31 821
Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enige andere wetten onder meer in verband met de verbetering van het bestuur bij de instellingen voor hoger onderwijs, de collegegeldsystematiek en de rechtspositie van studenten (versterking besturing)

nr. 7
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 29 april 2009

1. Inleiding

De leden van de verschillende fracties ben ik erkentelijk voor hun inbreng. Ik constateer met vreugde dat de leden van de CDA-fractie positief staan tegenover de gedachten die ten grondslag liggen aan onder andere de strikte interne scheiding tussen bestuur en toezicht, de vereenvoudiging van de regelgeving, het verduidelijken van de rechten en plichten van studenten, de kwaliteitsborging en de wijziging in de collegegeldsystematiek. Zij hebben nog wel vragen over de diverse voorstellen die in dit wetsvoorstel zijn opgenomen. Daarnaast vragen zij aandacht voor enkele zaken die niet in dit wetsvoorstel zijn opgenomen, zoals de benoemingsprocedures bij bijzondere leerstoelen aan rijksuniversiteiten, de positie van bijzondere universiteiten en de macrodoelmatigheid.

De leden van de PvdA-fractie geven aan het uitgangspunt te ondersteunen dat verschillende aspecten binnen het hoger onderwijs versterking behoeven. Zij merken op dat niet alleen bestuurlijk voldoende waarborgen moeten worden ingebouwd voor goed bestuur en toezicht maar ook als het gaat om de rechtspositie van studenten en personeel. Ik stel met genoegen vast dat het de leden van deze fractie tevreden stemt dat dit wetsvoorstel daar ruimschoots nader op in gaat. Zij hebben nog wel vragen en opmerkingen bij de diverse onderdelen van het voorliggende wetsvoorstel.

Ik begrijp dat de leden van de SP-fractie van mening zijn dat er financiële barrières worden opgeworpen voor het volgen van een tweede studie en dat zij vrezen dat zo talent wordt verspild. Ik lees dat zij ook daarnaast nog enkele vragen en opmerkingen hebben.

Dat de leden van de VVD-fractie het uitgangspunt onderschrijven dat de voorwaarden voor een goed bestuur, een goede positie van studenten, het bevorderen van onderwijskwaliteit en de internationale positie van het hoger onderwijs, prioriteit verdienen, stemt mij tevreden. Zij zijn wel van mening dat de regering de instellingen meer zou kunnen prikkelen hier invulling aan te geven door ze te bekostigen op kwaliteit en ze meer ruimte te geven voor differentiatie en selectie. Zij stellen onder andere daarover een aantal vragen.

De leden van de D66-fractie stellen vragen in verband met het iudicium abeundi, het instellingscollegegeld voor tweede studies en de verlenging van de master.

De leden van de ChristenUnie-fractie geven, evenals de leden van de SGP-fractie, met belangstelling te hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel.

Ik zal hierna, mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ingaan op de vragen die leven bij de leden van de verschillende fracties. Ik volg daarbij de indeling van het verslag.

2. Achtergronden

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de regering ervoor gekozen heeft om een aantal belangrijke zaken die samenhangen niet in het wetsvoorstel te regelen, bijvoorbeeld het vervolg op ruim baan voor talent, alsmede de bekostigingssystematiek.

Het wetsvoorstel bevat een groot aantal onderwerpen. Deze kunnen in onderlinge samenhang worden bezien. In de Strategische Agenda zijn deze onderwerpen al aangekondigd. De beleidsontwikkeling ten aanzien van het in de vraag genoemde voorbeeld «ruim baan voor talent» maar ook bijvoorbeeld de herinrichting van het accreditatiestelsel is nog niet ver genoeg gevorderd om opgenomen te kunnen worden in dit wetsvoorstel. Naar mijn idee, ondersteund door signalen uit het veld, is het van belang dat over de thema’s die wel zijn opgenomen in dit wetsvoorstel spoedig duidelijkheid komt. Het is niet gewenst daarmee te wachten tot de beleidsontwikkeling op de genoemde andere terreinen is afgerond. Naast dit praktische argument is er ook inhoudelijk geen noodzaak daarop te wachten. De desbetreffende onderwerpen hebben voldoende importantie voor een zelfstandig wetgevingstraject.

Dat de bekostigingssystematiek niet in dit wetsvoorstel is opgenomen, heeft een specifieke reden. Op grond van de WHW wordt de bekostigingssystematiek niet geregeld bij wet, maar bij algemene maatregel van bestuur, te weten het Uitvoeringsbesluit WHW 2008. De aanpassing van dit Uitvoeringsbesluit is in voorbereiding in nauw overleg met het veld. Ik heb u hierover separaat bij brief geïnformeerd. Met het veld is afgesproken dat de aangepaste bekostigingssystematiek in werking zal treden vanaf het kalenderjaar 2011. Volgens de planning zal het ontwerpbesluit komend najaar aan uw Kamer worden voorgelegd.

Wat zijn de gevolgen van de economische crisis voor de houdbaarheid van dit wetsvoorstel en de algemene maatregelen van bestuur die ermee samenhangen, willen deze leden verder weten. Zullen in de toekomst bepaalde aspecten aangepast moeten worden, bijvoorbeeld ten aanzien van het collegegeld?

De omgang met de economische crisis, inclusief de mogelijke gevolgen voor het hoger onderwijs, kent een eigen besluitvormingstraject. De regering is hierover separaat met uw Kamer in gesprek. Het creëren van goede checks and balances binnen de instelling, een goede positionering van de student binnen de instelling zowel in rechten als plichten, en het faciliteren van verdergaande internationalisering van het onderwijs – om enkele belangrijke aspecten uit het wetsvoorstel te belichten – zijn zaken die ongeacht de economische crisis van belang zijn.

De leden van de VVD-fractie vragen ook wanneer de regering het wetsvoorstel wil invoeren. Kunnen onderdelen afzonderlijk worden ingevoerd? Indien dit het geval is, dan vernemen deze leden graag welke en met welk tijdschema.

De oorspronkelijk beoogde datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel was 1 september 2009. Die datum is waarschijnlijk niet meer haalbaar. Ik acht het wenselijk bij de inwerkingtreding een onderscheid te maken naar de verschillende onderdelen van het wetsvoorstel. Rekening houdend met het beleid van de vaste verandermomenten – voor het hoger onderwijs zijn dat de natuurlijke momenten 1 januari en 1 september – zullen die voorstellen waarmee weinig of geen uitvoeringslasten gemoeid zijn of die facultatief van aard zijn zo spoedig mogelijk van kracht kunnen worden, waarbij afhankelijk van het onderwerp inwerkingtreding bij de aanvang van het kalenderjaar of bij de aanvang van het studiejaar zal plaatsvinden. Ten aanzien van de invoering van joint degrees is door het veld aangedrongen op spoed. Ik kan mij daar in vinden vanuit het oogpunt van de internationale herkenbaarheid van joint degrees en de stimulans die daarvan zal uitgaan. Op dit punt is afwijking van het uitgangspunt van vaste verandermomenten mijns inziens gerechtvaardigd en ik zal daarom een zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van dit voorstel na plaatsing in het Staatsblad bevorderen. De voorstellen die meer voorbereiding van de instelling vergen of die om een andere reden niet direct van kracht kunnen worden, zullen over het algemeen per 1 september 2010 in werking treden. De voorstellen met betrekking tot het collegegeld houden bijvoorbeeld nauw verband met de bekostigingssystematiek die volgens de planning van kracht zal worden met ingang van het kalenderjaar 2011. De bepalingen omtrent doorlopende inschrijving zullen naar verwachting later in werking treden en wel op het moment dat die redelijkerwijs uitvoerbaar zijn.

Voorts vragen de leden van de VVD-fractie wat de reactie van de regering is op de oproep van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) dat het profileringsfonds, het verhaalsrecht en het klachtenloket moeten zijn ingevoerd voor september 2010.

Anders dan deze leden aangeven stelt de VSNU niet dat het profileringsfonds, het verhaalsrecht en de vernieuwde rechtsbescherming moeten zijn ingevoerd voor september 2010, maar dat een invoeringstermijn van één jaar nodig is voor de inrichting van deze faciliteiten. Uitgaande van de oorspronkelijk beoogde datum van inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel van 1 september 2009 kwam de VSNU daardoor uit op september 2010. Ik heb er vanzelfsprekend begrip voor dat aanpassing en invoering van de genoemde faciliteiten na aanvaarding van het wetsvoorstel door de Tweede en Eerste Kamer nog de nodige voorbereiding binnen de instellingen vergen. Ik zal daarmee rekening houden bij de inwerkingtreding.

Deze leden willen weten waarop de regering de mening heeft gebaseerd dat de rechtsbescherming van de student voor verbetering vatbaar is. Zijn hier onderzoeken naar gedaan en zo ja, wat waren de uitkomsten?

Er waren verschillende signalen dat de rechtsbescherming van studenten onhelder en onvoldoende was geregeld. Zoals in de memorie van toelichting is vermeld, was het in de praktijk niet altijd helder – zelfs niet bij rechters – welke rechter aan zet was. Bovendien heeft het burgerlijk recht een hogere drempel dan het bestuursrecht om een geschil aanhangig te maken en kan maar beperkt getoetst worden.

Wat betreft het klachtrecht het volgende. Een van mijn voorgangers, minister Hermans, heeft indertijd een onderzoek laten doen door de inspectie naar het gebruik van klachtenregelingen in het hoger onderwijs. Daaruit bleek weliswaar dat een aantal instellingen een klachtenprocedure had ontwikkeld, maar niet allemaal. Dit acht ik te vrijblijvend. Omdat een van de uitgangspunten van dit wetsvoorstel de versteviging van de positie van de student is, wordt als onderdeel van de rechtsbescherming het klachtrecht nu wettelijk geregeld.

Ten slotte vragen de leden van de VVD-fractie welke gevolgen het wetsvoorstel budgettair heeft voor de hogescholen en universiteiten.

Het wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de rijksbegroting en de totale inzet van middelen van de rijksoverheid bestemd voor universiteiten en hogescholen. De omvang van de rijksbijdrage verandert niet als gevolg van de voorstellen omtrent het wettelijk en instellingscollegegeld. Die voorstellen leiden wellicht wel tot herverdeling tussen de instellingen.De budgettaire gevolgen voor afzonderlijke instellingen zijn afhankelijk van (nieuwe) keuzes die universiteiten en hogescholen maken over de omvang van het instellingscollegegeld en de (nieuwe) inzet van mensen en middelen zoals dat gegeven het aangepaste wettelijke kader aan de orde is. Er is op voorhand geen informatie per instelling te geven.

3. Goed bestuur

3.1 Scheiding bestuur en toezicht

De leden van de CDA-fractie vragen naar aanleiding van de opmerking dat de wettelijke verankering van de scheiding van bestuur en toezicht voor de hbo-instellingen geen gevolgen heeft omdat alle instellingen al een raad van toezicht hebben of zij daaruit mogen afleiden dat bij universiteiten hiervan nog geen sprake van is.

Het antwoord is nee. Ook alle universiteiten hebben een raad van toezicht. Voor de openbare universiteiten is dat sinds de Wet Modernisering universitaire bestuursstructuur (MUB) van 1997 al wettelijk geregeld.

Deze leden vragen verder of de regering kan aangeven hoe dit voorstel zich verhoudt tot het aanstaande wetsvoorstel maatschappelijke onderneming.

De Raad van State heeft onlangs een advies uitgebracht over het wetsvoorstel maatschappelijke onderneming. Pas nadat onder verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie het nader rapport is uitgebracht en het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer is ingediend, kan worden ingegaan op de inhoud van dat wetsvoorstel en de verhouding tot het voorliggende wetsvoorstel. Overigens is bij het opstellen van de tekst van het voorliggende wetsvoorstel vanzelfsprekend wel gekeken naar de tekst van het wetsvoorstel maatschappelijke onderneming zoals die luidde voordat het voorstel naar de Raad van State werd gezonden. Waar aan de orde, zoals bij de organisatie van het toezicht en de aanwijzing van een branchecode voor goed bestuur, is zoveel mogelijk voorkomen dat met dat wetsvoorstel spanning zou kunnen ontstaan.

De leden van de PvdA-fractie vragen waar de grens ligt tussen de wettelijke verankering van afspraken over «goed bestuur» en vastlegging daarvan in de gedragscode. Ook willen zij weten wie die grens vaststelt.

Het is de inzet van de regering waar mogelijk en verantwoord de instellingen zelf hun verantwoordelijkheid te laten nemen en invullen. In de wet worden in ieder geval de grondbeginselen zoals bijvoorbeeld het onderscheid tussen bestuur en toezicht verankerd. Het is en blijft tenslotte altijd de wetgever die beslist welke aspecten van bestuur, toezicht en medezeggenschap bij de wet moeten worden vastgelegd. De wetgever stelt dus de grens vast.

De leden van deze fractie wensen een nadere toelichting op de uitzonderingspositie die op dit moment wordt voorgesteld in het wetsvoorstel voor bijzondere instellingen. Deze zijn op dit moment uitgezonderd van de constructie waarin er sprake dient te zijn van een raad van bestuur en een raad van toezicht. Kan de regering toelichten hoe zij meent dat in een dergelijke situatie de onafhankelijkheid van toezicht binnen deze instellingen gewaarborgd kan worden? Deelt zij de mening dat deze vermenging tussen bestuur en toezicht onduidelijkheid schept? De leden wensen hier een nadere toelichting op te verkrijgen van de regering.

Het is een misverstand te menen dat binnen bijzondere instellingen sprake zou mogen zijn van een vermenging van bestuur en toezicht. Als een bijzondere instelling kiest voor het onderbrengen van bestuur en toezicht in één orgaan zal zij in het jaarverslag deze keuze moeten verantwoorden volgens het principe «pas toe of leg uit». De wijze waarop de functionele scheiding tussen bestuur en toezicht wordt gewaarborgd, moet in de structuurregeling zijn vastgelegd. Deze moet ter beoordeling aan de minister worden voorgelegd. Het is de verantwoordelijkheid van de instelling die voor het one tier model kiest om de zaken zo te regelen dat er geen onduidelijkheden ontstaan. Bij de toetsing van de deugdelijkheid van de wijze waarop dit is geschied, wordt zoals ook aangegeven in de memorie van toelichting gelet op de volgende aspecten:

• De toezichthouders moeten in de meerderheid zijn ten opzichte van de bestuurders;

• De voorzitter is altijd een toezichthouder;

• De toezichthouders moeten onafhankelijk ten opzichte van de bestuurders zijn. Zo mogen de bestuurders in ieder geval geen rol hebben op benoeming, schorsing of ontslag van de leden;

• De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van bestuurders moeten goed zijn gedefinieerd.

Voor de goede orde, de afwijking kan alleen betrekking op het raad van toezicht-college van bestuur-model; afwijkingen ten aanzien van de taken en bevoegdheden van toezicht en bestuur zijn niet mogelijk.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de definitie van deugdelijk en onafhankelijk toezicht. Wat betekent dit voor de profielschets van te benoemen leden? Welke criteria kunnen aan hen worden gesteld?

Er is sprake van deugdelijk toezicht indien de toezichthouders in staat zijn relevante informatie te verzamelen, te beoordelen en zo nodig om in te grijpen. De toezichthouders zijn onafhankelijk indien zij zonder last of ruggespraak, zonder onderlinge hiërarchische verhoudingen en zonder direct belang bij de instelling kunnen functioneren. De eisen die aan de afzonderlijke leden van een raad zijn te stellen, kunnen hieruit worden afgeleid; zij moeten professioneel, onafhankelijk en kritisch kunnen functioneren. Dit betekent voor de profielschets dat leden met verschillende expertise in de raad vertegenwoordigd moeten zijn. Te denken valt aan bestuurlijke ervaring, managementervaring in het bedrijfsleven of bij de (semi-)publieke sector, financiële expertise, een wetenschappelijke achtergrond, kunnen functioneren in (internationale) netwerken en dergelijke. Hoe dit per instelling wordt ingevuld, is afhankelijk van de specifieke situatie van de instelling.

Ook willen de leden van de VVD-fractie weten of het waar is dat toezichthouders nooit bestuursleden kunnen zijn. Wat verstaat de regering onder strikte scheiding van toezicht en bestuur? Zou dit niet impliciet moeten inhouden dat beide taken nooit onder één orgaan kunnen vallen? Deze leden vragen waarom dit dan toch mogelijk wordt gemaakt voor een bijzondere instelling. Waarom zou een bijzondere instelling dit minder strikt vorm hoeven te geven dan een openbare instelling, zo vragen deze leden.

De strikte scheiding tussen bestuur en toezicht, of die nu organiek is dan wel functioneel, betekent in alle gevallen dat een toezichthouder van een instelling nooit tegelijkertijd bestuurder van dezelfde instelling kan zijn. Onder de voorwaarden, genoemd in de memorie van toelichting en in antwoord op een eerdere vraag van de leden van de PvdA-fractie, kan ook bij een functionele scheiding tussen bestuur en toezicht de onafhankelijkheid van de toezichthouders ten opzichte van de bestuurders binnen één orgaan worden gewaarborgd. Er is dan ook geen sprake van dat een bijzondere instelling de scheiding tussen bestuur en toezicht minder strikt inhoud zou hoeven te geven dan een openbare instelling. Het kan wel op een andere manier maar moet even deugdelijk zijn.

Tot slot vernemen de leden van de VVD-fractie graag hoe toezicht op kwaliteit van onderwijs zich verhoudt tot de vrijheid van onderwijs.

In algemene zin bepaalt artikel 23, tweede lid, van de Grondwet dat het geven van onderwijs vrij is behoudens het toezicht van de overheid. Dat toezicht, ook wel aangeduid als het externe toezicht, dient er onder meer toe om de door de wetgever gestelde deugdelijkheidseisen ofwel eisen aan de kwaliteit van het onderwijs te bewaken. Het interne toezicht op de kwaliteit is een zaak van de instelling zelf. De wet schrijft weliswaar een scheiding tussen bestuur en toezicht voor maar de vrijheid van onderwijs is hierbij niet in het geding. Het voorschrift is geformuleerd als een regel voor het openbaar onderwijs en een bekostigingsvoorwaarde voor het bijzonder onderwijs.

De leden van de D66-fractie vragen met betrekking tot de scheiding van bestuur en toezicht waarom een uitzondering wordt gemaakt voor bijzondere instellingen. Kan de regering aangeven waarom bij deze instellingen, die toch ook worden bekostigd uit publieke middelen, deze scheiding van bestuur en toezicht minder wenselijk is, zo vragen deze leden.

Onder verwijzing naar mijn eerdere antwoorden op vragen van de leden van de PvdA- en die van de VVD-fractie onderstreep ik dat een scheiding van bestuur en toezicht bij bijzondere instellingen even wenselijk is als bij openbare instellingen. Onder voorwaarde dat de deugdelijkheid van die scheiding is gewaarborgd, kan wel voor een functionele in plaats van een organieke scheiding worden gekozen. Dat doet aan de wenselijkheid of liever de noodzaak van de scheiding van beide taken niets af.

De leden van de ChristenUnie-fractie verzoeken de regering nader toe te lichten op welke afwijkingen het «pas toe of leg uit»-principe van toepassing is. Betreft dit enkel de omstandigheid wanneer bestuur en toezicht in één orgaan worden verenigd, of kan dit ook betrekking hebben op andere afwijkingen van het voorgeschreven model, zo vragen zij.

Het is niet geheel duidelijk welke «andere afwijkingen» van het voorgeschreven model deze leden op het oog hebben. Het voorgeschreven model is dat van een organieke scheiding tussen bestuur en toezicht in twee afzonderlijke organen, te weten een college van bestuur en een raad van toezicht. De afwijking die daarvan voor bijzondere instellingen mogelijk is, omvat niet meer dan het toepassen van een functionele in plaats van een organieke scheiding. Alle overige voorschriften blijven onverkort van toepassing.

De leden van de SGP-fractie vragen hoeveel instellingen tot grote of zeer grote organisaties gerekend moeten worden en hoeveel instellingen als kleinere organisaties gelden. Deze leden vragen welke plaats het onderscheid tussen deze groepen heeft ingenomen bij de overwegingen om te komen tot een verbetering van het bestuur. Zij vragen of er ten aanzien van kleinere instellingen mogelijkheden voor een soepeler regime zijn.

In Kerncijfers 2003–2007 (OCW) wordt een indeling gehanteerd waarin hogescholen met minder dan 1000 studenten tot de kleine en die met meer dan 10 000 studenten tot de grote hogescholen worden gerekend. Er zijn 10 kleine en 13 grote hogescholen. Als die norm ook wordt gehanteerd voor de universiteiten, behoren alle bekostigde universiteiten tot de middelgrote en grote instellingen. Zeer grote instellingen zijn de Universiteit Utrecht met 29 000 studenten en de hogescholen InHolland, de Hogeschool van Amsterdam en de Hogeschool Rotterdam met ieder meer dan 30 000 studenten.

Het onderscheid tussen kleine en grote instellingen heeft geen directe rol gespeeld bij de overwegingen om te komen tot een verbetering van het bestuur. Wel is het bijzondere instellingen mogelijk gemaakt om het toezicht en het bestuur in één orgaan onder te brengen. Wellicht is dit voor kleinere instellingen – deze zijn allemaal bijzonder – organisatorisch gezien een eenvoudiger manier om toezicht en bestuur te scheiden. Voor het overige zie ik geen aanleiding voor een afwijkend regime.

3.2 Medezeggenschap

De leden van de CDA-fractie waarderen de versterking van de positie van de medezeggenschapsorganen waardoor ze meer in lijn zijn met de ontwikkelingen in het bedrijfsleven als positief, ofschoon deze leden menen dat meer bevoegdheden niet een garantie is om effectief invloed te kunnen uitoefenen. Dat is vooral afhankelijk van de werkwijze van de medezeggenschapsorganen en de houding van het college van bestuur. Indien beiden het belang van de instelling voorop stellen en een open houding over elkaars voornemens en zienswijzen aan de dag zullen leggen, zal sprake zijn van een meer effectieve beïnvloeding en meer gedragen beleidsvorming van het college dan op basis van de strikte wetgeving zou mogen worden verondersteld.

Ik ben het eens met de leden van de CDA-fractie dat het toekennen van meer bevoegdheden nog geen garantie is voor een betere medezeggenschap. Dat blijft afhankelijk van de inzet en instelling van de daarbij betrokken partijen.

De leden van de PvdA-fractie moedigen een verbetering van de medezeggenschap van studenten en personeel aan. Verankerd medezeggenschap draagt naar hun mening bij aan de kwaliteit van het onderwijs en bestuur en verbetert de betrokkenheid van alle lagen binnen een instelling voor hoger onderwijs. Toch vragen deze leden in hoeverre medezeggenschap voldoende vorm kan krijgen wanneer het sterk afhangt van de bestuurs- en medezeggenschapscultuur bij een instelling. Zij willen ook graag weten of de regering op dit moment zicht heeft op mogelijkheden voor het actief stimuleren van medezeggenschap zodat er geen sprake zal zijn van een papieren, maar van een reële versterking. Kan de regering voorts aangeven hoe de goede bestuurscultuur die noodzakelijk is voor de goede werking van de medezeggenschap versneld vormgegeven kan worden? En wat er gebeurt als die goede bestuurscultuur geen vorm krijgt?

De bestuurs- en medezeggenschapscultuur is een belangrijke factor overal waar medezeggenschap bestaat, of dat nu bij bedrijven, bij instellingen voor hoger onderwijs of bij andere instellingen is. Als die cultuur gebreken vertoont, zullen de voordelen van de medezeggenschap voor de instelling en voor de in het medezeggenschapsorgaan vertegenwoordigde groepen (in het hoger onderwijs: studenten en personeel) minder goed tot hun recht komen. Positieve effecten ten aanzien van interne kwaliteitszorg, inspraak, draagvlak van besluiten bij leden van de universitaire of hogeschoolgemeenschap, effectuering van rechten en plichten van haar leden en meer in het algemeen de countervailing power zullen dan minder optreden. Bij de bestuurs- en medezeggenschapscultuur gaat het vooral om het klimaat binnen een instelling waarin deelnemers aan bestuur en medezeggenschap de toegekende rechten, bevoegdheden en plichten uitoefenen. De instelling moet de medezeggenschapsorganen tijdig informeren en moet zorgvuldig omgaan met de adviezen van de medezeggenschapsorganen, waaronder begrepen een goede motivering waarom bepaalde adviezen niet worden gevolgd.

De medezeggenschapscultuur vormt onderwerp van instellingsbeleid. Het gaat om het creëren van voorwaarden om de medezeggenschap zo goed mogelijk tot zijn recht te laten komen. Dat beleid kan zonodig ook in een versneld tempo worden geëffectueerd. Daarbij kan gedacht worden aan nieuwe of andere mogelijkheden van het instellingsbestuur om deelname aan medezeggenschap te faciliteren, scholing te bevorderen en de voorlichting over de betekenis van medezeggenschap en de verkiezingen te faciliteren. Ook (potentiële) deelnemers aan de medezeggenschap kunnen bijdragen aan verbetering van de bestuurscultuur door te participeren in medezeggenschapsactiviteiten.

Met betere voorlichting is ook winst te behalen. Uit een onderzoek in 2002 naar de wijze waarop de medezeggenschap in het hbo functioneert blijkt onder meer de geringe belangstelling van vooral studenten voor medezeggenschap en het niet optimaal tijdig (en in iets mindere mate) volledig voorzien van informatie. Uit de evaluatie van de Wet Modernisering universitaire bestuursstructuur «Een gezonde spanning» uit 2005 blijkt dat veel studenten en personeel weliswaar menen dat hun belangen voldoende behartigd worden en dat zij voldoende invloed op het onderwijs hebben, maar dat zij niet op de hoogte zijn van wat medezeggenschapsraden doen. In mijn overleg met de HBO-raad en VSNU is dit onderwerp eerder aan de orde geweest. De HBO-raad en VSNU hebben aangegeven met studenten verder te willen overleggen over de wijze waarop de medezeggenschapscultuur binnen de instellingen kan worden verbeterd, bijvoorbeeld in de vorm van bekendheid van «best practices».

De leden van de PvdA-fractie zijn verder benieuwd op welke wijze wordt voorkomen dat er te grote verschillen optreden in de positie van een medezeggenschapsraad per instelling in het hoger onderwijs.

Dit wetsvoorstel heeft de harmonisatie tussen de medezeggenschapsbepalingen voor universiteiten en hogescholen verder vergroot. De informatie-, adviesen instemmingsrechten van de medezeggenschap zijn wettelijk gewaarborgd waardoor verzekerd is dat leden van medezeggenschapsraden in het hoger onderwijs in principe over gelijke basisbevoegdheden beschikken. De rechtsbescherming is eenduidig vormgegeven. Daarnaast bevat de WHW structuurbepalingen die voor alle universiteiten respectievelijk hogescholen gelijk zijn.

Ook willen deze leden weten of rechten, plichten en betrokkenheid van de medezeggenschapsraad voldoende worden verankerd.

Naar mijn stellige indruk is dat het geval. De rechten van de medezeggenschapsorganen beoog ik met dit wetsvoorstel te versterken. De informatie, advies- en instemmingsrechten van de medezeggenschapsorganen worden uitgebreid. Het keuzestelsel wordt geïntroduceerd bij de hogescholen en er is voorzien in een goede procesgang waardoor een onverhoopt geschil op een snelle en deskundige wijze kan worden beslecht. Aan rechten zijn ook plichten verbonden: het toekennen van een advies- of instemmingsrecht impliceert een taak voor het medezeggenschapsorgaan om een oordeel uit te spreken over een voorgenomen besluit van de instelling. De versterking van de positie van de medezeggenschap is niet een doel op zich. Het is een element in de versteviging van de checks and balances binnen de instelling. Wat betreft de betrokkenheid heb ik al eerder aangegeven dat bij wet de formele positie geregeld kan worden maar niet de vraag of en hoe personeel en studenten hun medezeggenschapspositie en -rol daadwerkelijk oppakken.

Ik verwijs tenslotte naar mijn eerdere opmerking dat VSNU en HBO-raad in overleg met studentenbonden willen bezien op welke wijze de medezeggenschapscultuur binnen instellingen kan worden verbeterd.

De leden van de PvdA-fractie wensen voorts een nadere toelichting op de betekenis van de volgende zinsnede in de memorie van toelichting (pagina 8): «Voor bijzondere instellingen is een afwijkingsmogelijkheid om, vanwege de eigen aard c.q. de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, van de medezeggenschapsvoorschriften gehandhaafd». Kan de regering toelichten tot hoe ver deze afwijking reikt?

Laat ik vooropstellen dat afwijking nooit zo ver kan gaan dat er geen medezeggenschap is. De reikwijdte van deze afwijkingsmogelijkheid is voor het overige niet in generieke zin vast te stellen. Van geval tot geval moet worden bezien of de eigen aard respectievelijk de godsdienstige of levensbeschouwelijke achtergrond van de instelling zich verzet tegen reguliere toepassing. De bijzondere instelling moet dat voldoende aannemelijk maken. Hiernaast zijn er procedurele voorwaarden in de wet opgenomen. Deze zijn ongewijzigd gebleven. De afwijkende medezeggenschapsregeling moet bij de bijzondere universiteiten worden opgenomen in de structuurregeling, bedoeld in artikel 9.51 van de WHW die ter beoordeling moet worden voorgelegd aan de minister. De minister kan binnen drie maanden na de ontvangst van de mededeling verklaren dat het bestuur bij de afwijking in redelijkheid geen beroep heeft kunnen doen op de eigen aard van de instelling of dat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De bijzondere hogescholen moeten bij een verzoek tot ontheffing van het naleven van de medezeggenschapsvoorschriften aantonen dat een tweederde meerderheid van zowel personeel als studenten die afwijking ondersteunt. Bovendien moet de hogeschool elke vijf jaar aan de minister bevestigen dat de gronden voor afwijking nog steeds aanwezig zijn en dat er nog voldoende ondersteuning van personeel en studenten is.

Kan de regering aangeven, zo willen de leden van de PvdA-fractie verder weten, of de harmonisatie van de regels betekent dat iedereen wat betreft de medezeggenschap op het beste niveau is gebracht of dat er ook instellingen zijn die met een minder stringent beleid te maken krijgen?

Het systeem van de medezeggenschap zoals opgenomen in de wet en het wetsvoorstel is naar mijn idee een gedegen, afgewogen stelsel van medezeggenschap met waarborgen voor goede «checks and balances». Dit laat onverlet dat een instelling vanwege de godsdienstige of levensbeschouwelijke achtergrond respectievelijk de eigen aard andere afwegingen kan maken. De wet voorziet in de mogelijkheid van afwijking van de medezeggenschapsvoorschriften op die grond. Dit hangt samen met artikel 23 van de Grondwet. In antwoord op de vorige vraag ben ik al op deze mogelijkheid ingegaan.

Deze leden vragen tenslotte of het ontbreken van voorschriften waarin een minimum aantal bijeenkomsten tussen de raad van toezicht en de medezeggenschapsraad wordt vereist, drempels kan opwerpen in het contact tussen beide. Kan de regering aangeven wat mogelijk de bureaucratische verzwaring zou zijn, indien er wel een minimumeis zou gelden met betrekking tot de vergaderfrequentie?

Aan de instellingen van hoger onderwijs is de nodige ruimte gelaten om zelfstandig het interne bestuurlijke proces in hun eigen bestuursreglement te regelen. De raad van toezicht overlegt hierover met de medezeggenschap. Die is dus direct betrokken bij onder andere het vaststellen van het aantal bijeenkomsten met de raad van toezicht. Voor zover een en ander wordt vastgelegd in het medezeggenschapsreglement of het bestuurs- en beheersreglement heeft de medezeggenschap zelfs instemmingsrecht. Wettelijk regelen van een minimumeis heb ik als onnodige en te gedetailleerde wetgeving beschouwd.

De leden van de SP-fractie vragen op welke manier de medezeggenschapsraad betrokken wordt bij fusies en samenwerking tussen instellingen. Wat is daarin haar wettelijke bevoegdheid, willen zij weten.

Fusies tussen instellingen leiden tot wijziging van het instellingsplan en het bestuursreglement; ten aanzien van beide documenten heeft de medezeggenschapsraad op grond van de wet instemmingsrecht. De medezeggenschapsorganen hebben bovendien adviesrecht ten aanzien van «aangelegenheden die de doelstellingen, het voortbestaan en de goede gang van zaken» betreffen binnen de universiteit of hogeschool.

Waarom is er voor de medezeggenschapsraad geen instemmingsrecht op de profielen van de raad van toezicht, vragen de leden van de SP-fractie vervolgens.

Het profiel van een raad leent zich niet voor een instemmingsrecht van een medezeggenschapsraad. De samenstelling en het profiel van de raad dienen een breder belang dan dat van personeel en studenten. En de leden moeten – zoals in antwoord op andere vragen aangegeven – zodanig geselecteerd worden dat in de raad de expertise en deskundigheid aanwezig zijn die de raad nodig heeft om zijn taak te vervullen: toezicht houden en goedkeuren verlenen aan belangrijke beslissingen. Instemmingsrecht van de medezeggenschap past hierbij niet. Instemmingsrecht van medezeggenschap is gericht op zaken op bovenindividueel niveau die direct gevolgen hebben voor personeel en/of studenten zonder dat daarmee medebestuur ontstaat en bij medezeggenschap in de vorm van instemmingsrecht op dit thema zou uitdrukkelijk sprake zijn van medebestuur.

Wordt, ingevolge dit wetsvoorstel, de medezeggenschap in het hbo gelijk aan die in het wetenschappelijk onderwijs, zo vragen deze leden. Indien dat niet het geval is, dan vernemen de leden graag waarin deze afwijkt en waarom.

Ja, voor de hogescholen en universiteiten gelden in principe dezelfde regels. Het belangrijkste verschil betreft het verschil in duiding van de medezeggenschapsorganen. Bij universiteiten zijn er wettelijk faculteiten voorgeschreven waaraan bevoegdheden zijn geattribueerd. Bij hogescholen bestaat een dergelijk inrichtingsvoorschrift niet. Vanuit het adagium «medezeggenschap volgt zeggenschap» is bij de universiteiten (bij een ongedeeld stelsel) naast de universiteitsraad ook een faculteitsraad voorgeschreven met geattribueerde bevoegdheden. Bij hogescholen bestaat een dergelijk bestuurlijk inrichtingsvoorschrift niet. Daar is daarom sprake van een medezeggenschapsraad (centraal niveau) met de mogelijkheid van een deelraad als binnen de hogeschool bevoegdheden worden overgedragen naar decentraal niveau. Om deze reden wordt in de toelichting regelmatig gesproken over «medezeggenschapsorganen» als algemene term voor de verschillende raden.

De leden van de SP-fractie vragen vervolgens of het medezeggenschapsorgaan recht krijgt op informatie over de beloningsverhoudingen voor alle functies. Wordt hiermee bedoeld dat via de medezeggenschapsraad alle beloningen van een instelling openbaar worden?

In het wetsvoorstel wordt geregeld dat ten minste eenmaal per jaar aan de medezeggenschap gegevens worden bekendgemaakt over de hoogte en inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken per groep van de in de instelling werkzame personen, de leden van het college van bestuur en de raad van toezicht. Dit sluit aan bij de regeling in de Wet op de ondernemingsraden waarvoor hetzelfde geldt sinds de invoering van de zogenoemde Wet Harrewijn. Het gaat hierbij niet om individuele aanspraken, maar om de regelingen en afspraken «per groep». Voor individuele beloningen geldt de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens (WOPT). Die bevat zoals vermoedelijk bekend is een verplichting tot openbaarmaking van de inkomens van het college van bestuur dan wel de centrale directie boven een jaarlijks vast te stellen normbedrag. Voor 2008 is dat 181 000 euro. Daarnaast geldt op grond van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs dat overeenkomstig artikel 383c van Titel 9 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek opgave moet worden gedaan van het bedrag van de bezoldiging voor iedere bestuurder. Dit bedrag wordt uitgesplitst naar periodiek betaalde beloningen, beloningen betaalbaar op termijn, uitkeringen bij beëindiging van het dienstverband en winstdelingen en bonusbetalingen. Dit moet dus per collegelid worden bekendgemaakt.

Een volgende vraag van deze leden is of de regering de mening deelt dat alle beloningen op instellingen voor hoger onderwijs onder een cao moeten vallen, dus ook die van het college van bestuur.

Ik deel deze mening niet. Ik wijs er daarbij op dat het college van bestuur het bevoegd gezag van de instelling vormt. Dat is een wezenlijk verschil met de situatie in het voortgezet onderwijs waarbij de directie soms ook wel college van bestuur wordt genoemd maar niet het bevoegd gezag is. In het hoger onderwijs ligt de bevoegdheid tot het vaststellen van het salaris van het college van bestuur dan ook niet op het niveau van de sociale partners – wat bij een cao het geval zou zijn – maar bij de raad van toezicht. In de toekomst worden de uitgangspunten en normering bij wet vastgelegd. De regelgeving die daarvoor centraal door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mevrouw Ter Horst, wordt ontwikkeld, zal ook gelden voor het onderwijs.

Waarom heeft de medezeggenschap geen instemmingsrecht op de beloning van het college van bestuur, zo vragen de leden van SP-fractie vervolgens.

De medezeggenschap heeft bevoegdheden als het gaat over beleid en beleidsvoornemens met een meer algemene werking. De medezeggenschap gaat niet over individuele aangelegenheden. Dat is voor beloning van individuele collegeleden niet anders. Bovendien zou instemmingsrecht een vorm van medebestuur impliceren terwijl dat uitdrukkelijk niet de bedoeling is. Om diezelfde reden is evenmin sprake van instemmingsrecht op de begroting.

Overigens geldt daar waar bij cao en bij het lokaal cao-overleg de onderwerpen uitputtend zijn geregeld evenmin instemmingsrecht van de medezeggenschap. Dat instemmingsrecht is er wel als een en ander niet uitputtend is geregeld maar ook in die situatie gaat het om het beleid ten aanzien van beloningen en niet om de individuele beloningen.

Ook willen deze leden weten hoeveel in 2007 uitgekeerd is aan bonussen in het hoger onderwijs.

Deze informatie is niet beschikbaar. De WOPT schrijft de instellingen voor hoger onderwijs niet voor om onderscheid te maken tussen salaris en bonussen. Wel schreef de Richtlijn jaarverslaggeving hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek sinds het boekjaar 2006 voor dat in de jaarstukken het bedrag van de bezoldigingen, met inbegrip van de pensioenlasten en van de andere uitkeringen van de afzonderlijke leden en gewezen leden van het College van bestuur en afzonderlijk van de afzonderlijke leden van de Raad van Toezicht, moest worden opgenomen. Het gaat hierbij om een totaalbedrag per lid. Met ingang van het verslagjaar 2008 zal het onderscheid tussen salaris en bonussen op basis van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs in de jaarverslaggeving van de instellingen wel moeten worden gemaakt. Het bedrag moet namelijk worden uitgesplitst in 4 categorieën: periodiek betaalde beloning, betaalbaar op termijn, uitkering bij beëindiging dienstverband en naar winstdeling en bonusbetalingen.

De leden van de SP-fractie vernemen graag of de regering de mening deelt dat bonussen in het hoger onderwijs onwenselijk zijn en vragen wanneer de regering komt met voorstellen om deze bonussen te stoppen.

Ik ben van mening dat een bezoldiging, waarvan ook bonussen deel uitmaken, boven de zogenaamde Balkenendenorm buitenproportioneel is. De beloning wordt immers gefinancierd uit de publieke middelen, bestemd voor de uitvoering van de publieke taak, dat wil zeggen: het verzorgen van onderwijs, verrichten van onderzoek en valorisatie. Als die situatie zich voordoet, treed ik in overleg met de betrokken instelling omdat ik vind dat een dergelijke beloning een te groot beslag legt op publieke middelen. Dat kan uiteindelijk resulteren in terugvorderen van een deel van de rijksbijdrage omdat er sprake is van een ondoelmatige besteding van rijksmiddelen. In het wetsvoorstel dat wordt voorbereid door Minister Ter Horst zal een maximumnorm worden geïntroduceerd. Die maximumnorm is inclusief bonussen en andere variabele beloningen.

De leden van de SP-fractie zien graag een verplichting voor het online zetten van het jaarverslag en jaarrekening. In dat jaarverslag zou ook het salaris van het college van bestuur moeten staan.

Op dit moment is het on-line zetten van jaarverslagen niet wettelijk voorgeschreven. De noodzaak hiervoor ontbreekt. Instellingen zetten over het algemeen hun stukken al op het web, daarnaast werkt de uitvoeringsorganisatie CFI aan een digitaal portaal waar de verslaggegevens terug te vinden zullen zijn. Bovendien sturen instellingen in het algemeen op verzoek hun jaarverslag en -rekening per post toe. De instellingen komen voorts onder de Handelsregisterwet te vallen waarmee ze ook verplicht zijn hun jaarstukken ter inzage bij de Kamer van Koophandel te leggen.

Sinds enige jaren zijn de instellingen voor hoger onderwijs verplicht in hun jaarverslaglegging de beloning voor de individuele leden van het college van bestuur op te nemen als die de zogenaamde WOPT-norm overschrijdt. Vanaf 2009 (het verslagjaar 2008) zijn alle onderwijsinstellingen verplicht hun verslaglegging volgens Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in te richten. Via de eerder genoemde Regeling jaarverslaggeving onderwijs zijn de Richtlijnen voor de jaarverslaglegging, zoals vastgesteld door de Raad voor de jaarverslaggeving, voor het onderwijs van toepassing geworden. De Richtlijnen zijn daarvoor uitgebreid met een nieuw hoofdstuk, RJ 660. In artikel 3, onder d, van de Regeling is vastgelegd dat de instellingen voor elke bestuurder de beloningen in beeld moeten brengen en dus niet alleen als de WOPT-norm wordt overschreden.

Wanneer kan de Kamer het wetsvoorstel verwachten voor het stellen van een maximum aan salarissen in het onderwijs, zo vragen de leden van de SP-fractie tenslotte.

Zoals Staatssecretaris Van Bijsterveldt uw Kamer bij brief van 27 maart 2009 (TK 2008–2009, 31 889, nr. 4) heeft meegedeeld, heeft Minister Ter Horst tijdens het Algemeen Overleg van 4 september (TK 2008–2009, 28 479, nr. 37) en van 26 november 2008 (TK 2008–2009, 28 479, nr. 41) over het normeringbeleid in de publieke en semipublieke sector naar aanleiding van het kabinetsstandpunt op het laatste advies van de commissie Dijkstal «Normeren en waarderen», aangegeven dat zij op dit moment bezig is met de voorbereiding van wetgeving. De planning is om voor de zomer het conceptwetsvoorstel gereed te maken voor externe consultatie. Die is nodig om alle betrokkenen in de gelegenheid te stellen beleidsinhoudelijke of uitvoeringstechnische inbreng te leveren op het wetsvoorstel. Tevens vindt er een wetstechnisch onderzoek plaats naar hoe de normering van inkomens zich verhoudt ten opzichte van het eerste protocol bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). De Raad van State zal het wetsvoorstel in het najaar ontvangen. Dat betekent dat in het voorjaar 2010 het wetsvoorstel aan uw Kamer zal kunnen worden aangeboden voor plenaire behandeling. Dit wetsvoorstel vormt tevens de basis voor de goedkeuring van de beloningscodes in de onderwijssectoren; er komt geen afzonderlijk wetsvoorstel voor het werkveld van OCW. De beloningscodes in de onderwijssectoren worden parallel aan de ontwikkeling van het wetsvoorstel van Staatssecretaris Van Bijleveld vormgegeven, zodat deze gelijktijdig met het in werking treden van de wet gereed zijn.

De leden van de VVD-fractie willen weten wat de regering van de suggestie vindt die uit het overleg met brancheorganisaties kwam om een medezeggenschapsfunctionaris op instellingen aan te stellen. Kan de regering aangeven wat hier de meerwaarde van zou kunnen zijn, zo vragen deze leden.

De mogelijkheid van een medezeggenschapsfunctionaris is aan de orde geweest in het kader van de met de studentorganisaties gevoerde dialoog over de versterking van de positie van de student. De medezeggenschapsfunctionaris is een betrekkelijk nieuw fenomeen in het Nederlands hoger onderwijs. Er is slechts beperkte ervaring mee opgedaan en het staat dan ook nog niet vast of de introductie van een dergelijke functionaris voor elke instelling de meest geschikte oplossing is.

De medezeggenschapsfunctionaris kan voor ondersteuning en meer continuïteit zorgen waar de studentengeleding van het medezeggenschapsorgaan relatief vaak van samenstelling verandert. Een risico is dat zo’n functionaris ook een deel van de rol van het medezeggenschapsorgaan gaat vervullen. De meerwaarde zou kunnen liggen in het volgende: de functie is gericht op permanente ambtelijke ondersteuning van de medezeggenschap. Er bestaat geen vaste functieomschrijving. Kernactiviteiten kunnen bestaan uit het vormgeven en verzorgen van trainingen, het signaleren van knelpunten bij medezeggenschapsaangelegenheden en oplossingen aandragen. Ook kan worden gedacht aan ondersteuning bij het opstellen van beleidsadviezen richting het College van Bestuur ten aanzien van actuele en toekomstige medezeggenschapsthema’s, het vormgeven en onderhouden van adequate informatievoorziening richting studenten en het bijdragen aan de organisatie van instellingsbrede verkiezingen.

Ook willen de leden van de VVD-fractie weten hoe de afwijkingsmogelijkheid van de medezeggenschapsvoorschriften voor bijzondere instellingen eruit ziet. Kan de regering een levenbeschouwelijke reden noemen om van medezeggenschapsvoorschriften af te wijken? Zijn er nog andere geldige redenen dan levensbeschouwelijke om van de voorschriften af te wijken, willen de leden van deze fractie weten.

Een levensbeschouwelijke reden om van de medezeggenschapsvoorschriften af te wijken kan zijn dat één medezeggenschapsorgaan met daarin een studentgeleding op gespannen voet staat met de op religieuze gronden gebaseerde gezagsverhoudingen binnen een instelling. De praktijk wijst uit dat de studentenraad zich in zo’n geval richt op aspecten die te maken hebben met de kwaliteit, de toegankelijkheid en het studentenbeleid. De gezamenlijke vergadering heeft taken die liggen op het gebied van beleid (instellingsplan), kwaliteit en organisatie (universiteitsreglement). Onderwerpen die specifiek gaan over het personeel worden voor advies/instemming voorgelegd aan de ondernemingsraad. Een afwijking is alleen maar mogelijk op grond van de eigen aard van de instelling.

De medezeggenschapsorganen krijgen adviesrecht op het instellingscollegegeld. Wat betekent dit voor de afspraken/convenanten die hier tussen instellingen over worden vastgelegd, vragen de leden van de VVD-fractie vervolgens. Bestaat niet het risico dat overeenstemming hierdoor alleen maar bemoeilijkt wordt?

Ik geloof niet dat het risico bestaat dat het adviesrecht op het instellingscollegegeld afspraken over het instellingscollegegeld tussen instellingen bemoeilijkt. Omdat de instelling geen bekostiging ontvangt voor de student waarvoor het instellingscollegegeld geldt, zal de instelling haar kosten in principe moeten dekken uit het collegegeld. Daarbij bestaat de mogelijkheid dat er gedifferentieerd wordt in de hoogte van het collegegeld; dit kan per categorie verschillen. Er kunnen dus niet alleen verschillen in collegegeld zijn tussen instellingen maar ook binnen de instelling. Met het instellingscollegegeld kunnen instellingen zich profileren en zich in hun werving richten op specifieke categorieën. Het adviesrecht strekt zich ook hierover uit.

Een relatie tussen het instellingscollegegeld en het bestuursakkoord tussen de koepels van de onderwijsinstellingen en de studentenorganisaties is er met name wat betreft het gelijktijdig volgen van twee opleidingen waarbij de ene opleiding eerder wordt afgerond dan de andere. In het bestuursakkoord is afgesproken dat voor een student in dit geval de mogelijkheid bestaat tegen de hoogte van het wettelijk collegegeld die tweede opleiding af te ronden. Het ligt niet voor de hand te veronderstellen dat de medezeggenschap door middel van het toegekende adviesrecht de vaststelling van het instellingscollegegeld voor deze groep anders zou willen zien dan in het bestuursakkoord is overeengekomen.

In het wetsvoorstel wordt geen instemmingsrecht vastgelegd op beslissingen ten aanzien van fusies en samenwerking. Deze leden willen graag weten waarom dit ontbreekt.

De betrokkenheid van de medezeggenschap zal expliciet worden geregeld in het wetsvoorstel waarin de fusietoets voor het onderwijs wordt vastgelegd. Ik verwacht dat wetsvoorstel voor de zomer aan uw Kamer te kunnen aanbieden. Daar is voor gekozen omdat het de voorkeur verdient deze aangelegenheid voor het gehele onderwijs in samenhang te kunnen behandelen.

Wat vindt de regering van de opvatting van de Algemene Onderwijsbond (AOb) dat de centrale medezeggenschapraad/ondernemingsraad een instemmingsrecht zou moeten krijgen op de profielen van de raad van toezicht, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

Zoals ik in antwoord op eerdere vragen van de leden van de SP-fractie heb aangegeven, leent de samenstelling van de raad van toezicht, zich niet voor instemmingsrecht. Dit geldt eveneens voor de formulering van de vereiste competenties per raadslid. Overigens wijs ik erop dat in de bve-sector er eveneens adviesbevoegdheden worden voorgesteld voor de medezeggenschap wat betreft de profielen van de leden van de raad van toezicht.

Deze leden vragen verder of het de verwachting is dat als gevolg van de aanpassingen in de rechtsgang rond medezeggenschap de druk op de rechterlijke macht zal toenemen. Ook vernemen deze leden graag of de Raad voor de Rechtspraak hierover uitspraken heeft gedaan. Zo ja, welke? Indien dit niet het geval is, dan vernemen de leden graag waarom niet.

De verwachting is dat de aanpassingen in de rechtsgang rond medezeggenschap de druk op de rechterlijke macht niet zullen doen toenemen maar juist eerder zullen doen afnemen. Er is straks nog maar één geschillencommissie en daarna staat alleen de weg naar de Ondernemingskamer open. Op dit moment is de variëteit veel groter. De Raad voor de Rechtspraak heeft hierover geen uitspraken gedaan omdat hij daar gelet op de beschreven verwachting niet om is gevraagd.

Tenslotte willen de leden van de VVD-fractie weten waarom de regering ervoor gekozen heeft dat de opleidingscommissie alleen kan adviseren via een (ander) medezeggenschapsorgaan. Heeft de regering ook overwogen dit zodanig aan te passen dat de opleidingscommissie ook direct adviesrecht en directe rechtsbescherming krijgt, vragen de leden. Hoe staat de regering tegenover de optie om de opleidingscommissie tot een democratisch verkozen medezeggenschapsorgaan te maken? Deze leden vernemen graag welke argumenten er zijn om dat niet te doen.

Door de opleidingscommissie wordt het onderwijs beoordeeld van de desbetreffende opleiding(en). Hoe gaat het, wat kan beter? Hoe kan de kwaliteit van de opleiding worden verbeterd? Dit kan het best worden beoordeeld door leden van het personeel en studenten die direct bij de desbetreffende opleiding zijn betrokken. Deze partijen hebben dan ook zitting de in de opleidingscommissie.

Het bereik en het perspectief van het medezeggenschapsorgaan zijn breder. Het medezeggenschapsorgaan bestrijkt een groter gebied dan de opleidingscommissie. De afwegingen die gemaakt moeten worden overstijgen het niveau van de (eigen) opleiding en het terrein waarover het medezeggenschapsorgaan zich moet uitspreken is veel breder en met name ook meer bestuurlijk georiënteerd dan dat van de opleidingscommissie. Beide invalshoeken hebben hun eigen betekenis en meerwaarde. Dit betekent dat het medezeggenschapsorgaan niet de functie en rol van de opleidingscommissie kan overnemen en omgekeerd.

Dan zou overwogen kunnen worden om van de opleidingscommissie ook een medezeggenschapsorgaan te maken. Dit doet naar mijn oordeel echter geen recht aan de functie van de opleidingscommissie. De leden van de opleidingscommissie zitten in deze commissie vanuit hun rol als ervaringsdeskundige. Het gaat niet om belangenbehartiging. Daar waar het gaat om belangenbehartiging is het medezeggenschapsorgaan het aangewezen instrument en dit is afdoende geregeld op het niveau van de faculteitsraad (en universiteitsraad) en de vergelijkbare raden bij de hogescholen. De leden van de opleidingscommissie moeten niet als belangenvertegenwoordiger worden gekozen maar juist vanuit hun praktijkervaring kunnen praten over de opleiding.

Het wezenlijke verschil in focus laat onverlet dat er wel raakvlakken zijn tussen de opleidingscommissie en de medezeggenschap. De kwaliteit van het onderwijs vormt zo’n raakvlak. Verbetering van de kwaliteit van het onderwijs is daarom gebaat bij een goede afstemming tussen beide organen, zonder dat de organen elkaar gaan dubbelen of elkaars rollen gaan overnemen. Om de rolverdeling zuiver te houden is de optie om van de opleidingscommissie een afzonderlijk medezeggenschapsorgaan te maken, met een formeel adviesrecht, niet als zinvol beschouwd. Wel is overwogen om een afzonderlijke rechtsbeschermingsprocedure voor de opleidingscommissie vorm te geven. Gegeven bovenstaande argumenten en om juridificering van de relatie tussen de opleidingscommissie en de instelling te voorkomen, is gekozen voor de oplossing zoals opgenomen in het wetsvoorstel.

De leden van de SGP-fractie willen weten hoe de regering het uitgangspunt verdedigt dat nieuwe bevoegdheden voor personeel en studenten gelijkluidend zijn, terwijl beide geledingen een fundamenteel verschillende positie binnen de instelling innemen. Deze leden vragen of meer differentiatie naar functie ten aanzien van deze bevoegdheden geboden is.

Zowel personeel als studenten hebben – elk vanuit hun eigen achtergrond – belang bij het goed functioneren van de instelling en zijn belangrijke partij in het kader van de horizontale verantwoording van de instelling en de «checks and balances» binnen de instelling. De passage in de memorie van toelichting die vermoedelijk de aanleiding is voor de gestelde vraag heeft betrekking op versterking van de rol van medezeggenschapsorganen in het algemeen. De bevoegdheden van die organen worden versterkt door het verhelderen van bestaande adviesbevoegdheden en het toekennen van aanvullende bevoegdheden. Vanzelfsprekend zijn de nieuwe bevoegdheden van personeel en studenten alleen gelijkluidend als het gaat om bevoegdheden die daarvoor in aanmerking komen. Een bevoegdheid als het adviesrecht op het beleid ten aanzien van het instellingscollegegeld bijvoorbeeld geldt specifiek voor het studentendeel van de medezeggenschapsraad. Er wordt met andere woorden wel degelijk rekening gehouden met de verschillende positie die studenten en personeel binnen de instelling innemen. Als sequeel van het voorgaande zal ik bij nota van wijziging voorstellen dat ook de afzonderlijke geledingen, daar waar ze afzonderlijke rechten hebben, een eigen procesbevoegdheid krijgen

De leden van deze fractie vragen verder of een wettelijk recht op benodigde faciliteiten getuigt van onnodige juridisering. Deze leden vragen of ten aanzien van dit vanzelfsprekende recht problemen binnen instellingen bekend zijn.

Het recht op scholing en faciliteiten is reeds wettelijk vormgegeven voor leden van de medezeggenschap. Er is geen reden om dit recht niet toe te kennen aan een ander wettelijk voorgeschreven orgaan, te weten de opleidingscommissie. Wat betreft de vraag naar problemen met dit vanzelfsprekende recht binnen instellingen kan ik meedelen dat mij uit overleg met studentenbonden is gebleken dat facilitering van opleidingscommissies niet steeds als vanzelfsprekend is ervaren. Vormgeving bij wet waarborgt dat op deze rechten ook daadwerkelijk aanspraak kan worden gemaakt.

3.3 Positie van de professional

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan toelichten wanneer er een uitkomst van het overleg tussen de sociale partners verwacht wordt over de professionele autonomie van de docent en op welke wijze dat later in de WHW wordt verankerd.

Ik verwacht dat de sociale partners in de loop van dit jaar kunnen rapporteren over de uitkomsten van hun overleg. Ik ben met de sociale partners in gesprek over de wettelijke verankering van de professionele ruimte van de docent.

De leden van de SP-fractie willen weten waarom een opleidingscommissie ook voor een groep van opleidingen kan worden ingesteld. Kan de regering voorbeelden geven van situaties waar dit te verkiezen is boven opleidingscommissies voor een enkele opleiding, zo vragen zij.

De huidige wet bevat al sinds geruime tijd de mogelijkheid tot het instellen van een opleidingscommissie voor een groep van opleidingen. Dat is dus niet nieuw. Daar waar sprake is van een grote opleiding ligt dit minder voor de hand, maar als het gaat om enkele (zeer) kleine opleidingen kan het vormen van een groep uit een oogpunt van uitvoerbaarheid wenselijk zijn. Ook komt het regelmatig voor dat een bacheloropleiding en daaraan gerelateerde masteropleiding(en) gezamenlijk een opleidingscommissie hebben. Ook dit kan praktisch en functioneel zijn gezien hun inhoudelijke verwantschap.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering het terrein waarover de opleidingscommissies adviseren breed genoeg acht. Hoe staat de regering tegenover de gedachte om het adviesrecht van de opleidingscommissie uit te breiden met advies over besluiten ten aanzien van de nadere vaststelling van de onderwijs- en examenregeling voor zover het de opleiding aangaat? Of, zo vragen de leden vervolgens, een uitbreiding met advies over de vaststelling van beleid ten aanzien van aangelegenheden waarover de afdelingsdirecteur besluit en/of die specifiek het onderwijs van de desbetreffende opleiding aangaan.

Het medezeggenschapsorgaan (bij de universiteit de faculteitsraad) heeft medezeggenschapsbevoegdheden ten aanzien van de onderwijs- en examenregeling. Een belangrijke taak van de opleidingscommissie betreft het adviseren over de vast te stellen onderwijs- en examenregeling. In beide gevallen impliceert dat ook een bevoegdheid bij een wijziging van deze regeling.

Ten aanzien van de vraag over het uitbreiden van de taak van de opleidingscommissie met een adviesrecht over de aangelegenheden waarover de afdelingsdirecteur besluit en/of die specifiek het onderwijs van de desbetreffende opleiding betreffen, het volgende. Het onderwijs van de opleiding wordt beschreven in de onderwijs- en examenregeling. Dit document en de uitvoering ervan staan centraal in de werkzaamheden van de opleidingscommissie. De aangelegenheden waarover de afdelingsdirecteur besluit zijn breder dan alleen aangelegenheden met betrekking tot het onderwijs c.q. de desbetreffende opleiding. In antwoord op andere vragen van deze leden ben ik al ingegaan op het onderscheid tussen opleidingscommissie en medezeggenschapsraad en de verschillen in rol en focus van deze organen.

Hoe is het instemmingsrecht op de begroting van medezeggenschapsorganen en de opleidingscommissie momenteel geregeld, willen de leden van de VVD-fractie weten. Vindt de regering dat ook deelraden instemmingsrecht zouden moeten hebben op de begroting? Zo neen, waarom niet?

Er is geen instemmingsrecht op de begroting, noch van de medezeggenschapsorganen noch van de opleidingscommissie. Uiteraard is dat recht er evenmin op decentraal niveau (faculteitsraden of deelraden). Het centrale medezeggenschapsorgaan (bij de universiteiten de universiteitsraad) heeft adviesrecht op de begroting. De opleidingscommissie heeft, gegeven haar taak en rol ten aanzien van (de kwaliteit van) de opleiding, hierbij geen rol. Naar mijn mening is er geen reden het medezeggenschapsorgaan op centraal of op decentraal niveau alsnog een instemmingsrecht toe te kennen. In dat geval zou een vorm van medebestuur ontstaan die aanzienlijk verder gaat dan medezeggenschap.

De leden van de VVD-fractie stellen vervolgens de volgende vraag: is inmiddels, zoals toegezegd, met de sociale partners van de hbo-sector overleg gevoerd over de vraag hoe de pijlers van de professionele ruimte van de docent worden verankerd in de WHW? Zo ja, wat is hier uitgekomen? Zo neen, waarom niet?

Zoals ik al eerder antwoordde op een vergelijkbare vraag van de PvdA-fractie ben ik met de sociale partners in gesprek over de wettelijke verankering van de professionele ruimte van de docent. De verwachting is dat het wetsvoorstel begin 2010 aan uw Kamer wordt gezonden.

Verder vernemen deze leden graag of de regering het met hen eens is dat de professionele ruimte van de docent alleen optimaal kan worden benut als de docent daartoe uitstekend is opgeleid. De leden willen weten hoe het staat met het aantal academisch opgeleide docenten en het aantal gepromoveerde docenten in het hoger onderwijs. Ook vragen zij welk beleid de regering voert om meer hoog opgeleide docenten in het hoger onderwijs te krijgen.

Ik ben het met u eens dat het voor het goed invulling kunnen geven aan het leraarschap noodzakelijk is dat de docent goed is opgeleid. In de meerjarenafspraak die ik in het verlengde van de Strategische Agenda heb gemaakt met de HBO-raad over het vergroten van het studiesucces in en de kwaliteit van het hoger beroepsonderwijs, zijn ambities vastgelegd om de kwaliteit van de docenten in het hbo verder te verhogen. Volgens de meest recente gegevens uit het Personeels- en Mobiliteitsonderzoek (POMO) 2008 van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, tot stand gekomen op basis van een enquête die in 2007 is afgenomen, beschikt 52% van de docenten in het hbo over een wo-master en is 4,8% gepromoveerd.

In het convenant LeerKracht van Nederland is afgesproken dat hogescholen er naar streven dat 70% van de docenten in 2014 over een mastergraad beschikt en dat in 2017 10% van de docenten is gepromoveerd dan wel in een promotietraject participeert.

In het convenant LeerKracht van Nederland zijn verder afspraken gemaakt over vergroting van het aantal hogere leraarsschalen (functiemix) zodat docenten meer carrièreperspectief hebben. Ook is sprake van verruiming van de scholingsmogelijkheden voor leraren. Naast de rijksbijdrage die instellingen kunnen aanwenden voor scholing en voor het faciliteren van promoties van docenten in het hbo, is in het convenant 14 miljoen euro voor scholing van docenten hbo opgenomen en is de lerarenbeurs voor scholing geïntroduceerd. Docenten kunnen een beroep doen op deze beurs wanneer zij zich willen (op)scholen, bijvoorbeeld wanneer zij een masteropleiding willen volgen.

3.4 Branchecode voor goed bestuur hoger onderwijs

De leden van de CDA-fractie vragen of ieder onderwerp zich leent voor het laten vastleggen in een branchecode? Aan welke criteria moet de branchecode voldoen, wil de regering afzien van wetgeving? Welke eisen stelt de regering aan de naleving van de branchecode, vragen deze leden.

Omdat de branchecode een instrument van de branche zelf is, bepaalt niet de minister welke onderwerpen zich al dan niet lenen voor opname in de branchecode. De huidige codes van VSNU en HBO-raad zijn beperkt tot de onderwerpen die relevant zijn voor goed bestuur. Ik ben van mening dat een branchecode dient aan te geven op welke wijze principes van goed bestuur – de scheiding van bestuur en toezicht, transparantie van de taken en bevoegdheden van het bestuurs- en het toezichtsorgaan, onafhankelijkheid, het voorkomen van belangenverstrengeling en dergelijke – in de praktijk zullen worden uitgewerkt. Indien de code in dat opzicht beneden de maat is en blijft, kan besloten worden deze elementen alsnog in de wet te regelen. Hetzelfde geldt wanneer de branchecodes niet worden nageleefd en afwijkingen van de codes niet worden verantwoord volgens het «pas toe of leg uit» principe. Overigens behoort het tot de wettelijke taak van de raad van toezicht te letten op de omgang met de branchecode door het college van bestuur.

