A
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 7 januari 2009
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen
op 19 januari 2009.
De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal
wordt onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door
ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de
Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 18 februari 2009.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste
lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State
gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen
het op 28 april 2004 te Brussel totstandgekomen Akkoord tussen de lidstaten
van de Europese Unie betreffende de vorderingen van een lidstaat tegen een
andere lidstaat ter zake van schade aan goederen die zijn eigendom zijn of
door hem worden gebruikt of geëxploiteerd, dan wel van letsel of overlijden
van een militair of een lid van het burgerpersoneel van strijdkrachten in
het kader van een EU-crisisbeheersingsoperatie (Trb. 2004, 162).
Een toelichtende nota bij het verdrag treft u eveneens hierbij aan.
De goedkeuring wordt alleen voor Nederland gevraagd.
De minister van Buitenlandse Zaken,
M. J. M. Verhagen
TOELICHTENDE NOTA
Inleiding
Op 28 april 2004 kwam in Brussel een Akkoord tot stand tussen de
lidstaten van de Europese Unie betreffende de vorderingen van een lidstaat
tegen een andere lidstaat ter zake van schade aan goederen die zijn eigendom
zijn of door hem worden gebruikt of geëxploiteerd, dan wel van letsel
of overlijden van een militair of een lid van het burgerpersoneel van zijn
strijdkrachten in het kader van een EU-crisisbeheersingsoperatie (Trb. 2004, 162).
Dit verdrag regelt claims van de ene EU-lidstaat op een andere lidstaat
als gevolg van schade aan eigendom van die lidstaat of verwonding of overlijden
van civiel of militair legerpersoneel van de lidstaat in de context van een
EU-crisisbeheersingsoperatie. Kern van de voorliggende overeenkomst is dat
lidstaten afzien van claims tegen andere lidstaten in geval van beschadiging
van eigendommen of overlijden van civiel of militair personeel van de strijdkrachten.
Hetzelfde geldt voor schade die in internationale wateren wordt opgelopen,
mits de betreffende objecten betrokken waren bij de uitvoering van een crisisbeheersingsoperatie
van de EU.
De voorliggende overeenkomst bouwt voor wat betreft de «waivers
and immunities» voort op de in 2003 tot stand gekomen EU-SOFA (zie hieronder),
die de status van troepen regelt binnen het grondgebied
van de EU. Een crisisbeheersingsoperatie van de EU onder het Gemeenschappelijk
Buitenlands en Veiligheids Beleid (GBVB) vindt echter altijd plaats buiten het grondgebied van de EU.
Vraagstukken van aansprakelijkheid en hoogte van een eventuele schadevergoeding
zal tussen de betrokken lidstaten onderling worden vastgesteld, tenzij anders
overeengekomen.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1 definieert een aantal relevante begrippen.
In artikel 2 wordt vastgelegd op welk soort EU-operaties het verdrag van
toepassing is. Het artikel verwijst ter zake naar artikel 17, tweede lid,
van het op 7 februari 1992 te Maastricht tot stand gekomen Verdrag betreffende
de Europese Unie (Trb. 1992, 74; hierna te noemen:
VEU). Voor operaties op het grondgebied van de EU-lidstaten is van toepassing
het op 17 november 2003 te Brussel tot stand gekomen Akkoord tussen de
lidstaten van de Europese Unie betreffende de status van militairen (Trb. 2004, 142; hierna: EU-SOFA). Het onderhavige verdrag
beoogt de schadeclaims te regelen die voortkomen uit EU-operaties die plaatsvinden
buiten dat grondgebied, dus in derde landen of op volle zee.
In artikel 3 wordt vastgelegd dat de lidstaten alleen schadevergoeding
van een andere lidstaat zullen vragen ingeval van grove nalatigheid of opzettelijk
wangedrag.
In artikel 4 wordt nader bepaald dat de lidstaten afzien van claims tegen
een andere lidstaat indien de schade optrad als gevolg van de uitoefening
van taken in het kader van opdrachten bedoeld in VEU artikel 17, tweede lid,
of door gebruik van een transportmiddel (voertuig, vaartuig of luchtvaartuig)
in het kader van die opdracht, een en ander weer behoudens gevallen van grove
nalatigheid of opzettelijk wangedrag, bedoeld in artikel 3. In
het tweede lid wordt nader bepaald dat deze regel ook van toepassing is in
geval van een maritieme berging.
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het
uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vijfde lid
jo vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State).
Artikel 5 geeft andere regels over de bepaling van de schade in geval
de uitzonderingen van artikel 3 en 4 niet van toepassing zijn.
Artikel 6 bepaalt dat de bepalingen van dit verdrag niet ingeroepen kunnen
worden als argument om schadevergoeding te weigeren aan een derde land (een
land niet zijnde partij bij dit verdrag) bij schade ontstaan aan transportmiddelen
die ten behoeve van de betrokken EU-operatie gehuurd of geleased werden van
dat land.
Indien tussen de EU-lidstaten geen overeenstemming kan worden bereikt
over de afwikkeling van een vordering, bepaalt artikel 7 dat het geschil kan
worden voorgelegd aan een arbiter die in onderlinge overeenstemming gekozen
wordt uit onderdanen van de betrokken lidstaten die een vooraanstaande rechterlijke
functie vervullen. Bij het ontbreken van een zodanige onderlinge overeenstemming
kan ieder van beide landen de president van het Hof van Justitie van de EU
verzoeken een zodanig persoon aan te wijzen.
Blijkens artikel 8 zal het verdrag in werking treden op de eerste dag
van de tweede maand na mededeling van de laatste lidstaat, dat voldaan werd
aan de nationale procedures voor inwerkingtreding van het verdrag. In een
verklaring die aan het verdrag gehecht is, nemen de lidstaten op zich ernaar
te streven zo snel mogelijk aan deze voorwaarden te voldoen, opdat het verdrag
spoedig in werking kan treden. Van de 15 EU-lidstaten die het verdrag op 28 april
2004 ondertekenden, hebben er op dit moment vijf EU-lidstaten (Finland, Luxemburg,
Oostenrijk, het Verenigd Koninkrijk en Zweden) die kennisgeving gedaan. Daarnaast
hebben 12 nieuwe EU-lidstaten deze mededeling eveneens gedaan.
Koninkrijkspositie
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, zal het verdrag alleen voor
Nederland gelden.
De minister van Defensie,
E. van Middelkoop
De minister van Buitenlandse Zaken,
M. J. M. Verhagen