31 839 Jeugdzorg

Nr. 247 LIJST VAN VRAGEN ANTWOORDEN

Vastgesteld 25 oktober 2012

De algemene commissie voor Jeugdzorg heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Algemene Rekenkamer over het rapport van de Algemene Rekenkamer van 13 juni 2012 inzake «Centra voor Jeugd en Gezin in gemeenten; een samenwerkingsproject met gemeentelijke rekenkamers» (Kamerstuk 31 839, nr. 216).

De Algemene Rekenkamer heeft deze vragen beantwoord bij brief van 25 oktober 2012 Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De fungerend voorzitter van de commissie, Arib

Adjunct-griffier van de commissie, Sjerp

Vraag 1

Hoeveel gemeenten hebben alleen een digitaal Centra voor Jeugd en Gezin (CJG)?

In ons onderzoek hebben wij samen met gemeentelijke rekenkamer(commissie)s onderzocht hoe 42 gemeenten hun CJG’s organisatorisch en financieel hebben vormgegeven. Geen van deze gemeenten had uitsluitend een digitaal CJG. Bijna alle onderzochte gemeenten beschikten ten tijde van ons onderzoek over ten minste één fysiek inlooppunt of zouden op korte termijn hierover beschikken. Ook de telefonische bereikbaarheid en het digitale CJG-loket waren vrijwel overal gerealiseerd.

Wij hebben geen onderzoek gedaan naar de CJG’s in álle Nederlandse gemeenten en kunnen daarom geen uitspraak doen over het landelijke beeld.

Vraag 2

Welke kaders zijn nodig om te zorgen dat de Kamer voldoende informatie heeft, waardoor op is te maken hoe CJG’s functioneren in afzonderlijke gemeenten, of de doelen worden bereikt en hoe erop gestuurd kan worden?

De verantwoordelijkheid voor het lokale jeugdbeleid is van oudsher een taak van de gemeenten. Met de op handen zijnde «stelselwijziging jeugd» zal de uitvoering van de jeugdzorg verder worden gedecentraliseerd; alle ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen wordt straks door de gemeenten verzorgd.

Het is in deze situatie primair de verantwoordelijkheid van gemeentebesturen om te beoordelen hoe de CJG’s in hun gemeente functioneren. De Gemeentewet biedt hiervoor het wettelijk kader.

De verantwoordelijke bewindspersoon, in casu de staatssecretaris van VWS, is (mede) aanspreekbaar op de resultaten (in de zin van maatschappelijke effecten) van het CJG. Hij/zij moet de Tweede Kamer informatie kunnen verschaffen over de voortgang en de effectiviteit van zijn/haar beleid.

Het wettelijk kader hiervoor is de beoogde Jeugdwet, waarin de taken die in CJG-verband worden uitgevoerd, zullen worden vastgelegd.

Het is nog onduidelijk hoe gemeenten zich zullen gaan verantwoorden over hun nieuwe taken in de jeugdzorg en hoe het toezicht er precies uit komt te zien. Het toezicht is vooral van belang om de kwaliteit van de jeugdzorg en -hulpverlening te kunnen bewaken. Wij vinden het essentieel dat gemeenten zich op een eenduidige manier gaan verantwoorden. Alleen dan kunnen gemeenten met elkaar worden vergeleken. Dat is nodig om een goed beeld te krijgen van de effectiviteit van het jeugdbeleid.

In reactie op ons onderzoek heeft de (demissionaire) staatssecretaris van VWS laten weten dat in april 2012 een begin is gemaakt met het project «Indicatoren lokale zorg voor zorg» van het Nederlands jeugdinstituut. Dit project loopt tot eind 2013 en is onderdeel van een breder beleidsinformatieproject waarbinnen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Ministeries van VWS en VenJ samen vaststellen welke informatie gemeenten en het Rijk nodig hebben om hun verantwoordelijkheid waar te maken.

Zie ook ons antwoord op vraag 3.

Vraag 3

Welke informatie heeft de staatssecretaris volgens de Algemene Rekenkamer precies nodig voor het waarmaken van haar verantwoordelijkheid?

Wij hebben in ons rapport aangegeven dat wij vinden dat de staatssecretaris van VWS duidelijk moet maken welke informatie hij/zij van de gemeenten wil ontvangen voor het waarmaken van zijn/haar verantwoordelijkheid en hoe hij/zij deze informatie gaat verwerven.

In eerder onderzoek hebben wij erop gewezen dat het niet altijd noodzakelijk is om beleidsinformatie van elke gemeente te vragen; soms volstaat een steekproefsgewijs onderzoek naar de prestaties in een beperkt aantal gemeenten. Ook door gebruik te maken van al bestaande beleidsinformatie en door zoveel mogelijk aan te sluiten bij de begrotings- en verantwoordingsinformatie van gemeenten, kan op vrij eenvoudige wijze beleidsinformatie worden verzameld.