De leden van de SP-fractie constateren dat de regering ervoor kiest te werken met een branchecode. Waarom regelt de regering de afspraken die mogelijk in een branchecode komen niet gewoon in de wet?

De regering gaat uit van zelfregie door middel van een goede branchecode. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat dit instrument niet zal werken. Het hoger onderwijs kent zijn verantwoordelijkheid op dit terrein in het algemeen zeer goed. Zo hebben de instellingen reeds raden van toezicht ingesteld en een branchecode afgesloten zonder dat daartoe een wettelijke opdracht is. Ik ga er zonder meer vanuit dat de betrokkenen bij het opstellen van een branchecode, gegeven het wettelijk kader, invulling zullen geven aan de principes van goed bestuur.

Vervolgens willen deze leden weten hoe de regering ervoor zorgt dat de in de memorie van toelichting genoemde flexibiliteit niet leidt tot onwenselijke wijzigingen van de branchecode?

De bedoelde flexibiliteit is daarin gelegen dat de branchecode een instelling de ruimte geeft gemotiveerd af te wijken van een bepaling uit de aangewezen code; uit de verantwoording die de instelling daarover in haar jaarverslag aflegt moet blijken of men tot een aanvaardbare andere vorm of oplossing is gekomen. Het is zeer onwaarschijnlijk dat in een door de minister aangewezen branchecode een onwenselijke wijziging wordt opgenomen. De uiterste consequentie is immers dat de minister de vernieuwde code niet aanwijst respectievelijk zijn aanwijzing van de code intrekt, een nieuwe code aanwijst of alsnog nadere bepalingen met betrekking tot bestuur en toezicht in de wet opneemt. Als de wijziging in de code strijdig is met de wet prevaleert uiteraard de wet.

Wat zijn de mogelijke sancties wanneer een instelling zich niet aan de branchecode code houdt, zo vragen de leden van de SP-fractie.

Zoals ik al aangaf in antwoord op de vragen over de branchecode van de leden van de CDA-fractie behoort het tot de wettelijke taak van de raad van toezicht te letten op de omgang met de branchecode door het college van bestuur. Waar nodig zal dus intern binnen de instelling een correctie moeten plaatsvinden. Wanneer een individuele instelling zich ook daarna niet houdt aan de branchecode kan dat in het reguliere toezicht door de inspectie worden gesignaleerd. Omdat de code een zaak is van de instellingen zelf, kan naleving daarvan niet door mij worden afgedwongen. Als duidelijk is dat de naleving van de branchecode te wensen overlaat, zal ik wel de bevordering van wetgeving terzake kunnen overwegen.

Is er een goedkeuring van de minister nodig voor een wijziging van de branchecode, vragen deze leden.

De branchecode is een instrument van de instellingen. Het is niet aan mij om deze goed te keuren. Ook een wijziging behoeft daarom geen goedkeuring. Omdat een wijziging van een aangewezen code tot gevolg kan hebben, dat die code een andere inhoud krijgt, ligt het voor de hand dat dergelijke wijzigingen aan de minister worden gemeld.

Is de branchecode opgesteld in samenwerking met vakbonden en studentenorganisaties, vragen zij vervolgens. Zo neen, waarom niet? Bestaat de branche volgens de regering alleen uit de besturen of daarnaast ook uit personeel en studenten?

De wijze van totstandkoming van een branchecode is geen verantwoordelijkheid van de minister. Voor zover in het wetsvoorstel wordt gesproken van een «branche» wordt gedoeld op de besturen die lid zijn van een branche-organisatie als de VSNU en de HBO-raad en niet op studenten- en personeelsorganisties.

De leden van de SP-fractie willen graag dat de regering aangeeft welke aspecten van het bestuur in de branchecode moeten komen te staan. Zij vinden dat dit niet aan instellingen overgelaten mag worden. De leden van deze fractie begrijpen niet dat de regering deze aanbeveling van de Raad van State naast zich neerlegt.

In het antwoord op de vraag van de leden van de CDA-fractie over de criteria waaraan een branchecode moet voldoen, heb ik al aangegeven dat naar mijn mening in de branchecode aan de orde zou moeten komen, hoe de principes van goed bestuur in de praktijk worden uitgewerkt. Ik wil de hboen de wo-sector zoveel mogelijk ruimte bieden om daaraan zelf invulling te geven. Zoals ik ook in het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State al heb uiteengezet, kies ik om die reden in afwijking van het advies van de Raad niet voor een inperking van die ruimte door wettelijke voorschriften.

De leden van de VVD-fractie willen weten of het aanwijzen van de branchecode van de HBO-raad en de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) betekent dat instellingen hier volgens het «comply or explain»-principe verantwoording over moeten afleggen in hun jaarverslag. Is de regering het met deze leden eens dat de branchecode daarmee een belangrijke toezichtpijler geworden is?

Ik ben met de vragenstellers van mening dat een branchecode een belangrijke functie kan hebben voor het functioneren van het interne toezicht. Zoals al eerder gememoreerd heeft de raad van toezicht een expliciete wettelijke taak om op de naleving daarvan door het college van bestuur toe te zien. Daarnaast heb ik de mogelijkheid om aan de hand van de jaarverslagen te monitoren in hoeverre colleges van bestuur van aangewezen branchecodes afwijken en waarom zij dat doen.

Ook willen deze leden weten of de regering het met hen eens is dat toezicht op deugdelijk onderwijs(bestuur) een kerntaak van de overheid is. Zo ja, waarom slaat de regering het advies van de Raad van State in de wind om een duidelijke definitie te geven van wat er precies onder een branchecode verstaan moet worden?

Ik heb in het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State over het voorliggende wetsvoorstel aangegeven waarom geen definitie wordt gegeven van het begrip branchecode. Daarin is aangegeven dat er geen misverstand kan bestaan over de betekenis van het begrip. Het gaat om een verzameling voorschriften van hogescholen of universiteiten met betrekking tot diverse aspecten van goed bestuur. Mede gelet op het feit dat het begrip «branchecode» ook zonder definitie in de Wet educatie en beroepsonderwijs is geïntroduceerd, is een wettelijke definitie niet nodig. Ik zie ook niet goed hoe het ontbreken daarvan het toezicht op deugdelijk onderwijs(bestuur) in de weg zou staan.

Is de regering voornemens de recent opgestelde branchecodes van de HBO-raad en de VSNU bij AMvB aan te wijzen, vragen de leden. Indien dit niet het geval is, dan vernemen de leden graag waarom niet.

De huidige wet kent geen grondslag voor het aanwijzen van een branchecode. Ik zal te zijner tijd bezien of de branchecodes van de HBO-raad en de VSNU in aanmerking zouden kunnen komen om te worden aangewezen.

4. COLLEGEGELD EN ANDERE FINANCIËLE ASPECTEN

4.1 Collegegeldsystematiek

De leden van de CDA-fractie ondersteunen de gedachte dat de overheid een verantwoordelijkheid heeft voor de opleiding tot één bachelor en één masteropleiding. Het staat eenieder vrij om meerdere opleidingen te volgen, maar de kosten daarvan komen dan voor rekening van de student. Zij menen dat er enkele situaties zijn waar dit principe geen opgeld kan doen. Bijvoorbeeld als een student na het behalen van een bachelor zijn studie vervolgt met een masteropleiding en daarnaast alsnog zijn tweede bacheloropleiding wil afronden, zou, wat deze leden betreft, het wettelijk collegegeld gevraagd mogen worden en niet het instellingscollegegeld. Is dat na de invoering van deze wet het geval, zo vragen zij.

Inderdaad is in het wetsvoorstel in artikel 7.48, eerste lid, voorzien dat een student die het wettelijk collegegeld verschuldigd is en die twee opleidingen tegelijkertijd volgt, voor de tweede opleiding vrijgesteld wordt van het betalen van collegegeld. Indien voor de eerste opleiding een cursusgeld of collegegeld verschuldigd is dat lager is dan het wettelijk collegegeld, is voor de tweede opleiding een collegegeld verschuldigd dat het verschil is tussen het reeds voldane bedrag en het hogere collegegeld dat voor deze tweede opleiding verschuldigd is. In de door deze leden bedoelde situatie waarbij de student het wettelijk collegegeld betaalt en hij naast een masteropleiding tegelijkertijd een (tweede) bacheloropleiding volgt, is de situatie niet anders. Ook daarvoor geldt dat er vrijstelling van het wettelijk collegegeld plaatsvindt. Het principe is dat, als een student het wettelijk collegegeld verschuldigd is, het volgen van twee (of meer) gelijktijdige hoger onderwijsopleidingen recht geeft op vrijstelling van het collegegeld voor die andere opleiding(en). Bij nota van wijziging zal dit worden verhelderd.

Daarnaast veronderstellen de leden van de CDA-fractie dat studenten calculerend gedrag zullen gaan vertonen. Indien een student twee bachelorstudies volgt, waarvan hij met de eerste in juni van jaar t klaar zou kunnen zijn en zijn tweede een jaar later, dan zal deze student besluiten om zijn eerste studie met vier maanden te vertragen, opdat hij ook voor het daaropvolgende jaar slechts het wettelijk collegegeld verschuldigd is. Klopt het dat ook deze situatie mogelijk is na invoering van deze wet, zo vragen de leden van voornoemde fractie.

In het wetsvoorstel is voorzien dat een student aan wie een graad van Bachelor is verleend en die daarna een tweede bacheloropleiding wil volgen, voor die laatste opleiding het instellingscollegegeld verschuldigd is. Mutatis mutandis geldt dit ook voor masteropleidingen. Indien een student tegelijkertijd twee opleidingen volgde, mag hij wel na afronding van de eerste opleiding de tweede opleiding tegen wettelijk collegegeld volgen tot het einde van het studiejaar. Volgens het bestuursakkoord dat is afgesloten tussen de koepels van de instellingen en de studentenorganisaties geldt dit gedurende de gehele tweede opleiding. De wet sluit niet uit dat studenten het moment van afstuderen bij de eerste opleiding mede in dat perspectief afstemmen op het moment waarop zij afstuderen bij de tweede opleiding.

De mogelijkheid tot studievertraging is door de koepelorganisaties van de instellingen onderkend in het bestuurlijk akkoord en bij de bespreking van het voorliggende wetsvoorstel is dit door de koepels evenmin geproblematiseerd.

De ruimte voor strategisch gedrag wordt begrensd door de onderwijs- en examenregeling van de betreffende instelling. In deze regeling wordt onder meer bepaald wat de geldigheidsduur van behaalde studiepunten is en op welke momenten de tentamens plaatsvinden. Ik wijs er tenslotte op dat alleen studenten die onafgebroken ingeschreven zijn geweest en steeds aan hun financiële verplichtingen zoals de betaling van het collegegeld hebben voldaan voor de hier bedoelde faciliteit in aanmerking komen.

Deze leden merken tenslotte op dat in het geval van een schakelprogramma, om deficiënties weg te werken, de bonden en de universiteiten elkaar gevonden hebben in het hanteren van de hoogte van het wettelijk collegegeld. Daarom wenst de regering dit niet in de wet op te nemen. De leden zijn verheugd dat de bonden en de universiteiten elkaar in dit dossier hebben gevonden, maar toch vragen deze leden wat de regering zal gaan doen als één van beide partijen deze afspraak openbreekt? Gaat de regering dan alsnog over tot wetgeving, zo vragen zij.

Het schakelprogramma maakt formeel geen deel uit van een opleiding en valt daarom buiten het kader van de WHW. Zowel de instellingen als de studenten hebben er baat bij dat deficiënties worden weggewerkt voordat een student met een opleiding begint. Beide groepen zijn er dus bij gebaat de doorstroom naar opleidingen, ook in financiële zin, zo goed mogelijk te laten verlopen. Ik heb dan ook geen reden te verwachten dat de instellingen zullen afwijken van de afspraken.

De leden van de PvdA-fractie verwijzen in hun inbreng naar de eerdergenoemde reactie van de VSNU op dit wetsvoorstel. De VSNU verwacht dat studenten strategisch gedrag zullen gaan vertonen als gevolg van de systematiek rond het instellingscollegegeld bij een tweede studie.

Studenten zullen afronding van de eerste studie vertragen, hetgeen gevolgen kan hebben voor de rendementscijfers van instellingen. De leden vragen de regering om hier nader op in te gaan. Is de regering hierover in overleg met koepelorganisaties en herkent zij dit probleem, willen de leden weten.

Ik verwijs naar mijn antwoord op een vergelijkbare vraag van de leden van de CDA-fractie. Daaruit blijkt ook dat de koepelorganisaties de mogelijkheid van strategisch gedrag wel onderkennen maar die niet problematiseren.

Op welke wijze kan voorkomen worden dat met deze maatregel een onbedoelde financiële druk op de budgetten van hoger onderwijsinstellingen wordt gelegd, zo vragen de leden van deze fractie.

In antwoord op vragen van de leden van de CDA-fractie heb ik al aangegeven dat de ruimte voor strategisch gedrag wordt begrensd door de onderwijs- en examenregeling van de betreffende instelling en dat alleen studenten die onafgebroken ingeschreven zijn geweest en steeds aan hun financiële verplichtingen zoals de betaling van het collegegeld hebben voldaan voor de hier bedoelde faciliteit in aanmerking komen.

De leden van deze fractie willen daarnaast graag cijfers rond het volgen van een tweede studie. Kan de regering aangeven hoeveel studenten er momenteel gebruik maken van de mogelijkheid tot een tweede studie? En kan zij aangeven hoeveel daarvan binnen hoeveel jaar een tweede bachelor of master op zak hebben? Tot slot vragen deze leden of de regering kan aangeven hoeveel geld hiermee gemoeid is.

In het studiejaar 2008/2009 waren op 1 oktober 35 755 studenten in het hoger onderwijs ingeschreven (bron 1-Cijfer-HO-bestand) die een tweede opleiding volgen nadat zij al een graad hadden behaald. Daarnaast waren er 2 468 studenten die een tweede opleiding afmaakten, die zij waren begonnen terwijl zij een eerste studie volgden waarvoor nu een graad is verleend. Uit de cijfers blijkt niet hoelang na het afstuderen zij bij de eerste studie nog bezig zijn met hun tweede studie. Ik kan niet aangeven hoeveel geld hiermee gemoeid is. Het is aan de universiteiten en hogescholen om de hoogte van het instellingscollegegeld voor deze groep studenten te bepalen en te innen. Voor de rijksbegroting heeft dit geen gevolgen.

De leden van de SP-fractie vinden het onverstandig om het vaak hogere instellingscollegegeld te vragen aan studenten die een tweede studie willen volgen, nadat zij al een diploma hebben behaald. Hoe voorkomt de regering dat studenten afzien van een tweede studie omdat zij dat niet kunnen betalen, vragen de leden. Hoe gaat de regering voorkomen dat op deze manier talent verloren gaat?

Voor studenten die gelijktijdig twee opleidingen hebben gevolgd, geldt een specifiek regime. De tweede opleiding kan in het studiejaar waarin de student afstudeert aan zijn eerste opleiding worden gevolgd tegen wettelijk collegegeld op grond van de wet. Daarna is het formeel weliswaar een instellingscollegegeld maar dit zal gezien het bestuursakkoord de hoogte van het wettelijk collegegeld hebben. Hierop ben ik in antwoord op eerdere vragen al ingegaan.

Voor studenten die niet parallel maar na elkaar verschillende opleidingen willen volgen, geldt een andere systematiek. Deze studenten zullen zelf hun tweede opleiding moeten betalen aan de hand van een door de instelling vastgesteld instellingscollegegeld. Het is niet de financiële verantwoordelijkheid van de overheid om daarvoor zorg te dragen, anders dan via fiscale voorzieningen zoals de scholingsaftrek. Overigens blijkt in de praktijk dat werkgevers vaak bereid zijn financieel bij te dragen aan een dergelijke opleiding. Ik verwacht dan ook niet dat er talent verloren gaat doordat de overheid geen onbeperkte financiële verantwoordelijkheid wil dragen voor studenten.

Ook willen de leden van de SP-fractie weten hoe de regering voorkomt dat het volgen van een tweede studie alleen is weggelegd voor vermogende studenten of studenten met rijke ouders. Zijn studenten met twee studies minder wenselijk dan met één studie, vragen zij vervolgens. Hoe ziet de regering deze maatregel in de praktijk?

Zoals eerder vermeld wordt in dit wetsvoorstel de verantwoordelijkheid van de rijksoverheid voor de financiering van het hoger onderwijs opnieuw gedefinieerd en afgebakend. Een student kan één bachelor- en masteropleiding volgen tegen een laag tarief: het wettelijk collegegeld. Ik ga er vanuit dat studenten mede in dat licht kiezen voor een opleiding die aansluit bij hun interesse en talenten.

Mede in verband hiermee wordt in dit wetsvoorstel aandacht besteed aan de positie van de student De verplichting van de instelling om de student adequate informatie te geven en een verhaalsrecht maken daarvan deel uit. Samen met gerichte aandacht vanuit de instellingen bijvoorbeeld in de vorm van studiekeuzegesprekken wordt beoogd het aantal studenten met een verkeerde studiekeuze te verminderen. Overigens heeft tussentijds switchen geen consequenties voor het wettelijk collegegeld, evenmin als gelijktijdig twee opleidingen volgen.

In onze dynamische wereld is iemand nooit uitgestudeerd. Dus het is uiteraard niet zo dat twee studies minder wenselijk zijn dan één. Maar mede vanuit het oogpunt van doelmatige besteding van overheidsmiddelen kan de overheid niet financieel verantwoordelijk worden gehouden voor de tweede studie; er geldt geen wettelijk collegegeld voor die opleiding voor zover deze niet parallel aan de eerste wordt gevolgd.

Ziet de regering ook dat studenten strategisch gedrag zullen vertonen, bijvoorbeeld door het afronden van het laatste vak van de eerste studie uit te stellen, zo vragen ook de leden van de SP-fractie.

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vergelijkbare vragen van de leden van andere fracties, met name die van het CDA en die van de PvdA.

Voorts willen de leden van de SP-fractie weten of een student dubbel collegegeld betaalt, als hij instellingscollegegeldplichtig is voor twee studies.

De bepaling omtrent het slechts een maal betalen van collegegeld als een student twee opleidingen volgt, geldt alleen voor het wettelijk collegegeld. Een student die gelijktijdig twee opleidingen volgt, wordt vrijgesteld van betaling van het wettelijk collegegeld voor de tweede opleiding. Het maakt daarbij niet uit of het gaat om twee gelijke opleidingen (twee bachelor- en twee masteropleidingen) of dat de tweede opleiding een tweede bachelor- of masteropleiding betreft.

Hoeveel levert de maatregel betreffende het instellingscollegegeld op, zo vragen de leden van deze fractie.

De maatregel betreffende het instellingscollegegeld heeft geen gevolgen voor de rijksbegroting. Of en in hoeverre de aanpassing van de bepaling over het instellingscollegegeld budgettaire gevolgen heeft voor afzonderlijke instellingen is afhankelijk van de (eerdere en nieuwe) besluitvorming over de omvang van het instellingscollegegeld voor groepen van opleidingen en studenten bij de betreffende universiteit of hogeschool.

Verder vragen de leden van de SP-fractie waarom er maar een gedeelte van het bestuursakkoord uit 2007 van de HBO-raad, VSNU en de studentenbonden Interstedelijk Studentenoverleg (ISO) en de Landelijke Studentenvakbond (LSVb) wordt overgenomen in deze wet? Acht de regering het onverstandig om te verwijzen naar een onderdeel van een akkoord, terwijl een ander deel niet wordt overgenomen? Vervolgens willen deze leden weten waarom dit bestuursakkoord niet volledig wordt overgenomen.

De regering heeft haar eigen financiële verantwoordelijkheid voor een doelmatige besteding van overheidsmiddelen. De afspraken uit het bestuursakkoord over het collegegeld zijn overgenomen, zij het dat voor de afspraken omtrent het collegegeld voor het afronden van de tweede opleiding geen wettelijke verplichting is gecreëerd. Deze zullen vorm moeten krijgen door naleving van het bestuursakkoord. In antwoord op andere vragen ben ik hierop reeds ingegaan.

Ook vernemen deze leden graag waarom niet in de wet wordt opgenomen dat instellingen het wettelijk collegegeld in plaats van instellingscollegegeld voor een tweede studie vragen.

In het wetsvoorstel bakent de overheid haar verantwoordelijkheid voor de financiële ondersteuning van het kunnen volgen en succesvol afronden van een studie af tot één bacheloropleiding en één masteropleiding. Dit is in lijn met het bestuursakkoord uit 2007 tussen HBO-raad, VSNU, ISO en LSVB. Dit uitgangspunt is als volgt uitgewerkt: een student is het wettelijk collegegeld verschuldigd als hem nog geen graad is verleend (en hij voldoet aan de overige voorwaarden). Als de student zich na het behalen van een bachelorgraad weer inschrijft voor een bacheloropleiding, is hij het instellingscollegegeld verschuldigd. Een uitzondering hierop wordt gemaakt voor studenten die als tweede studie een opleiding uit het onderdeel Onderwijs of Gezondheidszorg van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (CROHO) gaan volgen en die nog geen bachelor- respectievelijk mastergraad voor een opleiding in een van deze CROHO-onderdelen hebben behaald: ook voor deze studenten geldt het wettelijk collegegeld. Deze uitzondering vloeit voort uit de bijzondere verantwoordelijkheid die de overheid heeft voor de arbeidsmarkt in deze sectoren. Ook in het bestuursakkoord werd deze mogelijkheid geopperd.

Tot slot vragen de leden van de SP-fractie waarom het bij een selectieve verwijzing naar het bestuursakkoord blijft.

Het bestuursakkoord is in het wetsvoorstel met name aangehaald voor zover het betrekking heeft op het collegegeld. De afspraken in dat akkoord rond bekostiging krijgen hun weerslag in het Uitvoeringsbesluit WHW 2008.

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre de regering afwijkt van, of toevoegt aan, het akkoord van de HBO-raad, VSNU en de studentenbonden over de wijzigingen van de bekostigingsystematiek en de bepalingen rond het collegegeld. Is het waar dat het vervallen van de leeftijdsgrens voor het wettelijk collegegeld een afwijking van het akkoord is, zo willen deze leden weten. Ook vragen zij wat afwijking betekent voor de houdbaarheid van het akkoord: kan de regering aangeven of het akkoord overeind blijft, vragen de leden.

In het wetsvoorstel is niet de notie uit het bestuursakkoord overgenomen dat een student die tegelijkertijd twee opleidingen volgde, na afronding van de eerste opleiding die tweede opleiding tegen een wettelijk collegegeld kan volgen,afgezien van het kunnen voltooien van het studiejaar waarin hij zijn eerste opleiding afrondt tegen dat tarief. Dit vloeit voort uit de wijze waarop de overheid haar financiële verantwoordelijkheid heeft gedefinieerd. De instellingen en studenten hebben echter gezamenlijk afgesproken dat een student in de beschreven situatie tegen het wettelijk collegegeld de tweede opleiding kan afronden. Dit betekent concreet dat het instellingscollegegeld voor die student gedurende de rest van zijn tweede opleiding door de instelling op het niveau van het wettelijk collegegeld wordt bepaald.

Het bestuursakkoord spreekt van «het wettelijk tarief ongeacht de leeftijd van de student voor zolang de betreffende student nog niet het getuigschrift voor de (bachelor- of master-)opleiding die gevolgd wordt heeft behaald.» Ik zie dan ook geen reden te veronderstellen dat het akkoord door het vervallen van de leeftijdsgrens niet meer houdbaar zou zijn.

Het huidige wettelijk collegegeld is niet kostendekkend. De leden van de VVD-fractie willen weten welk percentage van de totale kosten het collegegeld betreft. Welk percentage van de daadwerkelijke kosten van hoger onderwijs, wordt door private bijdragen opgebracht, zo vragen zij vervolgens.

De overheid stelt per student in zowel hbo als wo voor 2009 een bedrag van € 5 900 beschikbaar., Dat blijkt uit tabel 6.7 van de onderwijsbegroting 2009. Daarenboven draagt de student gemiddeld 22% van dat bedrag, te weten het wettelijk collegegeld van € 1 620, bij aan de inkomsten van een instelling voor het verzorgen van hoger onderwijs. Die inkomsten kunnen hoger zijn als een instellingscollegegeld wordt berekend. Ik heb geen zicht op het totaal van de private bijdragen die de instellingen ontvangen in de vorm van legaten, erfenissen en dergelijke. Overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs doet elke instelling daarover verslag in haar jaarstukken.

Voorts vernemen deze leden graag op grond waarvan studenten met de Turkse nationaliteit in aanmerking komen voor het wettelijk collegegeld. Waarom voldoen deze studenten kennelijk aan het nationaliteitsvereiste terwijl zij geen burgers van een EU of EER-land zijn?

Op grond van het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije (TK, 2002–2003, 28 865, nr. 3) behoren personen met de Turkse nationaliteit voor zover het gaat om kinderen van (voormalig) werknemers die in een lidstaat wonen waar zij werken of gewerkt hebben tot de groep studenten die het wettelijk collegegeld verschuldigd is.

Voldoen inwoners van de BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) in de toekomst ook aan het nationaliteitsvereiste, willen de leden van de VVD-fractie weten.

Burgers van de BES-eilanden bezitten nu al de Nederlandse nationaliteit. Daarin zal geen verandering optreden na de transitie die ertoe leidt dat de eilanden als openbaar lichaam deel gaan uitmaken van Nederland.

Ook vragen zij waarom familieleden van in Nederland wonende EU-burgers niet zijnde EER-burgers in aanmerking komen voor het wettelijk collegegeld. Wat is de definitie van familielid? Tot welke graad in de familie geldt dit principe?

Ik wijs in dit verband op de wijziging van de WHW in verband met de uitbreiding van de groep personen die het wettelijk collegegeld verschuldigd, is die per 1 september 2008 in werking is getreden (Stb. 2008, 224). Deze wijziging geeft uitvoering aan een richtlijn van het Europees Parlement die burgers van EU-lidstaten en hun familieleden in Nederland over het algemeen dezelfde rechten toekent als Nederlandse onderdanen. Onder familielid wordt daarbij verstaan de echtgenoot, de partner met wie de burger van de Unie overeenkomstig de wetgeving van dat land (lees: Nederland) een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voor zover wetgeving van het gastland partnerschap gelijk stelt met een huwelijk en aan de voorwaarden van de wetgeving van het gastland wordt voldaan, rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot en de partner beneden de leeftijd van 21 jaar die ten hunnen laste komen, de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot en partner van de in Nederland wonende EU-burger, die een niet EER-nationaliteit bezit. Deze groep wordt «derdelanders» genoemd.

Op welke schaal wordt van deze regeling gebruik gemaakt, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

Vervolgens wensen de leden van deze fractie een overzicht te ontvangen van het aantal studenten (per land van herkomst) dat jaarlijks in Nederland een beroep doet op het wettelijk collegegeld.

Onbekend is op welke schaal van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. In het Centraal register inschrijvingen hoger onderwijs (Criho) staat van alle ingeschreven studenten de nationaliteit. Daaruit kan afgelezen worden welke nationaliteit een student heeft maar niet of hij of zij een «derdelander» is. Dat leidt er ook toe dat ik niet de gevraagde informatie per land van herkomst kan geven.

Welke ontwikkelingen verwacht de regering voor de toekomst aan instroom van studenten uit het buitenland, willen deze leden weten.

Ik verwacht een forse toename van het aantal studenten als gevolg van een wereldwijde toename van de studentenmobiliteit. Het aantal buitenlandse studenten is tussen 2003–2004 en 2007–2008 van 23 334 naar 40 596 gestegen. (bron: Nuffic, Internationalisering in Nederland 2007) Het gaat hier om volledige inschrijvingen in het bekostigde hoger onderwijs. Er zijn geen indicaties dat dit aantal zal afnemen.

Als vuistregel lijkt te kunnen worden gehanteerd dat het aantal buitenlandse studenten dat in Nederland is voor een volledige opleiding elke 5 jaar verdubbeld. De grootste groep, 16 750, vormen Duitse studenten. In deze groep is de grootste toename ook waarneembaar.

Naast deze studenten die voor een volledige opleiding komen, zijn er naar schatting 24 000 buitenlandse studenten die in het kader van een uitwisseling naar Nederland komen. Hieronder zijn 6 950 Erasmusstudenten.

Het totale aantal buitenlandse studenten (voor een «volledige opleiding» én in het kader van uitwisseling) bedraagt dus ruim 70 000 en stijgt. Dit is een trend die zich niet beperkt tot Nederland.

Tevens vragen de leden van de VVD-fractie of de regering het denkbaar acht dat studenten strategisch gedrag gaan vertonen door te wachten met afstuderen bij de eerste bachelor, zodat ze gelijktijdig twee bachelors kunnen afronden tegen het wettelijk collegegeld? Zo ja, wat valt hier tegen te doen, willen deze leden weten.

Studenten kunnen, als zij twee opleidingen tegelijk volgen door ingeschreven te blijven staan voor beide opleidingen en bijvoorbeeld het afstudeermoment van een van beide opleidingen uit te stellen, het betalen van het instellingscollegegeld voorkomen. Maar gezien de voorziening omtrent de tweede (deels) parallelle opleiding in het bestuursakkoord tussen de koepelorganisaties van de instellingen en de studentenorganisaties lijkt er weinig aanleiding om dergelijk gedrag te vertonen. In antwoord op vragen van de leden van de CDA-fractie ben ik overigens ook al ingegaan op de mogelijkheden tot een dergelijk gedrag.

Tot slot willen deze leden weten hoe voorkomen wordt dat instellingen met het vaststellen van het instellingscollegegeld (positief) discrimineren bij het differentiëren naar onderscheiden groepen studenten.

Het is mogelijk om bij het vaststellen van de omvang van het instellingscollegegeld te differentiëren naar groepen studenten en opleidingen. Ik zie geen reden om deze mogelijkheid in te perken. De grenzen liggen al vast in de wetgeving, gericht op gelijke behandeling.

De leden van de D66-fractie willen weten hoe de mogelijkheid tot het vragen van het instellingscollegegeld aan studenten die een tweede bachelor- of masteropleiding willen volgen, zich verhoudt tot het beleid om excellentie in het onderwijs te stimuleren.

De beoogde wettelijke verplichting tot het vragen van instellingscollegegeld aan studenten die een tweede bachelor- of masteropleiding willen volgen heeft geen relatie met het stimuleren van excellentie in het hoger onderwijs; het betreft alle studenten ongeacht de vraag of zij excellent zijn of niet. Het zijn ook lang niet alleen excellente studenten die een tweede studie wensen te volgen. Ten aanzien van het beleid omtrent excellentie in het algemeen het volgende. Het is nog onvoldoende bekend op welke wijze excellentie in het hoger onderwijs gestimuleerd kan worden en wat de belemmeringen zijn. Om hier meer inzicht in te krijgen is vorig jaar het Sirius Programma gestart, gefinancierd uit middelen uit het Fonds Economische Structuurversterking.

Volgens deze leden bestaat de kans dat minder studenten een tweede opleiding zullen gaan volgen omdat zij hiervoor een fors hoger bedrag kunnen moeten gaan betalen. Heeft de regering verwachtingen over de ontwikkeling van het aantal tweede opleidingen ten gevolge van de voorgestelde wijziging? Het lijkt erop dat de toegankelijkheid van tweede opleidingen voor bepaalde groepen in onze samenleving in het geding kan komen.

Het risico dat de toegankelijkheid voor studenten die een tweede studie willen volgen wezenlijk in het geding is doordat zij mogelijk een hoger bedrag aan instellingscollegegeld moeten gaan betalen, acht ik niet groot. Voor de studenten die al een ho-opleiding hebben afgerond en een (hoger) instellingscollegegeld verschuldigd zijn bij het volgen van een tweede opleiding, geldt dat zij vaak een eigen inkomen hebben. Een hoger collegegeld hoeft voor hen – zeker gezien de scholingsaftrek en het feit dat veel werkgevers meebetalen aan de kosten van een opleiding – geen onoverkomelijke drempel te zijn. Dat blijkt ook uit de grote deelname aan het privaat gefinancierde onderwijs in Nederland. Bovendien geldt dat studenten die ouder zijn dan 30 jaar en nog geen bachelor- respectievelijk mastergraad hebben behaald, op dit moment een instellingscollegegeld betalen maar op grond van dit wetsvoorstel het wettelijk collegegeld verschuldigd zijn.

De leden van de fractie van D’66 willen weten of de regering ook nadenkt over het uitbreiden van de mogelijkheden tot lenen om een tweede opleiding tegen instellingscollegegeld te kunnen financieren.

De wens van de leden van de D66-fractie wordt in het huidige systeem al gerealiseerd. Het collegegeldkrediet ademt mee met de hoogte van het te betalen collegegeld (tot een maximum van vijf keer het wettelijk collegegeld). Zo voorziet het collegegeldkrediet in een financieringsmogelijkheid voor zowel het wettelijk als het instellingscollegegeld. Studenten die na hun eerste studie hun studiefinancieringsmogelijkheden voor een tweede studie willen inzetten, kunnen ook een beroep doen op het collegegeldkrediet.

De leden van deze fractie vragen voorts wat de status is van de convenanten/bestuursakkoorden die onderwijsinstellingen en studenten met elkaar overeen zijn gekomen. Welke zekerheden betekenen deze convenanten voor studenten die straks een tweede opleiding op hetzelfde niveau willen volgen? Voor welke termijn gelden deze overeenkomsten?

Het bestuursakkoord tussen de onderwijsinstellingen en de studenten is het resultaat van besprekingen over onderwerpen die door beide partijen als belangrijk worden beoordeeld, onder andere voor de verdere samenwerking. Een bestuursakkoord legt de ondertekenaars de bestuurlijke plicht op de daarin neergelegde afspraken na te komen. Het verschil met een overeenkomst is dat nakoming niet in rechte afdwingbaar is. Omdat de bij het bestuursakkoord betrokken partijen er alle belang bij hebben de gemaakte afspraken na te komen, ga ik er vanuit dat zij voor de studenten een behoorlijke zekerheid bieden.

Voor de medezeggenschapsorganen geldt bovendien een adviesrecht ten aanzien van het instellingscollegegeld. Gegeven de afspraak in het bestuursakkoord zal het lastig zijn voor een instelling – mocht zij dat onverhoopt willen hetgeen ik niet verwacht – te motiveren waarom aan die instelling voor de studenten die hun tweede opleiding (die gelijktijdig met de eerste is gevolgd) willen afronden het instellingscollegegeld op een hoger bedrag dan dat van het wettelijk collegegeld zou moeten liggen.

Studenten kunnen, als zij twee opleidingen tegelijk volgen door ingeschreven te blijven staan voor beide opleidingen en bijvoorbeeld het afstudeermoment van een van beide opleidingen uit te stellen, het betalen van het instellingscollegegeld voorkomen. De leden van de fractie van D’66 vragen of de regering ook de mogelijkheid van dit strategisch gedrag wil uitbannen.

Ik verwijs naar mijn antwoord op een vergelijkbare vraag van de leden van de CDA-fractie. Daaruit blijkt dat ik geen aanleiding zie om deze mogelijkheid «uit te bannen».

Hbo’ers die na het afronden van een bachelor willen doorstromen naar een universitaire masteropleiding moeten vaak eerst een «schakeljaar» volgen. Wat is volgens de regering de status van dit «schakeljaar» en valt dit onder het wettelijke of instellingscollegegeld, zo vragen deze leden.

Het «schakeljaar» heeft als zodanig geen wettelijke status. In de wet is wel opgenomen dat de instelling een aankomend student met slechts een beperkte deficiëntie de gelegenheid biedt die deficiëntie weg te werken (zie artikel 7.30c en 7.57i van de WHW). In de praktijk is dit vaak geoperationaliseerd in de vorm van een schakelprogramma. De omvang hiervan verschilt afhankelijk van de mate waarin hbo-bacheloropleidingen en wo-masteropleidingen op elkaar aansluiten. Veel universiteiten hebben afspraken met hogescholen waarbij schakelprogramma’s gevolgd kunnen worden tijdens de keuzeruimte van de hbo-bachelor. Maar het hbo kan niet onbegrensd studenten voorbereiden op het wetenschappelijk onderwijs. Hbo en wo hebben immers verschillende oriëntaties. In het kader van de Strategische Agenda is met de HBO-raad en de VSNU de afspraak gemaakt dat een schakelprogramma als hoofdregel binnen een bacheloropleiding wordt vormgegeven. De student betaalt dan maximaal het wettelijk collegegeld. Hij kan zijn studiefinanciering voor deze periode gebruiken.

Is de regering van mening dat de huidige regeling universiteiten en hogescholen voldoende mogelijkheden biedt om diversificatie van opleidingen en de kwaliteit van opleidingen te stimuleren, zo vragen de leden van de D’66-fractie vervolgens.

Op een eerdere vraag van de leden van deze fractie heb ik al geantwoord dat de beoogde wettelijke verplichting tot het vragen van een instellingscollegegeld aan studenten die een tweede bachelor- of masteropleiding willen volgen alle studenten betreft ongeacht het antwoord op de vraag of zij excellent zijn of niet. Daarnaast zijn er andere instrumenten die zich expliciet richten op de diversificatie en de kwaliteit van de opleidingen. In dit wetsvoorstel zijn daarbij met name relevant de voorstellen rondom de examencommissie en het accreditatiestelsel. Binnen afzienbare tijd zal u bovendien een apart wetsvoorstel worden voorgelegd waarin wordt voorgesteld het accreditatiestelsel aan te passen. Hierover bent u reeds eerder separaat geïnformeerd en is met u overleg gevoerd. Daarnaast spelen in dit verband uiteraard de ontwikkelingen rondom «Ruim baan voor talent». In mijn beleidsreactie op het rapport «Wegen voor Talent» heb ik aangegeven dat er nadere maatregelen nodig zijn om de diversificatie en kwaliteit van opleidingen te stimuleren (TK 2008–2009, 29 388, nr. 15). Verder wijs ik op het voorstel voor de koppeling van kwaliteit aan de bekostiging dat ik binnenkort aan de Tweede Kamer zal zenden.

Kunnen onderwijsinstellingen excellent onderwijs voldoende bekostigen op basis van de voorgestelde regeling voor het instellingscollegegeld zo vragen de leden van deze fractie zich af. Is de financiële toegankelijkheid van excellente opleidingstrajecten voor iedereen voldoende gewaarborgd? Kunnen ook studenten met ouders uit de lagere inkomensklassen deze opleidingen financieren?

De voorgestelde regeling met betrekking tot het instellingscollegegeld heeft niet tot doel excellent onderwijs te faciliteren, zoals de leden van de D66-fractie lijken te veronderstellen. Zoals ik in de beleidsreactie op het rapport «Wegen voor Talent» (TK 2008–2009, 29 388, nr. 15) heb aangegeven, is er mijns inziens geen aanleiding om een hoger collegegeld voor te stellen met het oog op excellentie in het hoger onderwijs. De financiële toegankelijkheid is dus ook niet in het geding. Wel heb ik in de beleidsreactie voorgesteld dat opleidingen met residentieel, kleinschalig en intensief onderwijs een hoger collegegeld mogen heffen, omdat het hier een bijzonder duur onderwijsconcept betreft. Hierover heb ik u bij brief van 30 januari 2009 nader geïnformeerd (TK 2008–2009, 29 388, nr. 18). Zoals aangegeven in deze brief zal de regeling van excellente trajecten en andere maatregelen genoemd in de beleidsreactie op het rapport «Wegen voor talent» mogelijk eind dit jaar leiden tot een wetsvoorstel.

Met betrekking tot de verlenging van de master naar 90 of 120 ects (Europeaan credit transfer system) vragen de leden van de D’66-fractie welke gevolgen dit heeft voor de studiefinanciering van studenten. Betekent een verlengde master ook dat studenten langer recht hebben op studiefinanciering, willen deze leden weten.

Als de verlenging van de master naar 90 of 120 ects op initiatief van de minister plaatsvindt, betekent de verlenging dat er ook langer aanspraak op prestatiebeurs ontstaat. In andere gevallen is dat niet zo.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen evenals de leden van een aantal andere fracties in hoeverre rekening is gehouden met calculerend gedrag van studenten rond het uitstellen van het afronden van een eerste opleiding opdat zij niet direct met het instellingscollegegeld worden geconfronteerd in het geval van een tweede studie.

Ik verwijs ook deze leden naar mijn antwoord op een vergelijkbare vraag van de leden van de CDA-fractie. Daaruit blijkt dat de koepelorganisaties de mogelijkheid van strategisch gedrag wel onderkennen maar dat niet problematiseren. Ik zie vooralsnog geen reden om dat dan wel te doen.

Wat zijn de te verwachten gevolgen voor het aanbod van deeltijdopleidingen? Bestaat het risico dat het aanbod van deeltijdopleidingen door rechtspersonen voor hoger onderwijs drastisch wordt teruggebracht, nu het volgen van een dergelijke opleiding door een student aan wie reeds een graad bachelor, dan wel master is verleend veel duurder kan worden en daarmee de vraag sterk kan afnemen, zo willen deze leden weten. Hoe past de voorgestelde wijziging in het kabinetsbeleid met betrekking tot een leven lang leren en de kenniseconomie?

Het bestaan van maatwerkopleidingen, waartoe ik ook de deeltijdopleidingen reken, is van groot belang voor volwassenen die werken en/of leren met de zorg voor een gezin combineren. Voor studenten die al een bachelor- of mastergraad hebben behaald aan een bekostigde instelling en die een tweede bachelor- of masteropleiding volgen aan een bekostigde instelling, geldt een instellingscollegegeld. Dit in verband met de formele afbakening van de financiële verantwoordelijkheid van de overheid. Dit is voor deeltijdstudenten niet anders. Ik verwacht niet dat deze aanpassing van de collegegeld- en bekostigingssystematiek voor instellingen de reden is om de deeltijdopleidingen drastisch terug te brengen en wel om de volgende redenen.

Van de hbo-studenten die een deeltijd-bachelor- of -masteropleiding volgen, heeft ongeveer 20% een zodanige vooropleiding dat hun opleiding in het nieuwe model niet meer bekostigd wordt en zij een instellingscollegegeld moeten betalen. Voor de wo-deeltijdstudenten is dat percentage 60% voor de bachelorstudenten en 25% voor de masterstudenten. Dat zijn aanzienlijke percentages maar tegelijkertijd blijkt uit de cijfers ook dat – met uitzondering van de wo-bacheloropleidingen – de studenten van deeltijdopleidingen toch voor het overgrote deel studenten zijn die een eerste ho-opleiding doen. Voor hen geldt dus het wettelijk collegegeld en zij «tellen mee» voor de bekostiging. Verder wil ik erop wijzen dat de huidige wet geen maximum bevat voor de hoogte van het collegegeld voor deeltijdopleidingen. Met dit wetsvoorstel wordt wel een maximum geregeld voor deeltijdstudenten die voldoen aan de criteria voor wettelijk collegegeld (de overgrote meerderheid dus), te weten het bedrag dat behoort bij het wettelijk collegegeld voor voltijdse opleidingen. Dit kan de aantrekkingskracht van de deeltijdse opleiding juist bevorderen, net als het vervallen van de 30 jaarsgrens. In de huidige situatie geldt voor studenten van 30 jaar of ouder per definitie het instellingscollegegeld. Op grond van het onderhavige wetsvoorstel geldt voor de student die ouder is dan 30 jaar en nog geen (bachelor- of master)graad heeft behaald, het wettelijk collegegeld. Voor de instelling geldt dan ook recht op bekostiging. Een deeltijdopleiding wordt daarbij in dezelfde mate bekostigd als een voltijdse opleiding. Bovendien geldt voor de student die al een ho-opleiding afgerond heeft en wiens opleiding niet meer bekostigd wordt, dat hij of zij vaak een eigen inkomen heeft. Een hoger collegegeld hoeft dan – zeker gezien de scholingsaftrek en het feit dat veel werkgevers meebetalen aan de kosten van een opleiding – geen onoverkomelijke drempel te zijn. Dat blijkt ook uit de grote deelname aan het privaat gefinancierde onderwijs in Nederland.

Volledigheidshalve voeg ik hieraan toe dat de collegegeldbepalingen niet van toepassing zijn op rechtspersonen voor hoger onderwijs. Daarbij is immers geen sprake van bekostigd onderwijs.

Waarom is er niet gekozen om voor een tweede inschrijving de hoogte van het wettelijk collegegeld te laten gelden, nu dit ook in het bestuursakkoord van oktober 2007 tussen instellingen en studenten is afgesproken, zo vragen de leden van deze fractie.

Zoals ik al heb geantwoord op een vraag van de leden van de SP-fractie heeft de regering haar eigen financiële verantwoordelijkheid voor een doelmatige besteding van overheidsmiddelen. De afspraken uit het bestuursakkoord over het collegegeld zijn in de wet overgenomen, voor zover die binnen dat kader vallen. Voor het overige zullen deze vorm moeten krijgen door naleving van het bestuursakkoord. In antwoord op andere vragen ben ik hierop reeds ingegaan.

De leden van de SGP-fractie ontvangen graag meer duidelijkheid over de afbakening van het criterium tweede studie, mogelijk op grond van een aantal scenario’s. Zij vragen bijvoorbeeld welk collegegeld er wordt geheven in het geval dat een student aan een masteropleiding begonnen is en hij tegelijk start met een tweede bacheloropleiding.

In de bedoelde situatie waarbij naast een masteropleiding tegelijkertijd een (tweede) bacheloropleiding wordt gevolgd, geldt dat er vrijstelling van het wettelijk collegegeld plaatsvindt. Het principe is dat het volgen van twee (of meer) gelijktijdige hoger onderwijsopleidingen recht geeft op vrijstelling van het wettelijk collegegeld. In de bijgevoegde nota van wijziging is dit verhelderd.

Deze leden vragen verder of de constatering terecht is dat een student die twee studies volgt en het wettelijk collegegeld wil vermijden met het afronden van zijn eerste studie beter kan wachten tot de tweede studie Zij vragen of de regering deze situatie wenselijk acht.

Ik verwijs naar mijn antwoord op een vergelijkbare vraag van de leden van de CDA-fractie. Daaruit blijkt dat de koepelorganisaties de mogelijkheid van strategisch gedrag wel onderkennen maar dat niet problematiseren. Ik zie vooralsnog geen reden om dat wel te doen.

De leden van de SGP-fractie vragen eveneens hoe het vanuit een ambitieuze studiecultuur te verdedigen is dat een student die zijn eerste studie voortvarend heeft afgerond en eveneens een substantieel deel van een tweede studie achter de rug heeft, gedurende het laatste deel het wettelijk collegegeld (bedoeld zal zijn: het instellingscollegegeld) moet betalen. Zij vragen of de regering hiervoor een oplossing mogelijk acht.

De voorstellen omtrent het wettelijk en instellingscollegegeld vloeien voort uit de afbakening van de financiële verantwoordelijkheid van de overheid. Het volgen van meer dan één opleiding is een van de vormen van een ambitieuze studiecultuur, maar niet de enige. Indien de student in het aangehaalde voorbeeld zijn tweede studie voor een groot deel achter de rug heeft, is het mogelijk dat hij zijn tweede opleiding afrondt in hetzelfde studiejaar als zijn eerste opleiding. In dat geval geldt voor hem het wettelijk collegegeld. Mocht de student meer tijd nodig hebben voor afronding van zijn tweede opleiding, dan geldt voor hem of haar hetgeen gemeld is in antwoord op vragen van andere fracties: formeel geldt het instellingscollegegeld, maar vanwege het tussen de onderwijsinstellingen en studenten tot stand gekomen bestuursakkoord zal dit de hoogte van het wettelijk collegegeld zijn.

Vervolgens vragen deze leden of de regering bereid is te onderzoeken of in het geval van theologische en ambtsopleidingen een versoepeling mogelijk is van het beginsel dat de overheid één studie bekostigt. Zij vragen hoe de regering omgaat met het gegeven dat studenten meer dan gemiddeld voor deze opleidingen kiezen wanneer zij al een andere opleiding afgerond hebben.

Zoals ik eerder heb aangegeven, bakent in dit wetsvoorstel de overheid haar verantwoordelijkheid voor de financiële ondersteuning van het kunnen volgen en succesvol afronden van een opleiding af tot één bacheloropleiding en één masteropleiding per student. Een uitzondering op dit uitgangspunt wordt gemaakt voor studenten die als tweede (navolgende) studie een opleiding in het onderdeel Onderwijs of Gezondheidszorg van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (CROHO) gaan volgen, en die nog geen bachelorrespectievelijk mastergraad voor een opleiding in een van deze CROHO-onderdelen hebben behaald: ook voor deze studenten geldt het wettelijk collegegeld. Deze uitzondering vloeit voort uit de bijzondere verantwoordelijkheid die de overheid heeft voor de arbeidsmarkt in deze sectoren. Die overheidsverantwoordelijkheid strekt zich niet uit tot de beroepen waarop de theologische en ambtsopleidingen zich richten. In dat perspectief ligt een uitzondering voor deze opleidingen niet in de rede.

Teruggave collegegeld

De leden van de SGP-fractie vragen of de kosten die instellingen voor een student maken in de regel voldoende gedekt zijn in geval van restitutie van collegegeld die het gevolg is van een voortijdige uitschrijving die zeer vroeg in het collegejaar plaats vindt.

De inschrijving van een student op de peildatum van 1 oktober is bepalend voor de berekening van de rijksbijdrage. Bij die berekening wordt geen rekening gehouden met mogelijke uitval of uitschrijving nadien en de minderuitgaven die daaruit voor instellingen vanwege die uitgeschreven student resulteren. Deze minderuitgaven en de kosten die instellingen maken in geval van restitutie van het collegegeld compenseren elkaar naar mijn mening in voldoende mate.

Overige wijzigingen

De leden van de SGP-fractie vragen of het voor een instelling mogelijk is om af te zien van betaling in termijnen. Zij vragen of het wenselijk is dat in plaats van een aantal voorgeschreven termijnen in ieder geval een minimumaantal termijnen wordt opgenomen, zodat minimale spreiding van financiële lasten gegarandeerd blijft.

De instellingen kunnen al vele jaren studenten de mogelijkheid bieden het collegegeld in termijnen te betalen. Op grond van het wetsvoorstel is het aantal termijnen niet langer voorgeschreven, maar wel is voorgeschreven dat de mogelijkheid van gespreide betaling moet bestaan. De instelling doet dat overeenkomstig een met de student (of degene die namens hem betaalt) te treffen betalingsregeling. Dat betekent dat een student zelf invloed kan uitoefenen op het aantal termijnen dat hij een deel van het collegegeld moet betalen. Een minimum aantal termijnen is naar mijn oordeel dan ook niet nodig.

4.2 Profileringsfonds

De leden van de CDA-fractie stellen dat het kwijtschelden van collegegeld door de instelling door de overheid als een ondoelmatige besteding van rijksbijdragen beschouwd wordt. Daarmee is dit instrument verboden. De studentenorganisaties hebben de figuur van collegegeldvrij studeren voorgesteld om een beperkt aantal studenten die gedurende een jaar een bestuursfunctie vervullen de gelegenheid te geven wel ingeschreven te laten staan aan de universiteit, maar hen geen collegegeld te laten betalen. Begrijpen de leden het goed dat door deze wettelijke bepaling een dergelijk voorstel al op voorhand onmogelijk is gemaakt? Waarom heeft de regering dit niet als argument tegen het voorstel van deze organisaties gebruikt? Wordt dit verbod niet omzeild doordat hoger onderwijsinstellingen vanuit fondsen overgaan tot het verstrekken van beurzen wat hetzelfde effect heeft, zo vragen deze leden.

In artikel 2.9, eerste lid, van de WHW is, in afwijking van de algemene regel die deze leden aanhalen, aangegeven dat via het afstudeerfonds (na wetswijziging het profileringsfonds) het collegegeld wel mag worden gecompenseerd. In het overleg met de studentenorganisaties is dit ook naar voren gebracht. In het overleg is aangegeven dat via het profileringsfonds studentbestuurders een tegemoetkoming kunnen ontvangen waarmee het collegegeld gecompenseerd kan worden dat is verschuldigd vanwege het gebruik van onderwijsvoorzieningen terwijl deze studentbestuurders door hun functie daarvan niet of nauwelijks gebruik kunnen maken.

De leden van de SP-fractie wijzen op de memorie van toelichting waarin wordt gesteld dat het voor de hand ligt dat studenten die op verzoek van de instelling een adviserende functie verrichten een uitkering uit het profileringsfonds krijgen. Waarom wordt dit niet vastgelegd, zo vragen deze leden.

Met het profileringsfonds kan de instelling bepaalde studenten financieel ondersteunen. Als een student in bepaalde bijzondere omstandigheden verkeert, is het zelfs voorgeschreven dat er ondersteuning plaatsvindt. De instelling kan daarnaast, als vorm van profilering en binnen grenzen, zelf bepalen welke andere omstandigheden zij financieel wil ondersteunen uit het fonds.

Voor zover de wetgever het nodig heeft geacht een formele bestuursfunctie voor studenten bij wet te regelen, ligt het voor de hand bij wet financiële ondersteuning aan deze studenten te garanderen. Het gaat naar mijn mening te ver dat ook te doen ten aanzien van bestuursfuncties die los daarvan binnen de instelling zijn vormgegeven. Hiervoor geldt mijns inziens wel een analoge redenering: als een instelling het wenselijk acht voor studenten bepaalde bestuursfuncties binnen haar instelling te creëren, ligt het voor de hand dat de instelling daarvoor financiële ondersteuning verleent uit het fonds waarmee de instelling zich kan profileren.

Waarom mag het instellingsbestuur alleen voorzieningen treffen voor de financiële ondersteuning van een student die aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor een opleiding waarvoor aan hem nog geen graad is verleend? Betekent dit dat een student die bezig is met een tweede studie geen beroep kan doen op het profileringsfonds zoals deze ook het instellingscollegegeld moet betalen, willen deze leden weten.

Net als in de huidige situatie is een beroep op het fonds voorbehouden aan studenten die voldoen aan de eisen omtrent het wettelijk collegegeld. De bedoeling van het fonds is immers om studenten in staat te stellen hun door de overheid bekostigde opleiding af te ronden. Dit principe is ongewijzigd. Dit impliceert dat er geen steun uit het profileringsfonds plaatsvindt als een student reeds een bachelor- respectievelijk een mastergraad heeft behaald.

De leden van de VVD-fractie willen weten of inmiddels overleg is gevoerd met ISO en LSVb over eventuele onnodige belemmeringen rond het nieuwe profileringsfonds.

Met ISO, LSvB en LKkV zijn inmiddels inderdaad gesprekken gevoerd over onnodige belemmeringen rond het profileringsfonds in samenhang met het thema collegegeldvrij besturen. Ik heb uw Kamer separaat geïnformeerd over mijn conclusies naar aanleiding van die gesprekken.

Deze leden vragen verder of er onderzoek is gedaan naar de huidige bereidheid onder studenten om bestuursfuncties en andere nevenactiviteiten naast hun studie te doen? Zo ja, wat waren de uitkomsten?

Uit de beleidsevaluatie van de Wet Modernisering universitaire bestuursstructuur (MUB) «Gezonde spanning» (2005) blijkt dat meer dan de helft van het personeel en met name de studenten van de universiteiten geen interesse heeft in de bestuurlijke gang van zaken. Het grootste deel zegt ook niet bereid te zijn om zitting te nemen in bestuursorganen. «Het kost te veel tijd» wordt als hoofdreden aangegeven. Het is mede daardoor moeilijk om geschikte kandidaten te vinden voor de raden en commissies. De onbekendheid van het raads- en advieswerk speelt eveneens een rol. Vanuit het hbo zijn vergelijkbare signalen gegeven.

Wat zijn belemmeringen voor studenten om een bestuursfunctie te bekleden, vragen de leden van de VVD-fractie vervolgens. Hoe kunnen studenten volgens de regering gestimuleerd worden om nevenactiviteiten te ontplooien?

Er zijn verschillende wettelijke voorzieningen voor studenten die een bestuursfunctie vervullen. Ten eerste is er de landelijke ondersteuning voor studentvertegenwoordigers van de landelijke studentenorganisaties (art. 3.3, tweede lid, WHW) en de landelijke ondersteuning voor organisaties gericht op een maatschappelijk of onderwijskundig belang of een politieke jongerenorganisatie (artikel 7.51, zesde lid, WHW).

Daarnaast wordt voorgeschreven dat de instelling voorzieningen moet treffen voor financiële ondersteuning aan studenten die lid zijn van het bestuur van een studentenorganisatie. Verder voorziet de wet in het recht op faciliteiten en scholing van de leden van de medezeggenschapsorganen. Met dit wetsvoorstel wordt dat recht ook toegekend aan leden van de opleidingscommissies.

Mede naar aanleiding van de toezegging aan uw Kamer tijdens het wetgevingsoverleg van 8 december 2008 heb ik opnieuw overleg gevoerd met de studentenbonden over de vraag welke wezenlijke belemmeringen er nu zijn om bestuursfuncties te vervullen. Ik heb u separaat de resultaten van dit overleg gemeld.

Deze leden willen voorts weten in hoeverre de regering het denkbaar acht dat de beschikbaarheid van middelen vanuit een instelling voor studenten met een bestuursfunctie steeds verder afkalft, doordat uit hetzelfde profileringsfonds ook studenten met studievertraging wegens ziekte en (talentvolle)studenten uit niet EER-landen worden gefinancierd?

Het is aan de afzonderlijke instellingen te bepalen welk deel van de rijksbijdrage wordt aangewend om via het profileringsfonds aan studenten beschikbaar te stellen. Bij wet is wel voorgeschreven dat de instellingen een voorziening moeten treffen voor financiële ondersteuning aan studenten met bijzondere omstandigheden, zoals de bestuursleden van studentenorganisaties en leden van medezeggenschapsorganen. In de wet is als richtsnoer voor de steun de hoogte van de studiefinanciering gegeven. In de instellingsregeling worden nadere keuzes gemaakt. Daarbij kan vanzelfsprekend niet afgeweken worden van de wettelijke voorschriften. De studenten zijn hierbij nauw betrokken: op de instellingsregeling heeft het medezeggenschapsorgaan instemmingsrecht. De instelling zal de financiële consequenties van de wettelijke verplichtingen en de beleidsinhoudelijke keuzes moeten dragen.

Tenslotte vragen de leden van de VVD-fractie of erover is gedacht om binnen het profileringsfonds middelen voor verschillende doeleinden te oormerken. Zij vernemen graag hoe de regering tegen die optie aankijkt.

Er is niet overwogen om de financiële middelen binnen het profileringsfonds te oormerken. De instellingen worden bekostigd volgens een lumpsum financiering. Dit impliceert dat er voor de instelling bestedingsvrijheid bestaat. Dankzij een dergelijke financieringswijze kunnen instellingen zelf zorg dragen voor een goede besteding van middelen binnen de instelling. Uiteraard dient de besteding plaats te vinden overeenkomstig het doel waartoe bekostiging wordt verleend en onder naleving van de overige wettelijke voorschriften. Daar waar de WHW voorschriften geeft aan de instellingen zullen zij deze moeten uitvoeren en kunnen zij daarvoor de publieke middelen inzetten. Het verstrekken van financiële ondersteuning van de instelling aan de student is een dergelijke taak op grond van de wet. De financiering ervan is onderdeel van de rijksbijdrage. Oormerking van de financiering verdraagt zich slecht met de lumpsumsystematiek.

4.3 Verhaalsrecht

De leden van de CDA-fractie merken op dat het zogeheten verhaalsrecht «nieuw» is. Indien studenten menen dat de kwaliteit van de opleiding achter blijft bij de gewekte verwachtingen, kunnen zij een deel van hun collegegeld terug vragen. Deze figuur is reeds van toepassing binnen het consumentenrecht, waar het wettelijk is vorm gegeven en waar jurisprudentie is gevormd. De leden van deze fractie maken zich zorgen over deze «verconsumentering» van het hoger onderwijs en vrezen voor te vergaande mate van juridisering. De uiteindelijke kwaliteit en vormgeving van de opleiding is niet uitsluitend afhankelijk van de docenten en de instelling, maar ook van zijn deelnemers. Dat aspect komt onvoldoende tot uitdrukking in dit wetsvoorstel en om die reden wijzen de leden voorlopig de introductie van dit verhaalsrecht af. Bij het verhaalsrecht in deze wet vragen de leden in welke gevallen een beroep mag worden gedaan op dit recht. Op grond van welke informatie mag een student zijn verhaal baseren: op brochures, studiewijzers, internetinformatie, krantenberichten, willen zij weten.

Met het verhaalsrecht wordt «verconsumentering» noch juridisering beoogd. Het verhaalsrecht is bedoeld om te bevorderen dat een student van de instelling het onderwijs krijgt dat hij bij zijn inschrijving mocht verwachten gegeven de uitlatingen en regelingen van de instelling. De relatie student – instelling is een tweezijdige relatie. Ook in een dergelijke tweezijdige relatie – de student betaalt en moet zich inspannen voor de opleiding, de instelling moet de student goed onderwijs geven en uitdagen – past het verhaalsrecht.

Het verhaalsrecht is mede geïntroduceerd op verzoek van een meerderheid van de Tweede Kamer. De instelling zal zich als gevolg van de introductie van het verhaalsrecht, mogelijk meer nog dan nu al het geval is, bewust moeten zijn van haar (op de WHW berustende) verplichtingen. Dat neemt niet weg dat in de relatie tussen instelling en student en de door de instelling geboden kwaliteit ook de student een rol speelt. Hierbij is relevant of er sprake was van gerechtvaardigde verwachtingen en of het niet nakomen van hetgeen in de informatie was aangekondigd zodanige nadelige gevolgen heeft in de vorm van bijvoorbeeld materiële schade dat verhaalsrecht op zijn plaats is. Van de instelling (het college van bestuur) wordt gevraagd om in geval van een claim van een student deze aan een beoordeling te onderwerpen en de rol van alle betrokken partijen daarbij te betrekken. Als een student het niet eens is met de beslissing van het college van bestuur over zijn claim, dan kan hij op de interne en zonodig de externe geschillenprocedure een beroep doen. Er zal zich jurisprudentie vormen die voor student en instelling een richtsnoer kan zijn bij de haalbaarheid van eisen respectievelijk het inwilligen daarvan.

De informatie waarop de student zijn verhaalsrecht mag baseren, is breed: het gaat om informatiebronnen als studiekeuze 123, wervingsmateriaal als brochures, internetpagina’s en interne (door de wet verplicht gestelde) documenten als het studentenstatuut en het onderwijs- en examenreglement. Dit zijn allemaal documenten waarvan de inhoud door de instelling (mede) wordt bepaald en waar de instelling verantwoordelijk voor gehouden kan worden. Daarbij leggen – vanwege de genoemde gerechtvaardigde verwachtingen – de documenten die de instelling op grond van de wet verplicht is tot stand te brengen (met soms daarbij nog een rol van de medezeggenschap) het meeste gewicht in de schaal. Folders hebben een wervend karakter, berichten in de media en ook berichten op internet zijn vrijwel altijd gecomprimeerd en soms wat eenzijdig, bijvoorbeeld te rooskleurig. De (potentiële) student kan dat redelijkerwijze weten en op informatie uit die bronnen mag hij dus niet zonder meer vertrouwen. Dat zal meewegen bij het antwoord op de vraag of de instelling gehouden is tot het betalen van schadevergoeding. Ik zal bij nota van wijziging voorstellen dat de student zich ten minste mag baseren op de artikelen 7.13, 7.15 en 7.59 van de WHW als hij een beroep op het verhaalsrecht doet.

De leden van de PvdA-fractie zijn verheugd dat de regering in dit wetsvoorstel het door haar gewenste principe van «niet goed, geld terug» heeft opgenomen via instelling van het zogenaamde verhaalsrecht. In de memorie van toelichting wordt toegelicht dat het aan de instellingen is om te bepalen hoe men de procedure, met betrekking tot het verhalen van geleden schade, inricht. Hierbij gaat men er vanuit dat er vanuit wordt gegaan dat de procedure voor de student zo min mogelijk moeite en tijd zal kosten. Acht de regering het niet wenselijk dat hier duidelijke randvoorwaarden worden opgenomen voor wat betreft snelheid en belasting zodat het aangaan van een procedure geen onneembare drempel dreigt te worden, vragen de leden.

Bij de regeling van het verhaalsrecht wordt ervan uitgegaan dat de principes van laagdrempeligheid, transparantie en oplossingsgerichtheid in acht worden genomen. In de artikelen die daarop betrekking hebben, wordt verwezen naar bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht die van (overeenkomstige) toepassing zijn. Die artikelen hebben betrekking op onderwerpen als de zorgvuldigheid en de wijze waarop de student in de gelegenheid wordt gesteld zijn verhaal te doen. Bovendien worden in de artikelen 7.59a en 7.63a nog eens specifiek kwesties genoemd die erop gericht zijn de student in een zo gunstig mogelijk positie te plaatsen. De regeling die het instellingsbestuur maakt, moet worden opgenomen in het bestuurs- en beheersreglement. Daarop heeft het medezeggenschapsorgaan instemmingsrecht. Studenten kunnen dus zo direct invloed uitoefenen op de gang van zaken binnen hun eigen instelling.

De leden van de SP-fractie vragen hoe de regering voorkomt dat er met het verhaalsrecht een afkoopmogelijkheid komt voor instellingen om afspraken niet na te komen. Waarom komt er niet een regeling waardoor instellingen zich sowieso moeten houden aan hun afspraken, beloftes en wettelijke taak?

Het verhaalsrecht zal, anders dan de leden van de SP-fractie lijken te veronderstellen, naar mijn mening niet een instrument worden om de verantwoordelijkheid van de instelling af te kopen. Instellingen zijn gehouden om dat wat in de WHW is bepaald, na te komen als regel of als bekostigingsvoorwaarde. Op het niet nakomen van een verplichting staan sancties, met name het door de de minister van OCW geheel of gedeeltelijk opschorten of inhouden van de rijksbijdrage. Het verhaalsrecht is een andere mogelijkheid om ervoor te zorgen dat instellingen zich aan hun verplichtingen houden. Als een student een beroep op zijn verhaalsrecht doet, kan de instelling verplicht worden het collegegeld geheel of gedeeltelijk terug te betalen. Dat gaat ten koste van de middelen van de instelling. Naar mijn mening zal dit eraan bijdragen dat de instelling haar wettelijke verplichtingen nakomt. Bovendien dient de instelling jaarlijks verslag uit te brengen over de verrichte werkzaamheden.

Deze leden merken op dat het college van bestuur beslist of een schadevergoeding wordt toegekend, maar ook verantwoordelijk is voor de financiën van de instelling. Hoe garandeert de regering een objectieve afweging of er recht is op terugbetaling van (een deel van) het collegegeld? Hoe voorkomt de regering belangenverstrengeling?

Artikel 7.35, waarin het verhaalsrecht wordt vormgegeven, bepaalt in welke gevallen het instellingsbestuur (een deel van) het collegegeld terugbetaalt aan de student die hiervoor een verzoek indient. Een voorbeeld is onjuiste informatieverstrekking door een instelling. In de informatie staat bijvoorbeeld dat een bepaald vak wordt verzorgd tijdens een bepaald semester en de student schrijft zich met het oog daarop in. Al gauw blijkt dat de informatie niet juist is en de student het vak pas een semester later kan volgen en zodoende studievertraging oploopt.

Een student kan dan bij het instellingsbestuur een gemotiveerd verzoek indienen waarom het instellingsbestuur zich ten opzichte van hem niet aan zijn verplichtingen heeft gehouden. Het instellingsbestuur zal op dit verzoek een gemotiveerde beslissing moeten nemen. De objectiviteit van de beslissing van het instellingsbestuur wordt gewaarborgd doordat de interne en externe rechtsbeschermingsprocedures open staan voor deze beslissingen. Daarnaast heeft de medezeggenschap instemmingsrecht op de door het instellingsbestuur vast te stellen procedurele regeling. Intern zal de raad van toezicht in het systeem van checks en balances toezicht houden op het objectief en onafhankelijk uitvoeren van deze bevoegdheid door het instellingsbestuur.

De leden van de SP-fractie informeren verder hoe deze situatie zich verhoudt tot de randvoorwaarde van rechtsbescherming dat een procedure zo onafhankelijk mogelijk is.

Als een student een verzoek om terugbetaling van (een deel van) het collegegeld bij het instellingsbestuur indient, neemt het instellingsbestuur hierover een beslissing. Omdat het instellingsbestuur verantwoordelijk is voor de financiën van de instelling, is het instellingsbestuur het aangewezen orgaan om terugbetalingsverzoeken te behandelen. Het instellingsbestuur heeft de terugbetalingsverplichting op grond van de WHW en is om die reden eraan gehouden hiermee zorgvuldig om te gaan. Is een student het niet eens met de beslissing die is genomen door het instellingsbestuur dan staat de rechtsbeschermingsprocedure open voor deze student. De onafhankelijke geschillenadviescommissie zal over dit geschil adviseren aan het instellingsbestuur in verband met de heroverweging van de genomen beslissing. Vervolgens staat de externe rechtsbeschermingsprocedure voor de student open. Dat wil zeggen dat de rechter de beslissing toetst.

Verder wil ik erop wijzen dat het medezeggenschapsorgaan instemmingsrecht heeft op de procedureregeling ten aanzien van het verhaalsrecht én – via het bestuurs- en beheersreglement – op de regeling van de rechtsbescherming.

Tot slot willen deze leden weten of het recht op teruggave van collegegeld ook geldt wanneer een instelling niet voldoet aan beloftes uit een wervingsfolder voor aankomende studenten of wanneer er onjuiste informatie is verstrekt aan (aankomende) studenten.

Teruggave van het collegegeld kan ook aan de orde zijn als de instelling informatie of toezeggingen in voorlichtingsmateriaal niet nakomt. Zoals ik al bij mijn beantwoording van vragen van de CDA-fractie heb aangegeven, is er een veelheid aan bronnen waaruit een student zijn informatie kan halen. Als een instelling zelf (eventueel in samenwerking met andere instellingen zoals ingeval van studiekeuze 123) verantwoordelijk is voor de inhoud van informatie aan (aankomende) studenten, kan een student zich bij het indienen van een claim daarop beroepen. Er is echter wel een verschil tussen reclamemateriaal en formele regelingen van de instellingen. Hoewel een burger zich tot op bepaalde hoogte ook mag baseren op dat wat in reclame- of voorlichtingsmateriaal wordt vermeld, brengt de aard van dat materiaal wel enige beperking mee. Ik verwijs hier ook naar hetgeen ik heb opgemerkt over de nota van wijziging waarin ik de gegevens bedoeld in de artikelen 7.13, 7.15 wen 7.59 expliciet zal noemen als informatiebronnen waarop de (aanstaand) student zich kan beroepen. Juist in die informatiebronnen staan de rechten van de studenten concreet beschreven, waardoor de student zijn rechten beter kan operationaliseren.

De leden van de VVD-fractie vragen ten aanzien van het verhaalsrecht of de regering de omschrijving: zaken van «enige omvang» die het niet nakomen van de instelling van haar verplichting betreffen, concreet genoeg acht om als student een beroep op te kunnen doen? Zal deze bepaling in de praktijk niet vooral leiden tot juridisering, vragen zij.

Ik acht de omschrijving «zaken van enige omvang» concreet genoeg om het verhaalsrecht goed te laten functioneren. Als in het wetsvoorstel gesproken wordt over een deel van het collegegeld, dan zal het gaan om bedrag van enige omvang met daaraan dan weer gekoppeld een handelen of nalaten van de instelling dat daarmee overeenkomt. De student moet als hij een beroep op het verhaalsrecht doet, gemotiveerd uiteenzetten dat hij door een handelen van de instelling schade heeft opgelopen en waaruit die schade bestaat: studievertraging, materiële schade. Het college van bestuur «waardeert» vervolgens de schade en bepaalt de hoogte van het aan de student te vergoeden bedrag. Het is voorstelbaar dat deze bepaling over het verhaalsrecht leidt tot juridisering in de praktijk. Dat kan als negatief worden beschouwd. Daarbij wijs ik er nadrukkelijk op dat het opnemen van het verhaalsrecht en de rechtsbescherming van de student in de wet wezenlijke verbeteringen van diens positie vormen. De wet biedt hem nu instrumenten om intern en extern gedragingen van een orgaan van de instelling aan een beoordeling te laten onderwerpen. Een mogelijke juridisering kan daarvan het gevolg zijn. Dit weegt niet op tegen de eerder genoemde verbetering van de positie van de student.

Ook vernemen deze leden graag in hoeverre de regering verwacht dat studenten gebruik zullen gaan maken van het verhaalsrecht.

Hoewel ik geen prognose kan geven over de omvang waarin studenten gebruik zullen gaan maken van het verhaalsrecht, staat voor mij wel vast dat zij er gebruik van gaan maken. Als bijvoorbeeld het aantal contacturen dat een student mag verwachten niet spoort met de werkelijkheid – onderzoek van de inspectie uit 2007 (TK 2006–2007, 30 800 VIII, nr. 129) duidt erop dat dit nogal eens voorkomt – kan hij in de toekomst op dit recht een beroep doen. Naarmate een instelling er beter in slaagt gewekte verwachtingen ook waar te maken, zal er minder een beroep op het verhaalsrecht hoeven te worden gedaan.

Wat brengt dit aan extra administratieve lasten met zich mee, willen deze leden weten.

Administratieve lasten worden alleen berekend als verwacht wordt dat zich daarin een wijziging in de vorm van een toename of een afname zal voordoen. Het gaat daarbij om informatieverplichtingen ten opzichte van de overheid. Het verhaalsrecht leidt niet tot een toename of afname daarvan. Dat neemt natuurlijk niet weg dat er intern binnen de instelling voorzieningen moeten worden getroffen met het oog op het verhaalsrecht. Binnen een professionele organisatie als een instelling voor hoger onderwijs is, moet dat naar mijn indruk zonder al te veel problemen kunnen.

De leden van de VVD-fractie vragen verder of de medezeggenschap nog een rol speelt in het verhaalsrecht.

De medezeggenschap heeft een rol bij de vaststelling van de regeling omtrent het verhaalsrecht. In artikel 9.33a (voor de universiteiten), art. 10.20a (voor de hogescholen) en artikel 11.13 (voor de Open Universiteit) is een adviesrecht van het medezeggenschapsorgaan op deze regeling voorgeschreven. Daarnaast wijs ik op het instemmingsrecht – via het bestuurs- beheersreglement – ten aanzien van de regeling van de rechtsbescherming.

Tot slot vragen deze leden of een faculteitsraad namens een grote groep studenten een beroep kan doen op het verhaalsrecht.

Het verhaalsrecht is in beginsel een recht dat de individuele student toekomt. Individuele studenten kunnen zich wel verenigen tot een groep en als groep een beroep doen op de faculteitsraad om namens hun op te treden. Ongevraagd kan de faculteitsraad dat normaal gesproken niet. Ik teken hierbij aan dat het aan de instelling is overgelaten hoe de procedure rond het verhaalsrecht eruit komt te zien.

5. STUDENTEN

5.1 Rechtsbescherming

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de regeling voor rechtsbescherming van studenten geen betrekking heeft op andere organisaties dan onderwijsinstellingen, zoals de IB-groep, Centrale Financiële Instellingen (CFI) en inspectie van het onderwijs. Is de rechtsbescherming ten aanzien van deze organisaties volgens de regering afdoende geregeld?

Ja, ik ben van mening dat de rechtsbescherming voor studenten goed geregeld is als het gaat om besluiten van andere instanties dan de instellingen voor hoger onderwijs. De rechtsbescherming voor dergelijke besluiten is in andere wetgeving dan de WHW neergelegd. Zo is in de Wet studiefinanciering 2000 de rechtsbescherming geregeld voor studenten tegen besluiten van de IB-Groep. De inspectie van het onderwijs heeft een klachtenregeling, gebaseerd op hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht. Studenten hebben geen directe relatie met CFI.

De instelling is vrij om een keuze te maken hoe «de faciliteit» wordt vormgegeven. Hoe wordt de neutraliteit van «de faciliteit» gewaarborgd, zo vragen deze leden.

De neutraliteit van de «faciliteit» wordt gewaarborgd doordat de medezeggenschap instemmingsrecht heeft op het bestuurs- en beheersreglement waarin de inrichting van de faciliteit wordt vormgegeven. Daarnaast heeft de raad van toezicht een toezichthoudende rol met betrekking tot de uitvoering van het bestuurs- en beheersreglement waarbij de raad van toezicht ook de neutraliteit van de faciliteit in de gaten kan houden. Overigens neemt de «faciliteit» inhoudelijk geen beslissingen; dus neutraliteit in die zin is bij de «faciliteit» niet aan de orde.

Valt onder behandeling van geschillen die betrekking hebben op een beoordeling van de kwaliteit van de student ook het judicium abeundi, willen deze leden weten.

Ja, ook bij toepassing van het iudicium abeundi is rechtsbescherming mogelijk. De geschillenadviescommissie zal bij geschillen daarover een advies uitbrengen aan het instellingsbestuur dat dan vervolgens op grond van een heroverweging beslist.

Bijzondere instellingen moeten ten aanzien van een klacht zoveel mogelijk in overeenstemming met titel 9.1. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) handelen, terwijl openbare instellingen zich er volledig aan moeten houden. Op welke punten mag een bijzondere instelling afwijken, zo vragen de leden van de VVD-fractie verder.

Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van overeenkomstige toepassing verklaard voor bijzondere instellingen. De reden dat van deze wetgevingstechniek gebruikt is gemaakt, is dat de bijzondere instellingen, anders dan de openbare instellingen, in de meeste gevallen niet handelen als een bestuursorgaan in de zin van de Awb. De Awb geldt alleen voor bestuursorganen. Hoofdstuk 9 Awb is dus niet automatisch van toepassing op de bijzondere instellingen, zoals bij de openbare instellingen wel het geval is. De bijzondere instellingen moeten hun procedure zo invullen dat ze voldoen aan de eisen die gesteld worden in hoofdstuk 9 van de Awb. De terminologie «van overeenkomstige toepassing» biedt inhoudelijk geen ruimte om afwijkende bepalingen te hanteren. Overigens geldt hetzelfde voor de studenten. Zij moeten zich ook houden aan de regels uit hoofdstuk 9 van de Awb. Hoofdstuk 9 van de Awb biedt minimumeisen voor een goede klachtenbehandeling. Als er voor bestuursorganen vrijheid is om extra voorschriften op te nemen, dan geldt dit recht ook voor de bijzondere instellingen.

Op basis van welke signalen verwacht de regering dat bijzondere instellingen met het oog op de rechtszekerheid van studenten zo min mogelijk zullen afwijken van de Awb, vragen deze leden. Welke garantie heeft de regering? Als hiertoe geen garanties bestaan, is de conclusie dan juist dat de rechtszekerheid van een student bij een bijzondere instelling niet gegarandeerd kan worden?

In het wetsvoorstel is voor de interne regeling van de rechtsbescherming een onderscheid gemaakt tussen klachten en geschillen. Ten aanzien van klachten is bepaald dat titel 9.1 van de Awb van overeenkomstige toepassing is. Alleen ten aanzien van geschillen zijn afwijkingen ten opzichte van de op dat punt gedetailleerdere Awb mogelijk. Aan de instelling wordt een bepaalde mate van ruimte geboden om tot een goede inrichting van de geschillenregeling te komen Daarbij zijn wel essentiële voorwaarden gesteld deels voortkomend uit de Awb en deels specifiek voor het hoger onderwijs (zoals het college van beroep voor de examens). In de instellingsregeling, met een rol voor het medezeggenschapsorgaan, kan een en ander binnen dat gegeven kader worden uitgewerkt. Hiermee is de rechtszekerheid van de student bij de bijzondere instelling gegarandeerd.

Geldt ten aanzien van de klachtenprocedure ook de termijn zoals in artikel 9.11 van de Awb is vastgelegd, willen de leden van voornoemde fractie weten.

Ja, de termijn zoals genoemd in artikel 9.11 van de Awb is van toepassing ten aanzien van de klachtenprocedure in het hoger onderwijs.

5.2 Transparante studiekeuze-informatie

De leden van de CDA-fractie merken op dat om het studiesucces te verhogen het van belang is dat aankomende studenten een juiste studiekeuze maken. Daartoe moet hen voldoende en adequate informatie worden aangeboden. De minister verwijst in dat kader naar Studiekeuze 123. De leden van deze fractie vragen of de effectiviteit van dit instrument reeds is onderzocht.

De effectiviteit van Studiekeuze123 moet worden bekeken in samenhang met de vele andere activiteiten die plaatsvinden om aankomende studenten (zich) goed te (laten) informeren ten behoeve van een goede studiekeuze (voorlichting op school, open dagen, studiebeurzen, studiekeuzegesprekken, andere websites en publicaties met informatie over opleidingen in het hoger onderwijs). De invloed van al deze activiteiten op het studiesucces is niet afzonderlijk te meten, want bij studiesucces en -uitval spelen vele andere factoren ook een rol (zoals motivatie). Ik acht de beschikbaarheid van betrouwbare, onafhankelijke en transparante vergelijkende informatie over de opleidingen in het hoger onderwijs evenwel sowieso van groot belang voor een goede studiekeuze.

De kwaliteit van de informatie en de website is van groot belang voor het succes ervan. Een deskundigenpanel ziet daarop toe. De Stichting Studiekeuze123 peilt regelmatig het gebruik van de website Studiekeuze123. Deze groeit sterk (het aantal unieke bezoekers groeide van 235 000 in 2007 naar 462 000 in 2008). De helft van de bezoekers gebruikt de site ook om opleidingen met elkaar te vergelijken. Daarnaast moeten een gebruikersplatform en een klankbordgroep garanderen dat de informatie en de website aansluiten bij de behoeften van de gebruikers en de maatschappelijke omgeving. Tot slot wordt ook in de Studentenmonitor de studenten gevraagd naar hun oordeel over de kwaliteit van de informatie en de website. De studenten waarderen de site met ruim een 7.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan aangeven of zij heeft overwogen misleidende informatie in voorlichtingsfolders en andere vormen van voorlichting die niet voldoen aan de principes van zorgvuldige communicatie, een plek te geven binnen het verhaalsrecht zoals in het wetsvoorstel naar voren komt.

Zoals ik al bij de beantwoording van andere vragen heb opgemerkt, kan de student zich bij de uitoefening van het verhaalsrecht beroepen op alle mogelijke (informatie) bronnen waarvoor de instelling verantwoordelijk is. Bij nota van wijziging zal ik expliciet de onderwijs- en examenregeling (artikel 7.13), de informatie aan (aanstaande) studenten (artikel 7.15) en het studentenstatuut (artikel 7.59) toevoegen als gronden waarop een student zijn verhaalsrecht kan baseren.

De leden van de SP-fractie vinden het belangrijk dat er goede informatie beschikbaar is over opleidingen. Zij zouden graag zien dat ook de informatie over studiekosten duidelijk is voor aankomende studenten. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door instellingen een maximum te laten stellen aan de bijkomende kosten bovenop het collegegeld. Wanneer een opleiding hiervan afwijkt, moet deze dat verantwoorden in bijvoorbeeld de studiegids en op de website van de studie. Zij vragen naar de mogelijkheden om dit maximum vast te laten stellen door het college van bestuur in samenspraak met de medezeggenschapsraad.

Elke student die zich inschrijft voor een opleiding is collegegeld verschuldigd. De wet bepaalt dat de inschrijving niet afhankelijk mag worden gesteld van andere financiële bijdragen dan het collegegeld. In antwoord op Kamervragen en in een recente brief (TK 2008–2009, Aanhangsel Handelingen, nr. 1306, respectievelijk brief van 2 april 2009, TK 2008–2009, 31 288, nr. 53) heb ik aangegeven dat de instelling zich aan de wet moet houden, wat daarin bepaald is over de kosten voor het onderwijs en dat als sprake is van extra kosten deze redelijk moeten zijn. De toegankelijkheid kan niet in het gedrang komen. Als instellingen een maximum bedrag zouden kunnen vaststellen, dan ontstaat naar mijn mening het risico dat dat bedrag als norm wordt gehanteerd terwijl «redelijkheid» en toegankelijkheid de criteria moeten zijn.

De leden van de VVD-fractie vernemen graag op welke termijn de regering verwacht dat de bestuurlijke afspraken rond studiekeuze-informatie ook daadwerkelijk resulteren in een website waarmee studenten opleidingen met elkaar kunnen vergelijken en bijvoorbeeld kunnen beoordelen welk arbeidsmarktsucces een bepaalde opleiding heeft. Kan de regering een datum noemen en toezeggen hier vaart achter te zetten?

De website om opleidingen met elkaar te vergelijken waar de leden van de VVD-fractie om vragen, bestaat reeds sinds begin 2006 en wordt sindsdien voortdurend verbeterd en uitgebreid (masteropleidingen, associate degree opleidingen, opleidingen van particuliere onderwijsinstellingen, informatie over de aansluiting tussen bachelor- en masteropleidingen enz.).

Ook arbeidsmarktinformatie maakt deel uit van de informatie waaruit studenten kunnen kiezen. Deze informatie is afkomstig van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit Maastricht, dat in opdracht van de HBO-raad en de VSNU periodiek onderzoek doet onder afgestudeerden van hbo- en wo-opleidingen (alumnimonitoren). Onderzocht is of deze informatie, die wel per opleiding, maar niet per instelling beschikbaar is, ook naar instelling kan worden uitgesplitst. Dit is naar het oordeel van deskundigen niet goed mogelijk. De verschillen tussen opleidingen in Nederland zijn groter dan tussen de instellingen en de aantallen ondervraagde afgestudeerden zijn voor veel opleidingen te klein om statistisch significante uitspraken toe te staan over verschillen.

In mijn brief van 29 oktober 2007 (TK 2007–2008, 29 853, nr. 34) heb ik aangegeven dat ook de uitvoering van werkgeversenquêtes geen realistische optie is. Wel streeft de Stichting Studiekeuze123 ernaar steeds meer informatie over beroepen en arbeidsmarkt aan de site toe te voegen. De hierboven vermelde alumnimonitoren van het ROA zijn daarvan een voorbeeld. Daarnaast wordt bij elke opleiding een schets van de mogelijke beroepen en beroepsgroepen gegeven. Tot slot is in dit verband relevant dat de werkgeversverenigingen MKB-Nederland en VNO-NCW in het gebruikersplatform van de Stichting Studiekeuze123 zijn vertegenwoordigd en via dat platform invloed kunnen uitoefenen op de verdere ontwikkeling van de website.

Deze leden vragen verder welke rol studiekeuzegesprekken spelen in de bestuurlijke afspraken over studiekeuze-informatie?

Studiekeuzegesprekken spelen in de bestuurlijke afspraak over studiekeuze-informatie geen concrete rol. De bestuurlijke afspraak is op 31 mei 2006 gemaakt en de introductie van studiekeuzegesprekken is nadien gestart. Bij brief van 17 maart 2009 (TK 2008–2009, 31 288, nr. 51) heb ik u hierover geïnformeerd. Ik beschouw studiekeuzegesprekken ook als een activiteit naast de beschikbaarstelling van studiekeuze-informatie. Beide instrumenten hebben hun belang voor de realisatie van studiesucces.

Is de regering voornemens «matching» aan de poort meer te stimuleren? Zo ja, hoe? Zo neen, waarom niet? Vervolgens vragen de leden of de problematiek rond studiekeuze geholpen zou kunnen worden door de inschrijfdatum voor nieuwe studenten te vervroegen, bijvoorbeeld naar 1 juli. Heeft de regering de indruk dat onder instellingen de wens leeft om de inschrijfdatum voor studenten te vervroegen, willen de leden weten. Wat zouden argumenten zijn om dit wel te doen en wat zouden argumenten zijn om dit niet te doen? Waarom is in dit wetsvoorstel niets over de inschrijfdatum voor nieuwe studenten opgenomen? De leden vragen of de regering alsnog voornemens het beleid aan te passen door de inschrijfdatum te vervroegen? Indien dit het geval is, dan vernemen de leden graag per wanneer? Indien dit niet het geval is, dan willen de leden weten waarom niet.

Zoals met uw Kamer is besproken, wil ik brede introductie van studiekeuzegesprekken in het hoger onderwijs bereiken via een zorgvuldig invoeringstraject. In mijn hiervoor genoemde brief van 17 maart jl. heb ik u geschreven dat dit traject vorig jaar van start is gegaan met een op mijn verzoek door Stichting SURF uitgezet programma, waarbij studentenorganisaties, HBO-raad en VSNU en de individuele instellingen voor hoger onderwijs zijn betrokken. In dit programma komt aan bod hoe studiekeuzegesprekken optimaal kunnen worden georganiseerd en daartoe worden «good practises» van instellingen uitgewerkt en overdraagbaar gemaakt ten behoeve van andere instellingen.

Of het nodig is om de inschrijfdatum te vervroegen is een vraag die in dat verband aan de orde komt. Juist ook omdat over de noodzaak en argumenten hiervoor nu nog geen eenduidigheid bestaat. Aan de hand van de uitkomsten van dit programma dat 12 maart jl. van start is gegaan en tot volgend jaar april loopt, wil ik bezien of het noodzakelijk is (en zo ja, hoe) de inschrijfdatum te vervroegen.

5.3 Iudicium abeundi

De leden van de SP-fractie merken op dat het iudicium abeundi wordt geïntroduceerd om bepaalde studenten te weren van studies die opleiden voor een beroep waar deze studenten een gevaar zullen vormen voor zichzelf of anderen. Het mag echter niet lichtvaardig worden ingezet. De rechter heeft onlangs besloten dat studenten onder bijzondere omstandigheden om dringende redenen geweigerd kunnen worden. Hoe zal de praktijk met deze wet veranderen, aangezien ook nu al studenten verwijderd kunnen worden?

De belangrijkste reden om het iudicium abeundi toch in de wet te regelen is dat het een inbreuk maakt op het toelatingsrecht van de student. Het toelatingsrecht is een zodanig belangrijk uitgangspunt in de wet dat een inbreuk daarop naar mijn mening expliciet moet worden vastgelegd. Een andere belangrijke reden is dat het bijdraagt aan de rechtszekerheid: instellingen en studenten weten wat de gronden zijn om een student te verwijderen en wanneer dat mogelijk is, welke organen van de instelling daarbij een rol dienen te spelen en binnen welke kaders beoordeling door de rechter dient plaats te vinden als een student beroep aantekent tegen het besluit van het instellingsbestuur. Bovendien is daarmee duidelijk dat het niet op andere gronden kan.

Hoe voorkomt de regering dat het iudicium abeundi door instellingen wordt gebruikt om lastige studenten te weren of te verwijderen, zo vragen deze leden.

Het gebruiken van het iudicium abeundi om lastige studenten te verwijderen of te weren wordt voorkomen doordat verlangd wordt dat het instellingsbestuur als orgaan alleen een beslissing neemt op advies van de examencommissie of de decaan of een daarmee vergelijkbaar orgaan. Er moet een afweging worden gemaakt tussen de belangen van alle betrokkenen en er moet sprake zijn van gedragingen en uitlatingen die leiden tot de conclusie dat de desbetreffende student ongeschikt is voor het beroep waartoe de opleiding opleidt of de praktijkoefening daarbinnen. De voorgestelde wettelijke regeling bevat dus verschillende «checks and balances» om te voorkomen dat de instelling onwelgevallige studenten verwijdert. Ook valt het iudicium onder de rechtsbescherming met een interne en een externe procedure. Ik merk volledigheidshalve nog op dat het wetsvoorstel wel de mogelijkheid biedt studenten die voor ernstige overlast zorgen definitief te verwijderen van de instelling.

De leden van de VVD-fractie vragen of het voor instellingen mogelijk is om ter uitvoering van het iudicium abeundi vooraf een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) van een student te vragen? Zou dit bijvoorbeeld voor pedagogische opleidingen zelfs niet verplicht moeten worden? Zo ja, op welke wijze, vragen de leden. Indien dit niet het geval is, dan vernemen de leden graag waarom niet.

Het iudicium abeundi is bedoeld om een student te kunnen verwijderen van wie de instelling na een zorgvuldige afweging van de betrokken belangen en op grond van de wettelijke criteria tot het oordeel is gekomen dat hij ongeschikt is voor het beroep of de praktijkoefening dat respectievelijk die bij zijn studie hoort. Een Verklaring omtrent het gedrag heeft als doel iemand bij voorbaat te kunnen uitsluiten van het volgen van een bepaalde opleiding of soort van opleidingen, zonder enige inhoudelijke beoordeling wat betreft de geschiktheid voor het beroep of de praktijkoefening. Ik vind dat een onnodig grof instrument. Bovendien heeft de Verklaring betrekking op de vraag of de persoon die de Verklaring vraagt een strafblad heeft. Dat is een andersoortige beoordeling van de persoon dan hier bedoeld. Het vooraf vragen aan studenten van een dergelijke Verklaring is in het licht van het «ultimum remedium»-karakter van het iudicium abeundi ook niet proportioneel.

De leden van de D66-fractie vragen welke criteria er worden gesteld aan het iudicium abeundi? Deze leden zijn van mening dat een iudicium abeundi alleen acceptabel is als hieraan zeer duidelijke en toetsbare criteria zijn verbonden. Op dit moment is onvoldoende duidelijk wat de regering bedoelt met de morele ongeschiktheid voor een beroep die de basis vormt voor het iudicium abeundi. De leden willen graag weten hoe de criteria voor morele ongeschiktheid tot stand zullen komen en welke partijen daarbij betrokken zullen zijn?

De criteria worden door het instellingsbestuur vastgesteld. Het is tenslotte een beslissing van de instelling. Dit laat onverlet dat de instelling zich kan en vermoedelijk zal laten leiden door criteria die zijn opgesteld door beroepsgroepen. Zo wordt binnen de medische discipline op dit moment nagedacht over eventuele criteria die naar haar oordeel voor de opleiding geneeskunde zouden kunnen gelden. Deze kunnen niet zeer specifiek zijn omdat elk geval uniek is en telkens weer moet worden gewogen waarom specifieke gedragingen en uitlatingen van een student hem ongeschikt maken voor een bepaald beroep of praktijkoefening. Het vastleggen van de criteria is daarom geen verplichting. Zij bieden wel een richtsnoer en kunnen de zorgvuldigheid jegens de student en de rechtszekerheid bevorderen. Expliciet is aangegeven, en de Raad van State heeft dit in positieve zin gememoreerd, dat het iudicium abeundi niet mag leiden tot aantasting van de academische vrijheid. Evenmin mag er sprake zijn van een aantasting van de vrijheid van meningsuiting. Het iudicium abeundi is een ultimum remedium en moet ook als zodanig worden vormgegeven.

Wanneer vormen personen volgens de minister door hun gedragingen een bedreiging voor anderen, zo vragen deze leden vervolgens. In de memorie van toelichting richt de regering zich alleen op ontucht en pedofilie. Hiermee wordt de vraag omzeild of onder het iudicium abeundi bijvoorbeeld ook mensen met fundamentalistisch gedachtegoed de toegang tot opleidingen mag worden geweigerd.

Een persoon vormt naar mijn mening door zijn gedragingen een bedreiging voor anderen als die gedragingen zodanig zijn dat er vanuit mag worden gegaan dat de personen die hij in de uitoefening van het toekomstig beroep of de praktische oefening (stage) zal gaan behandelen of waarmee hij dan omgaat, substantiële (lichamelijke of emotionele) schade zullen oplopen. Dat zullen veelal personen zijn bij wie dergelijke gedragingen zijn geconstateerd; het kunnen ook personen zijn die (van te voren) aangeven dat zij zich zullen gaan gedragen op een manier die een dergelijk gevaar oplevert.

