerde DJZ haar stelling dat de toenmalige regering onvoldoende geïnformeerd was over de volkenrechtelijke aspecten van de politieke steun aan de inval in Irak?

In het DJZ-memorandum van 29 april 2003 staat: «DJZ meende dat u onvoldoende geïnformeerd zou zijn, indien uitsluitend de gevraagde juridische onderbouwing voor militair ingrijpen zou zijn gegeven.» Dit heeft betrekking op het DJZ-memorandum van 13 maart 2003. In dat memorandum noemt DJZ argumenten die voor en tegen het kabinetsstandpunt kunnen pleiten. Dit terwijl DJZ alleen zou zijn verzocht om een zo goed mogelijke juridische onderbouwing van het Nederlandse standpunt te geven. Zie ook het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 8.7.1.

28

Is het waar dat er «uitsluitend sprake is geweest van gevraagde juridische onderbouwing voor militair ingrijpen» en niet van een «objectieve volkenrechtelijke inschatting»? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 8.7.1.

29

Deelt u de analyse dat het uitsluitend leveren van gevraagde onderbouwing duidt op tunnelvisie?

Zie de kabinetsreactie.

30

Op welke wijze gaat u uw ambtelijk apparaat behoeden voor tunnelvisie?

Zie de kabinetsreactie.

31

Kunt u alle verzoeken om juridische onderbouwing aan DJZ, met betrekking tot de inval in Irak aan de Kamer doen toekomen? Indien nee, waarom niet?

Zie het antwoord op vraag 3 van de heer Van Baalen (zie bijlage 7).

32

Kunt u alle memo’s van DJZ betreffende de inval in Irak aan de Kamer doen toekomen, waaronder de memo van DJZ d.d. 13 maart 2003 (nr. DJZ/IR/2003/96) en de memo van DJZ d.d. 14 april 2003 (nr. 982/03)? Indien nee, waarom niet?

Zie het antwoord op vraag 3 van de heer Van Baalen (zie bijlage 7).

33

Kunt u bevestigen of de argumenten inzake het gebrek aan volkenrechtelijk mandaat ook vóór de inval in Irak aan de orde zijn geweest? Zo ja, waar? Op welke wijze zijn deze in de onderraden van de ministerraad aan de orde geweest?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragrafen 5.7.2 en 8.7.

34

Op welke wijze zijn de kritische noten van DJZ in deze fora gepareerd?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragrafen 5.7.2 en 8.7.

35

Zijn er binnen het ministerie van Justitie ook adviezen opgesteld inzake de volkenrechtelijke aspecten van het besluit van het kabinet om de oorlog in Irak te ondersteunen? Zo ja, welke, en kunt u deze de Kamer doen toekomen?

Het ministerie van Justitie heeft zulke adviezen niet opgesteld.

36

Zijn er binnen het ministerie van Algemene Zaken ook adviezen opgesteld inzake de volkenrechtelijke aspecten van het besluit van het kabinet om de oorlog in Irak te ondersteunen? Zo ja, welke en kunt u deze de Kamer doen toekomen?

De volkenrechtelijke aspecten zijn betrokken in ambtelijke adviezen aan de minister-president. Die adviezen waren gebaseerd op ambtelijke adviezen van de ministeries van Buitenlandse Zaken en van Defensie.

37

Hoe verhoudt zich de stelling van de regering dat een nieuwe resolutie in de VN-Veiligheidsraad niet nodig was om de inval in Irak te legitimeren tot de mening van DJZ dat een dergelijke resolutie wel noodzakelijk was?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragrafen 8.7 en 8.8, alsmede de kabinetsreactie.

38

Welke rol hebben kritische opvattingen van DJZ over de legitimatie van politieke steun aan de oorlog in Irak gespeeld in het kabinetsberaad?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragrafen 5.7.2 en 8.7.

39

Op welke wijze hebben adviezen over het volkenrechtelijk mandaat van de oorlog in Irak een rol gespeeld tijdens de formaties sinds het uitbreken van de oorlog in Irak?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, hoofdstuk 6.