Op dit moment circuleert voor consultatie het conceptwetsvoorstel Jeugdwet (concept van 18 juli 2012). In het wetsvoorstel is een regeling opgenomen waarin wordt bepaald dat er gegevens worden verzameld voor de beoordeling van de doelmatigheid (output) en doeltreffendheid (outcome) van het jeugdbeleid (i.e. het beleid rond jeugdhulp, jeugdreclassering, kinderbescherming, justitiële jeugdinrichtingen enzovoort). Bij algemene maatregel van bestuur zal worden bepaald welke gegevens door gemeenten moeten worden verstrekt, alsmede de wijze waarop en de termijnen waarbinnen dat moet gebeuren.

Vraag 4

Waarom is niet bekend hoeveel geld de onderzochte gemeenten aan eigen middelen hebben uitgegeven aan een CJG? Bent u bereid dit alsnog te doen en zo neen, waarom niet?

Veel van de onderzochte gemeenten hebben ons te kennen gegeven dat deze vraag niet of lastig te beantwoorden is. Gemeenten die hierover informatie hebben verschaft gaven aan dat zij de volledigheid daarvan niet konden garanderen. Eén van de gemeenten lichtte dit als volgt toe:

«Het CJG is geen organisatorische eenheid met duidelijk afgebakende grenzen maar een netwerkorganisatie. Als zou worden uitgegaan van de besteding van de BDU-middelen1 dan worden de activiteiten gemist die een CJG-karakter hebben maar die uit andere middelen en onder andere programma’s worden gefinancierd (denk bijvoorbeeld aan de inzet in het schoolmaatschappelijk werk). Maar als al die activiteiten met een CJG-gerelateerd karakter meegenomen moeten worden dan is er volgens de gemeente geen duidelijke grens te trekken.»

Aanvullend onderzoek in gemeenten behoort tot de bevoegdheid van de gemeentelijke rekenkamer(commissie)s. Maar dergelijk onderzoek zou – omdat de gewenste informatie speciaal voor dit doel samengesteld zou moeten worden – veel inspanning vragen.

Als op landelijk niveau een financieel kader met een bijbehorend verantwoordingsinstrumentarium wordt ontwikkeld (zoals wij in ons rapport hebben aanbevolen), biedt dit mogelijkheden om duidelijke afspraken te maken over welke activiteiten en geldstromen in CJG-verband moeten worden geregistreerd. Dan kan eenvoudiger worden vastgesteld waar de bestede gelden vandaan komen. Bovendien kunnen gemeenten zich dan vergelijken met andere gemeenten (benchmarking).

Vraag 5

Wat zijn de verschillen tussen de gemeenten in de manier van financiering van een CJG?

De verschillen in de manier waarop gemeenten hun CJG’s financieren hangen enerzijds samen met de vrijheid die zij hebben bij de inrichting van hun jeugdbeleid, anderzijds met de beschikbaarheid van geldstromen die zij hiervoor kunnen aanwenden.

Sommige van de door ons onderzochte gemeenten ontvangen in het kader van het grotestedenbeleid bijvoorbeeld gelden voor wijkontwikkeling, die zij naar eigen keuze (deels) kunnen inzetten voor CJG-activiteiten respectievelijk lokaal jeugdbeleid. Andere gemeenten krijgen gelden van hun provincie voor bijvoorbeeld pilotprojecten of taken op het raakvlak met de provinciale jeugdzorg.

Verschillen in de wijze van financiering van CJG’s ontstaan ook doordat gemeenten zelf kunnen bepalen hoe en in welke verhouding zij de door het Rijk verstrekte Brede Doeluitkering Jeugd en Gezin (bestaande uit een jeugdzorgdeel en een Wmo-deel) besteden.

Vraag 6

Wat zijn de verschillen tussen de gemeenten in de uitgaven aan (de vorming van) CJG’s?

De uitgaven die gemeenten doen voor de vorming van CJG’s zijn afhankelijk van de lokale uitgangssituatie en ook van eigen keuzes die gemeenten maken («maatwerk») als het gaat om de inrichting van het CJG en de activiteiten die in CJG-verband zullen worden aangeboden.

Sommige gemeenten hebben bijvoorbeeld aansluiting gezocht bij een bestaande lokale infrastructuur (zoals een jongerenloket, een consultatiebureau of een Wmo-loket), terwijl andere gemeenten een nieuwe structuur hebben opgebouwd, soms ook op een nieuwe locatie.

