Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201631839 nr. 540

31 839 Jeugdzorg

Nr. 540 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 september 2016

Bij brief van 30 mei 2016 heeft de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie mij verzocht om een reactie te geven op het bericht «Voor het eerst baby vondelingenkamer». De Stichting Beschermde Wieg, de initiatiefnemer van de vondelingenkamers, heeft in mei bericht dat zij zich op verzoek van een pas bevallen vrouw heeft ontfermd over een baby. Ik heb kennisgenomen van dit bericht. Daarnaast heb ik mij laten informeren door de Raad voor de Kinderbescherming en het Openbaar Ministerie, die bij deze zaak betrokken zijn (geweest). Hierbij geef ik u, mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), de gevraagde reactie.

Uitgangspunt

Het onderwerp vondelingen(kamers) staat sinds een aantal jaren breed in de belangstelling van velen. Ieder kind dat achtergelaten wordt aangetroffen roept de vraag op of dit op enigerlei wijze voorkomen had kunnen worden. De Staatssecretaris van VWS en ik hechten eraan dat deze vrouwen zo goed mogelijk worden bereikt en begeleid door de hulpverlening: dit doet niet alleen recht aan de vrouwen, maar ook aan het kind. Het niet (kunnen) weten wie je moeder (en vader) is (zijn), is zeer ingrijpend en dient daarom zoveel mogelijk te worden voorkomen. Het kind heeft recht om op te groeien bij zijn eigen ouder(s) en recht om te weten van wie het afstamt. De inspanningen van de hulpverlening zijn er daarom (mede) op gericht om dat te bewerkstelligen. Dat laat onverlet dat zich situaties kunnen voordoen, waarin vrouwen bijvoorbeeld om veiligheidsredenen hun naam niet willen prijsgeven. In deze situaties wordt de veiligheid van de moeder zoveel mogelijk geborgd, zonder daarbij inbreuk te maken op het belang van het kind om zijn afkomst te kennen.

Afstand ter adoptie

Zonder hier nader op de individuele omstandigheden van de zaak in te gaan, acht ik het van belang te melden dat het betrokken kind niet in een vondelingenkamer is achtergelaten. Wel gaat het hierbij om een situatie waarin de moeder afstand heeft gedaan van haar kind. Normaliter zijn FIOM dan wel Siriz de organisaties die een moeder met een voornemen tot afstand ter adoptie begeleiden. Deze organisaties hebben werkafspraken met de Raad voor de Kinderbescherming, zodat de begeleiding bij de voorgenomen afstand, de eventuele daadwerkelijke afstand en de plaatsing van het kind in een adoptiegezin zo optimaal mogelijk kunnen verlopen. Ik vind het uitermate belangrijk dat vrouwen goed worden geïnformeerd en begeleid bij deze ingrijpende beslissing. Uit cijfers van FIOM blijkt namelijk dat in 2015 74 vrouwen het voornemen hadden afstand te doen ter adoptie, maar dat uiteindelijk slechts 16 vrouwen daadwerkelijk daartoe overgingen. Dit laat zien dat het helpt met deze vrouwen het gesprek aan te gaan over de verschillende alternatieven die er zijn. Wanneer vrouwen niet willen dat bekend wordt dat zij zwanger zijn, bestaat verder de mogelijkheid om te bevallen onder geheimhouding. Onder meer de Raad voor de Kinderbescherming, FIOM en Siriz hebben hiervoor werkafspraken gemaakt die deze vrouwen veiligheid bieden.

Stichting Beschermde Wieg

Door de oprichting van Stichting Beschermde Wieg is er een nieuwe speler in het veld gekomen tot wie zwangere vrouwen die afstand willen doen van hun kind, zich kunnen wenden. Deze stichting stelt zich ten doel zwangere vrouwen die geen beroep op de reguliere hulpverlening kunnen, durven of willen doen, desgewenst anoniem hulp te bieden. Dit doet de stichting door middel van hulpverlening, maar ook via het oprichten van vondelingenkamers waar desnoods anoniem een kind kan worden achtergelaten. Daarnaast heeft de stichting (in deze individuele zaak) het initiatief genomen de persoonsgegevens van de moeder niet te openbaren en in bewaring te geven bij een notaris, bij wie het kind de gegevens wanneer het zestien jaar is -naar verluidt- kan opvragen.

Hoewel ik begrip heb voor het feit dat de stichting zich het lot van deze vrouwen en kinderen aantrekt, sta ik niet achter deze (uiterste) oplossingen die zij daaraan verbinden. Zoals eerder reeds is aangegeven, hecht ik groot belang aan het recht van het kind om op te groeien bij de eigen ouders en zijn afkomst te kennen. Dit recht ligt ook besloten in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Onder meer om die reden hebben mijn voorganger en ik uw Kamer – in navolging van ook het advies van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming – meerdere keren bericht vondelingenkamers niet als een toereikende oplossing voor moeder en kind te zien. Goede voorlichting en hulpverlening in een vroegtijdig stadium doen ons inziens het meest recht aan de belangen van moeder en kind. In dit verband is nog van belang te vermelden dat ervaringen uit het buitenland aantonen dat vondelingenkamers niet kunnen voorkomen dat kinderen op onveilige plaatsen worden achtergelaten.

Het Openbaar Ministerie heeft de casus van de Groningse vondeling overigens in onderzoek gehad en heeft op grond van bijzondere omstandigheden besloten het strafrechtelijk onderzoek te beëindigen.

Vervolgacties

Het bovenstaande laat onverlet dat de komst van de Stichting Beschermde Wieg de vraag oproept of en zo ja hoe de hulpverlening aan zwangere vrouwen met een voornemen tot afstand ter adoptie verbeterd kan worden. De Staatssecretaris van VWS zal hierover ook in overleg treden met FIOM en Siriz. Ik zal daarnaast inventariseren of de bestaande praktijk van bevallen onder geheimhouding verbeterd kan worden.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur