31 822
Wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten in verband met de herziening van de functie- en bezoldigingstructuur voor rechterlijke ambtenaren

nr. 5
VERSLAG

Vastgesteld 19 maart 2009

De vaste commissie voor Justitie1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

1. Algemeen

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Om het werk in de rechterlijke organisatie ook voor de toekomst aantrekkelijk te houden, is het goed dat de vakinhoudelijke loopbaan van rechterlijke ambtenaren wordt versterkt. Dit geeft een extra uitdaging om door te groeien in de rechterlijke organisatie en het openbaar ministerie. Wel vragen genoemde leden of de aantrekkelijkheid van de rechterlijke macht zo tanende is, dat dit een aanpassing van de structuur rechtvaardigt? Met andere woorden, hoe nijpend is de situatie?

Daarnaast is het natuurlijk een goede zaak dat de mobiliteit tussen de gerechten wordt bevorderd. Wel merken de leden van de CDA-fractie op dat het doorstromen naar nieuwe functies met name zou moeten liggen in het vakinhoudelijk aantrekkelijk maken van de functies van rechter en officier van justitie en niet zozeer in het creëren van (extra) managementfuncties. Deelt de regering deze visie?

Kan geschetst worden in hoeverre de herziening leidt tot een toename van het aantal managementfuncties? Zou de regering dat geen onwenselijke ontwikkeling vinden? Is de regering niet bevreesd dat door de nadruk op het mogen besturen de aandacht wordt afgeleid van de kerntaken van de rechterlijke organisatie en het openbaar ministerie (namelijk het recht spreken, het opsporen en het vervolgen). Genoemde leden hebben daarbij behoefte aan een antwoord op de vraag hoe deze voorstellen zich verhouden tot de ontwikkelingen in de zorg, het onderwijs en bij de politie, waar men juist snijdt in het aantal managementfuncties, omdat men meer mensen voor de klas, op straat en aan het bed wil hebben. Is het niet zo dat de aantrekkelijkheid van het vak van rechter of officier vooral moet worden gevonden in de carrièrremogelijkheden op basis van de inhoud het vak?

De leden van de CDA-fractie constateren dat het wetsvoorstel niet ziet op de functies bij de Hoge Raad en de rechterlijke ambtenaren in opleiding. Waarom is niet de kans gegrepen om ook hier de carrièremogelijkheden te verbeteren?

De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij hebben hierover nog enige opmerkingen en vragen.

Deze leden maken zich zorgen over het de verdere hiërarchische opdeling van het openbaar ministerie en de rechterlijke macht. Een toenemende hiërarchie kan leiden tot gedrag dat gericht is op het in de smaak vallen bij superieuren in plaats van het ontwikkelen van kritische meningen. De leden vragen de regering of zij dit gevaar onderkent? Op welke wijze zal er op worden toegezien dat pluriformiteit en kritische benadering gewaarborgd zal worden.

Kan de regering aangeven of de toename van hiërarchische verhoudingen ook zal leiden tot een andere promotiebeleid? Op welke wijze zal toegezien worden op een transparant promotiebeleid? Is het in de nieuwe functie-indeling ook mogelijk om een slecht functionerende rechterlijke ambtenaar, tijdelijk of permanent, in een lagere functie te plaatsen dan de functie die op dat moment wordt bekleed? Ziet de regering mogelijkheden om de eerder door de SP fractie voorgestelde onafhankelijke toetsingscommissies bij de gerechten een rol te laten spelen bij het promotiebeleid van de rechterlijke macht?

De leden van de SP fractie zien graag bij aanvang van de nieuwe functie-indeling een cijfermatige inventarisatie van het aantal personen dat in iedere functie werkzaam zal zijn. Op die manier is er een nulmeting en dit kan in de toekomst behulpzaam zijn om de ontwikkelingen bij de gerechten en het openbaar ministerie te volgen. Kan de regering dit toezeggen?

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij hebben enkele vragen.

Deze leden constateren dat senioriteit heel erg op de voorgrond treedt. De regering is toch nog wel van mening dat kwaliteit van de persoon voorop dient te staan?

2. De functies bij de gerechten

De leden van de CDA-fractie zeggen met verbazing te constateren dat een nieuwe functie wordt gecreëerd, de functie van senior rechter A. Aan welke verzwarende inhoudelijke taken kan, naast de in de toelichting, worden gedacht bij de functie van senior rechter A? En waarom is gekozen voor de vreemde benaming «senior rechter A»? Een dergelijke term wekt de verwachting dat er ook een senior rechter B of C zou zijn.

Genoemde leden hebben behoefte aan een nadere toelichting op de gedachte achter het vervallen van de rang van gerechtsauditeur, terwijl aan de andere kant weer wel de functie van senior-gerechtsauditeur wordt geïntroduceerd?

De leden van de VVD-fractie merken op dat bij het rechterlijk ambt er senior raadsheren komen, die de functies van vice-president en coördinerend vice-president over zullen nemen. De senior raadsheer krijgt een zwaarder takenpakket dan de normale raadsheer. Deze leden vragen zich af hoeveel senior raadsheren er per gerecht en per afdeling zullen zijn. Kan het zo zijn dat er straks meerdere mensen voor dezelfde functies zijn. Hoe zal dat in de praktijk gaan werken? Is het ook mogelijk om niet-functionerende senioren weer lager in te schalen?

Begrijpen de leden van de VVD-fractie het goed dat er geen enkele rechterlijke ambtenaar wat betreft salaris op achteruit gaat bij de invoering van de wet?

3. De functies bij het openbaar ministerie

De leden van de VVD-fractie constateren dat ook bij openbaar ministerie er senior Officieren van Justitie komen en daarboven nog de functie van senior A. Deze leden vragen hoeveel van deze functies er zullen gaan bestaan. Hoe er uitgezocht wordt wie op welke functie ingeschaald moet worden en of het mogelijk is om niet presterende personen ook weer een functie lager in te schalen?

4. Overig

De leden van de CDA-fractie hebben behoefte aan de budgettaire consequenties van de voorgestelde wijzigingen. Zij kunnen zich niet voorstellen dat de beoogde herziening uiteindelijk niet toch meer kosten met zich gaat brengen, nu immers ook een aanpassing van de salariscategorieën wordt voorgesteld. Graag ontvangen zij een onderbouwde reactie op dit punt.

De aan het woord zijnde leden hebben ook behoefte aan een toelichting op de voorgestelde mobiliteitstoeslag. Welke budgettaire consequenties heeft dit voorstel? Welke aanvullende afspraken zijn er gemaakt over de rechtspositie van gerechtsbestuurders? Waarom is er bijvoorbeeld een afbouwregeling overeengekomen voor rechterlijke gerechtsbestuurders die voor een aaneengesloten periode van ten minste zes jaar als bestuurder gediend hebben? Wat zijn de budgettaire consequenties daarvan?

De leden van de VVD-fractie merken op dat er maatregelen worden getroffen betreffende de mobiliteit tussen gerechten. Deze leden vragen wat deze maatregelen, behalve de toeslag, inhouden. Voorts vragen zij of er een verband is van de concentratie en specialisatie van rechters, met de regelingen over de mobiliteit tussen de gerechten en wat dat verband dan is. Wordt er rekening gehouden met deze beginselen en waar komt dit uit naar voren? Voorts vragen deze leden of en hoe er rekening gehouden wordt met onregelmatige werktijden. Voor wie gelden deze afspraken? Voor alleen leden van de zittende of ook voor leden van de staande magistratuur?

Er zijn door het Sectoroverleg Rechterlijke Macht enkele aanvullende afspraken gemaakt. De leden van VVD-fractie vragen wat deze afspraken (concreet) inhouden.

Er zullen voor de gerechten beperkte extra kosten zijn. Is dit een schatting of is dit zeker? Als het niet zeker is, is het dan niet handig om er vast een kleine reserve voor mogelijke problemen achter de hand te houden, zo vragen deze leden.

De voorzitter van de commissie,

De Pater-van der Meer

De griffier van de commissie,

Nava


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), roorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), De Krom (VVD), Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA), Anker (CU), Heemelaar (GL) en Vacature (algemeen).

Plv. leden: Sterk (CDA), Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Smeets (PvdA), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Roemer (SP), Vacature (SP), De Vries (CDA), Weekers (VVD), Dijsselbloem (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Fritsma (PVV), Koşer Kaya (D66), Gill’ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Vacature (SP), Bouchibti (PvdA), Van Haersma Buma (CDA), Slob (CU), Vacature (GL) en Halsema (GL).

Naar boven