Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201331839 nr. 256

31 839 Jeugdzorg

Nr. 256 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 november 2012

Bijgevoegd treft u de antwoorden op de lijst met vragen door uw Algemene commissie Jeugdzorg gesteld over het rapport van de Algemene Rekenkamer «Rapport Centra voor Jeugd en Gezin in gemeenten; een samenwerkingsproject met gemeentelijke rekenkamers» (Kamerstuk 31 389, nr. 257).

In het kader van de Brede Doeluitkering CJG, die van 2008–2011 aan gemeenten is verleend op grond van de Tijdelijke regeling CJG, waren gemeenten verplicht om na afloop van elk kalenderjaar verslag te doen aan het Ministerie van VWS. In bijgaande antwoorden wordt verwezen naar het «Inhoudelijk verslag Brede Doeluitkering Centra voor Jeugd en Gezin over het jaar 2011». Dit rapport is dan ook als bijlage bij deze brief gevoegd (ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer).

De landelijke doelen van het CJG zijn de afgelopen jaren niet gewijzigd: meer preventie op het terrein van opvoed- en opgroeiondersteuning, betere samenwerking tussen hulpverleners alsmede tussen hulpverleners en scholen.

Wat wel gewijzigd is, is de sturing vanuit het Rijk op de vorming van de CJG’s. In 2008 tot en met 2011 moesten gemeenten op grond van de Tijdelijke regeling CJG hierbij minimaal het basismodel CJG aanhouden. Dit basismodel behelst een bundeling van de jeugdgezondheidszorg, opvoed- en opgroeiondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, een schakel met bureau jeugdzorg en een schakel met het onderwijs via Zorg- en adviesteams. Daarnaast was vereist dat gemeenten toegang tot deze bundeling van hulpverlening organiseerden via laagdrempelige fysieke inlooppunten. Juist op het terrein van de fysieke inlooppunten hebben veel gemeenten ervaren dat outreachend werken, bijvoorbeeld op scholen, een betere manier is om in contact te komen met ouders en jongeren.

Sinds 1 januari 2012 is er geen regelgeving meer die gemeenten voorschriften geeft ten aanzien van CJG’s. De landelijke doelen van het CJG (preventie, betere samenwerking tussen hulpverleners alsmede tussen hulpverleners en scholen) staat bij gemeenten niet ter discussie. De manier waarop dit vormgegeven wordt, en dan met name de rol van fysieke inlooppunten, staat wel ter discussie. Het kabinet vindt het belangrijk dat gemeenten de vrijheid hebben om de organisatorische inbedding van zorgaanbod en CJG’s in het bredere netwerk zelf uit te werken. Juist ook met het oog op de komende stelselwijziging op het terrein van de zorg voor jeugd. Mijn ambtsvoorganger en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie hebben uw Kamer hier eerder over geïnformeerd in de brief Geen kind buiten spel (Kamerstuk 31 839, nr. 142).

Naar aanleiding van het rapport van de ARK heeft uw Kamer ook een aantal vragen gesteld over het gebruik van de verwijsindex risicojongeren. Afgelopen voorjaar is een evaluatie naar het gebruik van de verwijsindex uitgevoerd. In de beantwoording van diverse vragen ga ik in op de zojuist afgeronde evaluatie, die als bijlage bij de beantwoording is gevoegd (ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer).

De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn