31 839 Jeugdzorg

Nr. 273 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 18 maart 2013

In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 21 november 2012 inzake het beheer van privégelden van cliënten (Kamerstuk 31 839, nr. 252).

De op 1 februari 2013 toegezonden vragen en opmerkingen zijn met de door de staatssecretaris bij brief van 15 maart 2013 toegezonden antwoorden hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Neppérus

De adjunct-griffier van de commissie, Clemens

Inhoudsopgave

blz.

     

I.

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

II.

Reactie van de staatssecretaris

6

I. VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES

Vragen en opmerkingen van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de staatssecretaris over het beheer van privégelden van cliënten. Deze leden delen de visie van de staatssecretaris dat het de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders is hun cliënten en zichzelf te vrijwaren van problemen die kunnen voortvloeien uit het beheren van privégelden. Ook delen de leden van de VVD-fractie de visie van de staatssecretaris dat de overheid met wettelijke waarborgen en het via deze brief informeren van betrokkenen haar verantwoordelijkheid in dezen oppakt.

Genoemde leden hebben nog enkele vragen en opmerkingen.

In de brief geeft de staatssecretaris aan dat de Wet op het financieel toezicht (Wft) niet toestaat geld van cliënten onder zich te houden, te beheren of daarbij te bemiddelen. Wel zijn er enkele mogelijkheden voor zorgaanbieders om toch geld van cliënten te beheren zonder in strijd met de Wft te handelen. De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) hebben de verantwoordelijkheid toe te zien op naleving van de Wft. De leden van de VVD-fractie vragen de staatssecretaris toe te lichten op welke wijze DNB en de AFM deze rol invullen, specifiek ten aanzien van zorgaanbieders en het beheer van privégelden van cliënten. In hoeverre wordt hier daadwerkelijk toezicht op gehouden? Zijn er gevallen bekend waarin DNB en de AFM hebben ingegrepen bij zorgaanbieders die zich niet hielden aan de Wft in dit kader? Is er zicht op het aantal zorgaanbieders dat momenteel privégelden van cliënten beheert, en daarmee in strijd handelt met de Wft? Wat zijn de consequenties voor zorgaanbieders die handelen in strijd met de Wft?

De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat zorgaanbieders die privégelden van cliënten beheren, die cliënten helder en volledig moeten informeren over de eventuele risico’s die daarbij bestaan, bijvoorbeeld in geval van faillissement. De staatssecretaris heeft contact gehad met de brancheorganisaties over het beheer van privégelden. In hoeverre is hierbij ook gesproken over de informatievoorziening van zorgaanbieder richting cliënt? Hebben de brancheorganisaties inzicht in de manier waarop zorgaanbieders hun cliënten – waar relevant – hierover geïnformeerd hebben?

De staatssecretaris geeft aan dat hij van mening is dat zorgaanbieders bijvoorbeeld schriftelijk moeten vastleggen hoe het beheer ingericht wordt, en hoe hier verantwoording over wordt afgelegd. Dit dient met de cliënt besproken te worden. Is een dergelijke handelwijze ook terug te zien in de huidige praktijk? Zijn afspraken over beheer van privégelden tussen aanbieder en cliënt vastgelegd en transparant? Zo nee, gaan de brancheorganisaties hier werk van maken voor de toekomst?

Vragen en opmerkingen van de SP-fractie

Inleiding

De leden van de SP-fractie hebben met onvrede kennisgenomen van de brief van de staatssecretaris over het beheer van privégelden voor mensen die in een zorginstelling wonen. Deze leden vinden het belangrijk dat zodra mensen zorg nodig hebben, maar niet in staat zijn om hun geld te beheren, dit zorgvuldig gebeurt door derden. Zij vragen of de staatssecretaris de redenering volgt dat zodra een derde geld beheert van een bewoner dit getoetst moet worden door een rechter. Genoemde leden keuren het af dat mensen de mogelijkheid aangeboden wordt dat zij hun geld kunnen laten beheren door de zorgaanbieder.

De leden van de SP-fractie merken op dat het tegenstrijdig is dat zorgaanbieders een eigen bijdrage vragen van bewoners en tegelijkertijd ook privégeld kunnen beheren van bewoners.

Het betalen en beheren van geld komt dan in één hand te liggen, waardoor meer risico ontstaat dat geld kan verdwijnen en zelfs verduisterd kan worden. Erkent de staatssecretaris dat de verduistering van privégeld een vorm van stelen is die niet getolereerd mag worden? De leden van de SP-fractie vragen de staatssecretaris stelen van mensen die zorgafhankelijk zijn te allen tijden af te keuren. Ontvangt de staatssecretaris ook signalen van bewoners die hun geld zijn verloren aan derden? Genoemde leden vragen de staatssecretaris aan te geven hoeveel mensen per zorgsector jaarlijks geconfronteerd worden met diefstal van privégeld.

De leden van de SP-fractie zijn geschokt dat de staatssecretaris in zijn brief bewoners wijst op verschillende voorwaarden hoe zij hun geld kunnen laten uitbesteden aan de zorgaanbieder, terwijl op basis van de Wet op het financieel toezicht het zorgaanbieders niet is toegestaan om geld van bewoners onder zich te houden, te beheren of daarbij te bemiddelen. Deze leden zijn verbijsterd dat de staatssecretaris wetten niet naleeft. Zij vragen een uitgebreide toelichting waarom de staatssecretaris in strijd handelt met wet- en regelgeving, maar vooral waarom hij het belang van mensen niet vooropstelt. Voorts willen genoemde leden van de staatssecretaris weten hoe hij dit ziet in verband met het wetsvoorstel dat momenteel in behandeling is, de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap (Kamerstukken 33 054).

De leden van de SP-fractie zijn van mening dat het beheer van geld voor mensen die zorg nodig hebben, alleen dient te gebeuren door een onafhankelijke financiële bewindvoerder die onder toetsing van de rechter staat. Het beheer en/of de begeleiding van privégeld door zorgaanbieders moet, zoals de Wet op het financieel toezicht beschrijft, ten strengste verboden worden. Genoemde leden vragen of de staatssecretaris deze mening deelt en om deze maatregel conform de wet- en regelgeving uit te voeren.

Wat betreft de jeugdzorg merken de leden van de SP-fractie op dat Bureau Jeugdzorg gelden mag beheren, zodra ouders dit niet aankunnen of misbruik maken van het geld van hun kind(eren). Dit moet wel de consequentie hebben dat Bureau Jeugdzorg privégeld onder toezicht en controle van de rechter beheert. Deze leden willen weten of de staatssecretaris bereid is dit in te voeren en dit ook te toetsen.

Inventarisatie onder zorgaanbieders

De leden van de SP-fractie hebben geconstateerd dat de staatssecretaris de koepels heeft gevraagd een enquête in te vullen over het beheren van geld van mensen die gebruik maken van zorg. Deze leden vinden het opmerkelijk dat de koepels hiervoor gevraagd zijn. Sinds wanneer beheren koepels het geld van mensen die zorg nodig hebben, zo vragen genoemde leden.

De leden van de SP-fractie vinden het bijzonder kwalijk dat de koepel Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) aangeeft dat het wenselijk is dat zorgaanbieders geld van hun bewoners kunnen beheren. De VGN wekt de suggestie dat het scheiden van zorg en het beheer van privégeld niet wenselijk is. Juist deze koepel zou zich ervoor moeten inzetten dat privégeld zorgvuldig en onafhankelijk gesteld moet worden, zodat mensen niet de dupe worden van geldwolven. Genoemde leden vragen hierop een reactie van de staatssecretaris.

De staatssecretaris geeft in zijn brief aan dat met name oude mensen een beroep doen op zorgaanbieders voor het beheer van privégeld. De leden van de SP-fractie vinden dit opmerkelijk. Voor het beheer van geld kunnen financieel bewindvoerders in aanmerking komen. Deze leden willen weten waarom de staatssecretaris het toestaat dat zorgaanbieders het geld van hun bewoners mogen beheren. Zij willen daarbij ook weten door wie en hoe vaak zorgaanbieders hierop gecontroleerd worden.

De staatssecretaris geeft in zijn brief aan dat zorgaanbieders aangegeven hebben dat het vaak gaat om kleine bedragen. De leden van de SP-fractie merken op dat er ook mensen zijn met vermogen, dus spaargeld; in hoeverre zijn deze mensen dan beschermd tegen zorgaanbieders?

Vervolgproces

De staatssecretaris geeft aan dat de nodige relevante informatie aan betrokkenen wordt verstrekt. De leden van de SP-fractie willen weten welke informatie, wanneer aan welke betrokkenen dan wordt gegeven. Ook geeft de staatssecretaris in zijn brief aan dat zorgaanbieders in Nederland geïnformeerd worden over de (wettelijke) mogelijkheden en onmogelijkheden met betrekking tot het beheer van privégelden voor bewoners. Genoemde leden willen weten welke informatie deze zorgaanbieders ontvangen en vragen waarom de staatssecretaris zorgaanbieders wijst op wettelijke mogelijkheden en onmogelijkheden, terwijl hij zelf de wet- en regelgeving niet handhaaft.

Tot slot

Bij het faillissement van Stichting Zonnehuizen verloren mensen hun geld doordat dit verkeerd op de rekening werd gezet. De leden van de SP-fractie vinden het positief dat de overheid deze bewoners een vergoeding heeft gegeven. Hoe wil de staatssecretaris in de toekomst voorkomen dat bewoners belast worden met schuldeisers, ten gevolge van een faillissement van de zorgaanbieder, zo vragen deze leden.

De staatssecretaris geeft aan dat de bewoners van Stichting Zonnehuizen eenmalig een vergoeding hebben ontvangen, doordat zij eerder hun geld verloren bij het faillissement. Hoe gaat de staatssecretaris dit in de toekomst voorkomen? Deze leden willen weten of alle bewoners het correcte bedrag hebben ontvangen dat zij ook verloren hebben. Voorts willen de leden van de SP-fractie weten of de mogelijkheid om geld af te romen van bewoners bij een faillissement is afgesloten, zodat zij hiervan niet meer de dupe kunnen worden.

Tot slot zijn de leden van de SP-fractie zeer ontevreden dat de staatssecretaris niet optreedt tegen diefstal van mensen die zorg nodig hebben. Het niet volgen van wet- en regelgeving, zichzelf niet verantwoordelijk stellen voor beleid en zorgaanbieders alleen informatie verstrekken, terwijl grotere stappen genomen moeten worden, vinden deze leden onverantwoord. Zij verwachten uitgebreide antwoorden van de staatssecretaris en een plan van aanpak hoe de staatssecretaris denkt aan de Wet op het financieel toezicht te voldoen.

Vragen en opmerkingen van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de voorliggende brief van de staatssecretaris over het beheer van privégelden van cliënten in zorginstellingen. Zij onderschrijven de opvatting dat cliënten zo goed mogelijk gevrijwaard moeten worden van risico’s als hun privégelden zijn ondergebracht bij een zorgaanbieder. Wel hebben deze leden nog enkele vragen, die zij graag aan de staatssecretaris willen voorleggen.

De leden van de D66-fractie merken op dat er verschillende manieren bestaan waarop instellingen de privégelden van hun cliënten kunnen beheren. Dit varieert van het doorverwijzen naar professionele organisaties tot het oprichten van beheerstichtingen die juridisch gescheiden zijn van de zorginstelling. Genoemde leden vragen of de staatssecretaris kan toelichten of, en zo ja in welke mate, er zich eerdere problemen hebben voorgedaan met het beheer van privégelden van cliënten bij elk van deze methoden. Ook merken deze leden op dat minder dan tien procent van de instellingen aangeeft dat hun cliënten in het geval van een faillissement risico lopen hun privégelden kwijt te raken. Zij zouden graag vernemen of de staatssecretaris van mening is dat dit onderzoek representatief is en of er geen grootschaliger onderzoek nodig is om conclusies te kunnen trekken. Ook vragen de leden van de D66-fractie in hoeverre de huidige regeling, waarin onduidelijkheid bestaat over de mate waarin het beheer van privégelden is toegestaan, voldoende helder is voor alle betrokkenen.

De leden van de D66-fractie merken op dat de staatssecretaris van oordeel is dat het beheer van privégelden een eigen verantwoordelijkheid van de cliënt is. In beginsel onderschrijven deze leden dit oordeel, maar zij zouden graag zien dat de staatssecretaris reflecteert op de grenzen van deze eigen verantwoordelijkheid. Een deel van de betreffende cliënten ís namelijk cliënt bij een zorginstelling, omdat hij of zij te kampen heeft met problematiek die de mogelijkheid om deze eigen verantwoordelijkheid uit te oefenen aanzienlijk beperkt. Genoemde leden vragen welke alternatieve mogelijkheden er zijn voor deze cliënten, die niet terug kunnen vallen op hun eigen verantwoordelijkheid of die van hun naasten, zijnde niet de zorgaanbieders.

