31 839 Jeugdzorg

Nr. 257 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 30 november 2012

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen voorgelegd aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van de Algemene Rekenkamer van 13 juni 2012 t.g.v. het rapport Centra voor Jeugd en Gezin in gemeenten; een samenwerkingsproject met gemeentelijke rekenkamers (Kamerstuk 31 839, nr. 216).

De staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 29 november 2012. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Neppérus

Adjunct-griffier van de commissie, Sjerp

Vraag 1

Is de staatssecretaris van plan de resultaten van dit onderzoek te betrekken bij de nadere uitwerking van de stelselwijziging jeugdzorg? Zo ja, welke en hoe?

 

Antwoord 1

Ik betrek alle relevante informatie op het terrein van jeugdhulp bij de uitwerking van de voorgenomen stelselwijziging. In veel van mijn hieronder beschreven antwoorden ziet u op welke wijze de resultaten van dit onderzoek doorwerken in de voorbereidingen voor de stelselwijziging. In algemene zin bevestigen zij de koers die het kabinet voor ogen staat: aansluiten bij de energie van wethouders en hulpverleners om te zorgen voor verbeteringen en een andere werkwijze in de toegang tot de jeugdhulp, gemeenten tijd geven om deze verbeteringen vorm te geven, terughoudend zijn met voorschriften omtrent het «hoe», bijdragen aan de totstandkoming van een systeem van beleidsinformatie, stimuleren van samenwerking tussen scholen en de (gemeentelijke) jeugdhulp.

 

Vraag 2

Draagt het Centra voor Jeugd en Gezin (CJG) als middel bij aan de vroegsignalering en aan de vroege opvoed- en opgroeiondersteuning voor ouders en kinderen van -9 maanden tot 23 jaar? Zo ja, op welke wijze?

 

Antwoord 2

Ja. Dit gebeurt op diverse manieren, zoals via de activiteiten van de jeugdgezondheidszorg waaronder de vaste contactmomenten, via inloop bij de inlooppunten, via outreachend werken op bijvoorbeeld scholen en via activiteiten die CJG’s organiseren.

 

Vraag 3 en 66

Draagt het CJG als middel bij aan de coördinatie van zorg (één gezin, één plan)? Werken alle CJG's met één gezin, één plan? In welke gemeenten gaat dit erg goed en wat zijn de succesfactoren? Wat gaat de staatssecretaris doen met gemeenten waar de CJG's nog niet met één gezin, één plan werken?

Hoe is de zorgcoördinatie geregeld in gemeenten waar geen casusregisseur of een vergelijkbare functie is?

 

Antwoord op 3 en 66

Het CJG draagt bij aan de coördinatie van zorg, alleen al omdat het CJG een samenwerking van verschillende organisaties behelst. Mij is niet bekend of alle CJG’s werken met één gezin één plan. Vanuit de gedachte van lokaal maatwerk, schrijft het Rijk niet voor hoe de gemeente de coördinatie van zorg uitvoert. Het principe van één gezin, één plan is wel één van de uitgangspunten van het nieuwe stelsel en zal als zodanig ook meegenomen worden bij de ondersteuning van gemeenten bij de transitie.

Uit bijgevoegd Inhoudelijk verslag Brede doeluitkering Centra voor Jeugd en Gezin over het jaar 2011 blijkt dat 92% van de gemeenten op 31 december 2011 van mening waren dat in hun gemeente voldoende aanbod van zorgcoördinatie aanwezig was. Gemeenten zijn zich, ook in het kader van de voorziene wijziging van het stelsel van jeugdhulp, zeer bewust van nut en noodzaak van zorgcoördinatie. Belangrijke succesfactor zijn heldere samenwerkingsafspraken, waarbij ook is vastgelegd wie in staat is knopen door te hakken als de samenwerking tussen uitvoerende professionals onverhoopt niet goed gestalte krijgt ten behoeve van een individueel kind of gezin. Als er geen casusregisseur of vergelijkbare functie is, dan wordt de functie van zorgcoördinator doorgaans door een van de betrokken professionals uitgevoerd.

 

Vraag 4 en 5

Hoeveel gemeenten hebben alleen een digitaal CJG?

Hoeveel gemeenten delen een CJG, meerdere gemeenten in één CJG?

 

Antwoord op 4 en 5

Zoals uit bijgevoegd Inhoudelijk verslag Brede doeluitkering Centra voor Jeugd en Gezin over het jaar 2011 blijkt waren er op 31 december 2011 vijf gemeenten zonder CJG met een fysiek inlooppunt binnen de gemeentegrens. In drie van deze gemeenten is het CJG wel telefonisch bereikbaar, waarbij bij één gemeente deze bereikbaarheid plaatsvindt door middel van doorschakeling naar het CJG van een (grotere) buurgemeente. De resterende twee gemeenten, die gaan fuseren, zijn via internet bereikbaar en komen in het kader van bereikbaarheid in overleg met de vraagsteller op huisbezoek of op een andere nabije locatie.

 

Vraag 6–10, 14, 16, 18, 41, 42, 46, 52, 60, 67, 77

Welke doelen heeft een CJG en hoe worden deze doelen concreet gemeten?

Welke kaders zijn nodig om te zorgen dat de Kamer voldoende informatie heeft, waardoor op is te maken hoe CJG’s functioneren in afzonderlijke gemeenten, of de doelen worden bereikt en hoe erop gestuurd kan worden?

Hoe gaat de staatssecretaris voorkomen dat een CJG niet een gebouw is met allemaal eilandjes, maar dat daadwerkelijke samenwerking op gang komt?

Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat het niet blijft bij samenwerkingsafspraken en convenanten, maar dat er concrete zorg wordt gerealiseerd in gemeenten?

Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat gemeenten gaan doen wat werkt, en leren van elkaars fouten en successen?

Uit het rapport van de Algemene Rekenkamer (ARK) blijkt dat gemeenten geen goed zicht hebben op de totale kosten en uitgaven die met het CJG gemoeid zijn. Hoe gaat de staatssecretaris dit probleem voor 2015 aanpakken?

