Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201631839 nr. 535

31 839 Jeugdzorg

Nr. 535 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 juli 2016

Hierbij informeer ik u conform het verzoek van het lid Bergkamp over de stand van zaken van het nadere onderzoek van de Inspectie Jeugdzorg over het plaatsen zonder machtiging gesloten jeugdhulp van jeugdigen in een instelling voor gesloten jeugdhulp (Handelingen II 2015/16, nr. 88, item 4).

Op 5 oktober 2015 heb ik u een signalement gestuurd dat de Inspectie Jeugdzorg had opgesteld over plaatsingen in accommodaties voor gesloten jeugdhulp zonder machtiging van de kinderrechter (Kamerstuk 31 889, nr. 485).

In dezelfde brief heb ik aangegeven dat gedwongen jeugdhulp altijd een juridische grondslag behoeft. De rechtspositie dient gewaarborgd te zijn en er moet sprake zijn van verantwoorde hulp. Naar aanleiding van het signalement van de Inspectie het ik nog diezelfde maand overleg gehad met betrokken partijen: de Inspectie, Jeugdzorg Nederland (de koepel van de aanbieders) en de VNG. In dat gesprek zijn de verschillende opvattingen besproken. Daarbij bleek dat de instellingen op verschillende manieren omgaan met het plaatsen van jeugdigen zonder een rechtelijke machtiging in een locatie voor gesloten jeugdhulp en verschilden van inzicht over hoe in de praktijk vervolgens verantwoorde jeugdhulp kan worden verleend. Dat bleek vooral in de praktische invulling van het samen plaatsen van kinderen met en zonder machtiging: bij de ene instelling gebeurde dit op hetzelfde terrein in verschillende gebouwen, bij de andere instelling in één gebouw en bij weer een andere instelling vond samen plaatsen in dezelfde groep plaats. Daarnaast bleek er geen eenduidige opvatting in hoeverre daarmee sprake was van vrijheidsontneming of toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen en voor welke situaties precies een rechtelijke machtiging noodzakelijk is. Ook bleek dat instellingen verschillend omgaan met het plaatsen van jeugdigen zonder machtiging in een instelling voor gesloten jeugdhulp. Daarom is afgesproken dat alle instellingen voor gesloten jeugdhulp de Inspectie zouden informeren over hoe zij omgaan met het plaatsen van jeugdigen zonder machtiging in hun instelling.

Medio december 2015 hebben alle instellingen de gevraagde informatie aan de Inspectie gezonden. Gebleken is dat er veel variaties bestaan in de wijze waarop gedwongen jeugdhulp met verblijf plaats vindt. De variaties betreffen de vormen van jeugdhulp, de juridische grondslag, het gebruik van de accommodaties, de mate van geslotenheid en het toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen. In januari 2016 heeft de Inspectie aanvullend onderzoek gedaan bij vier accommodaties. Op basis van deze inventarisatie heeft de Inspectie sindsdien gewerkt aan een beoordelingskader op grond waarvan de Inspectie de feitelijke situatie bij alle instellingen kan beoordelen. Vervolgens heeft de Inspectie de conceptbeoordelingen van alle instellingen voor hoor en wederhoor aan de instellingen voorgelegd. Dat is de gebruikelijke werkwijze als de Inspectie de instellingen toetst. Het overgrote deel van de betreffende instellingen voldoet aan dit beoordelingskader; de overige instellingen zullen op korte termijn aan dit kader gaan voldoen. De Inspectie is nu in overleg met de instellingen die hun werkwijze zullen moeten aanpassen, over hoe dit op een zorgvuldige wijze – in het belang van de betreffende kinderen – uitgevoerd kan worden.

Zoals besproken in het AO van 30 juni 2016, verwacht ik het eindrapport van de Inspectie binnen enkele weken te ontvangen. Vervolgens zal ik het zo spoedig mogelijk naar uw Kamer sturen, inclusief de consequenties voor de instellingen.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn