Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201431839 nr. 315

31 839 Jeugdzorg

Nr. 315 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARISSEN VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE EN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 september 2013

In mei 2013 werd het land opgeschrikt door de plotselinge vermissing van de broers Ruben en Julian. De vermissing, de intensieve zoektocht die naar aanleiding daarvan op gang kwam en het uiteindelijke nieuws op 19 mei 2013 dat de twee jongens zijn overleden heeft een diepe indruk gemaakt en ons zeer geraakt.

Vanaf 2009 waren verschillende jeugd- en gezondheidsinstellingen betrokken bij de ouders en de kinderen. Dit was aanleiding voor de Inspectie Jeugdzorg en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: de inspecties) om onderzoek te doen na het overlijden van de twee kinderen. Dit onderzoek heeft geleid tot het rapport «Casusonderzoek Zeist. Onderzoek na het overlijden van twee kinderen», dat wij u hierbij toezenden1.

Deze bijzonder schrijnende casus werpt licht op de situatie van veel kinderen in Nederland die lijden onder de strijd tussen hun gescheiden ouders, zo constateren de inspecties. Als vanzelf wordt dan gekeken naar de rol van jeugdzorg en gezondheidszorg. De inspecties vragen zich af of dat in het geval van een problematische (echt)scheiding terecht is, onder meer omdat het merendeel van de factoren die een rol speelt buiten de invloedssfeer van de jeugdzorg en gezondheidszorg ligt, zoals de financiële gevolgen van een scheiding en een visieverschil tussen ouders over de opvoeding van kinderen. Hier komen wij aan het eind van deze brief op terug.

Casusonderzoek

Oordeel rapport: voldoende, navolgbaar en adequaat gehandeld

De centrale onderzoeksvraag in het onderzoek van de inspecties was of de bij het gezin betrokken instellingen (vanaf de eerste melding bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling in 2009) voldoende gericht zijn geweest op een veilige en gezonde ontwikkeling van de twee broers. De inspecties beantwoorden deze vraag bevestigend. Het eindoordeel van de inspecties is dat «de bij het gezin betrokken instellingen voldoende gericht zijn geweest op deze veilige en gezonde ontwikkeling».2

Volgens de inspecties is navolgbaar en adequaat gehandeld. «De betrokken instellingen werkten volgens bestaande wet- en regelgeving, protocollen en afspraken, zoals in het kader van het verlenen van verantwoorde zorg van hen verwacht kan worden. De bij het gezin betrokken hulpverleners wisselden tijdig en volledig informatie uit met elkaar en met de ouders.»3

Onderbouwing van het oordeel

De inspecties baseren dit oordeel op een toetsingskader en constateren in dat kader het volgende:

  • Jeugdzorg- en gezondheidszorginstellingen hebben zowel onderzoek gedaan en hulpverlening ingezet gericht op het verbeteren van de samenwerking tussen ouders als hulpverlening gericht op de kinderen;

  • De moeder heeft meerdere malen bij vrijwel alle betrokken instellingen aangegeven dat zij zich zorgen maakte over de veiligheid van de kinderen bij vader. Deze signalen van de moeder zijn door alle instellingen serieus genomen en onderzocht in het belang van de veiligheid van de kinderen. In het functioneren van de vader voorafgaand aan de calamiteit is door de verschillende jeugdzorg- en gezondheidszorginstellingen geen bevestiging gevonden voor deze signalen;

  • Beide ouders stonden open voor vrijwillige hulpverlening en op momenten was verbetering zichtbaar. Hierdoor konden jeugdzorg- of gezondheidszorginstellingen navolgbaar en conform de protocollen hulpverleningstrajecten afsluiten;

  • In de loop van 2012 hebben moeder en medewerkers van diverse instellingen nieuwe zorgen geuit over de weer opgelaaide strijd tussen de ouders en de nadelige gevolgen hiervan voor de broers. Dit leidde begin 2013 tot een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, vanwege de veronderstelling dat hulpverlening in vrijwillig kader niet meer toereikend was.