Zijn er maatregelen genomen om de twee verbeterpunten die de Algemene Rekenkamer noemt, te weten de bekendheid van het CJG en de eenheid van het CJG, te verbeteren? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?

De Algemene Rekenkamer noemt ontwikkelpunten voor de CJG’s. Hebben de gemeenten ruimte om deze ontwikkelingen door te voeren, zowel financieel als organisatorisch?

Gaat de staatssecretaris stappen nemen om het gebrek aan gestelde beleidsdoelen bij gemeenten terug te dringen?

Gaat de staatssecretaris stappen nemen naar aanleiding van het gerapporteerde feit dat het merendeel van de onderzochte gemeenten de behoeften en problemen van jeugdigen niet in kaart heeft gebracht?

Hoeveel kinderen worden door niet goed functionerende CJG’s benadeeld of mogelijk zelfs belemmerd in hun ontwikkeling en levensgeluk? Kan de staatssecretaris aangeven in welke tien gemeenten de problemen het meest urgent zijn?

Wat gaat de staatssecretaris doen om het «outreachend» werken van CJG’s te bevorderen?

Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat er meer jongeren en ouders bereikt worden door het CJG?

Kan de staatssecretaris een overzicht geven van onderzochte gemeenten, uitgesplitst naar de mate waarin hun CJG’s slecht, matig, voldoende, goed of uitstekend functioneren en de redenen die hiervoor zijn te geven?

Is de staatssecretaris van plan om kwaliteitseisen te formuleren voor CJG’s?

 

Antwoord op 6–10, 14, 16, 18, 41, 42, 46, 52, 60, 67, 77

De landelijke doelen van de CJG’s zijn meer preventie op het terrein van opvoed- en opgroeiondersteuning, betere samenwerking tussen hulpverleners alsmede tussen hulpverleners en scholen (1 gezin, 1 plan). Het stond en staat gemeenten vrij eigen doelen aan deze landelijke doelen toe te voegen danwel deze nader te specificeren.

Tot 1 januari 2012 was de Tijdelijke regeling CJG van kracht met onder meer bepalingen waar gemeenten voor zorg moesten dragen ten aanzien van Centra voor Jeugd en Gezin. Het bijgevoegde Inhoudelijk verslag Brede doeluitkering Centra voor Jeugd en Gezin over het jaar 2011 bevat de uitkomsten van de laatste inhoudelijke verslagen die gemeenten op grond van de Tijdelijke regeling CJG bij het ministerie van VWS moesten indienen. Deze verslagen vormden de landelijke monitoring van (het doelbereik van) de CJG’s.

Sinds 1 januari 2012 is er geen regelgeving meer die gemeenten voorschriften geeft ten aanzien van Centra voor Jeugd en Gezin. In de brief Geen kind buiten spel (Tweede Kamer 2011–2012, 31 839 nr. 142) heeft mijn ambtsvoorganger samen met de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aangegeven dat het belangrijk is dat gemeenten de vrijheid houden om de organisatorische inbedding van zorgaanbod en CJG’s in het bredere netwerk zelf uit te werken en dat daarover in de nieuwe jeugdwet geen bepalingen opgenomen zullen worden. Dat neemt niet weg dat gemeenten gestimuleerd worden voort te bouwen op de ontwikkelde CJG’s. Bij de doorontwikkeling van de CJG’s staat het kabinet voor ogen dat het CJG in elk geval voorziet in een aantal taken, te weten: monitoren, screenen en vaccineren; ondersteuning, voorlichting, advies en informatie; zoveel mogelijk zelf bieden van hulp en bij complexe of specialistische hulpvragen hulp inschakelen in een zo vroeg mogelijk stadium; integrale zorg rondom het gezin organiseren (bijvoorbeeld door inzet van een gezinscoach volgens één gezin, één plan, één regisseur); samenwerking met onderwijs.

Het is dus sinds 1 januari 2012 aan gemeenten om zelf te bepalen wat de aard en positie van het Centrum voor Jeugd en Gezin is, uiteraard gecontroleerd door de gemeenteraad. Gemeenten hoeven daar richting het Rijk geen verantwoording meer over af te leggen. Mijn beeld is dat gemeenten en betrokken organisaties druk doende zijn de CJG’s verder door te ontwikkelen, ook in het kader van de voorziene wijziging van het stelsel van jeugdhulp.

Vanuit het ministerie van VWS en vanuit de VNG is er vanaf 1 januari 2012 ook geen specifieke ondersteuning meer op het terrein van de vorming van CJG’s. Zoals mijn ambtsvoorganger uw Kamer onder andere in genoemde brief Geen kind buiten spel heb laten weten wordt er wel ondersteuning aan gemeenten geboden ten aanzien van de transitie van de jeugdhulp. Deze ondersteuning, waarbij onderling leren door gemeenten gestimuleerd wordt, betreft de volle breedte van jeugdhulp en heeft dus ook betrekking op die domeinen waar de CJG’s op acteren. Via deze ondersteuning worden gemeenten gestimuleerd en beter in staat gesteld hun jeugdhulp optimaal in te richten.

 

Vraag 11

Kan op basis van dit rapport geconstateerd worden dat de decentralisatie van de jeugdzorg op schema ligt en dat gemeenten in staat zijn vanaf 2015 hun verantwoordelijkheid te nemen?

 

Antwoord 11

Het rapport van de Algemene Rekenkamer geeft informatie over de realisatie van de CJG’s en geeft daarmee geen algemeen beeld van de voorbereidingen van de gemeenten op de voorgenomen stelselwijziging.

Om de voortgang van de transitie te monitoren is de Transitiecommissie jeugd ingesteld. De verwachting is dat deze commissie rond de jaarwisseling met een eerste rapportage komt.

 

Vraag 12

Welke eventuele problemen kunnen de gemeenten na de transitie van de jeugdzorg verwachten vanwege de veelvormigheid in de organisatievorm bij CJG’s? Hoe kunnen deze problemen voorkomen worden?