Voorts zouden de leden van de D66-fractie graag vernemen aan welke wet- en regelgeving een zorginstelling op dit moment moet voldoen om privégelden van cliënten te mogen beheren. Zij zien in de brief van de staatssecretaris dat een zorgaanbieder de mogelijkheid heeft om afspraken rondom het beheer van privégelden schriftelijk vast te leggen en transparant te maken richting haar cliënten, maar zij vragen of dit niet verplicht zou moeten worden gesteld indien er sprake is van het beheer van privégelden. Ook vragen de leden van de D66-fractie of de mogelijkheid om als cliënt één of meerdere zorgverleners te machtigen wel moet worden gecommuniceerd. Zakelijk en privé worden niet gescheiden als aan een medewerker wordt gevraagd zijn eigen rekening in te zetten.

De leden van de D66-fractie zouden tot slot graag vernemen wat de laatste stand van zaken is in het vervolgproces. Zij vragen in hoeverre de brancheorganisaties al over zijn gegaan tot het aanpassen van hun algemene voorwaarden en tot het nader informeren van hun leden. Ook merken deze leden op dat de overheid een taak heeft om de benodigde relevante informatie aan betrokkenen te verstrekken. Hoe gaat de overheid dit doen, zodat zoveel mogelijk cliënten worden bereikt?

II. REACTIE VAN DE STAATSSECRETARIS

Met belangstelling heb ik kennis genomen van de vragen en opmerkingen van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport naar aanleiding van mijn brief van 21 november 2012 over het beheer van privégelden van cliënten (Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 31 839, nr. 252). In die brief heb ik de resultaten beschreven van het proces dat mijn ambtsvoorganger, samen met brancheorganisaties en cliëntenorganisaties, is gestart. Binnen dat proces hebben zij zich gezamenlijk ingespannen om te voorkomen dat cliënten nogmaals hun privégelden kunnen verliezen zoals gebeurd is na het faillissement van Stichting Zonnehuizen.

Zoals ik in mijn brief al heb beschreven, is het zorgaanbieders op basis van de Wet op het financieel toezicht (Wft) niet toegestaan om geld van cliënten onder zich te houden, te beheren of daarbij te bemiddelen. Er bestaan echter enkele mogelijkheden waarmee zorgaanbieders privégelden van cliënten kunnen beheren zonder in strijd met de Wft te handelen. Desondanks vind ik het onverstandig als zorgaanbieders privégelden van cliënten (laten) beheren. Dit beheer is mijns inziens namelijk «een vak apart» en brengt onnodig extra verantwoordelijkheden en risico’s ten opzichte van cliënten met zich mee.

Indien een zorgaanbieder er toch voor kiest om binnen de wettelijke kaders privégelden van cliënten te (laten) beheren, vind ik dat hij daartoe alleen over moet gaan indien hij in staat is om dit qua bedrijfsvoering op een uiterst zorgvuldige wijze te doen. Daarnaast vind ik dat een zorgaanbieder alleen privégelden van cliënten zou moeten (laten) beheren op een wijze die zijn cliënten beschermt tegen wanbeheer en het verlies van privégelden in geval van faillissement. Hiervoor heb ik in de brief enkele concrete suggesties gedaan.

Daarnaast beschrijf ik in de brief onder andere dat ik ActiZ, de Federatie Opvang, GGZ Nederland, Jeugdzorg Nederland en VGN gevraagd heb om hun leden (daar waar dit speelt) actief over dit onderwerp te informeren en dit onderwerp onder hun aandacht te houden. Ook staat in de brief dat ik ervan uitga dat zorgaanbieders die privégelden van cliënten nog op onverantwoorde en/of onrechtmatige wijze beheren, met deze brief voldoende informatie in handen hebben om de noodzakelijke aanpassingen door te voeren teneinde hun cliënten te beschermen tegen het verlies van privégelden.

Ik dank de leden van de VVD-fractie, SP-fractie en D66-fractie voor hun inbreng in dit schriftelijk overleg en ga nu over tot het beantwoorden van hun vragen.

Reactie op de vragen van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie vragen om een toelichting op de wijze waarop DNB en AFM hun toezichthoudende rol op de Wft vervullen, specifiek ten aanzien van zorgaanbieders en het beheer van privégelden van cliënten. De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre hier daadwerkelijk toezicht op wordt gehouden en of er gevallen bekend zijn waarin DNB en de AFM hebben ingegrepen bij zorgaanbieders die zich in dit kader niet hielden aan de Wft.

Zoals ik in mijn brief aangaf, hebben DNB en AFM de verantwoordelijkheid om toe te zien op de naleving van de Wft. Daar waar het gaat om artikel 3:5 van de Wft, waarin het verbod op het aantrekken van opvorderbare gelden is geregeld, is DNB het aangewezen bestuursorgaan dat naleving controleert. De ontheffing van DNB waarover ik in mijn brief schreef, is een ontheffing voor het verbod op artikel 3:5 Wft. Bij dit specifieke artikel van de Wft heeft de AFM geen rol. De AFM heeft wel een toezichthoudende rol bij artikel 2:80 Wft, op grond waarvan het verboden is om zonder vergunning te bemiddelen. Onder bemiddelen wordt onder andere het openen van een betaal- of spaarrekening voor klanten verstaan en het afsluiten van verzekeringen of kredieten.

Vanuit de verantwoordelijkheid van DNB om toe te zien op de naleving van artikel 3:5 Wft, waar mijn brief betrekking op heeft, kan het zo zijn dat DNB een zorgaanbieder aantreft die in overtreding handelt van dit verbod. Indien DNB vaststelt dat een zorgaanbieder (of een andere partij) in strijd handelt met het verbod van artikel 3:5, eerste lid, Wft, dan kan DNB besluiten om handhavend op te treden. DNB heeft mij aangegeven dat dit handhavende optreden op meerdere wijzen vorm kan krijgen (van een «stevig gesprek» tot het treffen van een formele maatregel, zoals een last onder dwangsom) en dat dit optreden steeds per casus bepaald zal worden. Zaken als de inzet van de overtreder om de overtreding te beëindigen en de verwijtbaarheid spelen daarbij bijvoorbeeld een rol.