Vervolg

Uit het onderzoek komen verbeterpunten naar voren voor drie instellingen: Timon, Bureau Jeugdzorg Utrecht en de Raad voor de Kinderbescherming.4 De inspecties verwachten van de instellingen dat zij deze verbeterpunten vertalen in verbeterplannen met concrete maatregelen. De Inspectie Jeugdzorg (IJZ) beoordeelt deze verbeterplannen en toetst de invoering van de maatregelen in de praktijk. IJZ beveelt de provincie Utrecht en het Ministerie van Veiligheid en Justitie aan toe te zien op de totstandkoming van het plan bij de betrokken instellingen. IJZ zal de provincie Utrecht en het ministerie informeren over het resultaat van toezicht.

Aan Timon wordt als verbeterpunt voorgesteld: «Maak duidelijk aan alle betrokkenen op welke manier Signs of Safety wordt ingezet bij een toepassing binnen Ambulante Spoedhulp of Gezin Centraal en bepaal hoe het netwerk daarin actief betrokken wordt, zodat voor ouders en ketenpartners helder is wat van Timon kan worden verwacht. Besteed in het bijzonder aandacht aan de inzet van Signs of Safety bij problematische scheidingen.»

Aan Bureau Jeugdzorg Utrecht wordt als verbeterpunt voorgesteld: «Beoordeel welke elementen van Signs of Safety passend zijn bij de behoefte van een specifiek gezin en zie er op toe dat deze elementen door de zorgaanbieder ingezet worden.»

De provincie Utrecht heeft ons laten weten dat zij zal toezien dat Bureau Jeugdzorg Utrecht en Timon zo snel mogelijk, doch binnen vier weken verbeterplannen opstellen en de verbeterpunten verankeren in hun reguliere proces.

Aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad) wordt als verbeterpunt voorgesteld: «Onderzoek en beoordeel of een wijziging van het Kwaliteitskader en het protocol Gezag en omgang na scheiding wenselijk is. Besteed daarbij expliciet aandacht aan de communicatie met ouders over (uitbreiding van) het onderzoek en het uit het onderzoek voortvloeiende besluit of advies. Zie er op toe dat medewerkers werken conform het vastgestelde Kwaliteitskader en de bijbehorende protocollen.»

De Raad stelt een plan op ter uitvoering van dit verbeterpunt. De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie zal, vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de Raad, erop toezien dat dit verbeterplan binnen vier weken tot stand komt.

Algemene beschouwing over «vechtscheidingen»

Duidelijk is dat «vechtscheidingen»5 een enorme invloed hebben op het welbevinden en de veilige ontwikkeling van kinderen. De discussie die over «vechtscheidingen’is ontstaan genereert eens te meer aandacht voor de schrijnende situaties waarin deze kinderen zich bevinden. Wij vinden het belangrijk dat deze situatie verbetert.

In het rapport wijzen de inspecties, zoals aan het begin van deze brief aangegeven, op een spanningsveld: zij vragen zich af of het in het geval van een problematische (echt)scheiding terecht is dat veelal als vanzelf wordt gekeken naar de rol van de betrokken instanties. «Ten eerste omdat er simpelweg weinig effectieve methoden voorhanden zijn om een impasse te doorbreken bij gezinnen die verwikkeld zijn in een (echt)scheidingsstrijd. Ten tweede omdat het merendeel van de factoren die een belangrijke rol spelen bij de instandhouding van het probleem buiten de invloedsfeer ligt van jeugdzorg en gezondheidszorg.» 6

Om die reden ligt de sleutel voor het voorkomen of stoppen van een «vechtscheiding» en daarmee de negatieve gevolgen hiervan voor kinderen allereerst bij de ouders zelf.

Dit neemt niet weg dat «vechtscheidingen» en de schrijnende gevolgen hiervan voor kinderen volop de aandacht hebben van de verschillende organisaties die ermee te maken krijgen. Onder meer de volgende acties van deze organisaties zijn in dit kader relevant:

  • Enkele bureaus jeugdzorg ontwikkelen in samenwerking met Jeugdzorg Nederland op dit moment een methodiek die specifiek gericht is op de ondertoezichtstelling bij scheidings- en omgangsproblemen. Naar verwachting is de basis van deze methode het voorjaar van 2014 gereed;

  • De advocatuur, namelijk (onder meer) de vereniging van Familierecht Advocaten en Scheidingsmediators (vFAS), organiseerde op 12 september jl. een grote bijeenkomst genaamd «De gescheiden ouders van de toekomst. Het kind aan het woord»;

  • Binnen de rechtspraak loopt bij de gerechtshoven een pilot met forensische mediation. De resultaten hiervan worden dit najaar verwacht;

  • Ketenbreed wordt op 20 november a.s. een bijeenkomst georganiseerd waar de verbinding tussen de juridische- en hulpverleningswereld centraal staat en waarvoor een combinatie van experts en bestuurders uit deze sectoren zijn uitgenodigd;

  • Het WODC voert, in opdracht van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, onderzoek uit naar de effecten van het ouderschapsplan en de uitvoering van het ouderschapsplan in de praktijk. Dit onderzoek ontvangt uw Kamer dit najaar;

  • De Universiteit Utrecht en het Nederlands Jeugdinstituut werken momenteel aan een richtlijn «Scheiding en problemen van kinderen». Hierin zijn door jeugdzorgprofessionals en Centra voor Jeugd en Gezin kennis- en ontwikkellacunes en signalen voor preventie van vechtscheidingen benoemd;

  • ZonMw gaat de effectiviteit van interventies op het terrein van de zorg voor jeugd via het programma «Effectief werken in de jeugdsector» nader onderzoeken en neemt hierbij ook de effectiviteit van behandelingen van interventies bij echtscheidingen mee;

  • ZonMw financiert onderzoek naar interventies die de negatieve gevolgen van echtscheiding kunnen helpen voorkomen of beperken. Zo heeft TNO, in opdracht van de Academische Werkplaats Jeugd noordelijk Zuid-Holland, recentelijk onderzoek gedaan naar het «aanbod relatieondersteuning en preventie van scheidingsgerelateerde problematiek bij kinderen in noordelijk Zuid-Holland».

Een aantal van bovengenoemde acties komt reeds tegemoet aan de suggesties die de inspecties doen over hoe verder te gaan met problematische (echt)scheidingen. De inspecties vinden het onder meer essentieel dat een verbinding gemaakt wordt tussen de juridische strijd van de ouders enerzijds en de effectiviteit van de geboden hulpverlening anderzijds, zien een belangrijke rol weggelegd voor voorlichting en preventie, vinden dat meer zicht moet komen op de effectiviteit van hulpverleningsprogramma’s gericht op ouders en pleiten ervoor dat alle betrokken partijen in gezamenlijkheid richtlijnen ontwikkelen hoe te handelen.

Wij gaan, mede op basis van deze suggesties, de hierboven genoemde onderzoeken, expertmeetings en gesprekken met kinderen, bepalen wat (verder) nodig is om de schrijnende situaties van kinderen in vechtscheidingen te verbeteren. In opdracht van VWS heeft het NJi een eerste verkenning uitgevoerd naar deze problematiek. We zullen de aanbeveling van de inspecties om als alle betrokken partijen in gezamenlijkheid richtlijnen te ontwikkelen hierbij betrekken. We zullen uw Kamer hier begin volgend jaar over informeren.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
2

Casusonderzoek Zeist; Onderzoek na het overlijden van twee kinderen, p. 32.

X Noot
3

Casusonderzoek Zeist; Onderzoek na het overlijden van twee kinderen, p. 1.

X Noot
4

Zie Casusonderzoek Zeist; Onderzoek na het overlijden van twee kinderen, p. 33.

X Noot
5

De inspecties gebruiken in hun rapport de term «problematische echtscheiding». Wij gebruiken voor nu de term «vechtscheiding» aangezien deze voor velen herkenbaar is. Hieronder verstaan wij, evenals de inspecties, een scheiding die gepaard gaat met hevige spanningen en conflicten tussen ouders, waardoor ouders niet meer in staat zijn om het belang van hun kinderen voorop te stellen.

X Noot
6

Casusonderzoek Zeist; Onderzoek na het overlijden van twee kinderen, p. 35.