40

Heeft de toenmalige minister zich voorafgaand aan de politieke steunverlening op de hoogte gesteld van de kans dat Nederland een eventuele procedure voor het Internationaal Gerechtshof hierover zou verliezen?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 8.7.1.

41

Ziet u een eventuele rechtszaak bij het Internationaal Gerechtshof met vertrouwen tegemoet? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom?

Van een dergelijke rechtszaak is geen sprake.

42

Is bij twijfel over eventuele vervolging van Nederland bij het Internationaal Gerechtshof en bij twijfel over de rechtsbasis op grond van bestaande resoluties, sprake van een adequaat volkenrechtelijk mandaat?

Zie het antwoord op vraag 41 alsmede de kabinetsreactie.

43

Heeft de toenmalige minister zich, voorafgaand aan de politieke steunverlening, op de hoogte gesteld van twijfels over de onderbouwing van deze keuze op basis van de bestaande resoluties?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 8.7.

44

Kunt u juridisch toelichten hoe inzake de inval in Irak het geweldsverbod kan worden gepasseerd door de betreffende resoluties van de Veiligheidsraad? Wanneer heeft de toenmalige minister zich hierover laten informeren? Kunt u deze analyse waar het kabinet destijds haar besluit op heeft gebaseerd de Kamer doen toekomen?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 8.7, alsmede de kabinetsreactie.

45

Hoe verhoudt zich artikel 90 van de Grondwet, inzake bevordering van de internationale rechtsorde, tot de onzekerheden inzake het volkenrechtelijke mandaat voor de inval van Irak dat ten grondslag lag aan de steun van het kabinet voor deze oorlog?

Zie de kabinetsreactie.

46

Waarom werd het volkenrechtelijke aspect van de legitimering van de oorlog in Irak de kern van de argumentatie van het kabinet om de oorlog te steunen, terwijl hier zoveel twijfel over bleek te bestaan?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragrafen 8.7 en 8.8, alsmede de kabinetsreactie.

47

Is er op enig moment voor de inval in Irak een artikel 100-brief aan de orde geweest? In welke fase bevond deze brief zich? Kunt u eventuele concepten de Kamer doen toekomen?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragrafen 10.3.6 en 10.4.

Zie verder het antwoord op vraag 3 van de heer Van Baalen (ingezonden 20 januari 2009, kenmerk 2080910250).

48

Bent u bereid om in tegenstelling tot de aantekening op het DJZ memorandum «De discussie is hiermee voor dit moment gesloten» de discussie weer te openen?

Zie de kabinetsreactie.

BIJLAGE 9

Vragen van het lid Voordewind (ChristenUnie) aan de minister van Buitenlandse Zaken over de ambtelijke juridische advisering inzake Irak (Aanhangsel der Handelingen II, vergaderjaar 2009–2010, nr. 1492)

1

Kunt u aangeven of eerdere ambtelijke juridische adviezen (o.m. memo’s van januari, 1 maart, 13 maart en 14 april 2003) in lijn liggen met het advies van 29 april 2003, waarin wordt gesteld dat de juridische onderbouwing tekort schiet?1

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragrafen 8.7.1 en 8.7.2.

2

Indien het besluit om politieke steun te verlenen aan de militaire inval in Irak niet gebaseerd was op deze ambtelijke adviezen, kunt u dan aangeven op welke juridische argumenten dit besluit wel gebaseerd was en om welke reden er meer waarde aan deze argumenten werd gehecht dan aan de ambtelijke adviezen?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragrafen 8.7.

BIJLAGE 10

Vragen van het lid Pechtold (D66) aan de minister-president, minister van Algemene Zaken en de ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie over Nederlandse steun aan de oorlog in Irak (Aanhangsel der Handelingen II, vergaderjaar 2009–2010, nr. 1493)

1

Hebben de Verenigde Staten officieel dan wel informeel bij Nederland geïnformeerd of Nederland bereid zou zijn om militair te participeren in de oorlog in Irak? Zo ja, kunt u aangeven op welke wijze dit is gebeurd?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 10.3 en bijlage L.

2

Kunt u eventuele schriftelijke verzoeken informeel of officieel, van een concrete of verkennende aard, aan de Kamer doen toekomen? Zijn dergelijke verzoeken of verkenningen op andere wijze dan schriftelijk geuit?