DNB heeft tot op heden één overtreding aangetroffen en controleert dit jaar door middel van een gerichte steekproef onder zorgaanbieders of zij bij het beheren van privégelden van cliënten in lijn handelen met het bepaalde in artikel 3:5, eerste lid, Wft.

De leden van de VVD-fractie vragen of er zicht is op het aantal zorgaanbieders dat momenteel privégelden van cliënten beheert en daarbij in strijd handelt met de Wft. De leden van de VVD-fractie vragen wat de consequenties voor zorgaanbieders zijn die handelen in strijd met de Wft.

Nee, ik heb geen zicht op het aantal zorgaanbieders dat privégelden beheert en daarbij mogelijk in strijd handelt met de Wft. Zoals ik hierboven al aangaf, heeft DNB mij aangegeven dat zij richting een zorgaanbieder op meerdere wijzen handhavend kan optreden (van een «stevig gesprek» tot het treffen van een formele maatregel, zoals een last onder dwangsom). DNB bepaalt per casus op welke wijze ze handhavend optreedt.

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre er bij mijn contact met brancheorganisaties over het beheren van privégelden van cliënten ook gesproken is over de informatievoorziening van zorgaanbieder richting cliënt. De leden van de VVD-fractie vragen of brancheorganisaties inzicht hebben in de manier waarop zorgaanbieders hun cliënten – waar relevant – hierover hebben geïnformeerd.

In het contact met de brancheorganisaties is er gesproken over het belang van goede informatievoorziening van zorgaanbieders aan de cliënt. Het is niet voor niets dat ik in mijn brief schrijf dat als een zorgaanbieder op verzoek van een cliënt diens privégelden beheert, het belangrijk is dat er over dat beheer en de verantwoording duidelijke afspraken met de individuele cliënt worden gemaakt en vastgelegd. Hoewel de brancheorganisaties het belang van een goede informatievoorziening aan de cliënt volledig onderschrijven, hebben zij geen zicht op de wijze waarop die informatievoorziening op zorgaanbiederniveau wordt ingevuld.

De leden van de VVD-fractie vragen of zorgaanbieders in de huidige praktijk schriftelijk vastleggen hoe het beheer van privégelden wordt ingericht, of hier verantwoording over wordt afgelegd en of dit met cliënten besproken wordt. De leden van de VVD-fractie vragen of afspraken over het beheer van privégelden tussen zorgaanbieder en cliënt zijn vastgelegd en transparant zijn en zo nee, of brancheorganisaties hier werk van maken voor de toekomst.

Zoals ik in het bovenstaande antwoord al aangaf, hebben brancheorganisaties geen zicht op de wijze waarop zorgaanbieders de informatievoorziening aan de cliënt op zorgaanbiederniveau invullen. Datzelfde geldt voor de precieze inrichting van het beheer, inclusief de verantwoording daarover en de schriftelijke vastlegging daarvan. Wel geven alle brancheorganisaties aan dat het hen niet meer dan logisch lijkt dat als een zorgaanbieder op verzoek van de cliënt diens privégelden beheert, hij de wijze van dit beheer bespreekt met de betreffende cliënt (of diens wettelijk vertegenwoordiger) en dat zij gezamenlijk ook afspraken maken over de inrichting en verantwoording.

Reactie op de vragen van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie vragen of ik de redenering volg dat zodra een derde geld beheert van een bewoner dit getoetst moet worden door een rechter.

Ik volg deze redenering niet. Als een bewoner niet in staat is zelf zijn of haar privégelden te beheren, dan is het in het belang van die bewoner dat een derde dit doet. Deze derde is bij voorkeur een naaste, al dan niet door de kantonrechter benoemd als bewindvoerder, maar kan ook een professionele organisatie voor budgetbeheer of een zorgaanbieder zijn. Een ieder die privégelden van een ander beheert, moet uiteraard handelen binnen de kaders van de in Nederland geldende wet- en regelgeving. Ik zie geen aanleiding om elke situatie waarin een derde privégelden van een bewoner beheert, verplicht te laten toetsen door een rechter.

De leden van de SP-fractie vragen of ik erken dat het verduisteren van privégelden van cliënten een vorm van stelen is die niet getolereerd mag worden. De leden van de SP-fractie vragen mij om het stelen van mensen die zorgafhankelijk zijn te allen tijde af te keuren.

Ik keur elke vorm van verduistering of diefstal af. Dat geldt dus ook voor het verduisteren van privégelden van cliënten en het stelen van mensen die afhankelijk zijn van zorg.

De leden van de SP-fractie vragen of ik signalen ontvang van bewoners die hun geld zijn verloren aan derden. De leden van de SP-fractie vragen hoeveel mensen per zorgsector jaarlijks geconfronteerd worden met diefstal van privégeld.

Ik heb geen zicht op het aantal mensen per zorgsector dat jaarlijks geconfronteerd wordt met diefstal van privégelden. Wel weet ik dat er de afgelopen jaren een aantal incidenten is geweest waarbij bezittingen en privégelden van bewoners van verzorgings- en verpleegtehuizen zijn gestolen door personeelsleden. Mijn ambtsvoorganger heeft over zo’n incident destijds vragen van het Kamerlid Agema beantwoord. Het ging hier echter niet om diefstal die verband houdt met het beheer van privégelden van cliënten door een zorgaanbieder. Recent heeft stichting «De Klokkenluiders VG» mij laten weten dat zij meldingen binnen hebben gekregen dat er zorgaanbieders zouden zijn die sjoemelen met de bewindvoering over de financiën van cliënten. Mocht dat kloppen, dan keur ik dat uiteraard ten zeerste af. Het signaal van deze stichting maakt eens te meer duidelijk hoe belangrijk het is dat zorgaanbieders het beheer van privégelden van cliënten verantwoord en conform de Wft inrichten. Wanneer er vermoedens zijn van strafbare feiten, adviseer ik de betrokkenen hiervan aangifte te doen bij de politie.

De leden van de SP-fractie vragen een uitgebreide toelichting waarom ik in strijd zou handelen met wet- en regelgeving en vooral waarom ik het belang van mensen niet voorop zou stellen. Daarbij willen de leden van de SP-fractie weten hoe ik dit zie in verband met het wetsvoorstel dat momenteel in behandeling is bij de Tweede Kamer, namelijk de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap.