 

Antwoord op 12

Ik verwacht geen bijzondere problemen vanwege de veelvormigheid in de organisatievormen. De diversiteit in de vormgeving van de CJG’s zijn een voordeel, zolang de specifieke vormgeving ervoor zorgt dat de CJG’s goed aansluiten bij de lokale en regionale omstandigheden.

 

Vraag 13

Waarom hebben gemeenten geen naamsbekendheid kunnen opbouwen voor de CJG’s?

 

Antwoord op 13

Het opbouwen van naamsbekendheid kost tijd. Veel gemeenten hebben aan het realiseren van samenwerking en een toereikend preventief aanbod de prioriteit gegeven boven het versterken van het «merk» CJG. Zo zijn er veel ouders en kinderen bij een (lidorganisatie van het) CJG geweest zonder dat ze dit in de gaten hadden.

 

Vraag 15, 17, 20, 21, 35–39, 44, 72, 73, 76, 80

Welke risico’s brengt het ontbreken van een referentiekader om de doelmatigheid en doeltreffendheid van een CJG aan te toetsen met zich mee? Ziet de staatssecretaris voor zichzelf een rol weggelegd om een dergelijk referentiekader op zeer korte termijn te realiseren?

Welke referentiekaders zijn er nodig om duidelijkheid te krijgen over de taken van CJG’s?

Wat is het antwoord van de staatssecretaris op de vraag van de rekenkamers over hoe zij informatie gaat inwinnen over de prestaties van de CJG’s en welke informatie zij nodig hebben om verantwoording af te kunnen leggen over het gevoerde beleid ten aanzien van CJG’s?

Welke informatie heeft de staatssecretaris precies nodig voor het waarmaken van haar verantwoordelijkheid en hoe wordt deze informatie vergaard?

Welke rol is er voor de staatssecretaris weggelegd om gemeenten te stimuleren hun ambities toetsbaar te formuleren?

Wanneer zal de nieuwe indicatorenset gereed zijn?

Is de nieuwe indicatorenset ontwikkeld in nauwe samenwerking met de gemeenten?

Hoe ziet de nieuwe indicatorenset eruit die is ontwikkeld door het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) en hoe is meetbaar of gemeenten met de nieuwe set wel uit de voeten kunnen?

Wat is de mening van de gemeenten op de nieuwe indicatorenset?

Welke mogelijkheden heeft de staatssecretaris om sturend op te treden in het feit dat er in veel gemeenten niet kan worden vastgesteld of het behalen van beleidsdoelen in zicht is?

Wanneer zijn CJG’s wel af te rekenen op hun prestaties (outcome criteria)? Wat is daarvoor nodig?

Aan welke meetbare ambities en doelstellingen voor CJG's wordt gedacht voor de toekomst?

Welke informatie heeft de staatssecretaris precies nodig voor het waarmaken van haar verantwoordelijkheid en over de manier waarop zij deze informatie gaat verwerven?

Hoe wordt voorkomen dat de prestatie-indicatoren tot extra regeldruk en administratieve handelingen leiden?

 

Antwoord op 15, 17, 20, 21, 35–39, 44, 72, 73, 76, 80

Alle gestelde vragen in dit kader bevinden zich in het spanningsveld tussen de wens de gemeenten een maximale beleidsvrijheid te geven om de jeugdhulp in een breder kader efficiënter en goedkoper te organiseren en anderzijds de wens om dit proces via vooraf gedefinieerde prestatie-indicatoren/referentiekaders te meten en te monitoren.

Een maximale beleidsvrijheid gaat niet samen met strakke referentiekaders, dus zullen keuzes moeten worden gemaakt. Ik kies op dit domein voor maximale beleidsvrijheid voor gemeenten en ik ben terughoudend met het generiek opvragen van gedetailleerde informatie. Het is overigens ook moeilijk om bij maximale beleidsvrijheid de prestaties van gemeenten met elkaar te vergelijken via referentiekaders.

Er zijn veel factoren die een effect hebben op het welzijn van jeugdigen, waarbij het moeilijk is exact aan te tonen welke bijdrage jeugdhulp biedt aan het verminderen van problematiek bij jeugdigen. Bij deze verschillen denk ik aan sociaaleconomische omstandigheden, bevolkingsamenstelling, aantallen jeugdigen, casemix, het bestaande jeugdhulpaanbod in de regio, de hierin werkzame professionals, de beschikbare methoden, etc.

Evidence based methoden in jeugdhulp ontbreken grotendeels , zodat de kwaliteit/prijsverhoudingen niet te berekenen zijn en het zicht op de doelmatigheid en doeltreffendheid van de geboden hulp op een andere manier zal moeten worden verkregen. De «waarde van jeugdhulp» kan in dit geval worden bepaald door vergelijking. Hierbij denk ik aan benchmark concepten waarmee gelijksoortige gemeenten met elkaar kunnen worden vergeleken, waarbij verschillen nader worden onderzocht en vervolgens met belanghebbenden worden besproken om succesfactoren te verankeren. Deze methode zal ik eerst uitwerken en met veldpartijen zoals gemeenten, zorgaanbieders, beroepsverenigingen en cliëntenorganisaties bespreken.

Hiernaast help ik gemeenten op hun verzoek te onderzoeken in hoeverre het mogelijk is prestatie-indicatoren voor CJG’s te ontwikkelen , middels een opdracht aan het Nji. In feite is dit een soort referentiekader. Het komend jaar zal het Nji vijf indicatoren voor de lokale jeugdhulp operationaliseren en in de praktijk beproeven. Het gaat om indicatoren die ook in het nieuwe stelsel van jeugdhulp relevant zijn («stelselproof»), in nauwe samenwerking met de gemeenten en VNG worden ontwikkeld en in het voorjaar 2013 gereed komen. Omdat effecten op het gedrag van jeugdigen deels of soms voor een klein deel samenhangen met de aangeboden jeugdhulp en omdat er geen kaders zijn meegegeven voor CJG-vorming, kunnen activiteiten van CJG’s heel moeilijk met outcome criteria worden beoordeeld. In dit licht durf ik geen voorspelling te doen in welke mate gemeenten straks met outcome indicatoren uit de voeten kunnen. Omdat het ontwikkelingsproces thans gaande is valt nog niets over de mening van gemeenten te zeggen. Om dezelfde reden heb ik nog geen zicht op de administratieve lasten die met een eventuele invoering van prestatie-indicatoren gemoeid zijn.