Dat een student een fundamentalistisch gedachtegoed aanhangt, hoeft hem niet ongeschikt te maken voor een beroep. Toepassing van het iudicium abeundi is dan niet aan de orde. Als ten aanzien van deze student de conclusie zou moeten worden getrokken dat hij een bepaalde opleiding niet mag volgen omdat hij anders mogelijk de staatsveiligheid in gevaar brengt, dan dient een andere rechtsgrond gehanteerd te worden om hem te verwijderen of inschrijving te weigeren. Zo kan iemand die niet de Nederlandse nationaliteit bezit op grond van de Vreemdelingenwet tot ongewenst persoon worden verklaard en het land uitgezet of – eerder nog – de toegang tot Nederland worden geweigerd. Voorafgaand daaraan vindt een belangenafweging plaats waarbij ook gekeken wordt naar de openbare orde en nationale veiligheid.

Deze leden maken zich met name zorgen over het feit dat met de voorgestelde wijziging van de wet, naast gedragingen, ook uitlatingen kunnen leiden tot beëindiging of weigering van inschrijving. De leden van deze fractie zijn van mening dat hierdoor de vrijheid van meningsuiting in gevaar komt en dat een veroordeling op basis van uitlatingen zeer lastig te bewijzen en weerleggen is. Daarom vragen de leden opheldering over de uitwerking van de criteria (hoe) voor uitlatingen die niet toelaatbaar zijn voor welke beroepen en opleidingen (wat).

Zoals ik al eerder heb verklaard, zal per individu moeten worden bepaald waarom hij moet worden uitgeschreven respectievelijk niet worden ingeschreven. Ik wijs er nog eens nadrukkelijk op dat het iudicium abeundi een zwaar middel is dat slechts bij hoge uitzondering kan worden gebruikt. De instelling kan en mag het niet gebruiken om studenten die onvoldoende presteren te verwijderen. Hetzelfde geldt ten aanzien van een student die gebruik maakt van de vrijheid van meningsuiting op een het instellingsbestuur onwelgevallige manier. Zoals ook in een gerechtelijke procedure het geval is, is het de taak van het college van bestuur te bewijzen (stelplicht en bewijslast) dat een student ongeschikt is voor een beroep waarvoor hij wordt opgeleid.

Als het iudicium abeundi wordt gebruikt om een student op grond van zijn uitlatingen te verwijderen, dan kan dat alleen maar als het gaat om uitlatingen waardoor de mensen met wie hij in de toekomst mogelijk gaat werken gevaar lopen. Eerder is het voorbeeld aan de orde geweest van een pedofiel die zich zodanig uitlaat dat ervan uitgegaan mag worden dat hij een gevaar is voor kinderen terwijl binnen de opleiding juist kinderen het studieobject zijn en ook het bijbehorende beroep daarop is gericht. Die student mag dan om die uitlatingen verwijderd of geweigerd worden. De bewijslast kan in dat geval moeilijk zijn maar dat is naar mijn mening inherent aan dit zware instrument.

De leden van de SGP-fractie vragen welke criteria de regering hanteert voor het onderscheid tussen gedragingen en uitlatingen.

In principe is een gedraging een handelen van de student en een uitlating een uitspraak van de student. Het gaat hierbij niet om een willekeurige uitlating maar om een uitlating waarbij er vanuit gegaan mag worden dat die zou kunnen leiden tot een handelen dat de persoon ongeschikt maakt voor het beroep of de praktijkoefening. Hoewel een «uitlating» ook als een «gedraging» zou kunnen worden aangemerkt, heb ik gemeend dat het zinvol is te expliciteren dat naast gedragingen ook uitlatingen een rol kunnen spelen om de reikwijdte van de bepaling ondubbelzinnig duidelijk te maken.

Kan op grond van de toelichting dat studenten niet op grond van ondemocratisch gedachtegoed geweerd kunnen worden bijvoorbeeld geconcludeerd worden dat een student die in geschrifte sympathie betuigt met pedofilie niet uitgesloten mag worden van een pedagogische studie, zo vragen deze leden.

Als een student in geschrifte sympathie uit voor een gedachtegoed is dat op zichzelf niet voldoende om hem van de opleiding te weren tenzij daaruit het beeld naar voren komt dat deze student het gedachtegoed ook in de praktijk zou (kunnen) brengen of zal gaan brengen met de in antwoord op eerdere vragen genoemde mogelijke schadelijke gevolgen vandien.

Deze leden vragen tenslotte of de regering de voorgestelde tekst voldoende helder acht voor een zware sanctie als het iudicium abeundi.

Ik meen dat de voorgestelde tekst voldoende helder is om een zware sanctie als het iudicium abeundi te introduceren. Voldoende wordt aangegeven dat het een uiterste middel is, dat er verschillende interne partijen bij betrokken moeten zijn, dat alle belangen moeten worden afgewogen, dat er een directe relatie met een beroep moet zijn en dat er sprake moet zijn van gedragingen of uitlatingen. Daarmee zijn naar mijn mening alle vereiste aspecten aan de orde gekomen.

6. KWALITEITSZORG EN EXAMENS

6.1 Examencommissie

De leden van de CDA-fractie merken op dat examencommissies een belangrijke rol kunnen spelen ter verhoging van de kwaliteit van het onderwijs. Zij ondersteunen de gedachte om de positie van de examencommissies te versterken. Maar deze leden willen ook aandacht vragen voor de kwaliteit van de toetsen, die door de docenten worden ontwikkeld. Op welke manier wil de regering die kwaliteit bevorderen, want een goede toets zegt werkelijk of de student heeft geleerd wat hij moest leren?

De kwaliteit van de toetsing is primair de verantwoordelijkheid van de instellingen zelf. Om onafhankelijke toetsing en beoordeling te borgen zijn aan de examencommissie en examinatoren eigenstandige bevoegdheden geattribueerd. Bij de borging van de kwaliteit kunnen twee niveaus worden onderscheiden: binnen de instelling en extern. De ontwikkeling van de toetsen geschiedt doorgaans door de examinator, veelal de docent die het onderwijs heeft verzorgd, De examencommissie benoemt deze examinatoren en kan procedurele richtlijnen geven. Met dit wetsvoorstel krijgt de examencommissie tevens de taak om inhoudelijke richtlijnen op te stellen. Hierdoor vindt er meer «sturing» plaats op de wijze van examinering, niet alleen procedureel maar ook inhoudelijk en daarmee op de kwaliteit van de toetsing.

Via het accreditatiekader wordt het externe toezicht op de kwaliteit van examinering gewaarborgd. In de huidige situatie is dat ook al een onderdeel van de accreditatie, maar met dit wetsvoorstel wordt dit scherper neergezet: toetsing en examinering moeten volwaardige aspecten in de accreditatie zijn; het verlenen van accreditatie is niet mogelijk als desbetreffende onderdeel onvoldoende wordt beoordeeld.

Ten slotte zal ik verkennen in hoeverre een «pool» van docenten die bij instellingen kunnen optreden als externe deskundigen een positieve bijdrage kan vormen aan het verhogen van de kwaliteit van onderwijs.

Externe deskundigheid in een examencommissie houdt de opleiding scherp. Dit is de reden waarom de leden van de CDA-fractie hier een voorstander van zijn, ondanks hun vertrouwen in de professionele kwaliteiten van de docenten. De regering wil hiertoe geen wettelijke verplichting opnemen. Maar, zo vragen deze leden, zou het geen waardering verdienen indien in de accreditatiewetgeving hier wel specifieke aandacht aan zou worden besteed. Waarom wil de regering hier nog geen wettelijke verplichting voor opnemen?

In de memorie van toelichting is beargumenteerd waarom geen algemene, wettelijke verplichting tot het opnemen van externen in de examencommissie is opgenomen. Opleidingen zijn te verschillend. Diezelfde argumenten pleiten natuurlijk ook tegen opname van zo’n regeling in de accreditatiewetgeving. Wel wordt door dit wetsvoorstel het gewicht van het onderdeel «beoordeling en toetsing van het onderwijs» in het accreditatiekader verzwaard. Op grond van het nieuwe artikel 5a.8 kan geen accreditatie worden verkregen zonder een voldoende beoordeling van dit onderdeel.

Wanneer ontvangt de Kamer de resultaten van de verkenning naar het instellen van een bepaalde «pool» van docenten, die bij andere instellingen als externe deskundige kunnen optreden, vragen de aan het woord zijnde leden.

In het voorjaar van 2010 ontvangt de Kamer de eerste resultaten van deze verkenning.

De onafhankelijkheid van de examencommissie ten opzichte van het college van bestuur kan als een waarborg worden gezien. Maar aan wie legt de examencommissie verantwoording af, zo vragen deze leden. Als een examencommissie zijn taak niet serieus neemt, wie kan dan eventueel ingrijpen, willen zij weten.

Aan de examencommissie wordt in dit wetsvoorstel de opdracht gegeven om zich jaarlijks te verantwoorden in een verslag over haar werkzaamheden. De examencommissie heeft een belangrijke functie binnen de instelling op grond van geattribueerde bevoegdheden. Dit betekent dat het college van bestuur de examencommissie geen inhoudelijke opdrachten kan geven voor de wijze waarop de examencommissie haar taak moet uitvoeren. De commissie was en is functioneel onafhankelijk. Als de examencommissie haar taken niet naar behoren vervult, kan het college van bestuur respectievelijk de decaan ingrijpen door de leden te schorsen. Het behoeft geen betoog dat dit een vergaande maatregel is en dat dit alleen kan indien deze maatregel proportioneel is.

Ik wijs er verder op dat het college van beroep voor de examens bevoegd is te oordelen over de besluiten van de examencommissie en de examencommissie opdrachten kan geven voor de wijze waarop zij haar besluit moet herzien. Ten slotte wordt het met dit wetsvoorstel mogelijk gemaakt dat een student tegen een besluit van de examencommissie – na een interne procedure – beroep aantekent bij het college van beroep voor het hoger onderwijs dat bevoegd is het geschil (marginaal) te beoordelen.

De leden van de PvdA-fractie zijn tevreden over de voorstellen met betrekking tot de verbetering van de positie van de examencommissie. De voorwaarden voor onafhankelijkheid en deskundigheid onderschrijven zij. Kan de regering aangeven hoe de positie van de professional daarmee verstevigd wordt? Is het daarbij niet nodig dat er in ieder geval een professional in de examencommissie zitting heeft?

Naarmate een examencommissie deskundiger is en onafhankelijker van het instellingsbestuur, kan deze meer sturen vanuit de inhoud van de desbetreffende discipline en de ontwikkelingen in het beroepenveld. Een aldus functionerende examencommissie doet meer recht aan het werk van de professional. In die zin zijn de voorstellen voor verbetering van de positie van de examencommissie te beschouwen als het verstevigen van de positie van de professional.

In antwoord op vragen van de leden van de CDA-fractie heb ik al aangegeven geen eisen te willen stellen aan de leden van de examencommissie, anders dan dat ze onafhankelijk en deskundig dienen te zijn. De leden, ongeacht of zij intern of extern zijn, moeten daaraan voldoen. De leden van de examencommissie hebben een adviserende stem bij de benoeming van de leden van de commissie door het instellingsbestuur. Ik acht het niet op voorhand in alle gevallen noodzakelijk dat een docent van de instelling deel uitmaakt van de examencommissie, maar over het algemeen zal hiervan wel sprake zijn, zo is mijn verwachting.

Tot slot vragen deze leden hoe de verbreding van de taak van de examencommissie gezien moet worden ten opzichte van de rol van de professional in het kader van de beoordelingsnormen.

De verantwoordelijkheid van de examencommissie en die van de professional in het kader van de beoordelingsnormen liggen in elkaars verlengde: de docent als professional verzorgt hoogwaardig onderwijs en de examencommissie draagt er zorg voor dat de kennis en kunde van studenten deskundig en onafhankelijk kunnen worden beoordeeld. Daarmee vullen professional en examencommissie elkaar aan in de zorg voor kwalitatief hoogstaand onderwijs.

De leden van de SP-fractie kunnen zich vinden in de eisen van deskundigheid en onafhankelijkheid voor de examencommissie, zeker wanneer er ook deskundigen van buiten de eigen instelling worden betrokken. Wat is de verhouding tussen docenten en de examencommissie? Hoe voorkomt de regering dat het werk van de examencommissie te veel ten koste gaat van de autonomie van de docent?

De verantwoordelijkheid van de docent om de student kwalitatief goed onderwijs te geven en de verantwoordelijkheid van de examencommissie voor een deugdelijke toetsing zijn twee te onderscheiden verantwoordelijkheden. Deze verantwoordelijkheden liggen weliswaar in elkaars verlengde maar de autonomie van de docent bij het realiseren van zijn deel van de verantwoordelijkheid komt hierdoor mijns inziens niet in het gedrang. Dat de examinator van buiten kan komen, is nu ook al zo. Overigens is doorgaans de docent tevens de examinator

De regering schrijft dat het «niet is aan te bevelen dat personen met een managementfunctie, die verantwoordelijk zijn voor de financiële toestand van de instelling, zitting hebben in de examencommissie». Waarom blijft dit bij een aanbeveling, zo vragen deze leden. Waarom wordt dit niet in de wet geregeld als de regering deze mening is toegedaan, vragen de leden van voornoemde fractie.

Ik ben van mening dat de uiteindelijke afweging over de samenstelling van de examencommissie door de instelling, geadviseerd door de commissie, zelf genomen moet worden. Deze autonomie komt de zeggingskracht van het orgaan op de lange termijn ten goede. Een stringent verbod op personen met een (financiële) managementfunctie als lid van de examencommissie doet geen recht aan de verschillen tussen de diverse instellingen, faculteiten én opleidingen. Zo is het voorstelbaar dat er bij een kleine opleiding waarbinnen weinig docenten werkzaam zijn dubbelfuncties zijn en de docenten dus tevens managementfuncties vervullen. Ook anderszins is het voorstelbaar dat personeel – bijvoorbeeld met het oog op het aantrekkelijk maken van het beroep van leraar – zowel lesgevende als bestuurlijke taken vervult. Er zal overigens hoe dan ook altijd aan de eisen van onafhankelijkheid en deskundigheid moeten worden voldaan.

Tot slot willen deze leden weten waarom leden van de opleidingscommissie geen adviesrecht hebben over de leden van de examencommissie.

De leden van de examencommissie moeten onafhankelijk en deskundig zijn. Advisering over de samenstelling daarvan door de opleidingscommissie – bestaande uit personeel en studenten die directe betrokkenheid hebben bij de examencommissie als docent of als student die beoordeeld wordt – ligt dan ook niet voor de hand.

De opleidingscommissie adviseert de decaan (bij universiteiten) of het college van bestuur respectievelijk de opleidingsdirecteur/-coördinator (bij hogescholen) over het onderwijs- en examenreglement. Het vormgeven van het toetsingsbeleid wordt met dit wetsvoorstel uitdrukkelijk bij de examencommissie belegd. Het ligt dan ook voor de hand dat voor haar eigen oordeelsvorming en voorafgaand aan haar advisering aan de decaan/het college van bestuur de opleidingscommissie met de examencommissie het toetsingsbeleid bespreekt.

De leden van de VVD-fractie willen weten of het de bedoeling is dat de examencommissie in de toekomst ook beoordelingsnormen voor tentamens gaat vaststellen. Vereist dit impliciet niet ook inhoudelijke kennis over een bepaalde opleiding? Zo ja, hoe wordt dit gewaarborgd, vragen de leden. Indien dit niet het geval is, dan vernemen zij graag waarom niet.

Het is nadrukkelijk de bedoeling van dit wetsvoorstel dat de examencommissie een meer inhoudelijke rol krijgt. Dit houdt ook een rol in bij het vaststellen van beoordelingsnormen van tentamens. Dit veronderstelt inderdaad dat de examencommissie inhoudelijke kennis heeft van de opleiding of groep van opleidingen. Dat is overigens niets nieuws en een belangrijke reden waarom een examencommissie is verbonden aan een opleiding of een groep van opleidingen. Verder is in de wet de waarborg opgenomen dat het instellingsbestuur de leden van de examencommissie benoemt op basis van hun deskundigheid op het terrein van de desbetreffende opleiding of groep van opleidingen. Dit is neergelegd in artikel 7.12a, eerste lid.

Heeft de regering signalen dat de kwaliteit van onderwijs bij bepaalde opleidingen aan devaluatie onderhevig is doordat normen na examinering naar beneden worden bijgesteld omdat een tentamen bijvoorbeeld slecht gemaakt is? Hoe kan dit voorkomen worden, willen deze leden weten.

Ik heb geen signalen ontvangen dat het bijstellen van normen na examinering om het aantal geslaagden te verhogen in het hoger onderwijs aan de orde is. In het algemeen wordt een examen na afloop geëvalueerd. Een dergelijk evaluatie kan ertoe leiden dat blijkt dat bijvoorbeeld vragen niet goed waren gesteld of dat de beoordeling van de antwoorden daarop niet bleek te voldoen. In dat geval kunnen de beoordelingsnormen worden aangepast of vervangen maar dit niet met het oog op het naar beneden stellen van het niveau van het examen. Een beter resultaat voor de kandidaat kan wel het gevolg zijn. Dit is een legitieme wijziging van de beoordeling.

Vervolgens vragen de leden van de VVD-fractie wat de regering vindt van de opvatting van de VSNU dat artikel 9.24 niet geschrapt zou moeten worden omdat het college van bestuur hierdoor nooit meer een besluit van een examencommissie kan vernietigen? Een examencommissie zou bijvoorbeeld kunnen besluiten examens op zondag af te nemen, zonder dat het college van bestuur hier iets tegen kan doen. Is dit waar, vragen de aan het woord zijnde leden.

De examencommissie heeft een belangrijke eigenstandige positie die in dit wetsvoorstel wordt versterkt. Het schrappen van artikel 9.24 van de WHW op grond waarvan het college van bestuur besluiten kan schorsen of vernietigen voor zover die besluiten niet voor beroep vatbaar zijn (geweest), past in deze lijn. Een dergelijke bevoegdheid past niet in het kader van een onafhankelijker positionering van de examencommissie. Overigens wordt de regeling voor de universiteiten daarmee gelijk aan de bestaande regeling voor de hogescholen. Daarvoor bestaat een met artikel 9.24 vergelijkbare bevoegdheid niet. In antwoord op een vraag van de leden van de CDA-fractie ben ik al ingegaan op de mogelijkheden om (besluiten van) de examencommissie zo nodig te corrigeren. In dit verband wijs ik bovendien op de onderwijs- en examenregeling. Daarin worden inhoudelijke en procedurele zaken geregeld waaraan de examencommissie bij haar taakuitvoering gebonden is.

De leden van de voornoemde fractie zijn er voorstander van dat docenten een plaats krijgen in de examencommissie. Kan de regering aangeven waarom in het huidige voorstel niet is voorzien in een vaste plaats voor vertegenwoordigers van de docenten van onderwijsinstellingen in de examencommissie, zo vragen zij.

De huidige bepaling schrijft voor dat de examencommissie alleen bestaat uit personeel dat belast is met het verzorgen van het onderwijs. Met de voorgestelde wijziging wordt het ook mogelijk dat anderen zitting hebben in de examencommissie. Deze «externen» kunnen zowel van binnen als van buiten de instelling afkomstig zijn. Onder meer de Onderwijsraad heeft aangedrongen op de mogelijkheid van externe leden om hiermee de betrouwbaarheid en de externe legitimiteit van de examinering in het hoger onderwijs te vergroten. Verder heb ik aangegeven geen verplichtingen te willen stellen wat betreft de leden van de examencommissie, anders dan dat ze onafhankelijk én deskundig dienen te zijn. Dat geldt ook voor professionals als zij zitting hebben in de examencommissie. Daarnaast hebben de leden van de examencommissie een adviserende stem bij de benoeming van de leden van de commissie door de instelling. Het is dus niet noodzakelijk dat een docent van de instelling daarin zitting heeft, maar over het algemeen zal hiervan wel sprake zijn, zo is mijn verwachting.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom in het voorgestelde artikel 7.12a WHW niet langer de eis wordt gesteld dat de te benoemen leden van de examencommissie afkomstig zijn uit de leden van het personeel die met het verzorgen van het onderwijs in de betrokken opleiding of opleidingen zijn belast. Zij verzoeken de regering deze keuze nader toe te lichten en daarbij in te gaan op de vraag of met het nieuw geformuleerde artikel de betrokkenheid van docenten bij de examencommissie voldoende is gewaarborgd en daarmee voldoende recht wordt gedaan aan de professionaliteit van de beroepsgroep.

De aanpassing waarnaar de leden van de ChristenUnie-fractie verwijzen maakt het mogelijk dat er leden in de examencommissie worden benoemd die niet belast zijn met het onderwijs binnen de desbetreffende opleiding maar wel deskundig zijn op dit terrein. Ik denk hierbij aan externe deskundigen zoals professionals werkzaam bij andere instellingen, het bedrijfsleven of in de (semi-publieke sector.Op dit moment laat de WHW dat niet toe. Zoals ik al eerder opmerkte, eist artikel 7.12a, eerste lid, deskundigheid van de leden van de examencommissie. Dat geldt ook voor externe leden. Voor het overige verwijs ik kortheidshalve naar de antwoorden op vragen van leden van andere fracties.

6.2 Accreditatie

De leden van de CDA-fractie merken op dat de regering het mogelijk wil maken dat de opleiding tijdens de herstelperiode studenten mag inschrijven. De leden begrijpen dit voorstel in het licht van de continuïteit van de opleiding, maar vragen op welke manier de belangen van de studenten voldoende worden gewaarborgd. Zal deze herstelperiode alleen aan die opleidingen worden geboden als er voldoende perspectief is dat de opleiding alsnog binnen een periode van twee jaar de accreditatie alsnog kan halen?

De bevoegdheid tot het toekennen van een herstelperiode ligt bij de NVAO. In het wetsvoorstel is inderdaad bepaald dat de NVAO hiertoe alleen overgaat indien het naar zijn oordeel aannemelijk is dat de opleiding binnen de gestelde termijn van ten hoogste twee jaar alsnog aan de eisen van accreditatie voldoet. Dat betekent dus dat de opleiding slechts in beperkte mate tekortschiet. In de huidige situatie is er geen inhoudelijke toets voor het verkrijgen van een herstelperiode. Indien de aanvraag tot accreditatie tijdig was ingediend, leidt het enkele feit dat de instelling beroep instelt tegen een negatief accreditatiebesluit tot een herstelperiode.

Uiteraard zijn de belangen van de studenten het beste gediend met een geaccrediteerde opleiding. De belangen van de studenten bij een opleiding «in herstel» moeten echter worden afgewogen tegen de situatie die ontstaat als de opleiding direct zijn accreditatie zou verliezen. Mocht de NVAO niet overgaan tot het verlenen van een herstelperiode dan geldt voor de student – net als in de huidige situatie – dat hij de opleiding kan afronden, bij voorkeur aan een andere instelling. De instelling moet het verlies aan accreditatie en de consequentie ervan helder kenbaar maken aan de studenten van de desbetreffende opleiding. De bepaling die daarop betrekking heeft, is eveneens vanwege het belang voor studenten aangescherpt.

Indien de accreditatietermijn is verstreken, de aanvraag voor een nieuwe tijdig is ingediend en de NVAO geen besluit heeft kunnen nemen voor de accreditatietermijn is verstreken, dan wordt de accreditatietermijn verlengd totdat de NVAO wel zijn besluit heeft kunnen nemen, in ieder geval tot het einde van dat studiejaar. Voor de leden van deze fractie is dit een onbevredigende situatie. Zij menen dat de NVAO altijd als de aanvraag voor de vernieuwing van de accreditatie een jaar voor afloop van de accreditatietermijn is ingediend zijn besluit tijdig moet hebben genomen. Waarom heeft de regering hier de lex silencio positivo niet ingevoerd, willen zij weten.

De kwaliteit van het onderwijs is naar mijn oordeel van dermate groot belang dat het niet mag voorkomen dat accreditatie kan worden verkregen op grond van het enkele feit dat een bepaalde termijn is verstreken. Om die reden is toepassing van de lex silencio positivo in dit geval mijns inziens niet aan de orde. Aan de andere kant mag van de NVAO vanzelfsprekend worden verwacht dat zij zich stipt houdt aan de voorgeschreven termijn voor de besluitvorming met betrekking tot het verlenen van accreditatie. Mocht het in uitzonderingsgevallen voorkomen dat de NVAO meer tijd nodig heeft, dan worden studenten en de instelling niet benadeeld door verlenging van de accreditatietermijn.

Verder gelden de reguliere beroepsmogelijkheden op grond van de Awb. Op grond van die wet kan ook bezwaar en beroep worden aangetekend als niet of niet tijdig op een verzoek wordt beslist.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering de mening deelt dat er risico’s verbonden zijn aan het voorstel om studenten gedurende een herstelperiode van een opleiding toch de mogelijkheid te bieden zich in te schrijven. Als de opleiding uiteindelijk toch niet positief geaccrediteerd blijkt moeten deze studenten alsnog een andere opleiding kiezen. Zou de regering bereid zijn de mogelijkheid van inschrijving tijdens een herstelperiode niet te laten gelden bij opleidingen die uniek zijn en waarbij studenten dus geen uitwijkmogelijkheid hebben en noodgedwongen moeten afstuderen aan een «slechte» opleiding? Indien dit niet het geval is, dan vernemen de leden graag waarom niet.

Nee, want zonder de voorgestelde herstelperiode hebben studenten bij een unieke opleiding waarvan de accreditatie vervalt hetzelfde probleem. Bij verval van accreditatie, al of niet na een herstelperiode, is artikel 5a.12, eerste lid, van de WHW van toepassing. Daarin is bepaald dat de instelling de opleiding waarvan de accreditatie is vervallen gedurende een redelijke termijn in stand dient te houden om de zittende studenten de gelegenheid te geven de opleiding te voltooien indien deze studenten hun opleiding niet kunnen vervolgen aan een andere instelling. Dit laatste geldt bij een unieke opleiding. Indien deze mogelijkheid niet bestond, zou een zittende student geen mogelijkheid hebben alsnog zijn opleiding af te ronden. Hiermee zouden de nadelen van het niet verkrijgen van een accreditatie te veel worden afgewenteld op de student. Wel zijn de voorschriften over de afbouw van de opleiding in dit wetsvoorstel aangescherpt als het gaat om de voorschriften omtrent het vaststellen van een redelijke termijn gedurende welke de student kan afstuderen (artikel 5a.12).

Hoewel de leden van de PvdA-fractie begrijpen dat nog niet alle voorstellen voor het nieuwe accreditatiestelsel in de wet opgenomen worden, zijn ze blij met de stappen die nu vast gezet worden. Kan de regering aangeven wanneer de Kamer de voorstellen voor de nieuwe accreditatie mag verwachten?

Ik streef ernaar om voor het zomerreces van dit jaar een wetsvoorstel in verband met aanpassing van het accreditatiestelsel te kunnen indienen.

Kan worden aangegeven, zo vragen de leden van deze fractie, op welke wijze studenten op de hoogte worden gebracht van het feit dat de opleiding die ze willen volgen wellicht in een herstelperiode voor de accreditatie zit.

In het Centraal register opleidingen hoger onderwijs zijn de datum van accreditatie, een eventuele hersteltermijn en een eventuele redelijke termijn voor de afbouw van de opleiding opgenomen. Los van deze wettelijke verplichtingen ligt het voor de hand dat de instelling hoe dan ook aan de student kenbaar maakt dat de opleiding in een herstelperiode zit.

De leden van de SP-fractie stellen vast dat met deze wet de IB-Groep en het ministerie gegevens van instellingen over opleidingen kunnen aanpassen in het CROHO, waar dit nu alleen door de instellingen kan worden gedaan. Hoe vaak was er de afgelopen tijd aanleiding voor een dergelijke aanpassing en om wat voor aanpassingen zal het gaan? Kan de regering voorbeelden van aanpassingen geven, zo vragen de leden.

Het is getalsmatig niet aan te geven hoe vaak instellingen is gevraagd de gegevens in het CROHO aan te passen. Regelmatig vindt er aanpassing plaats van de gegevens in het CROHO. Een instelling kan immers zelf bepalen in welke varianten een opleiding wordt verzorgd; zo kunnen er wijzigingen plaatsvinden in de onderdelen waarin wordt aangegeven of een opleiding in voltijd, deeltijd en/of in duale vorm wordt aangeboden. Iets vergelijkbaars geldt bijvoorbeeld voor wijziging van opleidingsnamen. Indien de opleiding in een andere gemeente (ook) wordt verzorgd, leidt dat ook tot aanpassing van het CROHO. Zo zijn er regelmatig wijzigingen.

De afgelopen periode zijn er ook aanpassingen voorgekomen in het kader van de opschoning van het CROHO. Dit betrof een gezamenlijke inspanning van OCW, de IB-Groep, NVAO, Inspectie van het onderwijs en PAEPON en had als aanleiding twee rapporten van de Inspectie uit 2003 en 2005 met als conclusie dat de kwalitatieve inhoud van de gegevens in het CROHO van aangewezen hogescholen als ontoereikend is te kwalificeren. Het betrof de juistheid van de in het CROHO opgenomen einddata van de overgangsrechtelijke accreditatie. Vervolgens heeft de IB-Groep de Werkgroep Schoning ingesteld en is in interactie met de betreffende hogescholen gewerkt aan aanpassing/correctie. Vertrekpunt van de operatie was een lijst van 262 opleidingen en na nadere selectie resteerden 84 opleidingen bij in totaal 22 aangewezen hogescholen. Bij sommige aangewezen hogescholen bleek dat er na de beëindiging van de registratie geen onderwijs meer werd verzorgd en dat was reden om de aanwijzing als hogeschool in te trekken

Ook willen de leden van de SP-fractie weten hoe vaak een instelling verzocht wordt om de beschrijving van een opleiding in het CROHO aan te passen.

In aanvulling op het antwoord op de vorige vraag van de leden van deze fractie waarin de opschoning is beschreven, kan ik meedelen dat het slechts sporadisch is voorgekomen dat gegevens in het CROHO niet bleken te kloppen met name wat betreft de vestigingsplaats.

Vanwege het belang van een betrouwbaar CROHO is in het Auditplan 2008 van OCW voorzien in een onderzoek naar maatregelen en procedures ter waarborging van de rechtmatigheid, de betrouwbaarheid en de continuïteit van de registratie van de opleidingsgegevens. Dit onderzoek betreft onder meer de functionaliteit van het systeem, de geautomatiseerde gegevensverwerking, het kwaliteitssysteem en de publicatie op het internet. De uitkomsten zullen in de loop van 2009 beschikbaar komen.

Tot slot vernemen zij graag hoe vaak opleidingen geen gehoor geven aan een dergelijke oproep.

Het is niet voorgekomen dat een instelling geen gehoor gaf aan een oproep tot aanpassing.

7. INTERNATIONALISERING

De leden van de CDA-fractie vragen of de kan regering aangeven hoeveel Nederlandse studenten in het buitenland studeren en hoeveel buitenlandse studenten in Nederland hun studie volgen en welke ontwikkelingen zich sinds 2005 hebben voorgedaan?

Een scherp beeld van het totale aantal Nederlandse studenten dat voor kortere of langere tijd in het buitenland gaat studeren is moeilijk te verkrijgen omdat stages en korte verblijven voor studiedoeleinden in het buitenland niet (altijd) geadministreerd worden. In Kennis in Kaart 2006 is in figuur 45 (bron: OECD-publicatie, «Education at a Glance» 2002–2006) wel een beeld gegeven van de inkomende en uitgaande mobiliteit. Daaruit is af te lezen dat een door de jaren stabiel aantal van ongeveer 12 000 Nederlandse studenten een opleiding voor het hoger onderwijs in het buitenland volgt. Het elders studeren op basis van een uitwisselingsprogramma is daarin niet opgenomen.

In Kennis in Kaart 2007 is weergegeven (figuur 74) dat het aantal uitgaande studenten op basis van uitwisselingsprogramma’s door de jaren rond de 6 000 studenten schommelt. De meeste studenten die in het buitenland studeren gaan naar België (25%), het Verenigd Koninkrijk (21%), de Verenigde Staten en Duitsland (elk 13%).