De leden van de SP-fractie stellen dat ik in strijd handel met wet- en regelgeving en dat ik het belang van mensen niet voorop zou stellen. Van beide stellingen neem ik afstand. De inhoud van mijn brief is nergens zodanig dat ik als staatssecretaris in strijd met wet- en regelgeving handel en daarnaast zet mijn brief geen enkele andere partij aan om dat wel te doen. Integendeel, in mijn brief beschrijf ik dat als zorgaanbieders ervoor kiezen om privégelden van cliënten te (laten) beheren, dit beheer zo ingericht moet zijn dat het past binnen de kaders van in Nederland geldende wet- en regelgeving. Daarbij beschrijf ik dat cliënten geen risico mogen lopen hun privégelden te verliezen bij faillissement van de zorgaanbieder. Het belang van de patiënt of cliënt staat voor mij immers voorop. In dat kader ondersteun ik het bovengenoemde wetsvoorstel dat is ingediend door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Dit wetsvoorstel verbetert in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek de regels voor curatele en onderbewindstelling ter bescherming van, en mentorschap ten behoeve van, kwetsbare volwassenen. Het wetsvoorstel bepaalt onder meer dat direct betrokkenen of behandelend hulpverleners, personen behorende tot de leiding of tot het personeel van de instelling waar de cliënt wordt verzorgd of die aan de cliënt begeleiding biedt en personen verbonden met een dergelijke instelling, niet tot beschermingsbewindvoerder kunnen worden benoemd (artikel 1:435, zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek).

De leden van de SP-fractie zijn van mening dat het beheer van geld voor mensen die zorg nodig hebben, alleen dient te gebeuren door een onafhankelijke bewindvoerder die onder toetsing van de rechter staat. Daarnaast zijn ze van mening dat het beheer en/of begeleiding van privégeld door zorgaanbieders, zoals de Wft zou beschrijven, ten strengste verboden moet worden. De leden van de SP-fractie vragen of ik deze meningen deel en vragen mij deze maatregel conform de wet- en regelgeving uit te voeren.

Ik ben het niet met de leden van de SP-fractie eens dat het beheer van privégelden voor mensen die zorg nodig hebben, alleen mag gebeuren door een onafhankelijke bewindvoerder. In veel gevallen waarin een cliënt niet zelf zijn privégelden kan beheren, is er geen noodzaak tot het aanstellen van een onafhankelijke bewindvoerder door een rechter.

Zoals ik in mijn brief beschrijf, is het zorgaanbieders op basis van de Wft niet toegestaan om geld van cliënten onder zich te houden, te beheren of daarbij te bemiddelen. In de brief beschrijf ik echter ook dat er enkele mogelijkheden zijn waarmee zorgaanbieders privégelden van cliënten kunnen (laten) beheren zonder in strijd met de Wft te handelen: bij deze mogelijkheden heeft een zorgaanbieder (of een door de zorgaanbieder opgerichte beheerstichting) een ontheffing voor het artikel 3:5 van de Wft dat het betreffende verbod bevat, of hanteert een zorgaanbieder een beheerwijze die niet onder het verbod van artikel 3:5 Wft valt. Overigens heb ik daarbij aangegeven dat ik het onverstandig vind als zorgaanbieders privégelden van cliënten beheren.

De leden van de SP-fractie merken op dat Bureau Jeugdzorg gelden mag beheren zodra ouders dit niet aankunnen of misbruik maken van het geld van hun kind(eren) en stellen dat dit de consequentie moet hebben dat Bureau Jeugdzorg privégeld onder toezicht en controle van de rechter beheert. De leden willen weten of ik bereid ben dit in te voeren en dit ook te toetsen.

In een eerder antwoord gaf ik aan dat ik het niet wenselijk vind om elke situatie waarin een derde privégelden van een bewoner beheert, verplicht te laten toetsen door een rechter. Dit geldt ook voor Bureaus Jeugdzorg. Echter, in gevallen waarin een rechter de voogdij over een minderjarige cliënt overdraagt aan een Bureau Jeugdzorg, wordt het Bureau Jeugdzorg de bewindvoerder van de cliënt. In die gevallen staat het beheer door de bewindvoerder standaard onder toezicht en controle van de rechter.

De leden van de SP-fractie vinden het opmerkelijk dat koepels gevraagd zijn een enquête in te vullen over het beheer van geld van mensen die gebruik maken van zorg en vragen sinds wanneer koepels het geld van mensen die zorg nodig hebben beheren.

De enquête die ik in mijn brief noem, is niet door de brancheorganisaties ingevuld, maar door de brancheorganisaties verspreid onder hun leden. Deze leden, de zorgaanbieders, hebben de enquête ingevuld.

De leden van de SP-fractie constateren dat VGN het wenselijk vindt dat zorgaanbieders geld van hun bewoners kunnen beheren. De leden van de SP-fractie zijn van mening dat VGN zich ervoor zou moeten inzetten dat privégeld zorgvuldig en onafhankelijk gesteld moet worden, zodat mensen niet de dupe worden van geldwolven. De leden van de SP-fractie vragen hierop mijn reactie.

VGN onderstreept, net als ik, dat beheer van privégelden door naasten altijd de voorkeur heeft. Wanneer dat niet mogelijk is, vindt VGN het in sommige gevallen wenselijk dat zorgaanbieders dit beheer kunnen uitvoeren, zodat cliënten minder afhankelijk zijn van professionele organisaties voor budgetbeheer die (meer) kosten voor de cliënt in rekening brengen. Zoals ik in mijn brief schreef, vind ik het niet wenselijk dat zorgaanbieders privégelden van cliënten beheren. Overigens is VGN, net als ik, van mening dat privégelden van cliënten in alle gevallen zorgvuldig moeten worden beheerd en dat cliënten nooit gedupeerd mogen worden.

De leden van de SP-fractie stellen dat ik in mijn brief aangeef dat met name oude mensen een beroep doen op zorgaanbieders voor het beheer van privégeld en geven aan dat ze dit opmerkelijk vinden.

In de inventarisatie die onder zorgaanbieders gedaan is, is niet gevraagd naar de leeftijd van mensen die een beroep doen op zorgaanbieders voor het beheren van hun privégelden. Ik heb hier geen inzicht in en hierover is in de brief dan ook niets gemeld.

De leden van de SP-fractie willen weten waarom ik het toesta dat zorgaanbieders het geld van hun bewoners mogen beheren en willen daarbij ook weten door wie en hoe vaak zorgaanbieders hierop gecontroleerd worden.