Neen. Derde landen verstrekken dergelijke documenten of informatie op vertrouwelijke basis. Zie ook het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 10.3 en bijlage L.

3

Onder verwijzing naar een nota met kenmerk DAB2003000146, d.d. 6 maart 2003, waarin staat: «Als de regering besluit tot een militaire bijdrage zullen de Staten-Generaal hiervan op de hoogte moeten worden gesteld op grond van artikel 100 van de Grondwet. Buitenlandse Zaken en Defensie werken nu aan een dergelijke artikel-100 brief waarvan het eerste concept begin volgende week beschikbaar moet zijn», kunt u het concept waarin volgens deze nota aan gewerkt werd, aan de Kamer sturen?

Zie het antwoord op vraag 3 van de heer Van Baalen (ingezonden 20 januari 2009, kenmerk 2080910250).

4

Waarom werd er aan dit concept gewerkt, wat vormde daar de aanleiding voor? Hoe wist u dat de Verenigde Staten en Groot Brittannië behoefte hadden aan een eventuele bijdrage van Nederland van de aard zoals in dit concept beschreven staat?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragrafen 10.3 en 10.4, alsmede bijlage L.

5

Onder verwijzing naar een nota van 17 maart 2003 met kenmerk C2003/206 2003000937 inzake Irak/OEF waarin wordt gesteld dat de Rules of Engagement (ROE) voor het fregat dat destijds reeds participeerde in OEF «reeds voorbereid» waren, kunt u deze ROE de Kamer doen toekomen? Waarop waren deze ROE gebaseerd? Welke taakstelling zou het fregat krijgen? Wat was de aanleiding om deze ROE voor te bereiden?

Gezien de gewijzigde veiligheidssituatie in de regio zijn de Rules of Engagement voor het fregat in kwestie destijds aangepast. Het kabinet geeft om veiligheidsredenen geen inzage in dergelijke militair-operationale informatie. Zie verder het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragrafen 10.2 en 10.3.10, alsmede conclusie 38.

6

Onder verwijzing naar diezelfde nota, waarin wordt gesteld dat «Het oorspronkelijke verzoek van de VS om militaire bijdragen is gevoegd als bijlage 3», kunt u deze bijlage de Kamer doen toekomen? Zo neen, wat is de precieze aard en de concrete vraag in dit verzoek?

Zie het antwoord op vraag 2.

7

Hoe rijmt u het verzoek van de VS om militaire bijdragen waaraan in de nota gerefereerd wordt, met het antwoord van de regering op vragen uit de Eerste Kamer Nr. 3072914 «De Verenigde Staten hebben geen formeel verzoek gedaan aan de Nederlandse regering om deel te nemen aan de daadwerkelijke militaire inval in Irak.»

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 10.3.2.

8

Constateert u dat in de nota van 17 maart 2003 wordt geschreven: «NL militaire bijdrage in het kader van militair optreden tegen Irak» en dat in deze nota niet gesproken wordt over militaire bijdrage teneinde diplomatieke druk op te voeren om een politieke oplossing te bewerkstelligen?

Ja. Zie ook het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 10.4.

9

Lag er aan uw communicatieplan ten grondslag de overweging dat het niet verstandig leek om de communicatie-inspanningen te richten op het overtuigen van de bevolking van de juistheid van het regeringsstandpunt en op deze wijze het vertrouwen te winnen?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 4.5.

10

Waarom leek het uw regering, aldus het concept communicatieplan, niet verstandig om de bevolking te overtuigen van de juistheid van uw beslissing? Was dit ook de houding die u aannam tegenover de vertegenwoordiging van de bevolking in de Staten-Generaal? Kunt u uw antwoord toelichten?

Er bestaat geen verband tussen het communicatieplan en de veronderstelde houding tegenover het parlement. Zie verder het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 4.5.

BIJLAGE 11

Vragen van het lid Van Bommel (SP) aan de minister-president, minister van Algemene Zaken en de ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie over het Amerikaanse verzoek aan Nederland om militaire steun voor de invasie in Irak (Aanhangsel der Handelingen II, vergaderjaar 2009–2010, nr. 1494)

1

Kent u het bericht «Ex-onderminster VS: «Amerika verzocht Nederland om militaire steun?»1

Ja.

