Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 21 februari 2018
Hierbij bied ik u aan het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna:
de Inspectie) getiteld «Jeugdreclassering – Vakmanschap binnen kaders»1. In deze brief geef ik mijn reactie op het onderzoek.
Aanleiding
Sinds de invoering van de Jeugdwet (1 januari 2015) waarbij ook de taken en verantwoordelijkheden
ten aanzien van jeugdreclassering zijn overgegaan naar de gemeenten, heeft zich binnen
de Gecertificeerde Instellingen (GI’s) een aantal veranderingen voorgedaan. Voorheen
hadden medewerkers van de GI’s óf jeugdbeschermingszaken óf reclasseringszaken in
behandeling. Sindsdien heeft het merendeel van de GI’s ervoor gekozen om medewerkers
zowel jeugdbeschermingszaken als jeugdreclasseringszaken te laten behandelen (het
zogenoemde «generalistisch werken»). De jeugdreclassering en de jeugdbescherming vinden
echter ieder hun grondslag in afzonderlijke rechtsgebieden (respectievelijk civielrecht
en (jeugd)-strafrecht). Dit maakt onder andere dat het doel van het toezicht en de
partners met wie dit wordt uitgevoerd verschillen. De voornoemde verandering bij de
GI’s vormde voor de Inspectie JenV aanleiding te onderzoeken hoe de strafrechtelijke
component van jeugdreclassering wordt uitgevoerd. Deze komt in de uitvoering van de
jeugdreclassering vooral tot uitdrukking in de wijze waarop jeugdreclasseerders toezicht
houden op de jongeren en handelen wanneer jongeren de in het vonnis of de strafbeschikking
opgelegde voorwaarden niet naleven.
Uitkomsten
De Inspectie concludeert dat jeugdreclasseerders divers handelen wanneer jongeren
de voorwaarden niet naleven. Om de doelen van jeugdreclassering (voorkomen recidive,
beschermen van de jongere en bevorderen van zijn positieve ontwikkeling) te behalen,
leveren jeugdreclasseerders maatwerk. De Inspectie vindt dit positief. De Inspectie
concludeert echter ook dat het voorkomt dat jeugdreclasseerders soms buiten de afgesproken
kaders gaan. Dit vindt de Inspectie onwenselijk. Zo is de jeugdreclasseerder soms
te terughoudend in het contact opnemen met het OM wanneer de jongeren een opgelegde
voorwaarde niet (geheel) nakomt.
De Inspectie doet daarom de volgende aanbevelingen aan de GI’s:
-
1. te borgen dat het OM wordt geïnformeerd wanneer jongeren de gestelde voorwaarden niet
naleven en (de verwachtingen van het OM) hierbij te betrekken;
-
2. de oorzaken van terughoudendheid bij jeugdreclasseerders om contact op te nemen met
het OM weg te nemen en dit waar nodig in samenwerking met het OM te doen;
-
3. waar nodig te bevorderen dat zaken in voldoende mate vakinhoudelijk kunnen worden
besproken;
-
4. ervoor te zorgen dat plannen van aanpak voldoende SMART zijn geformuleerd, zodat helder
is wie wanneer wat in het toezicht moet doen en ze bij tussentijdse overdracht voldoende
informatie bevatten om het toezicht vloeiend voort te zetten.
Beleidsreactie
Het is goed om te zien dat de jeugdreclasseerder het belang van een jongere centraal
stelt en maatwerk biedt. Ik onderschrijf de conclusie van de Inspectie dat het onwenselijk
is dat jeugdreclasseerders soms buiten de afgesproken kaders gaan. Het jeugdstrafrecht
verliest zijn geloofwaardigheid als het niet wordt gehandhaafd. Als de jongere zich
aan het toezicht van de jeugdreclassering onttrekt en zich niet aan de voorwaarden houdt, moet
daarop een consistente reactie volgen. Daarvoor is overleg met het OM noodzakelijk.
Het is de afweging van het OM om te bepalen welke consequenties deze onttrekking heeft.
De aanbevelingen van de Inspectie zijn gericht op het verbeteren van de uitvoering
van de jeugdreclassering. Met de invoering van de Jeugdwet zijn gemeenten verantwoordelijk
geworden voor de effectieve uitvoering van de jeugdbescherming en jeugdreclassering.
Hiermee heeft de gemeente de financiële en bestuurlijke verantwoordelijkheid gekregen.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid draagt de stelselverantwoordelijkheid. Bij
de uitwerking van die aanbevelingen zijn meerdere partijen binnen het jeugdstrafrechtstelsel
betrokken (VNG, Jeugdzorg Nederland, OM, Raad voor de Kinderbescherming en het Ministerie
van JenV). Alle partijen onderschrijven de aanbevelingen van de Inspectie en bespreken
thans de resultaten van de Inspectie binnen hun organisaties. Zij zullen aan de aanbevelingen
concrete acties verbinden. De Inspectie zal de uitvoering van de aanbevelingen met
aandacht volgen.
Het gaat bij de verbeteringen vooral over regionale samenwerking en goed samenspel.
Mijn ministerie neemt aansluitend het initiatief voor een overleg met alle betrokken
partijen, waar wordt besproken welke acties partijen concreet gaan ondernemen en om
waar nodig de acties op elkaar af te stemmen en tot betere afspraken te komen voor
de informatie-uitwisseling tussen partijen.
De Minister voor Rechtsbescherming,
S. Dekker