Het beeld van de buitenlandse studenten die een (volledige) opleiding in Nederland volgen is scherper geadministreerd bij de instellingen door hun inschrijving. In 2002 lag dit aantal op ongeveer 21 000 studenten en dat aantal is gegroeid naar ongeveer 40 000 studenten in 2008. Veruit de meeste studenten komen uit Duitsland (bijna 30%) en vervolgens China (12%) en België (7%). Veel van de inkomende studenten komen naar Nederland op basis van uitwisselingsprogramma’s. Dit aantal ligt volgens gegevens van het Nuffic al een aantal jaren iets onder de 10 000 studenten.

Momenteel is een instelling al verplicht om een diplomasupplement te voegen bij het verkregen getuigschrift. Het schijnt dat dit nog niet door alle instellingen wordt gevolgd. Kan de regering aangeven in hoeverre deze eis volledig wordt nageleefd?

Ik beschik niet over precieze cijfers hieromtrent. Wel is mij bekend dat er in 2007 een informele enquête onder de instellingen voor hoger onderwijs is gehouden door de Bologna experts. Daaruit kwam het beeld naar voren dat ongeveer de helft van de instellingen een diplomasupplement afgeeft en dat in veel gevallen het gehanteerde format afwijkt van het Europese standaardformat.

In hoeverre is er al sprake van een informele Europese standaard voor dit diplomasupplement, willen de leden vervolgens weten.

De ministers voor hoger onderwijs van de Bologna-landen hebben in 2003 tijdens de ministeriële conferentie in Berlijn aangegeven een diplomasupplement in een Europese taal te willen dat voor iedereen in Europa begrijpelijk is om zo de internationale herkenbaarheid en vergelijkbaarheid van het document te bevorderen. Dit is gebeurd met het oog op invoering van een format voor het Diploma Supplement dat reeds ontwikkeld was door de Europese Commissie, de Raad van Europa en Unesco/Cepes, en dat de informele Europese standaardformat is geworden. De instellingen voor hoger onderwijs in Nederland zijn gestimuleerd om hun diplomasupplement volgens dit Europese standaardformat uit te geven. In alle correspondentie vanuit het ministerie van OCW, in alle promotieactiviteiten van de Bologna-experts, van Nuffic, etcetera is aangedrongen op het gebruik van het Europese format. Maar het is nu nog geen wettelijke verplichting het format te hanteren.

Ook vragen zij hoe het voornemen om voor de Nederlandse hbo-instellingen de titels van Bachelor for applied Science in te voeren zich verhoudt tot een internationaal vergelijkbaar diploma.

Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 19 februari 2009 (TK 2008–2009, 29 281, nr. 12) heb ik een commissie, bestaande uit de voorzitters van de AWT en de Onderwijsraad en de directeur van de Nuffic gevraagd de graden Bachelor of Applied Arts en Bachelor of Applied Sciences te toetsen aan de in genoemde brief genoemde criteria (binaire karakter, internationale herkenbaarheid) en op grond daarvan mij te adviseren of deze graden een bruikbare invulling zijn voor de hbo-titulatuur. Over het advies van deze commissie en mijn standpunt daarbij heb ik u geïnformeerd bij brief van 20 april 2009, HO&S/2009/115 580 en hier wil ik u naar verwijzen.

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre de regering erin geslaagd is om Nederland onderdeel te laten zijn van een Europese hoger onderwijs en onderzoeksruimte. Op welke punten is Nederland in meerdere en in mindere mate succesvol, willen zij weten.

Nederland steunt de ontwikkeling van de Europese Hoger onderwijs- en onderzoeksruimte. Samenwerking en concurrentie op het gebied van hoger onderwijs en onderzoek dragen bij aan de verhoging van kwaliteit van het Nederlandse hoger onderwijs en onderzoek.

Het voornaamste doel van Nederland om mee te doen in de ontwikkeling van de Europese hoger onderwijsruimte via het Bologna Proces is om te zorgen dat het Nederlandse hoger onderwijs goed aansluit op en begrijpelijk is voor het hoger onderwijs in andere Europese landen. Hoe transparanter de hoger onderwijssystemen, hoe meer inzicht er is in kwaliteit van het hoger onderwijs over de grenzen heen. Daardoor kan een steeds grotere mobiliteit van studenten, staf en onderzoekers tot stand kan worden gebracht.

De implementatie in Nederland van de afspraken die in dat kader zijn gemaakt verlopen voorspoedig. Nederland behoort samen met andere West-Europese landen tot de kopgroep. Nederland heeft voortvarend de bachelor- en masterstructuur ingevoerd en heeft een zeer goed systeem van kwaliteitszorg. De uitdaging voor de komende periode ligt bij de beschrijving van opleidingen in concrete leeruitkomsten en de verbinding daarvan met studiepunten van studenten, de afgifte van diplomasupplementen en in een automatische erkenning van studiepunten en diploma’s.

In hoeverre Nederland onderdeel uitmaakt van de Europese Onderzoeksruimte is met name af te meten aan de deelname van Nederland in de Kaderprogramma’s voor onderzoek en technologie. De Nederlandse deelname is nog stijgende en Europees gezien hoog. In Nederland bedraagt de deelname van kennisinstellingen 64,3 procent. De rest van de deelnemers zijn bedrijven, overheden en overige organisaties zoals stichtingen. In absolute aantallen participeren meer dan duizend Nederlandse organisaties in het zevende Kaderprogramma (totaal 18 442). Hiermee staat Nederland in absolute zin op de zesde plaats, na Duitsland, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Italië en Spanje. De meeste Nederlandse deelnemers zijn actief binnen de thematische onderdelen gezondheid (232) en Informatie- en Communicatietechnologie (149). Het aantal deelnemers ligt daarnaast ten opzichte van andere KP7-onderdelen ook relatief hoog in de niet-thematische programma’s People (mobiliteits- en loopbaanbeurzen) en Onderzoeksinfrastructuren.

De opbrengsten uit het zevende Kaderprogramma voor Onderzoek en Technologie (KP7) zijn voor Nederland hoger dan de kosten. De totale aangevraagde EU-bijdrage door Nederlandse organisaties in toegekende projecten is 342 miljoen euro. Nederland staat daarmee vijfde na Duitsland, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Italië. Het is 6,6% van de EU bijdrage die alle Europese organisaties in toegekende projecten hebben aangevraagd. Nederland draagt in totaal 5 procent bij aan het totale subsidiebudget van ruim 50 miljard euro in KP7, een positief verschil van 1,6%. Merk op dat het positieve surplus in het eerste jaar van KP7 is toegenomen ten opzichte van KP6: de financiële retour bedroeg toen 6,3% ten opzichte van een bijdrage van 5,3 %.

Wat is, sinds de invoeringsproblemen bij de IB-groep, de stand van zaken rond meeneembare studiefinanciering? Zijn de processen inmiddels, in samenspraak met het Nuffic, verbeterd zodat studenten sneller weten waar ze aan toe zijn als ze in het buitenland willen studeren?

De IB-Groep is in staat om praktisch alle aanvragen binnen de daarvoor staande termijn af te doen. Het individueel beoordelen van de vraag of een opleiding van voldoende niveau en kwaliteit is, uitgevoerd door de Nuffic, blijft daarbij nodig. Omdat een dergelijke beoordeling enige tijd vraagt wordt studenten verzocht drie maanden voor vertrek studiefinanciering aan te vragen. Om studenten vooraf beter van dienst te zijn, zijn daarnaast onder meer de beoordelingscriteria die de Nuffic hanteert op de website van de IB-Groep te bezien. Ook is voor de belangrijkste landen inmiddels een zogenaamde studiegids ontwikkeld, waarin het onderwijssysteem van het betreffende land wordt beschreven en wordt aangegeven in hoeverre dat onderwijssysteem lijkt op het Nederlandse systeem. Naarmate dat meer het geval is, is de kans groter dat er studiefinanciering bestaat voor opleidingen in dat land.

Voorts vragen de leden in hoeverre de in ons omringende landen masteropleidingen groter zijn qua ects dan in Nederland.

In Nederland bestaan zowel één- als tweejarige masteropleidingen. In de ons omringende landen verschillen de masteropleidingen in duur. Overwegend zijn ze langer: 120 ECTS (twee jaar) maar éénjarige opleidingen komen ook voor. Zo hebben Vlaanderen en het Verenigd Koninkrijk in overwegende mate eenjarige opleidingen. In Frankrijk, Denemarken en Noorwegen komen alleen tweejarige masteropleidingen voor. In Duitsland is slechts een klein deel (10%) een jaar, de rest bedraagt twee jaar.

Tot slot vragen zij waarom Nederlandse instellingen niet de mogelijkheid krijgen ook bij reguliere masters meer flexibel om te gaan met de cursusduur.

Het aantal studiepunten van een masteropleiding heeft een vaste ondergrens maar is verder niet gefixeerd. Hiermee is voldoende flexibiliteit mogelijk voor de duur van de opleiding. De mate waaraan hieraan rechtsgevolgen kunnen worden verbonden in termen van studiefinanciering (en in de toekomst, met de nieuwe bekostigingssystematiek, de bekostiging) is wel gefixeerd. Verlenging van de duur van de opleiding betekent uiteraard dat de student financieel in de gelegenheid moet zijn om die langere studieduur te volgen. Indien de instelling de opleiding verlengt, zonder dat daarvoor extra studiefinancieringsrechten worden gecreëerd, zal de instelling de student financieel moeten ondersteunen in de extra studieduur.

Aan een opleiding worden alleen extra studiefinanciering en bekostiging beschikbaar gesteld, indien de extra studieduur noodzakelijk is voor het kunnen bereiken van de kennis, inzichten en vaardigheden die horen bij de betrokken masteropleiding.

7.1 Joint degree

De leden van de CDA-fractie merken op dat het wettelijk mogelijk maken van de zogeheten joint degrees wordt door hen wordt ondersteund. Daarbij wordt door deze leden onderschreven dat het onmogelijk moet zijn om een combinatie van hbo en wo-programma aan te bieden als joint degree. Voor wat betreft de binnenlandse combinaties is dat helder en eenduidig, maar de vraag dringt zich op of dat ook voldoende gegarandeerd kan worden voor een combinatie met buitenlandse universiteiten. Hoe wil de regering dit voldoende garanderen, vragen zij.

De waarborgen liggen in het accreditatiesysteem. Een opleiding kan alleen geaccrediteerd worden als een hbo- of als een wo-opleiding. Voor een joint degree-opleiding is dat niet anders. Een joint degree-opleiding die wordt verzorgd door een of meer Nederlandse instellingen met één of meer buitenlandse instellingen moet – net als alle andere opleidingen van Nederlandse instellingen – worden geaccrediteerd door de NVAO. De NVAO zal daarbij moeten oordelen of de opleiding daadwerkelijk de oriëntatie heeft (hbo of wo) die in de aanvraag is vermeld. Het gedeelte van de opleiding dat in het buitenland wordt verzorgd, is integraal onderdeel van de opleiding en zal dus bij de beoordeling van de opleiding integraal worden meegewogen, inclusief de oriëntatie en het niveau ervan.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan aangeven hoeveel mogelijkheden er zijn voor differentiatie in studiepunten bij een joint degree opleiding. En kan zij aangeven waarom voor die variant is gekozen en waarom er niet voor meer flexibilisering is gekozen?

Een joint degree-opleiding kan zowel een hbo- als een wo-opleiding zijn en zowel een bachelor- als een masteropleiding. Op dit moment is de behoefte aan een joint degree-opleiding vooral manifest bij wo-masteropleidingen. Een hbo-bachelor en een wo-bachelor zijn respectievelijk 240 en 180 studiepunten. Dat is voor een joint-degree-opleiding niet anders. Ook voor een hbo-master- en wo-masteropleiding zijn geen afwijkende bepalingen wat betreft de mogelijke studieduur: deze is ten minste 60 studiepunten. Voor wo-masteropleidingen is een specifieke bepaling opgenomen: aan bij algemene maatregel van bestuur aangewezen opleidingen waarvan de omvang op 120 studiepunten is bepaald, kan 2 jaar studiefinanciering zijn verbonden in plaats van 1 jaar. Daar waar het gaat om educatieve wo-masters geldt dit mutatis mutandis voor de verlenging tot ten hoogste 180 studiepunten. De reden voor aanwijzing is dat de langere studieduur noodzakelijk wordt geacht voor het kunnen bereiken van de kennis, inzichten en vaardigheden die horen bij de betrokken masteropleiding. Overigens kan ook de universiteit zelf besluiten de wo-masteropleiding te verlengen maar dan ontstaan er geen extra studiefinancieringsrechten voor de student. In dat geval dient de instelling de student voor de omvang waarmee de opleiding de 60 studiepunten overschrijdt, financieel te ondersteunen. Dat is in de huidige wetgeving in het studiefonds geregeld; na aanvaarding van het voorliggende wetsvoorstel wordt die plicht opgenomen in het profileringsfonds.

Met het wetsvoorstel wijzigen de bepalingen omtrent de omvang van een opleiding niet, ook niet in het kader van de joint degree. Wel is er een aanvulling aangebracht: bij een joint degree-wo-masteropleiding met een buitenlandse instelling kan niet alleen een verlenging van studiefinanciering plaatsvinden bij een eenjarige wo-masteropleiding met 1 jaar (bij een opleiding van 120 studiepunten) maar ook met een periode van een half jaar (bij een opleiding 90 studiepunten).

Het aantal studiepunten heeft dus een vaste ondergrens maar is verder niet gefixeerd. Hiermee is voldoende flexibiliteit mogelijk voor de duur van de opleiding. Wel is gefixeerd de mate waaraan hieraan rechtsgevolgen kunnen worden verbonden in termen van studiefinanciering (en in de toekomst, met de nieuwe bekostigingssystematiek, de bekostiging). Hieraan liggen overwegingen omtrent een doelmatige besteding van overheidsmiddelen en een zo doelmatig mogelijke (effectieve en efficiënte) leerroute van studenten ten grondslag.

Volledigheidshalve merk ik hierbij nog op dat de huidige aanwijzing van wo-masteropleidingen met 120 studiepunten (en de educatieve wo-masters voor zover die meer dan 120 studiepunten omvatten) geschiedt bij algemene maatregel van bestuur. Die algemene maatregel van bestuur is feitelijk een bundel beschikkingen. Om die reden en met het oog op vermindering van regelgeving is in dit wetsvoorstel voorgesteld om de aanwijzing door de minister te laten plaatsvinden. Het gaat dan zowel om de aanwijzing van wo-masteropleidingen met 120 studiepunten, de educatieve masteropleidingen als om joint degree-wo-masteropleidingen met 90 studiepunten.

Kan de regering aangeven waarom zij in dit wetvoorstel de mogelijkheid, tot het geven van onderwijs door een bekostigde instelling buiten de rijksbijdrage om, niet heeft ingebouwd? Welke bezwaren liggen er om deze voorziening hier in te bouwen, zo vragen de leden van deze fractie.

De overheid bekostigt het hoger onderwijs zodanig dat er voor een ieder die dit onderwijs wil volgen qua diversiteit aan en omvang en spreiding van opleidingen gelegenheid is dat te doen. Zij verstrekt daartoe universiteiten en hogescholen jaarlijks financiële middelen in de vorm van de rijksbijdrage. Deze bekostigde instellingen hebben een publieke taak bij het verzorgen van onderwijs en daarnaast ook onderzoek. Naast initiële opleidingen kunnen bekostigde instellingen postinitiële masteropleidingen verzorgen. Beide soorten opleidingen vinden plaats in Nederland. Volledigheidshalve: postinitiële bacheloropleidingen – en dus onbekostigde bacheloropleidingen bij bekostigde instellingen – zijn wettelijk niet mogelijk.

In onderstaande tabel wordt een en ander schematisch uiteengezet.

 Initiële oplei-dingen, bekostigdInitiële oplei-dingen, onbekostigdPost-initiële masteroplei-dingen (onbe-kostigd)Onderwijs in het buitenland (onbe-kostigd)
Bekostigde instellingenjaneejanee
Rechtspersonen voor hoger onderwijsneejajaja

De bekostiging is bedoeld om initieel onderwijs en onderzoek te verzorgen. Een instelling heeft binnen de kaders van de wet de vrijheid de rijksbijdrage naar eigen inzicht te besteden (bestedingsvrijheid). De rijksbijdrage is nadrukkelijk bedoeld voor het onderwijs dat in Nederland wordt verzorgd en niet voor onderwijs in het buitenland. Dat onderwijs komt immers de Nederlandse samenleving niet ten goede; de studenten wonen in het buitenland en zullen na afronding van hun opleiding toetreden tot de arbeidsmarkt aldaar. Daarom is besloten tot een stringente scheiding tussen publieke en private middelen: de mogelijkheid tot het verzorgen van geaccrediteerd onderwijs in het buitenland – met bijpassende Nederlandse graadverlening – is voorbehouden aan rechtspersonen voor hoger onderwijs. Deze worden per definitie niet door de overheid bekostigd.

Een rechtspersoon voor hoger onderwijs kan niet samenvallen met een (bekostigde) instelling. Zij bestaan naast de openbare instellingen (die rechtspersoonlijkheid hebben op grond van de wet) en de bijzondere instellingen (die in stand worden gehouden door een rechtspersoon). Zo wordt gewaarborgd dat er verschillende geldstromen bestaan en de rijksbijdrage van een bekostigde instelling niet wegvloeit naar onderwijs in het buitenland.

De leden van de SP-fractie stellen vast dat het voor internationale joint degree-opleidingen mogelijk wordt om een master aan te bieden van 90 studiepunten. Deze leden willen weten waarom dit alleen voor joint degree-opleidingen gaat gelden. Zij merken op dat het nu in verband met de beperkte duur van een master voor studenten vaak lastig is om een stage te volgen tijdens hun masterperiode. Zou het niet ook voor sommige niet internationale masters een verrijking zijn wanneer de masterperiode anderhalf jaar duurt, zo vragen zij.

De mogelijkheid om internationale joint degree masteropleidingen aan te bieden van 90 studiepunten is aangekondigd in de notitie «Naar een volwassen bachelor-masterstructuur» (TK 2008–2009, 29 281, nr. 10) en in de notitie «Grenzeloos Goed» (TK 2008–2009, 31 288, nr. 44). Hiermee wil ik knelpunten voor internationale samenwerking wegnemen. Uit de evaluatie van de bachelor-masterstructuur komt naar voren dat de studieduur van de masteropleiding vooral een knelpunt is bij het opzetten van internationale samenwerking in joint-degree programma’s. De studieduur van de masteropleidingen is tussen landen soms verschillend, en met de mogelijkheid van 90 studiepunten, naast 60 of 120, is er meer ruimte voor samenwerking.

De opleiding van 90 studiepunten is alleen mogelijk gemaakt daar waar er duidelijke knelpunten zijn in de huidige situatie, te weten bij wo-masteropleidingen die gekenmerkt worden als internationale joint degree-opleidingen zoals de Erasmus Mundus-opleidingen. Het gaat hierbij om een voorziening die leidt tot extra overheidsuitgaven. Voor overige wo-masteropleidingen is die extra voorziening niet noodzakelijk. In de huidige situatie bestaat immers reeds de mogelijkheid van wo-masteropleidingen waaraan 2 jaar studiefinanciering is verbonden (wo-masteropleidingen met een duur van 120 studiepunten). Dat is geen automatisme, zoals hiervoor in antwoord op vragen van de leden van de PvdA-fractie is aangegeven.

Daarnaast zijn er ook andere mogelijkheden om de opleidingsduur te verlengen. Instellingen kunnen zelf kiezen om de studielast te verhogen boven de 60 studiepunten. De instelling wordt dan zoals gezegd wel verantwoordelijk voor de financiële ondersteuning van studenten voor de verlengde periode en de verlenging heeft geen bekostigingsgevolgen. Wanneer de verlenging vooral bedoeld is om stage te lopen of anderszins praktijkervaring op te doen kunnen daar met het bedrijfsleven in het kader van de stagevergoeding afspraken over worden gemaakt.

7.2 Onderwijs in het buitenland

De leden van de CDA-fractie stellen dat diverse onderwijsinstellingen graag in het buitenland onderwijs met een Nederlandse graad willen aanbieden. Daarmee is duidelijk dat in het buitenland de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs op waarde geschat. Deze leden menen dat het van belang is om te voorkomen dat voor deze opleidingen Nederlandse publieke middelen ter beschikking worden gesteld. Deze doelstelling delen zij met de regering. De regering schrijft dwingend voor dat deze doelstelling slechts bereikt kan worden in geval van gescheiden rechtspersonen. Zijn er ook andere middelen om hetzelfde doel te bereiken, willen deze leden weten.

Bij het opstellen van het wetsvoorstel is gezocht naar mogelijkheden om onderwijs te verzorgen in het buitenland en bij afstuderen de «Nederlandse» graad te verlenen zonder dat daarbij Nederlandse publieke middelen aangewend kunnen worden. Er zijn andere constructies denkbaar. Immers, de bekostigde instellingen verzorgen ook onbekostigde postinitiële opleidingen maar de voorgestelde constructie biedt de grootste waarborg dat er geen «weglekeffect» optreedt van bekostigingsmiddelen naar onderwijsactiviteiten in het buitenland

De leden van de D66-fractie hebben een vraag over het aanbieden van geaccrediteerde opleidingen door Nederlandse instellingen in het buitenland. Wordt het voor deze instellingen mogelijk om zonder overheidsgeld geaccrediteerde opleidingen in het buitenland te verzorgen, zo willen zij weten.

De bekostigde instellingen kunnen geen geaccrediteerde opleidingen, met daaraan verbonden de Nederlandse graadverlening, gaan verzorgen in het buitenland. Dit kan ook niet in de vorm van onbekostigde opleidingen binnen een bekostigde instelling. In antwoord op een vraag van de leden van de PvdA-fractie in het kader van de joint degree-opleidingen ben ik al ingegaan op de bezwaren die zouden kleven aan een dergelijke mogelijkheid.

De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat onderhavig wetsvoorstel het mogelijk maakt onderwijs in het buitenland te verzorgen. Voorwaarde daarbij is dat er geen publieke middelen in het geding zijn. Om die reden krijgen enkel rechtspersonen voor hoger onderwijs met initiële opleidingen en rechtspersonen voor hoger onderwijs met postinitiële masteropleidingen de mogelijkheid om in het buitenland Nederlandse graden te verlenen. Als een bekostigde instelling dergelijke internationale ambities heeft, kan dit niet rechtstreeks. Er moet daarvoor een dergelijke rechtspersoon zijn. De leden verzoeken de regering toe te lichten in hoeverre deze constructie de mogelijkheid biedt om internationaal erkende «moederinstellingen» de diploma’s te laten uitgeven. Deze leden verzoeken de regering daarbij in te gaan op het belang van academische standing en reputatie en aan te geven in hoeverre alternatieve oplossingen zijn overwogen om te voorkomen dat publieke middelen worden ingezet om in het buitenland les te geven.

Een bekostigde instelling kan op grond van de voorstellen in dit wetsvoorstel geen onderwijs in het buitenland verzorgen, althans daaraan geen formele Nederlandse graad verbinden. Indien de instelling nauw samenwerkt met een rechtspersoon voor hoger onderwijs kan dat voor de status van die rechtspersoon effect hebben. De rechtspersoon kan echter niet rechtstreeks bogen op de reputatie van de bekostigde instelling waarmee welliclht nauwe banden bestaan.

Voor het overige verwijs ik voor de beantwoording van deze vragen naar mijn eerdere antwoord op vergelijkbare vragen van de CDA-fractie aan het begin van deze paragraaf.

8. ERKENNING VERWORVEN COMPETENTIES (EVC)

De leden van de SP-fractie zien graag zo min mogelijk financiële drempels voor studenten. Zij zijn dan ook te spreken over het invoeren van het wettelijk collegegeld voor studenten ouder dan 30 jaar. Dit past goed bij het streven van een leven lang leren. Deze leden vragen hoe deze wijziging betaald wordt. Dit mag geen bezuiniging voor de universiteiten en hogescholen betekenen. Deze leden vernemen graag welke concrete plannen er zijn om mogelijk verlies bij instellingen te compenseren.

Het is volgens de huidige wetgeving aan de instellingen om aan studenten ouder dan 30 jaar een instellingscollegegeld te vragen dat hoger is dan het wettelijk collegegeld. Tegenover het vervallen van deze optie staat de mogelijkheid om aan studenten aan wie al een graad is verleend een hoger instellingscollegegeld te vragen. Daarmee is het afhankelijk van de (nieuwe) keuzes die instellingen zelf maken of sprake is van verlaging of verhoging van de inkomsten uit collegegeld.

De leden van de VVD-fractie willen weten of het huidige EVC-instrumentarium voldoende capaciteit heeft gezien de te verwachten toename van de vraag naar EVC in het kader van een leven lang leren en de ontwikkelingen rond de associate degree.

Op dit moment zijn in het landelijke EVC-register in het hoger-onderwijs-domein 29 EVC-aanbieders opgenomen met in totaal 602 (voorlopig) erkende EVC-procedures. Het gaat om 28 aanbieders op HBO-niveau (totaal 595 EVC-procedures) en 1 aanbieder op WO-niveau (7 EVC-procedures). Een belangrijk deel van de 602 beschikbare EVC-procedures is ontwikkeld in projecten die door de overheid zijn gesubsidieerd in het kader van tijdelijke stimuleringsregelingen gericht op EVC in het HBO . In het kader van die projecten zijn ook honderden EVC-assessoren en -begeleiders geschoold en zijn hogescholen EVC-bureaus gestart. In 2007 en 2008 zijn in deze HBO-projecten in totaal bijna 7 000 EVC-trajecten gerealiseerd.

Er is inmiddels sprake van een tamelijk brede en goed verankerde infrastructuur voor EVC, die in staat moet worden geacht de huidige vraag naar EVC aan te kunnen en die een stevige basis biedt voor verdere doorontwikkeling bij een toename van de vraag naar EVC.

Knelpunt bij de onderwijsinstellingen die actief zijn als EVC-aanbieder is vaak nog wel het snel kunnen vrijmaken van capaciteit (begeleiders, assessoren) voor de uitvoering van EVC-procedures. Vanuit het Project Voorhoedescholen is nu een initiatief «Netwerk Eén in EVC» gestart. Dit is een netwerk dat goede en vlotte dienstverlening («leveringsvoorwaarden») waarborgt, op basis waarvan door bij het netwerk aangesloten aanbieders snel en adequaat wordt ingespeeld op klantvragen. Zowel onderwijsinstellingen als particuliere aanbieders die aan de voorwaarden voldoen kunnen zich aansluiten bij dit netwerk.

In het kader van leven lang leren willen de leden van de D66-fractie graag weten wat de gevolgen van het verlagen van het collegegeld voor studenten van dertig jaar en ouder zullen zijn voor het aanbod van avond- en deeltijdopleidingen gericht op werkenden. Deze leden vrezen dat het aanbod sterk terug zal lopen doordat minder studenten een studie tegen instellingscollegegeld kunnen bekostigen en doordat studenten die nog geen bachelor of master hebben ook na hun dertigste het wettelijke collegegeld kunnen betalen.

Zoals ik eerder in deze nota in reactie op een vraag van de leden van de ChristenUnie-fractie heb aangegeven, ben ik van mening dat er een voldoende groot (en voldoende breed) aanbod van maatwerkopleidingen moet zijn. De bekostigde instellingen hebben hier een verantwoordelijkheid, waar ik hen ook op zal aanspreken. Ik verwacht geen sterk afnemende vraag naar deeltijdonderwijs als gevolg van de voornemens in dit wetsvoorstel. Voor veel werkenden die eerder al een ho-graad behaald hebben, zal een hoger collegegeld geen onoverkomelijke drempel hoeven te zijn. Dat geldt temeer omdat werkgevers vaak aan de opleidingskosten meebetalen. Het laten vervallen van de leeftijdsgrens in de collegegeldsystematiek zal juist een positief effect hebben op de vraag naar deeltijdonderwijs, zo is mijn verwachting. Het is vervolgens aan de instellingen om op die vraag in voldoende mate in te spelen.

Heeft de regering er rekening mee gehouden dat door de voorgestelde maatregelen minder mensen tijdens hun werk aan een tweede opleiding zullen beginnen en wat betekent dit voor de doelstellingen van dit kabinet met betrekking tot het leven lang leren, zo vragen deze leden.

Zoals ik in antwoord op eerdere vragen van leden van deze fractie en van de fractie van de ChristenUnie over de collegegeldsystematiek al heb aangegeven schat ik het risico van deze maatregelen op «leven lang leren» niet negatief in. Niet alleen zijn de meeste deeltijdstudenten voldoende financieel draagkrachtig, ook wordt met dit wetsvoorstel geregeld dat deeltijdstudenten die nog geen bachelor- respectievelijk mastergraad hebben behaald ten hoogste het bedrag van het voltijds wettelijk collegegeld betalen. In de huidige situatie is het deeltijdscollegegeld niet gemaximeerd.

Dit kabinet streeft naar een grotere deelname aan opleidingen en trainingen door volwassenen. Om die reden werkt het kabinet aan de verdere uitbouw van duale trajecten, aan erkenning van verworven competenties (ervaringscertificaten), verzorgt het publiekscampagnes om een leven lang leren te bevorderen etcetera. De financiële verantwoordelijkheid van de overheid voor een leven lang leren is echter begrensd. Deze strekt zich in het hoger onderwijs uit tot één bachelor- en één masteropleiding, enkele uitzonderingen daargelaten. Daarna ligt de verantwoordelijkheid voor scholing bij het individu, daarbij al dan niet ondersteund door zijn werkgever. In het Actieplan Leven Lang Leren uit november 2004 heeft het toenmalige kabinet dit uitgangspunt al verwoord. In «Het Hoogste Goed, de strategische agenda voor het hoger onderwijs-, onderzoek- en wetenschapsbeleid» staat het aldus: «De inspanning van de overheid concentreert zich op de volwassen werkenden en werkzoekenden die nog niet in het bezit zijn van een ho-diploma. Groei lijkt met name mogelijk van het aantal mbo’ers dat na een aantal jaren werken besluit alsnog een hbo-opleiding te gaan volgen.»

Denkt de regering ook na over het uitbreiden van de mogelijkheid tot lenen voor studenten van dertig jaar en ouder?

De mogelijkheden voor studenten van dertig jaar en ouder worden al verruimd met afschaffing van de 34-jaarsgrens in het wetsvoorstel in verband met de verhoging van het collegegeld en de aanpassing van het aflossingssysteem studieschulden (EK, 2008–2009, 31 790, A). Wie voor zijn 30ste is begonnen met studeren en daarna ononderbroken doorstudeert, kan zijn studiefinancieringsrechten inclusief leenrechten ook na zijn 34ste levensjaar inzetten om zijn opleiding af te maken. Wie na zijn 30ste begint met een eerste opleiding in het hoger onderwijs kan geen beroep meer doen op studiefinanciering. De student zal een en ander moeten financieren met eigen inkomsten, eventuele bijdragen van hun werkgever of een commerciële lening. Met dit wetsvoorstel vervalt wel de 30-jaarsgrens voor wettelijk collegegeld. Dit kan een aanzienlijke verlaging in de studiekosten betekenen.

Acht de regering het denkbaar dat met deze maatregel een tweede studie niet langer voor iedereen toegankelijk is, vragen de aan het woord zijnde leden.

Ik acht – zoals ik ook al eerder opmerkte – het risico niet groot dat de toegankelijkheid voor studenten die een tweede studie willen volgen wezenlijk in het geding is. Voor de studenten die al een ho-opleiding afgerond hebben en een (hoger) instellingscollegegeld verschuldigd zijn bij het volgen van een tweede opleiding, geldt dat zij vaak een inkomen hebben. Een hoger collegegeld hoeft voor hen – zeker gezien de scholingsaftrek in het kader van de inkomstenbelasting en het feit dat veel werkgevers meebetalen aan de kosten van een opleiding – geen onoverkomelijke drempel te zijn. Dat blijkt ook uit de grote deelname aan het privaat gefinancierde onderwijs in Nederland. Daarnaast kunnen studenten die na hun eerste opleiding nog studiefinancieringsrechten over hebben, deze ook inzetten voor een tweede opleiding.