2

Is het waar dat er naast een algemeen verzoek om militaire steun bij de invasie in Irak tevens door Nederland en de VS op hoog diplomatiek niveau is gekeken naar welke concrete bijdrage Nederland kon leveren?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 10.3 en bijlage L.

3

Is het waar dat ter onderbouwing van het Amerikaanse verzoek om militaire steun officiële documenten en diplomaten naar Nederland zijn gestuurd? Kunt u uw antwoord toelichten?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 10.3 en bijlage L.

4

Bestond er een relatie tussen het feit dat Nederland geen sancties kreeg opgelegd wegens de destijds toenemende mensensmokkel vanuit Nederland naar Amerika en het Amerikaanse verzoek om militaire steun? Zo nee, waarom zag de VS dan af van sancties?

Het kabinet is een dergelijke relatie niet bekend. Het kabinet weet evenmin of de Verenigde Staten in dit verband van enige sancties zouden hebben afgezien en, zo ja, waarom.

5

Wat is uw oordeel over de bewering van de voormalige onderminister van Buitenlandse Zaken Richard Armitage dat de Nederlandse steun voor de oorlog in Irak «heeft geholpen bij de latere benoeming van toenmalig CDA-minister Jaap de Hoop Scheffer tot secretaris-generaal van de NAVO»? Kunt u uw antwoord toelichten?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 7.5.2 en conclusie 48.

BIJLAGE 12

Vragen van het lid Van Dam (PvdA) aan de minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken over de uitspraken van voormalig Amerikaans onderminister Armitage van Buitenlandse Zaken (Aanhangsel der Handelingen II, vergaderjaar 2009–2010, nr. 1495)

1

Heeft u kennis genomen van het interview met Richard L. Armitage?1

Ja.

2

Klopt de volgende uitspraak van Armitage: «Er is absoluut een verzoek ingediend. (...) Voor militaire steun, ja.»?

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 10.3 en bijlage L.

3

Kunt u toelichten hoe de uitspraken van Armitage zich verhouden tot uw beantwoording op vragen van de Eerste Kamer dat de Verenigde Staten geen formeel verzoek hebben gedaan aan Nederland om deel te nemen aan de daadwerkelijke militaire inval in Irak?2

Zie het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak, paragraaf 10.3 en bijlage L.

4

Kunt u deze vragen net als alle andere vragen t.a.v. de besluitvorming over de militaire inval in Irak uiterlijk dinsdagochtend beantwoorden?

Niet van toepassing.

BIJLAGE 13

Vragen van het lid Pechtold (D66) aan de minister-president, minister van Algemene Zaken, over de benoeming van Jaap de Hoop Scheffer tot secretaris-generaal van de NAVO (Aanhangsel der Handelingen II, vergaderjaar 2009–2010, nr. 1496)

1

Hoe rijmt u uw uitspraak tijdens uw persconferentie van 30 januari 2009 dat de benoeming van Jaap de Hoop Scheffer tot secretaris-generaal niets te maken kan hebben met de instemming van het kabinet-Balkenende I met de oorlog in Irak in maart 2003, omdat tijdens de besluitvorming nog niet bekend zou zijn dat de toenmalige secretaris-generaal van de NAVO zou opstappen, met het feit dat de media hierover al in januari 2003 berichtten?

Zoals door de minister-president is opgemerkt in het debat van 4 februari 2009 (TK 2008–2009, nr. 50), heeft hij zich hier tijdens de persconferentie van 30 januari 2009 in vergist.


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

NRC Handelsblad, 17 januari 2009.

XNoot
1

NRC Handelsblad, 17 januari 2009.

XNoot
1

NRC Handelsblad, 17 januari 2009: «Buitenlandse Zaken hield kritisch Irak-advies achter».

XNoot
1

De Gelderlander, 29 januari 2009.

XNoot
1

Geassocieerde Persdiensten (GPD) «Ex-onderminister VS: «Amerika verzocht Nederland om militaire steun» 29 januari 2009.

XNoot
2

Kamerstuk 31 700, nr. D, blz. 19.