 

Vraag 19

Wat gaat de staatssecretaris doen met de onderwerpen waarin zij een faciliterende en stimulerende rol kan spelen?

 

Antwoord 19

De Algemene Rekenkamer adviseert VWS en VNG om de eenheid van taal te bevorderen. Het Nederlands Jeugdinstituut werkt in opdracht van het ministerie van VWS aan een gegevenswoordenboek. Hiermee wordt het ontstaan van eenheid van taal gestimuleerd, zowel voor het CJG als voor andere relevante organisaties in de lokale jeugdhulp.

De Algemene Rekenkamer adviseert VWS en VNG om te bevorderen dat vanuit aanpalende zorgdomeinen (bijvoorbeeld onderwijsinstellingen) signalen aan het CJG worden doorgegeven. Dit is inderdaad zeer belangrijk. In antwoord op onder meer vraag 55 wordt nader ingegaan op de samenwerking tussen onderwijs en CJG. Verder kan bij lokale voorlichtingsprogramma’s gebruik gemaakt worden van in opdracht van VNG en VWS ontwikkeld materiaal.

De Algemene Rekenkamer adviseert VWS en VNG om onduidelijkheden rond de informatie-voorziening tussen zorgverleners in en rondom het CJG te inventariseren en helderheid op deze punten te verschaffen. In mijn antwoord op de vragen 56–59 ga ik hier op in.

De Algemene Rekenkamer adviseert VWS en VNG erop aan te dringen dat er prestatie-indicatoren ter beschikking komen en ondersteuning te bieden bij het inrichten van de informatiehuishouding in het CJG. In mijn antwoord op ondermeer vraag 15 ga ik hier op in.

De Algemene Rekenkamer adviseert VWS en VNG om, voortbouwend op de bestaande referentiebegroting, een financieel kader met bijbehorend verantwoordingsinstrumentarium te ontwikkelen. Samen met de VNG onderzoek ik vanuit het T-bureau jeugd op welke wijze gemeenten ondersteund kunnen worden bij de vormgeving van hun bekostigingsmodel en op welke wijze daartoe kan worden aangesloten bij de genoemde referentiebegroting CJG dan wel bij andere lopende initiatieven in het land.

De Algemene Rekenkamer adviseert VWS en VNG om opleidingen aan te bieden gericht op het versterken van netwerksturing en onderhandelingsvaardigheden van bij CJG’s betrokken gemeenteambtenaren. Het is primair de taak van gemeenten zelf om zorg te dragen voor de toerusting van hun ambtenaren. De VNG heeft aangegeven dat zij dit thema in zal passen in haar bestaande activiteiten ter versterking van de bestuurskracht van gemeenten.

 

Vraag 22

Hoeveel fte is werkzaam bij het T-bureau?

 

Antwoord 22

Het transitiebureau jeugd is een samenwerkingsverband van VWS, VenJ en VNG dat

gezamenlijk activiteiten verricht voor de ondersteuning van gemeenten bij de transitie. In de vaste kern van dit bureau werken op dit moment 9 medewerkers incl. secretariële ondersteuning. De meeste mensen werken niet voltijds voor het bureau, maar combineren dit met andere werkzaamheden.

 

Vraag 23

Op welke initiatieven uit de voortgangsbrief van 27 april 2012 die moeten bevorderen dat onderwijsinstellingen en gemeenten goed samenwerken wordt hier gedoeld?

 

Antwoord 23

In deze passage wordt gedoeld op de zogenaamde voorloperaanpak «onderwijs en jeugdhulp verbonden» waarin samenwerkingsverbanden van onderwijsinstellingen en gemeenten, -vooruitlopend op de invoering van de wet passend onderwijs en de nieuwe jeugdwet en ondersteund door de ministeries van VWS en OCW – samenwerken in de verbinding van en afstemming over zorg in en om de school.

 

Vraag 24, 54, 69, 71, 74, 81 en 82

Welke indicatie heeft de staatssecretaris van de gemeenten gekregen om ervan uit te kunnen gaan dat de laagdrempeligheid van de CJG’s gewaarborgd is ook wanneer zij zich gaan bezig houden met zwaardere problematiek? Hoe gaat het imagoprobleem dat kan ontstaan vanwege de samenwerking met Bureaus Jeugdzorg voorkomen worden?

Welke risico’s brengt de overheveling van de geïndiceerde jeugdzorg naar gemeenten met zich mee wat betreft de psychologische toegankelijkheid? Welke rol speelt de staatssecretaris hierin wat betreft het beperken van deze risico’s?

Sommige gemeenten zien de toekomstige overheveling van de jeugdzorg naar gemeenten als een bedreiging voor de laagdrempeligheid van het CJG. Zijn deze gemeenten dan van mening dat de laagdrempeligheid van het CJG geslaagd is, gezien het feit dat burgers de inloopfunctie van het CJG niet gebruiken en de medewerkers schijnbaar op pad gestuurd worden naar «vindplaatsen»? Wat is de visie van de staatssecretaris op dit punt?

Is het huisvesten van het CJG in een bureau jeugdzorg de meest voor de hand liggende verklaring dat het imago van het CJG in de sfeer van zware problemen kan komen? Zo nee, wat is de meest voor de hand liggende verklaring?

Hoe kan het ervaren spanningsveld tussen preventie en interventie bij een CJG worden voorkomen, dan wel worden opgelost?

Welke bestaande goedlopende initiatieven zijn er om de laagdrempeligheid van het CJG te waarborgen wanneer er verbinding wordt gemaakt met zwaardere problematiek?