Ook het bij de start bestaande aanbod van activiteiten kan van invloed zijn op de uitgaven die gemeenten doen. In sommige gemeenten uit ons onderzoek functioneerden bijvoorbeeld al een aantal jaren gezinscoaches, gefinancierd uit reguliere gelden; in andere gemeenten werd deze activiteit pas sinds kort uit de Brede Doeluitkering Centra voor Jeugd en Gezin ingekocht.

Dat gemeenten geldstromen verschillend inzetten komt ook doordat er vaak geen harde grens is te trekken tussen het CJG-beleid en het bredere jeugdbeleid. Een lespakket voor scholen om jongeren te leren bewust met geld om te gaan bijvoorbeeld, kan worden gefinancierd vanuit het CJG (preventief aanbod), maar ook vanuit het onderwijs.

Vraag 7

Twee derde van de onderzochte gemeenten heeft een CJG-begroting gemaakt. Hoe hebben de overige een derde van de onderzochte gemeenten het CJG begroot?

Bij gemeenten zonder CJG-begroting maken de kosten van (activiteiten in) het CJG veelal deel uit van een of meer bredere programmabegrotingen. Datzelfde geldt overigens voor de gemeenten die wel een aparte CJG-begroting hebben, maar daarin alleen de kosten van de ontwikkeling van het CJG en de structurele kosten van het CJG-inlooppunt hebben opgenomen. Ook bij hen maken de kosten van de producten die in het CJG worden aangeboden deel uit van een of meer programmabegrotingen.

Vraag 8

Welke voor- en nadelen kleven volgens de Algemene Rekenkamer aan een aparte CJG-begroting?

Wij vinden het belangrijk dat de gemeente – voor een goede vervulling van haar regierol – inzicht heeft in het beschikbare budget, de gerealiseerde uitgaven en de geleverde prestaties en effecten. Dat inzicht is op verschillende manieren te creëren. In een aparte CJG-begroting staat alle informatie over zaken die met het CJG te maken hebben bij elkaar. Maar het is ook mogelijk om alle aan het CJG gerelateerde informatie binnen de programmabegrotingen herkenbaar te maken, zodat deze informatie eenvoudig bij elkaar te brengen is.

Wanneer gemeenten dezelfde keuzes maken bij het registreren van wat tot het CJG behoort (in een aparte CJG-begroting óf binnen de programmabegrotingen), heeft dat als bijkomend voordeel dat gelegenheid ontstaat tot benchmarking (zie ook ons antwoord op vraag 4).

Vraag 9

Hoeveel provincies en welke hebben geld (eigen middelen) uitgegeven aan een CJG?

Dit is ons niet bekend. Provincies waren niet betrokken in het onderzoek.

Vraag 10

Hoeveel (eigen) middelen van provincies, stadsregio’s en gemeenten zijn er in totaal extra naar CJG’s gegaan? Als dit niet bekend is, bent u bereid dit te onderzoeken?

Zie onze antwoorden op de vragen 4 en 9.

Vraag 11

Waarom is er veel onduidelijkheid over wat is toegestaan bij het uitwisselen van informatie tussen professionals?

De onduidelijkheid komt voor een deel voort uit onwetendheid over wat wettelijk is toegestaan bij de uitwisseling van cliëntinformatie tussen professionals onderling. Wij hebben vastgesteld dat vooral het medisch beroepsgeheim ervoor zorgt dat onder meer medewerkers in de geestelijke gezondheidszorg en de jeugdgezondheidszorg zich hierdoor belemmerd voelen.

Daarnaast is de bereidheid tot het delen van informatie ook afhankelijk van de vraag in hoeverre participanten aan het CJG elkaar als partners ervaren. In ons rapport kunt u lezen dat ons enkele malen is gemeld dat instellingen elkaar (en het CJG zelf) als concurrent zien en daarom afzien van informatie-uitwisseling.

Ten slotte speelt mee dat bijvoorbeeld scholen niet altijd goed weten wat het CJG is en dat er geen afspraken zijn gemaakt over de wijze waarop informatie wordt gedeeld.

Vraag 12

Hoe is de zorgcoördinatie geregeld in gemeenten waar geen casusregisseur of een vergelijkbare functie is?

Wanneer een gemeente geen casusregisseur heeft aangewezen die belast is met de inhoudelijke coördinatie van de zorg, impliceert dit niet dat er geen procesmatige zorgcoördinatie tot stand komt. In de onderzochte gemeenten die niet werken met een vaste casusregisseur, is wel schriftelijk vastgelegd hoe de zorgcoördinatie dient te verlopen. In een aantal gemeenten hebben we gezien dat medewerkers van de GGD, als grootste en meest betrokken zorgaanbieder, met de procesmatige zorgcoördinatie zijn belast.

Overigens worden begrippen als zorgcoördinator, zorgregisseur en casusregisseur door gemeenten verschillend gebruikt.


X Noot
1

BDU: Brede Doeluitkering.

Naar boven