Op basis van de Wft is het zorgaanbieders niet toegestaan om geld van cliënten onder zich te houden, te beheren of daarbij te bemiddelen. Zoals ik in mijn brief beschreef, zijn er echter mogelijkheden waarmee zorgaanbieders privégelden van cliënten kunnen beheren zonder in strijd met de Wft te handelen: bij deze mogelijkheden heeft een zorgaanbieder (of een door de zorgaanbieder opgerichte beheerstichting) een ontheffing voor het artikel 3:5 van de Wft dat het betreffende verbod bevat, of hanteert een zorgaanbieder een beheerwijze die niet onder het verbod van artikel 3:5 Wft valt. Ik vind het onverstandig als zorgaanbieders privégelden van cliënten (laten) beheren, maar ik zie geen aanleiding voor aanvullende wet- en regelgeving. Met de Wft heeft de overheid al waarborgen getroffen tegen het optreden van onwenselijke effecten voor cliënten.

Zoals ik bij het antwoord op de eerste vraag van de VVD-fractie al aangaf, is DNB het aangewezen bestuursorgaan dat de naleving van artikel 3:5 Wft controleert. In dat artikel is het verbod op het aantrekken van opvorderbare gelden geregeld.

DNB controleert dit jaar door middel van een gerichte steekproef onder zorgaanbieders of zij bij het beheren van privégelden van cliënten in lijn handelen met het bepaalde in artikel 3:5, eerste lid, Wft.

De leden van de SP-fractie vragen in hoeverre mensen met vermogen en spaargeld beschermd zijn tegen zorgaanbieders.

Als een zorgaanbieder er op verzoek van een cliënt voor kiest om diens privégelden te beheren, is de zorgaanbieder daarbij verplicht te handelen conform de Wft. De Wft beschermt de belangen van cliënten, ongeacht de omvang van hun vermogen.

De leden van de SP-fractie willen in het kader van het vervolgproces weten welke informatie, wanneer aan welke betrokkenen wordt gegeven. De leden van de SP-fractie willen weten welke informatie zorgaanbieders ontvangen en vragen waarom ik zorgaanbieders wijs op wettelijke mogelijkheden en onmogelijkheden, terwijl ik zelf de wet- en regelgeving niet zou handhaven.

Gedurende het proces dat mijn ambtsvoorganger is gestart, hebben ActiZ, de Federatie Opvang, GGZ Nederland, Jeugdzorg Nederland en VGN dit onderwerp regelmatig onder de aandacht van hun leden gebracht. Daarbij zijn de leden bijvoorbeeld gevraagd om deel te nemen aan een enquête over dit onderwerp en zijn ze geïnformeerd over het feit dat de beheerswijze van de voormalige Stichting Zonnehuizen ertoe geleid heeft dat cliënten hun privégelden zijn verloren.

Kort na het verschijnen van mijn brief, hebben ActiZ, de Federatie Opvang, GGZ Nederland, Jeugdzorg Nederland en VGN deze onder hun leden verspreid.

Om de inhoud van mijn brief bij zoveel mogelijk cliënten onder de aandacht te brengen, heb ik naast verspreiding via de brancheorganisaties, inmiddels ook veel verschillende cliëntenorganisaties gevraagd de brief onder hun lidorganisaties/cliëntenraden/achterban te verspreiden. Zo hebben bijvoorbeeld LOC en het LSR mijn brief via verschillende kanalen onder de aandacht gebracht van cliëntenraden, zodat zij hem kunnen bespreken met de bestuurders en met elkaar na kunnen gaan of er binnen hun instelling passend beleid wordt gevoerd.

Ik wijs zorgaanbieders op hun wettelijke mogelijkheden en onmogelijkheden, omdat mijn ambtsvoorganger signalen ontving dat individuele zorgaanbieders niet altijd op de hoogte waren van de wettelijke kaders die in Nederland gelden omtrent het beheren van privégelden van cliënten. Ik ga er vanuit dat zorgaanbieders met mijn brief voldoende informatie in handen hebben om waar nodig aanpassingen te doen in hun beheerswijze, zodat cliënten beschermd zijn tegen het verlies van privégelden in geval van een faillissement van zorgaanbieders. Zoals ik eerder al schreef, is de inhoud van mijn brief nergens zodanig dat ik als staatssecretaris in strijd met wet- en regelgeving handel.

De leden van de SP-fractie refereren aan het faillissement van Stichting Zonnehuizen en vragen hoe ik in de toekomst wil voorkomen dat bewoners belast worden met schuldeisers, ten gevolge van een faillissement van de zorgaanbieder. De leden van de SP-fractie vragen hoe ik in de toekomst ga voorkomen dat bewoners hun privégelden verliezen door een faillissement.

Ik kan dit als staatssecretaris niet voorkomen. Het is de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders hun cliënten en zichzelf te vrijwaren van problemen die kunnen voortvloeien uit het beheren van privégelden van cliënten. Ik ga ervan uit dat zorgaanbieders die privégelden van cliënten nu nog op onverantwoorde en/of onrechtmatige wijze beheren, met mijn brief voldoende informatie in handen hebben om de noodzakelijke aanpassingen door te voeren teneinde hun cliënten te beschermen tegen het verlies van privégelden in het geval van een faillissement.

De leden van de SP-fractie willen weten of alle bewoners van de voormalige Stichting Zonnehuizen het correcte bedrag hebben ontvangen dat zij ook verloren hebben. Voorts willen de leden van de SP-fractie weten of de mogelijkheid om geld af te romen van bewoners bij een faillissement is afgesloten, zodat zij hiervan niet meer de dupe kunnen worden.

Zoals mijn ambtsvoorganger uw Kamer, mede namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, met haar brief van 20 maart 2012 heeft gemeld, heeft de overheid zich eenmalig garant gesteld voor de privégelden die cliënten van de voormalige Stichting Zonnehuizen waren verloren. In diezelfde brief werd vermeld dat één van de overnemende partijen, namelijk LSG-Rentray, zich bereid heeft getoond de benodigde middelen voor te schieten. Daardoor kregen alle cliënten het volledige bedrag dat zij verloren hadden weer tot hun beschikking. LSG-Rentray zal hiervoor, naar verwachting op korte termijn, door de overheid worden gecompenseerd.