Waarop is het vertrouwen van de staatssecretaris op gebaseerd dat gemeenten een passende oplossing vinden voor het waarborgen van de laagdrempeligheid wanneer er een verbinding wordt gemaakt met zwaardere problematiek?

 

Antwoord op 24, 54, 69, 71, 74, 81 en 82

De beeldvorming dat CJG’s zich ook met zwaardere problematiek bezighouden is mijns inziens niet gelegen in het huisvesten van het CJG in een bureau jeugdzorg. Het heeft ermee te maken dat het CJG soms bureau jeugdzorg inschakelt en daardoor de toegang vormt tot zwaardere jeugdzorg.

Ik constateer dat gemeenten aandacht hebben voor de laagdrempeligheid van hun CJG en hier op verschillende wijze mee bezig zijn. Dat geldt ook nu al: gemeenten zijn zich ervan bewust dat het belangrijk is ouders en jeugdigen laagdrempelig in contact te brengen met preventieve opvoed- en opgroeiondersteuning. Via inlooppunten danwel via het outreachend werken. Ik wil vooral niet voorschrijven hoe gemeenten dit inrichten omdat dat het gevaar met zich meebrengt dat bestaande goedlopende initiatieven hierdoor worden geschaad. In algemene zin valt mij wel op dat vooral een open wijze van communicatie met ouders en jeugdigen en het voorop stellen van hun perceptie zeer belangrijke factoren zijn om hen goed te bereiken.

In Den Haag en Amsterdam worden CJG-vestigingen gebruikt als «werkplaats» voor de ondersteuning van kinderen en gezinnen met zwaardere problematiek. Het betreft hier relatief nieuwe initiatieven. Voor zover ik weet zijn er vanuit deze gemeenten geen signalen die erop wijzen dat de betreffende initiatieven ten koste gaan van de laagdrempeligheid van het CJG.

 

Vraag 25 en 26

Wat is (zijn) het (de) effect(en) geweest de veranderende financiering van een Brede Doeluitkering naar een decentralisatie-uitkering in 2012?

Wat is (zijn) het (de) effect(en) geweest dat het geld niet meer is geoormerkt?

 

Antwoord op 25 en 26

De effecten van de veranderende financiering zijn niet bekend.

 

Vraag 27, 29 en 31

Hoeveel van de gelden uit het Gemeentefonds die in 2008 extra zijn afgesproken zijn daadwerkelijk gerealiseerd?

Waarom is niet bekend hoeveel geld de onderzochte gemeenten aan eigen middelen hebben uitgegeven aan een CJG? Is de staatssecretaris bereid dit alsnog te doen en zo nee, waarom niet?

Wat zijn de verschillen tussen de gemeenten in de uitgaven aan (de vorming van) CJG’s?

 

Antwoord op 27, 29 en 31

In het Bestuursakkoord rijk en gemeenten «Samen aan de slag» van 4 juni 2007 is afgesproken dat aan de brede doeluitkering Centra voor Jeugd en Gezin een bedrag oplopend tot € 100 miljoen in 2011 wordt toegevoegd uit de enveloppe Jeugd en Gezin. Daarnaast heeft het kabinet een bedrag oplopend tot 100 miljoen in 2011 beschikbaar gesteld via het accres van het gemeentefonds. De uitkering wordt vastgesteld op het bedrag dat de gemeente in de periode 2008 tot en met 2011 heeft besteed aan jeugdgezondheidszorg, maatschappelijke ondersteuning jeugd en afstemming jeugd en gezin, alsmede aan het realiseren van een CJG. De verantwoording van de uitkering verloopt volgens de methode van Single information Single audit. Gemeenten dienden vóór 15 juli 2012 de SiSa verantwoording over het jaar 2011 in te dienen. De toetsing van de uitgaven en de vaststelling van de uitkering aan alle 415 Nederlandse gemeenten heeft nog niet plaatsgevonden. Om deze reden kan nog niet worden aangegeven welke bedragen door gemeenten daadwerkelijk zijn besteed aan de vorming van de Centra voor Jeugd en Gezin. Evenmin is thans bekend of de afgesproken bedragen daadwerkelijk zijn gerealiseerd.

 

Vraag 28

Tweederde van de onderzochte gemeenten heeft voor 2011 een CJG-begroting gemaakt. Waarom heeft één derde van de gemeenten dit niet gedaan?

 

Antwoord op 28

Het is mij niet bekend waarom sommige gemeenten geen CJG-begroting hebben gemaakt.

 

Vraag 30

Wat zijn de verschillen tussen de gemeenten in de manier van financiering van een CJG?

 

Antwoord 30

Welke verschillen er zijn in de financiering van gemeenten is niet bekend. Gemeenten kregen met de brede doeluitkering vrijheid en de daaraan gekoppelde verantwoordelijkheid om de bedragen op de beste wijze en het beste moment in te zetten. Zoals bij vraag 17 is aangegeven is de verantwoording van de gemeenten nog niet getoetst. Er kan dus niet worden aangegeven wat de verschillen zijn tussen gemeenten.

 

Vraag 32 en 33

Hoeveel provincies en welke hebben geld (eigen middelen) uitgegeven aan een CJG?

Hoeveel (eigen) middelen van provincies, stadsregio’s en gemeenten zijn er in totaal extra naar CJG’s gegaan? Als dit niet bekend is, is de staatssecretaris bereid dit te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?

 

Antwoord op 32 en 33

De verantwoordingsinformatie die in het kader van de BDU CJG wordt ontvangen beperkt zich tot een opgave van de gemaakte kosten en verloopt volgens de systematiek van Single information Single audit (SiSA). Doelstelling van de Single information Single audit is het verminderen van de verantwoordings- en controlelasten voor gemeenten en provincies. Enerzijds door als Rijk per specifieke uitkering minder verantwoordingsinformatie te eisen (door te sturen op hoofdlijnen) en anderzijds door minder diepgaande accountantscontrole op regelniveau. Er is geen zicht op de eventuele bijdrage die provincies, stadsregio’s en gemeenten hebben geleverd in de vorming van deCJG’s. Een onderzoek naar deze bijdrage doet geen recht aan de SiSa gedachte.