Met betrekking tot de vraag of de mogelijkheid is afgesloten om geld af te romen van bewoners bij een faillissement, merk ik op dat cliënten het risico lopen hun privégelden te verliezen zolang hun zorgaanbieder deze privégelden op onverantwoorde en/of onrechtmatige wijze beheert. Naast het feit dat DNB handhavend kan optreden tegen partijen (zoals zorgaanbieders) die in strijd met artikel 3:5 Wft handelen, heb ik in mijn brief daarom de raden van toezicht, de cliëntenraden en de externe accountants van zorgaanbieders opgeroepen om erop toe te zien dat de belangen van cliënten niet geschaad kunnen worden als gevolg van de wijze waarop hun zorgaanbieder mogelijk privégelden van cliënten beheert.

De leden van de SP-fractie verwachten uitgebreide antwoorden van mij en een plan van aanpak hoe ik denk aan de Wft te voldoen.

Ik vertrouw erop dat ik heb voldaan aan de wens van de leden van de SP-fractie om hun vragen uitgebreid te beantwoorden. Voor wat betreft hun wens om een plan van aanpak over hoe ik denk aan de Wft te voldoen, merk ik het volgende op. De inhoud van mijn brief is zoals gezegd nergens zodanig dat ik als staatssecretaris in strijd met wet- en regelgeving handel en daarnaast zet mijn brief geen enkele andere partij aan om dat wel te doen. Integendeel, in mijn brief beschrijf ik dat als zorgaanbieders ervoor kiezen om privégelden van cliënten te (laten) beheren, dit beheer zo ingericht moet zijn dat het past binnen de kaders van in Nederland geldende wet- en regelgeving. Het is aan zorgaanbieders om, waar zij dat nu nog niet doen, het beheer van privégelden van cliënten zodanig in te richten dat zij voldoen aan de Wft. Daartoe heb ik in mijn brief concrete informatie verstrekt. Dit maakt een plan van aanpak in mijn ogen overbodig.

Reactie op de vragen van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie vragen of ik kan toelichten of, en zo ja in welke mate, er zich eerdere problemen hebben voorgedaan met het beheer van privégelden van cliënten door zorgaanbieders bij de methoden die in de brief genoemd worden als niet zijnde in strijd met de Wft.

In de enquête die ik via de brancheorganisaties uit de langdurige zorg onder zorgaanbieders heb verspreid, is de vraag gesteld of zorgaanbieders ooit problemen zijn tegengekomen bij (het voorbereiden van) het beheren van privégelden van één of meerdere cliënten. Van de 303 zorgaanbieders die de enquête hebben ingevuld, beantwoorden 49 zorgaanbieders deze vraag bevestigend. Een klein deel van deze reacties geeft blijk van problemen die samenhangen met de methoden die in de brief genoemd worden en die niet in strijd zijn met de Wft. Een voorbeeld daarvan is dat het beheren van privégelden van cliënten en het verkrijgen van een ontheffing van DNB kosten voor zorgaanbieders met zich meebrengen.

De leden van de D66-fractie refereren aan de resultaten van een enquête waarin minder dan tien procent van de zorgaanbieders aangeeft dat hun cliënten in het geval van een faillissement risico lopen hun privégelden kwijt te raken. Daarbij vernemen de leden van de D66-fractie graag of ik van mening ben dat dit onderzoek representatief is en of er geen grootschaliger onderzoek nodig is om conclusies te kunnen trekken.

Zoals ik in mijn brief aangaf, is de enquête verspreid onder alle leden van ActiZ, de Federatie Opvang, GGZ Nederland en VGN. Gezien het feit dat zij destijds gezamenlijk ongeveer 740 leden hadden en dat daarvan 303 zorgaanbieders de enquête hebben ingevuld, vermoed ik dat de enquête een redelijk goed beeld geeft van de situatie in de verschillende sectoren. Het doel van de enquête was om goed zicht te krijgen op de huidige situatie omtrent het beheren van privégelden, maar ook om zorgaanbieders te informeren over het feit dat er risico’s aan dit beheer verbonden zijn en dat zij wellicht actie moeten ondernemen om te voorkomen dat hun cliënten hun privégelden kunnen verliezen. De enquête had niet als doel om zorgaanbieders op te sporen die privégelden van cliënten op dat moment nog op onverantwoorde wijze beheerden. Gezien dit karakter van de enquête en het feit dat er geen consequenties verbonden zijn aan de conclusies van de enquête, was een grootschaliger onderzoek mijns inziens niet nodig.

De leden van de D66-fractie vragen in hoeverre de huidige regeling, waarin onduidelijkheid bestaat over de mate waarin het beheer van privégelden is toegestaan, voldoende helder is voor alle betrokkenen.

Zoals ik eerder schreef, heeft mijn ambtsvoorganger zich, samen met brancheorganisaties en cliëntenorganisaties, ingespannen om te voorkomen dat cliënten nogmaals hun privégelden kunnen verliezen zoals gebeurd is na het faillissement van Stichting Zonnehuizen. Gedurende dit proces ontving mijn ambtsvoorganger signalen dat individuele zorgaanbieders niet altijd op de hoogte waren van de wettelijke kaders die in Nederland gelden omtrent het beheren van privégelden van cliënten. In mijn brief wordt helder uitgelegd welke mogelijkheden zorgaanbieders hebben om het beheer van privégelden van cliënten conform de Wft in te richten. Gezien de aandacht die de eerdergenoemde brancheorganisaties aan dit onderwerp geven en hebben gegeven, ga ik ervan uit dat de wettelijke mogelijkheden en onmogelijkheden nu voldoende helder zijn.

De leden van de D66-fractie vragen welke alternatieve mogelijkheden, niet zijnde zorgaanbieders, er op het gebied van het beheren van privégelden zijn voor cliënten die kampen met problematiek die hun eigen verantwoordelijkheid voor het beheren van privégelden aanzienlijk beperkt.

Wanneer cliënten niet in staat zijn om zelf hun eigen privégelden te beheren, verdient het de voorkeur dat dit beheer door een naaste wordt overgenomen. Desgewenst kan de kantonrechter worden verzocht om een bewindvoerder te benoemen. Ook kunnen cliënten zich (net als iedereen in Nederland) wenden tot een professionele organisatie voor budgetbeheer, die overigens wel (meer) kosten voor de cliënt in rekening brengen. Wanneer het gaat om cliënten die ondersteuning ontvangen in het kader van de WMO, kunnen cliënten in sommige gevallen kunnen ook terecht bij een gemeentelijke kredietbank.

De leden van de D66-fractie vernemen graag aan welke wet- en regelgeving een zorginstelling op dit moment moet voldoen om privégelden van cliënten te mogen beheren.