 

Vraag 34

Welke risico’s kleven aan het feit dat er bijna geen gemeenten zijn met een uitgesproken visie op de regierol?

 

Antwoord 34

De constatering dat er bijna geen gemeenten zijn met een visie op de regierol herken ik niet. Wel zie ik dat de vertaling van die visie naar de praktijk niet altijd rimpelloos verloopt.

Een uitgesproken visie op haar regierol helpt de gemeente zorgvuldig en in samenspraak met de gemeenteraad te bepalen hoe zij invulling geeft aan haar wijze van sturing.

 

Vraag 40

Is bekend waarom gemeenten en samenwerkingspartners aangeven dat het nu nog te vroeg is om vast te stellen of beleidsdoelen in zicht zijn?

 

Antwoord 40

Het is mij niet bekend waarom gemeenten dat aangeven.

 

Vraag 43 en 47

Hoe moeten gemeenten zelf hun zorg inkopen na de decentralisatie als zij hun behoeften in kaart hebben gebracht? Hoe beoordeelt de staatssecretaris deze situatie?

Hoe kan ervoor worden gezorgd dat de opdrachtverlening vanuit de gemeente minder gefragmenteerd is, waardoor de samenwerking wordt gestimuleerd?

 

Antwoord op 43 en 47

Gemeenten hebben de mogelijkheid om hun opdrachtgeverschap vorm te geven. Het is wel belangrijk dat in de aanloop naar de transitiedatum gemeenten met de huidige financiers van de verschillende vormen van jeugdzorg ervaringen uitwisselen en waar mogelijk al meedraaien in het inkoopproces of dit zelfs overnemen. Voor specialistische zorg is bovenlokale samenwerking de meest aangewezen vorm waarin de opdracht- verlening geregeld kan worden.

Omdat de nieuwe wet veel vrijheid geeft aan gemeenten is het mogelijk om integrale zorg, bijvoorbeeld in de vorm van een gezinsondersteunend budget, in te kopen.

De organisaties die aan de gezinsondersteuning werken kunnen, onder regie van de gemeente, samenwerken om deze integrale zorg tot stand te laten komen.

 

Vraag 45

Hoe wordt samenwerking tussen verschillende hulpverlenende of zorginstanties gestimuleerd door gemeenten als er geen afspraken zijn gemaakt of zijn vastgelegd daarover?

 

Antwoord 45

De Algemene Rekenkamer geeft in haar rapport aan dat dit op verschillende manieren gebeurt: sommige gemeenten kiezen ervoor zaken niet op papier te zetten («geen papieren tijger»), andere gemeenten hebben een formele overeenkomst in de maak, weer andere gemeenten maken bilaterale afspraken met organisaties over samenwerking of sluiten aan bij andere reeds gemaakte samenwerkingsafspraken.

 

Vraag 48, 49, 50

De oorspronkelijke ambities ten aanzien van openingstijden van CJG’s zijn niet waargemaakt. CJG’s in kleine gemeenten zijn gemiddeld 7 uur per week open, CJG’s in middelgrote gemeenten gemiddeld 19 uur. Dit komt volgens de Algemene Rekenkamer doordat van de inlooppunten nog niet veel gebruik wordt gemaakt. Kan de staatssecretaris nader duiden waarom deze inlooppunten niet worden gebruikt, sluit de dienstverlening niet aan op de opvoedvragen?

De inlooppunten worden nog niet veel gebruikt. Medewerkers van CJG’s hebben het besef «outreachend» te werken, en schijnen zich regelmatig te willen vertonen op «vindplaatsen». Dit komt over alsof CJG’s die geen vraag vanuit burgers krijgen, dan maar zelf die vraag moeten creëren. Welk probleem lossen we dan nog op? Graag een duiding van de staatssecretaris, waarin dit hopelijk foutieve beeld rechtgezet wordt.

De inlooppunten worden nog niet veel gebruikt. Nieuwe dienstverleners zoals de opvoedpoli worden wel (massaal) gevonden door ouders, scholen en andere professionals, in dezelfde wijken waar ook CJG’s zijn. Hoe verklaart de staatssecretaris dit?

 

Antwoord op 48, 49, 50

Op grond van de Tijdelijke regeling CJG moesten gemeenten ervoor zorgdragen dat er voldoende gemakkelijk te bereiken fysieke inlooppunten gerealiseerd werden om jeugdigen en ouders in hun gemeente toegang te verschaffen tot een CJG. Hieraan zijn geen ambities ten aanzien van openingstijden geformuleerd. Vanuit het veld komt het beeld naar voren dat eigenstandige inlooppunten in de praktijk minder goed werken. Verder is het lastig om algemene landelijke conclusies te trekken. In sommige gemeenten weten bijvoorbeeld veel ouders van pubers het CJG heel goed te vinden, terwijl dat in andere gemeenten (nagenoeg) niet het geval is. Er is geen grond om te concluderen dat de inlooppunten van de CJG’s in heel Nederland niet of niet veel worden gebruikt: ouders en jeugdigen weten de CJG’s te vinden waar (net als bij andere succesvolle aanbieders) ondersteuning geboden wordt die tegemoet komt aan de behoefte van ouders en jeugdigen.

 

Vraag 51

Hoe kan het dat succesvolle aanbieders als de opvoedpoli door provincies en verzekeraars buiten contracten worden gehouden, ondanks dat ze aan alle eisen voldoen en het circa 20 tot 30 procent goedkoper doen dan bestaande partijen? Wat gaat de staatssecretaris hieraan doen?

 

Antwoord 51

Het is aan provincies en zorgverzekeraars om te bepalen bij welke organisaties zij zorg inkopen. Ik heb geen landelijk inzicht in hun overwegingen op dit terrein.

 

Vraag 53, 63 en 64

Is bekend hoe vaak momenteel gebruik wordt gemaakt van instrumenten als de verwijsindex en het digitale dossier?

Welke criteria gelden er om te bepalen in welke gevallen tot melding in de verwijsindex moet worden overgegaan? Hoe gaat de staatssecretaris professionals hiervan op de hoogte brengen?

Welke oplossingen zijn er om de gesignaleerde bezwaren en beperkingen van de verwijsindex op te lossen?

 

Antwoord op 53, 63 en 64

Recentelijk is het gebruik van de verwijsindex risicojongeren geëvalueerd. De resultaten van deze evaluatie staan beschreven in de notitie Evaluatie Verwijsindex Risicojongeren met de bijlage De VIR: een tussenstand (DSP-groep). Deze documenten worden beide als bijlage van deze brief aan uw Kamer aangeboden. Uit de evaluatie blijkt dat er in maart 2012 al bijna een half miljoen meldingen aan de verwijsindex zijn gedaan sinds de verwijsindex operationeel is. Per kwartaal worden ongeveer 30 000 tot 40 000 meldingen gedaan. Voor verdere gegevens over het feitelijke gebruik verwijs ik kortheidshalve naar de inhoud van de bijlage bij de bijgevoegde notitie.

In de evaluatie zijn een aantal knelpunten ten aanzien van de verwijsindex gesignaleerd; de knelpunten in het rapport van de Algemene Rekenkamer behoren hier ook toe. In De VIR: een tussenstand wordt op de gesignaleerde knelpunten ingegaan en worden een aantal aanbevelingen gedaan. In de bijgevoegde notitie geef ik mijn visie hierop. Bij veel knelpunten is het belangrijk dat door de gemeente met de betrokken ketenpartners bezien wordt op welke wijze de gesignaleerde knelpunten kunnen worden aangepakt. Daarom zullen met gemeenten, beroepsverenigingen, branche-organisaties en de Inspectie Jeugdzorg de uitkomsten van de evaluatie besproken worden en de te ondernemen acties in kaart gebracht worden.

Wat betreft de criteria die gelden om jongere aan de verwijsindex te melden, het volgende. In de artikel 2j van de Wet op de jeugdzorg staan de criteria om te melden limitatief opgesomd. Een meldingsbevoegde professional kan een jeugdige enkel aan de verwijsindex melden als hij een redelijk vermoeden heeft dat één of meer van de in de wet genoemde risico’s de betrokkene in zijn gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid bedreigt. Er wordt van de professional verlangt dat hij een vanuit zijn expertise een afweging maakt de betrokken jongere al dan niet te melden. Om de meldingsbevoegde professional te helpen bij die afweging en bij het concretiseren van de criteria die in de wet zijn genoemd, is er de Handreiking voor het melden. Veel professionals hebben deze inmiddels in de vorm van een kleine klapper op hun bureau staan. Maar de handreiking is als handige webapplicatie ook digitaal bereikbaar op www.meldcriteria.nl.

Momenteel wordt door op één na alle JGZ-organisaties gebruik gemaakt van digitale dossiers bij het vastleggen van de gegevens van de contacten met de JGZ. Eén JGZ-organisatie werkt nog niet digitaal en is nog bezig met de aanbestedingsprocedure.

 

Vraag 55, 61 en 75

Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat het onderwijs beter gaat samenwerken met de CJG’s? In welke gemeenten verloopt de samenwerking tussen het onderwijs en de CJG’s goed en wat zijn hiervan de succesfactoren?

Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat het CJG en het onderwijs een betere verbinding hebben met elkaar?

Hoe wordt bevorderd dat scholen een meer open houding ten opzichte van het CJG aannemen?

 

Antwoord op 55, 61 en 75

In de wet passend onderwijs is opgenomen dat de ondersteuningsplannen van samenwerkingsverbanden in op overeenstemming gericht overleg met gemeenten worden besproken. Ook in de nieuwe jeugdwet wordt de afstemming met onderwijs vastgelegd, waardoor de aansluiting van onderwijsondersteuning op alle jeugdhulp gewaarborgd is. Om te bevorderen dat de invoering van beide wetten de komende jaren in samenhang plaatsvindt, heeft mijn ambtsvoorganger samen met de minister van OCW een afspraak gemaakt met de VNG, de PO-raad en de VO-raad (zie ook bij antwoord op 79). Daarnaast is in de plannen van voorloperregio’s de samenhang en samenwerking tussen het onderwijs en het CJG regelmatig een onderwerp waar aandacht aan wordt besteed. Hoewel het nog te vroeg is om te kunnen spreken over bepalende succesfactoren, wijst de praktijk uit dat partijen die elkaar vertrouwen en op de inhoud met elkaar in gesprek gaan, goede resultaten kunnen boeken om voor jongeren de werelden van onderwijs en gemeenten/CJG’s te verbinden.

 

Vraag 56 – 59

Wat is er precies wel en niet toegestaan bij de uitwisseling van informatie tussen professionals onderling?

Hoe gaat de staatssecretaris de professionals op de hoogte brengen van wat wel en niet toegestaan is bij de uitwisseling van informatie onderling?

Waarom is er veel onduidelijkheid over wat is toegestaan bij het uitwisselen van informatie tussen professionals? Hoe gaat u dit verbeteren?

Hoe wordt de onduidelijkheid over wat is toegestaan bij het uitwisselen van informatie tussen professionals opgelost?

 

Antwoord op 56 – 59

De uitwisseling van persoonsgegevens raakt aan de persoonlijke levenssfeer van de betrokken cliënten en patiënten. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de afweging van andere belangen – zoals de gezondheid en veiligheid van betrokken personen – is complexe materie. Professionals uit verschillende beroepsgroepen hebben te maken met verschillende wettelijke regimes. In geen van deze regimes is de uitwisseling van persoonsgegevens zo zwart-wit geregeld dat er nooit enige informatie kan worden gedeeld of dat er altijd volledige dossiers dienen te worden overhandigd. In ieder regime staat de betrokken cliënt centraal. Het is daarom van groot belang dat de professional ook in dit kader de cliënt centraal stelt en zo veel mogelijk met hem bespreekbaar maakt. In eerste instantie dient de uitwisseling van persoonsgegevens besproken te worden met de betrokken cliënt, met de insteek tot overeenstemming te komen over de informatie-uitwisseling.