Artikel 3:5 van de Wft bevat een verbod op het aantrekken van opvorderbare gelden. Het is zorgaanbieders op basis van dit artikel niet toegestaan om privégelden van cliënten onder zich te houden, te beheren of daarbij te bemiddelen. Er bestaan echter enkele mogelijkheden waarmee zorgaanbieders privégelden van cliënten kunnen beheren zonder in strijd met de Wft te handelen.

Artikel 2:80 van de Wft bevat een verbod om zonder vergunning te bemiddelen. Onder bemiddelen wordt onder andere het openen van een betaal- of spaarrekening voor klanten verstaan en het afsluiten van verzekeringen of kredieten.

Het bovenstaande laat uiteraard onverlet dat zorgaanbieders moeten handelen conform alle in Nederland geldende wet- en regelgeving.

De leden van de D66-fractie vragen of zorgaanbieders verplicht zouden moeten worden om afspraken rondom het beheer van privégelden schriftelijk vast te leggen en transparant te maken richting haar cliënten.

In mijn brief heb ik aangegeven dat als zorgaanbieders ervoor kiezen om privégelden van cliënten te (laten) beheren, ze dit alleen moeten doen op een wijze die cliënten beschermt tegen het verlies van privégelden in geval van faillissement en tegen wanbeheer. Als voorbeeld van dat laatste heb ik aangegeven dat een zorgaanbieder schriftelijk laat vastleggen en transparant maakt hoe hij het beheer inricht en hoe hij hier (eventueel ook intern) verantwoording over aflegt. Daarnaast heb ik beschreven dat als een cliënt zijn of haar privégelden door de zorgaanbieder wil laten beheren, ik er veel waarde aan hecht dat er over het beheer en de verantwoording daarover duidelijke afspraken met de individuele cliënt worden gemaakt en vastgelegd. Voorlopig zie ik geen aanleiding om het bovenstaande wettelijk te regelen, mede gezien de aandacht die de eerdergenoemde brancheorganisaties aan dit onderwerp besteden en de extra administratieve lasten die een wettelijke verplichting met zich mee zou brengen.

De leden van de D66-fractie vragen of de mogelijkheid om als cliënt één of meerdere zorgverleners te machtigen voor hun bankrekening wel zou moeten worden gecommuniceerd. De leden van de D66-fractie stellen daarbij dat zakelijk en privé niet worden gescheiden als een medewerker wordt gevraagd zijn eigen rekening in te zetten.

Eén van de mogelijkheden om privégelden van cliënten te beheren op een wijze die past binnen de Wft en die cliënten beschermt tegen het verlies van die privégelden in het geval van een faillissement, is de mogelijkheid waarbinnen een cliënt één of meerdere werknemers van de zorgaanbieder machtigt om op zijn/haar rekening één of meerdere typen verrichtingen te doen. In dat geval verkrijgt een medewerker dus een machtiging om verrichtingen te doen op de rekening van een cliënt. Binnen deze mogelijkheid zal een medewerker dus niet gevraagd worden zijn eigen rekening in te zetten. Ik ben het met de leden van de D66-fractie eens dat dit laatste onwenselijk zou zijn.

De leden van de D66-fractie vernemen graag wat de laatste stand van zaken is in het vervolgproces en vragen in hoeverre de brancheorganisaties al over zijn gegaan tot het aanpassen van hun algemene voorwaarden en tot het nader informeren van hun leden.

Zoals ik in antwoord op een vraag van de SP-fractie al aangaf, zijn de brancheorganisaties kort na het verschijnen van mijn brief overgegaan tot het nader informeren van hun leden.

In mijn brief heb ik ActiZ, de Federatie Opvang, GGZ Nederland, Jeugdzorg Nederland en VGN daarnaast gevraagd om over dit onderwerp bepalingen op te nemen in hun algemene leveringsvoorwaarden, indien ze hierover beschikken. Ik heb van ActiZ begrepen dat haar algemene leveringsvoorwaarden momenteel worden geëvalueerd en dat het opnemen van bepalingen over het beheren van privégelden van cliënten momenteel door hen en de andere betrokken partijen (waaronder cliëntenorganisaties) wordt besproken. Voor GGZ Nederland geldt dat haar algemene leveringsvoorwaarden recent zijn vastgesteld, maar dat een eventuele aanpassing op het punt van het beheren van privégelden is voorzien bij de eerstvolgende evaluatie. VGN heeft mij laten weten dat ze momenteel in overleg is met cliëntenorganisaties om te komen tot tweezijdig opgestelde algemene leveringsvoorwaarden. Daarbij wordt door VGN en de cliëntenorganisaties ook gesproken over het opnemen van bepalingen omtrent het beheren van privégelden van cliënten. Ik heb van Jeugdzorg Nederland begrepen dat iedere jeugdzorgorganisatie zelf verantwoordelijk is voor zijn algemene leveringsvoorwaarden en dat Jeugdzorg Nederland hierbij geen rol heeft. Ook de Federatie Opvang heeft geen algemene leveringsvoorwaarden.

De leden van de D66-fractie merken op dat de overheid een taak heeft om de benodigde relevante informatie aan betrokkenen te verstrekken. De leden van de D66-fractie vragen hoe de overheid dit gaat doen, zodat zoveel mogelijk cliënten worden bereikt.

Ook ik zie een beperkte taak voor de overheid weggelegd bij het verstrekken van de nodige relevante informatie aan betrokkenen. In mijn brief beschreef ik dat ik diezelfde brief als een eerste stap daartoe zag. Daarnaast schreef ik dat ik ActiZ, de Federatie Opvang, GGZ Nederland, Jeugdzorg Nederland en VGN heb gevraagd om hun leden (daar waar dit speelt) actief over dit onderwerp te informeren en dit onderwerp onder hun aandacht te houden. In mijn eerdere antwoorden heb ik de stand van zaken hiervan reeds beschreven. Om de inhoud van mijn brief bij zoveel mogelijk cliënten onder de aandacht te brengen, heb ik naast verspreiding via de brancheorganisaties, inmiddels ook veel verschillende cliëntenorganisaties gevraagd de brief onder hun lidorganisaties/cliëntenraden/achterban te verspreiden. Zoals ik eerder al schreef, hebben bijvoorbeeld LOC en het LSR hieraan gehoor gegeven door de brief via meerdere kanalen te verspreiden onder cliëntenraden.

Naar boven