Van belang is verder dat in ieder regime eenzelfde afwegingskader wordt gehanteerd. Dat afwegingskader is gebaseerd op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Kort gezegd is het toegestaan persoonsgegevens uit te wisselen indien de betrokken professional overtuigd is van de noodzaak daartoe. Om de noodzaak van het uitwisselen van persoonsgegevens met een andere professional vast te stellen overweegt de verstrekkende professional de consequenties van de uitwisseling, de alternatieven voor uitwisseling en verhouding tussen gevolgen van de uitwisseling en het doel dat met de uitwisseling wordt beoogd. Hij overweegt met andere woorden de subsidiariteit, de proportionaliteit en de doelmatigheid van de uitwisseling. Om professionals hierbij behulpzaam te zijn heeft mijn ambtsvoorganger afgelopen voorjaar een instrument ter beschikking gesteld, Samenwerken in de jeugdketen, een instrument voor gegevensuitwisseling. Dit instrument is in een oplage van 10 000 stuks onder professionals verspreid. Ook is er een digitale beslisboom te raadplegen over wat met wie mag worden uitgewisseld op www.privacywegwijzer.nl.

 

Vraag 62

JGZ-medewerkers moeten in sommige gevallen dubbel registreren. Welke mogelijkheden zijn er om deze bureaucratie terug te dringen?

 

Antwoord op 62

Het digitaal dossier JGZ is het medisch dossier van de JGZ dat artsen op grond van de Wgbo verplicht zijn bij te houden van alle contacten die zij hebben met hun cliënten. Daarin worden de contacten, de bevindingen en de verleende zorg geregistreerd. In de verwijsindex wordt alleen voor kinderen waarbij sprake is van een gesignaleerd risico een melding gedaan. Daarbij worden geen inhoudelijke gegevens vermeld maar alleen het BSN van het betreffende kind. Er is dus geen sprake van dubbele registratie van gegevens.

 

Vraag 65

Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris om de deelname van CJG’s aan zorg- en adviesteams in het onderwijs verder te verbeteren?

 

Antwoord 65

Naarmate de implementatie van de wet passend onderwijs vordert en de impact van de decentralisatie van de jeugdhulp duidelijker wordt voor de betrokken partijen, zal op steeds meer plaatsen het gesprek gevoerd worden over hoe de toekomstige hulp en ondersteuning vanuit het gemeentelijk domein gekoppeld kan worden aan de ondersteuningsstructuur in het onderwijs. Samenwerkingsverbanden en gemeenten zijn primair aan zet om hier invulling aan te geven. VWS en OCW ondersteunen dit proces door het faciliteren van kennis en praktijknetwerken en de inzet van accountmanagers in de regio’s.

 

Vraag 68

Hoe spelen de «achtergrondkenmerken» van jeugdigen precies mee in de verdeling van de budgetten?

 

Antwoord 68

Bij de keuze van de verdeelmaatstaven van de Brede Doeluitkering Centra voor Jeugd en Gezin (BDU CJG) is rekening gehouden met de beoogde doelgroepen van het CJG. Voor onderdeel 1 jeugdgezondheidszorg zijn de verdeelmaatstaven jongeren 0 – 19 jaar (91%), lage inkomens (4,5%) en minderheden (4,5%) gehanteerd. Voor onderdeel 2 (WMO) zijn de verdeelmaatstaven jongeren 0 – 19 jaar (40%), eenoudergezinnen (30%), lage inkomens (15%) en minderheden (15%) gehanteerd.

 

Vraag 70

Beschikken alle gemeenten in Nederland over een Werkplein en een Veiligheidshuis?

 

Antwoord 70

Nee, werkpleinen en veiligheidshuizen zijn niet in iedere afzonderlijke gemeente gevestigd.

 

Vraag 78

Wanneer worden de resultaten bekend van de initiatieven om slimme samenwerking tussen onderwijs en (jeugd)zorg te ontwikkelen, waarvoor zo'n 35 regio's voorstellen hebben ingediend?

 

Antwoord 78

Kenmerk van de voorloperaanpak is dat al doende nieuwe praktijken worden ontwikkeld, die bij succes breder vertaald en verspreid kunnen worden . Belangrijke doelstelling van de aanpak is te bevorderen dat gemeenten en onderwijs samen gaan optrekken, informatie uitwisselen en resultaten boeken. Op www.voordejeugd.nl en www.passendonderwijs.nl worden regelmatig voorbeelden van de resultaten van die samenwerking gepubliceerd.

Daarnaast zijn VWS en OCW bezig om, in aansluiting op de monitorbehoefte op lokaal niveau, een instrument te ontwikkelen dat breder kan worden ingezet om de effectiviteit van de samenwerking tussen gemeenten en onderwijs in beeld te brengen. Dit instrument kan de ZAT-monitor vervangen. Inzet is dat de eerste resultaten bij de invoering van de wet passend onderwijs in augustus 2014 bekend zijn.

 

Vraag 79

Voor de regio’s die niet vanzelf in beweging komen worden convenanten overwogen. Wat zou het karakter van deze convenanten kunnen zijn? Zouden deze bindend kunnen zijn?

 

Antwoord 79

Om te bevorderen dat de invoering van de wet passend onderwijs en de nieuwe jeugdwet de komende jaren in samenhang plaatsvindt, heeft mijn ambtsvoorganger samen met de minister van OCW een afspraak gemaakt met de VNG, de PO-raad en de VO-raad om te komen tot een gezamenlijke werkagenda. Een dergelijke praktisch ingevulde werkagenda sluit beter aan bij de wensen van partijen om hun achterban in de praktijk te bedienen. De werkagenda is inmiddels opgesteld en bevat onder anderen afspraken over het opstellen en uitwerken van concrete handreikingen bedoeld voor bestuurders en beleidsmakers van samenwerkingsverbanden en gemeenten. Onderdeel hiervan is ook een modelprocedure voor het Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO) en een daarbij horende geschillenregeling.

Naar boven