9. ONDERZOEKSTAAK HOGESCHOLEN

De leden van de CDA-fractie vinden het terecht dat de hogescholen een onderzoekstaak is toebedeeld. De regering wil hen een op toepassing gerichte onderzoekstaak geven. De leden kunnen zich deze houding voorstellen. Daarbij komen echter wel enkele vragen naar voren. Hoe wordt dit onderscheid gemaakt ten opzichte van het fundamentele onderzoek?

Het onderzoek door hogescholen is gericht op toepassing, niet op fundamenteel begrip. De kennis komt direct ten goede aan de ontwikkeling van de beroepspraktijk en het onderwijs. Het spectrum aan onderzoekstaken van de universiteit is breder vanuit de gedachte dat dit onderzoek er vooral aan moet bijdragen de wetenschap in stand te houden en te ontwikkelen.

Betekent het dat het wetenschappelijk onderwijs zich niet meer met op toepassing gericht onderzoek mag bezig houden, zo vragen zij verder.

Het wettelijk verankeren van een onderzoekstaak voor hogescholen heeft niet tot gevolg dat het wetenschappelijk onderwijs zich niet meer met op toepassing gericht onderzoek mag bezighouden. Een goede ontwikkeling is dat er steeds meer samenwerkingsverbanden ontstaan waarin hogescholen en universiteiten gezamenlijk onderzoek verrichten.

Wie bepaalt het onderscheid tussen op toepassing gericht onderzoek en fundamenteel onderzoek, zo willen deze leden vervolgens weten.

Het onderscheid tussen beide vormen van onderzoek doet recht aan de praktijk. In de nadere uitleg die de AWT geeft bij zijn advies uit 2005 «Ontwerp en ontwikkeling; de functie en plaats van onderzoeksactiviteiten in hogescholen» (AWT-advies nr. 65), wordt de onderzoekstaak van hogescholen aan de hand van Stokes getypeerd als Edison-onderzoek. Dat is onderzoek gericht op toepassing, maar niet op fundamenteel begrip. Het onderzoek dat door de universiteiten wordt uitgevoerd, komt grotendeels overeen met wat Stokes typeert als Bohr- en Pasteur-onderzoek. Deze twee typen zijn gericht op fundamenteel begrip. Pasteur-onderzoek is daarnaast ook toepassingsgericht, het Bohr-onderzoek is dat niet.

Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie of deze wettelijke verankering van de onderzoekstaak ook een uitbreiding van de financiële middelen voor het hbo betekent.

In de Strategische Agenda voor het hoger onderwijs-, onderzoek- en wetenschapsbeleid (TK, 2007–2008, 31 228, nr. 31) is aangekondigd dat het budget voor praktijkgericht onderzoek door hogescholen wordt uitgebreid met € 20 miljoen per jaar vanaf 2012 (in 2009 bedraagt de uitbreiding € 3 miljoen en in 2010 en 2011 € 12,5 miljoen per jaar). Dit budget wordt toegevoegd aan de middelen voor lectoren en kenniskringen en de zogenaamde RAAK-regeling. De toename van deze middelen is vanaf 2010 indicatief op de aanvullende post van het Rijk gereserveerd. Bij kaderbrief Voorjaarsnota vindt jaarlijks besluitvorming plaats over het per tranche beschikbaar stellen van de middelen.

De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel lectoraten er momenteel in Nederland zijn.

Op dit moment zijn er ruim 350 lectoraten in Nederland. De «lectorenbank» op de website van de HBO-raad geeft een overzicht van alle lectoraten.

Deze leden vernemen graag welke gevolgen de wettelijke verankering van de onderzoekstaak van hogescholen voor het aantal lectoren op hogescholen heeft.

De wettelijke verankering ondersteunt de huidige praktijk. De onderzoekstaak is voor veel hogescholen al standaard onderdeel van de missie en strategie. Naar verwachting zal het aantal lectoraten de komende jaren nog toenemen, mede als gevolg van de uitbreiding van het budget voor praktijkgericht onderzoek door hogescholen die ik hiervoor in antwoord op vragen van de leden van de CDA-fractie heb beschreven.

10. NIET-BEKOSTIGD ONDERWIJS

De leden van de VVD-fractie vragen waarom het promotierecht voorbehouden is aan de bestaande aangewezen universiteiten. Zij willen weten wat de nadelen zouden kunnen zijn om dit recht ook te geven aan nieuwe niet-bekostigde instellingen.

Het is internationaal gebruikelijk dat de doctorstitel exclusief verbonden is aan universiteiten en dat is ook de huidige situatie in Nederland. Het is – met het oog op de internationale transparantie en de waarde van onze doctorstitel – gewenst om deze situatie te handhaven. Ook voor de gepromoveerden zelf, die immers bij uitstek in een internationale omgeving opereren, is het onwenselijk dat zij gepromoveerd zijn aan een organisatie die geen wettelijk erkende universiteit is.

Bovendien is er geen kwaliteitsborgingssysteem (zoals de accreditatiesystematiek voor opleidingen) voor promotietrajecten op basis waarvan het promotierecht zou kunnen worden toegekend. De borging van het systeem geschiedt op basis van peer reviews, internationale beoordelingen en op grond van academische waarden. Een toekenning van promotierecht aan een rechtspersoon zou impliceren dat er een externe kwaliteitsborging moet zijn.

Waarom moeten bekostigde instellingen als gevolg van het wetsvoorstel met niet-bekostigde rechtspersonen overleggen over macrodoelmatigheid, terwijl de macrodoelmatigheid niet geldt voor de niet-bekostigde instellingen? Doorkruist dit niet de discussie over, en de experimenten rond, het Open Bestel, zo vragen deze leden.

Het afstemmingsoverleg met rechtspersonen voor hoger onderwijs in het geval van een vergelijkbare opleiding acht ik noodzakelijk omdat er geen nieuwe ho-voorzieningen voor bekostiging in aanmerking komen als er al bestaand, privaat gefinancierd onderwijs is dat onder vergelijkbare condities in de behoefte kan voorzien. Onder het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs als bedoeld in artikel 6.2 van de WHW valt ook het niet-bekostigd onderwijs. Deze beleidskeuze is al gemaakt in het Hoger Onderwijs en Onderzoekplan 1998. Bij de beoordeling van de doelmatigheid zullen overigens niet alleen de geaccrediteerde opleidingen van de rechtspersonen voor hoger onderwijs worden betrokken, maar ook de postinitiële masteropleidingen die verbonden zijn aan bekostigde instellingen.

Dit doorkruist niet de discussie over en de experimenten rond het Open Bestel. Bij de afweging of een nieuwe opleiding doelmatig is, gegeven het geheel van voorzieningen op het gebied van hoger onderwijs zijn alle geaccrediteerde opleidingen op het desbetreffende vakgebied relevant, ongeacht of deze worden bekostigd of niet. Dit staat geheel los van de experimenten met een Open Bestel. Het is dan ook niet nodig om de uitkomsten van die experimenten af te wachten.

Voorts willen deze leden weten waarom de regering niet de uitkomsten van het experiment (dat in 2010 eindigt) heeft afgewacht, alvorens het voorgestelde beleid te formuleren.

Waarom niet wordt gewacht op de uitkomsten van de experimenten rond Open Bestel heb ik in het antwoord op de vorige vraag al aangegeven. Overigens lopen deze experimenten niet in 2010 af; de experimenten en monitoring lopen door tot 2015. In 2010 rapporteert de Commissie Experimenten Open Bestel aan de uw Kamer, vandaar de mogelijke verwarring.

Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie wat de regering precies verstaat onder het voorgestelde afstemmingsoverleg.

Het overleg houdt in dat een initiatiefnemer van een nieuwe opleiding of nieuwe vestigingsplaats voorafgaand aan indiening van de aanvraag voor de doelmatigheidstoets overleg voert met alle relevante aanbieders van vergelijkbare opleidingen. Dit heeft als doel in kaart te brengen wat de gevolgen zijn van de komst van de nieuwe onderwijsvoorziening voor het geheel van de voorzieningen, met andere woorden of er geen ondoelmatigheidseffecten zullen optreden. Het overleg moet de mening van alle betrokken partijen in beeld brengen zodat deze meningen bij de besluitvorming over de aanvraag kunnen worden betrekken. Het afstemmingsoverleg is overigens geen nieuw fenomeen; het bestaat al voor aanvragen voor een nieuwe vestigingsplaats van een bestaande opleiding.

De leden van de ChristenUnie-fractie verzoeken de regering nader toe te lichten wat de beoogde consequenties zijn van dit wetsvoorstel voor het stelsel van promotierechten. Heeft het wetsvoorstel tot gevolg dat er met betrekking tot de rechtspersonen met geaccrediteerd onderwijs waaraan het promotierecht verbonden is een gesloten stelsel tot stand komt? Indien dit het geval is, verzoeken de leden van deze fractie de regering nader toe te lichten wat de hiermee beoogde doelen zijn.

Het wetsvoorstel heeft inderdaad tot gevolg dat er met betrekking tot de rechtspersonen met hoger onderwijs waaraan het promotierecht verbonden is een gesloten systeem tot stand komt. Het promotierecht is in de toekomst voorbehouden aan de bestaande aangewezen universiteiten.

Dit is de consequentie van de afschaffing van de aanwijzingssystematiek. In antwoord op de vraag van de leden van de VVD-fractie over het promotierecht heb ik aangegeven waarom voor deze systematiek is gekozen.

Overigens zijn er geen signalen dat er behoefte is aan nieuwe onbekostigde instellingen met promotierecht, niet vanuit instellingen en ook niet vanuit de behoefte aan meer onbekostigde instellingen met promotierecht. Daarbij is het niet te verwachten dat instellingen onbekostigd een onderzoeksomgeving kunnen aanbieden en handhaven die vergelijkbaar is met die van bekostigde universiteiten.

11. LEVENSBESCHOUWELIJKE INSTELLINGEN

De leden van de CDA-fractie merken op dat in de Nederlandse wetgeving sinds jaar en dag onderscheid is gemaakt tussen openbare instellingen voor hoger onderwijs en bijzondere instellingen. Voor wat betreft de kwaliteit werden geen andere eisen gesteld, maar voor wat betreft de organisatie werden meer vrijheden geboden, mits de doelstellingen maar gehaald zouden worden. Bij deze wetswijziging lijken enkele bestaande verschillen te worden opgeheven. Deze leden vragen welk doel daar precies mee wordt beoogd. Zo lijkt het op grond van de formulering van artikel 9.51 alsof iedere afwijking van de standaardregeling in het jaarverslag moet worden verantwoord, terwijl het voor hand lijkt te liggen om dit te beperken tot de afwijking van het model college van bestuur – raad van toezicht. Zo zou ook de wijziging van artikel 9.39 een soortgelijke bepaling voor bijzondere universiteiten met zich mee moeten brengen. Tot slot ware het handig als duidelijk wordt welke voorwaarden voor het openbaar hoger onderwijs ook als bekostigingsvoorwaarden voor het bijzonder onderwijs zouden gelden.

In de WHW wordt op dit moment op verschillende plaatsen geregeld welke artikelen gelden voor welke categorie van instellingen. Voor bekostigde instellingen is in artikel 1.10 het grondwettelijk uitgangspunt verwoord dat de artikelen in de wet voor het openbaar onderwijs verplicht zijn («het openbaar onderwijs regelen») en voor de bijzondere instellingen voorwaarden voor bekostiging. In de zogenoemde reikwijdtebepalingen – steeds het eerste artikel van elk hoofdstuk – wordt uitdrukkelijk aangegeven welke bepalingen van toepassing zijn op de openbare en welke op de bijzondere instellingen. Op dit moment is in de WHW in artikel 1.10 aan de hand van het bovengenoemde uitgangspunt tevens concreet aangegeven welke artikelen voorschriften zijn voor het openbare onderwijs en welke artikelen bekostigingsvoorwaarden zijn voor het bijzonder onderwijs. Dit laatste is overbodig gegeven de reikwijdtebepalingen en kan derhalve uit een oogpunt van wetgevingseconomie vervallen. Wel zal ik omwille van de helderheid in de nota van wijziging opnemen dat voorschriften voor het openbaar onderwijs bekostigingsvoorwaarden zijn voor het bijzonder onderwijs voor zover niet anders blijkt.

De vrijheid voor bijzondere instellingen op het punt van organisatie is overigens onverkort gehandhaafd: bijzondere instellingen kunnen in verband met de eigen aard afwijken van de voor de openbare instellingen geldende bepalingen omtrent de externe rechtsbescherming en bestuursstructuur en medezeggenschap. Wat artikel 9.51 betreft gaat het wat betreft het onderscheid tussen college van bestuur – raad van toezicht alleen om de organieke scheiding zoals ik bij de beantwoording van vragen over het thema «scheiding bestuur en toezicht» al heb vermeld. Artikel 9.39 zoals opgenomen in het wetsvoorstel verschilt vanuit het perspectief van de verhouding openbaar – bijzonder onderwijs niet van de huidige regeling in de WHW.

De leden van de VVD-fractie willen graag weten welke gevolgen het wegnemen van de uitzonderingsbepalingen uit de huidige wet heeft voor de Imamopleidingen in Nederland.

In de WHW is op dit moment voorzien in afwijkende bepalingen voor de theologische universiteiten die aangewezen zijn maar wel van overheidswege worden gefinancierd. Ook zijn er specifieke afwijkingsvoorschriften voor theologische opleidingen. Door de praktijk en door de invoering van de accreditatie hebben deze afwijkingen aan betekenis verloren. Er is niet langer reden om die afwijkende voorschriften te handhaven. In het wetsvoorstel vervallen deze dan ook. Dit geldt ook voor de door bekostigde instellingen verzorgde Imamopleidingen.

Voor de volledigheid vermeld ik nog dat de WHW ook een bepaling bevat omtrent het financieren van een zevental seminaria. Ook hiervoor is niet langer een specifieke bepaling nodig. De zeven seminaria zijn samenwerkingsverbanden aangegaan met universiteiten en worden via die universiteiten bekostigd.

De leden van de SGP-fractie vragen welke wijzigingen er door dit wetsvoorstel in de juridische en financiële positie van levensbeschouwelijke universiteiten ontstaan.

In de financiële positie van de levensbeschouwelijke universiteiten verandert vanwege het wetsvoorstel niets. In de aanloop naar het wetsvoorstel zijn met betrokken instellingen afspraken gemaakt over de wijze waarop de rijksbijdrage voor deze universiteiten bepaald wordt: dit geschiedt op dezelfde wijze als dat bij de andere universiteiten gebeurt. Vanaf 2008 is aan deze afspraken invulling gegeven conform het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 (Stb. 2008, nr. 146).

Voor deze instellingen zullen voortaan ook de regels gelden die van toepassing zijn op de bekostigde instellingen. De wettelijke bepalingen gelden voor deze instellingen als bekostigingsvoorwaarden; in die zin worden de levensbeschouwelijke universiteiten gelijkgesteld met bijzondere instellingen. Zo moeten zij bijvoorbeeld ook voor het bestuur en de inrichting van de instelling een structuurregeling opstellen en kan een levensbeschouwelijke universiteit een college van beroep bijzonder onderwijs instellen.

Deze leden vragen ook welke gevolgen dit wetsvoorstel heeft voor de mogelijkheden om als levensbeschouwelijke universiteit erkend te worden.

Het onderhavige wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor het erkend worden als levensbeschouwelijke universiteit. De huidige levensbeschouwelijke universiteiten bestaan al lange tijd en hebben een beperkte taakopdracht. Zij hebben een positie die feitelijk grotendeels overeenkomt met die van de bekostigde universiteiten. De gelijkstelling aan die laatste groep wordt nu geregeld. De vier levensbeschouwelijke universiteiten worden opgenomen in onderdeel i van de bijlage bij de wet.

Deze leden willen verder weten welke wijzigingen er voor seminaria ontstaan in de bekostiging, nu het wetsvoorstel erin voorziet dat de bekostiging van seminaria via universiteiten gaat verlopen.

Er ontstaan voor de seminaria geen wijzigingen in de bekostiging ten opzichte van de bestaande situatie. De bekostiging van de seminaria verloopt al via de universiteiten. Dit is overeenkomstig de afspraken met deze seminaria. Aan de onderwijsopslag van de universiteiten waarmee deze ambtsopleidingen een samenwerkingsverband hebben of aangaan, wordt met het oog hierop een bedrag toegevoegd. Die afspraken, neergelegd in een brief van 7 juni 2006, HO/CBV/2006/23 388, zijn neergeslagen in het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 (Stb. 2008, 146). Hieraan is vanaf het begrotingsjaar 2008 invulling gegeven en dit zal na inwerkingtreding van het wetsvoorstel gecontinueerd worden. De wijziging in het wetsvoorstel vloeit hieruit voort.

Wat is het verschil in samenstelling tussen de rijksbijdrage en de bekostiging via de universiteit, zo vragen deze leden. Hoe verhouden zich in beide situaties de vaste inkomsten tot de variabele inkomsten?

Met de in 2006 gemaakte afspraak over de bekostiging van de seminaria is het vaste bedrag dat voorheen rechtstreeks aan de seminaria werd verstrekt als vast onderdeel van de rijksbijdrage opgenomen in de onderwijsopslag van de universiteiten waarmee deze seminaria een samenwerkingsverband hebben. Richting seminaria was en is van overheidswege geen sprake van variabele inkomsten.

Benoeming bijzonder hoogleraren aan openbare universiteiten

De leden van de CDA-fractie merken op dat bij alle universiteiten bijzondere leerstoelen worden gevestigd. De benoeming van de hoogleraren op deze leerstoelen geschiedt bij de openbare universiteiten op een andere wijze dan bij de bijzondere universiteiten. Op de eerste lijkt de instelling die de bijzondere leerstoel in stand houdt, het laatste woord te hebben bij de benoeming van de hoogleraar, terwijl bij de bijzondere universiteiten het college van decanen het laatste woord heeft. De leden vragen of de regeling aan de bijzondere universiteiten geen navolging zou moeten krijgen aan de openbare universiteiten. Het college van decanen heeft toch als algemene doelstelling om de waarborg van de opleidingen aan de universiteit te waarborgen, waaronder ook de kwaliteit van de bijzondere leerstoelen, zo vragen de leden.

In de WHW worden de bijzondere leerstoelen geregeld voor de openbare universiteiten en niet voor de bijzondere universiteiten. In artikel 9.53 van de WHW is vastgelegd dat het college van bestuur een rechtspersoon bevoegd kan verklaren een bijzondere leerstoel te vestigen. Het is niet het college dat zelf een bijzonder hoogleraar aanstelt.

Voor het aanstellen van bijzondere hoogleraren bij de bijzondere universiteiten gelden geen formele regels. Het is dus mogelijk dat een decanen daarin een beslissende rol vervullen.

De WHW kent het «college van decanen» niet als apart orgaan binnen de universitaire organisatie. Ik acht dat ook niet wenselijk omdat daarmee een nieuwe bestuurslaag zou worden geschapen. Het is natuurlijk wel mogelijk dat het college van bestuur van een openbare universiteit zich bij het vestigen van een bijzondere leerstoel laat adviseren door een of meer decanen.

12. VEREENVOUDIGING EN FLEXIBILISERING REGELGEVING

De leden van de CDA-fractie merken op dat in het mbo momenteel geen macrodoelmatigheidstoets is, maar wordt bekeken of de komst van een nieuwe opleiding arbeidsmarktrelevantie heeft. Kan de regering een vergelijking maken van de werking van beide systemen, waarbij effectiviteit, efficiency, administratieve lastendruk, aansluiting op de arbeidsmarkt en innovatie de criteria zijn, zo vragen deze leden.

De toets macrodoelmatigheid in het hoger onderwijs bestaat sinds de invoering van de WHW en is sindsdien met instemming van uw Kamer gehandhaafd. Indertijd is in het kader van de accreditatiewetgeving indringend overwogen de toets voor nieuwe opleidingen en nieuwe vestigingsplaatsen buiten werking te stellen. Met de toenmalige Kamer is, mede op verzoek van de HBO-raad, afgesproken dat er in het hoger beroepsonderwijs geëxperimenteerd zou worden met een zekere mate van zelfregie onder handhaving van de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid van de minister. Deze proef met zelfregie heeft niet tot bevredigende resultaten geleid. De hogescholen bleken niet in staat de dynamiek binnen redelijke perken te houden. In 2003 is daarom besloten de verantwoordelijkheid van de minister voor de doelmatigheid weer aan te scherpen. Sindsdien is de Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs van kracht. De beleidsregel – waarvan het concept voorgelegd is aan uw Kamer – biedt alleen ruimte voor uitbreidingen van het hoger onderwijsaanbod als initiatieven samenvallen met maatschappelijke prioriteiten (onder andere innovatie) en onder voorwaarde dat de bestaande voorzieningen niet noemenswaardig worden aangetast. De situatie in het middelbaar beroepsonderwijs is fundamenteel anders. Daar is sprake van een landelijke kwalificatiestructuur waarop zowel de BVE-instellingen als het werkveld invloed hebben. Instellingen mogen alleen opleidingen aanbieden die gericht zijn op deze landelijke kwalificaties. Bovendien geldt voor elke opleiding dat beroepspraktijkvorming vereist is. Het al dan niet beschikbaar zijn praktijkplaatsen is een belangrijke indicator voor de vraag op de arbeidsmarkt. Tot slot hebben de instellingen een wettelijke zorgplicht voor de arbeidsmarktrelevantie van opleidingen. Dat wil zeggen dat instellingen bij de start, de continuering of de afbouw van een opleiding zich de vraag moeten stellen of een gediplomeerde leerling op de arbeidsmarkt goed terecht kan. In het hoger onderwijs zijn er geen vastgestelde eindtermen en geen verplichte beroepspraktijkvorming en daardoor kan het voor een instelling aantrekkelijk zijn – uit oogpunt van portfolio – eerder een nieuwe opleiding te initiëren dan te streven naar innovatie binnen het bestaande onderwijsaanbod.

De leden van de SP-fractie willen weten in hoeverre de experimenten die mogelijk zijn wat betreft bestuursstructuren, ten koste kunnen gaan van inspraak van personeel of studenten.

In artikel 1.7a wordt de mogelijkheid geopend om te experimenteren. Dit is met veel waarborgen omkleed. Zo is het niet ter keuze van de instelling om een experiment te starten; een experiment kan alleen gestart worden als daarvoor een grondslag bij algemene maatregel van bestuur (amvb) is gecreëerd. In die amvb moet vermeld worden wat het doel van het experiment is en zal gemotiveerd moeten worden waarom afwijkingen van bepaalde wettelijke bepalingen experimenteel mogelijk zouden moeten zijn. Het betreft een zogenoemde «voorhang-amvb». Dit betekent dat er betrokkenheid is van de Staten-Generaal bij het voorgestelde experiment.

Er zijn nu geen experimenten voorzien op het gebied van de bestuursstructuur en medezeggenschap. Als die er zouden komen, zie ik gelet op de waarborgen vooralsnog geen reden om te veronderstellen dat de experimenten ten koste gaan van inspraak van personeel en studenten.

Wat voor experimenten zitten eraan te komen? Kan de regering voorbeelden noemen, vragen deze leden.

Het artikel waarin de mogelijkheid wordt geopend tot experimenteren biedt de ruimte tot innoveren, flexibel inspelen op veranderingen en het «uitttesten» van nieuw beleid voordat dat integraal wordt ingevoerd. Die mogelijkheid is omgeven met waarborgen voor rechtszekerheid en betrokkenheid van de politiek (regering, Staten-Generaal).

Op dit moment zijn de volgende experimenten voorzien: het huidige experiment Open heeft een looptijd van 6 jaar. Dit experiment is gebaseerd op de Wet overige OCW-subsidies. Dat kan echter voor ten hoogste vier jaar. Het voornemen is dit experiment voor de resterende jaren te baseren op deze experimenteerbepaling. Daarnaast is beoogd te experimenteren met selectie en collegegeldverhoging in het kader van experimenten ter bevordering van excellentie in het hoger onderwijs waaronder experimenten ter uitvoering van het Siriusprogramma met extra financiële middelen op grond de zogenoemde FES-middelen. Tenslotte wordt gedacht aan een experiment met Associate degree waarbij hogescholen en ROC’s zijn betrokken.

De leden van de VVD-fractie vragen de regering cijfermatig de besparing weer te geven die instellingen overhouden aan de doorlopende inschrijving.

Door het vervallen van de jaarlijkse (periodieke) inschrijving en invoering van de doorlopende inschrijving is alleen bij inschrijving en uitschrijving nog sprake van informatielevering van de instelling aan het Centraal register inschrijving hoger onderwijs (tenzij gedurende de inschrijvingsperiode sprake is van een mutatie in de studentgegevens). Dat leidt tot een verlaging van administratieve lasten van structureel € 4 036 298.

13. FINANCIËLE CONSEQUENTIES, UITVOERBAARHEID, ADMINISTRATIEVE LASTEN, GEVOERD OVERLEG

De leden van de VVD-fractie merken op dat de IB-groep heeft aangegeven nog de nodige systemen te moeten aanpassen als gevolg van dit wetsvoorstel. Welke systemen zijn dit, hoe lang gaat dit duren?

De IB-Groep dient ondermeer voor uitvoering van de bepaling inzake doorlopende inschrijving het Centraal register inschrijving hoger onderwijs (CRIHO) te moderniseren. De IB-Groep is gevraagd een voorstel te doen om te komen tot een BRON-HO: op die wijze wordt voorzien in aanpassing van de gegevenslevering en registratie zodanig dat niet alleen het burgerservicenummer (voorheen onderwijsnummer, als geen sofinummer bekend is) voor het hoger onderwijs kan worden ingevoerd, maar ook de doorlopende inschrijving gerealiseerd kan worden. Eerste verkenningen laten zien dat de realisatie van een BRON-HO niet veel eerder dan in het voorjaar 2011 tot de mogelijkheden behoort. Of dit ook gehaald wordt, is mede afhankelijk van de medewerking van universiteiten en hogescholen. De instellingen worden nauw betrokken bij de totstandkoming van een BRON-HO. Naast omzetting van het CRIHO in een BRON-HO zal overigens ook het CROHO aangepast moeten worden onder andere vanwege de invoering van joint degrees. Dit geschiedt in een reeds lopend aanpassingstraject.

Welke invloed heeft de toekomstige fusie van de IB-groep en het CFI op de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel en eventuele vertraging van de aanpassing van systemen, willen deze leden weten.

De uitvoeringsorganisaties IB-Groep en CFI hebben aangegeven het wetsvoorstel onder voorwaarden uitvoerbaar te achten. Het wetsvoorstel heeft voor de IB-Groep en CFI en na de fusie voor de Dienst uitvoering onderwijs met name gevolgen voor de uitoefening van verantwoordelijkheden die zijn gerelateerd aan het CRIHO en het CROHO. De inwerkingtreding van bepalingen waarbij de uitvoeringsorganisatie betrokken is, zal daarom eerst geschieden wanneer de betreffende bepaling redelijkerwijs uitvoerbaar geacht mag worden door de uitvoeringsorganisatie en de instellingen. In de toelichting bij het wetsvoorstel is met name het voornemen inzake de doorlopende inschrijving genoemd. Ik heb geen indicaties dat de fusie tot Dienst uitvoering onderwijs gevolgen heeft voor de uitvoerbaarheid of latere invoering van bepalingen en aanpassing van systemen dan zonder deze fusie het geval zou zijn. Dit laat onverlet dat bij de totstandkoming van de fusie oog moet zijn voor bijbehorende beheersmaatregelen gegeven het feit dat er de nodige inzet wordt gevraagd om de wijzigingen in systemen en de uitvoerbaarheid van bepalingen te realiseren.

De regering geeft aan de joint degrees mede in verband met rekenschaprisico’s te willen monitoren. Hoe gaat deze monitor eruit zien, wie gaat hem uitvoeren, hoe lang gaat het duren en wat gaat het kosten, zo vragen deze leden.

In het CRIHO zal de IB-Groep in het verlengde van het CROHO zichtbaar maken of een student een joint degree volgt. In een later stadium zal worden vastgesteld hoe hierover gerapporteerd gaat worden en welke rol de Dienst uitvoering onderwijs (als opvolger van de IB-Groep) daarbij heeft. Over de precieze kosten van deze monitor is nog geen uitspraak te doen maar naar verwachting zijn die niet bijzonder hoog.

14. OVERIG

14.1 Onderzoeksgelden voor academische ziekenhuizen

De leden van de CDA-fractie merken op dat in de huidige wet is bepaald dat de gelden die universiteiten ontvangen voor het onderwijs en onderzoek voor academische ziekenhuizen onverwijld worden doorgesluisd naar de academische ziekenhuizen. In een periode van de invoering van de diagnosebehandelingcombinatie (DBC) dreigt een deel van deze gelden niet gebruikt te gaan worden voor het verrichten van onderzoek of het aanbieden van onderwijs, maar te worden aangewend voor de patiëntenzorg. Dat is volgens de leden niet de doelstelling van deze wettelijke verplichting. Ziet de regering kans om in de wetgeving garanties te bieden dat deze gelden alleen voor medisch onderzoek en onderwijs worden aangewend, zo vragen zij.

In de afgelopen jaren hebben zich belangrijke ontwikkelingen voorgedaan in de zorg en in de samenwerking tussen universiteit en academisch ziekenhuis in de vorm van universitaire medische centra. Op dit moment buigt de Commissie onderzoek rijksbijdrage werkplaatsfunctie zich over de kosten die betrekking hebben op de werkplaatsfunctie voor de studenten geneeskunde (onderwijs) en het onderzoek (Stcrt. 2009, nr. 46, d.d. 9 maart 2009). De uitkomst van het onderzoek rijksbijdrage werkplaatsfunctie staat gepland voor eind 2009.

14.2 Invoering

De leden van de SP-fractie merken op dat er onderdelen van de wet al in 2010 moeten worden ingevoerd. De VSNU heeft in eerdergenoemde brief aangegeven dat zij hier problemen mee heeft. Hoe realistisch is het om toch deze snelle verplichte invoering te eisen, willen de leden weten.

Zoals ik in antwoord op vragen van de leden van de VVD-fractie al heb aangegeven, zal er niet één vaste invoeringsdatum van het wetsvoorstel zijn. Ik verwijs naar de antwoorden in hoofdstuk 2 van deze nota.

14.3 Brief van de minister van OCW over de manier waarop studenten eventuele klachten over het verloop van visitaties kenbaar kunnen maken d.d. 8 juli 2008 (Kamerstuk 31 288, nr. 37)

De leden van de VVD-fractie hebben de brief van de minister over de manier waarop studenten eventuele klachten over het verloop van visitaties kenbaar kunnen maken met belangstelling gelezen. De leden delen de mening dat studenten in een visitatiepanel nooit door een opleiding gemanipuleerd mogen worden om een visitatiegesprek naar een bepaalde wenselijke uitkomst te sturen. De leden hebben aanleiding gezien tot het stellen van enkele vragen. Zo willen zij weten in hoeverre het opleidingen momenteel vrij staat studenten voor een visitatiegesprek te selecteren.

Zijn daarbij criteria waar zij rekening mee moeten houden?

De keuze van studenten die deelnemen aan het visitatiegesprek wordt niet bepaald door de opleiding, maar door de visitatiecommissie. Het is de wettelijke opdracht van een visitatiecommissie om zich in volstrekte onafhankelijkheid een oordeel te vormen over de kwaliteit van de opleiding. In de procedure van de accreditatie van bestaande opleidingen heeft de wetgever een belangrijke plaats ingeruimd voor de Visiterende en Beoordelende Instanties (VBI’s). Deze organisaties visiteren en beoordelen de opleidingen die geaccrediteerd moeten worden. De basis voor het uitvoeren van visitaties is het accreditatiekader bestaande opleidingen hoger onderwijs van de NVAO. De VBI stelt een visitatiecommissie samen. De NVAO moet op basis van het visitatierapport een eigenstandig oordeel kunnen vellen over de vraag of een opleiding aan de criteria voor basiskwaliteit voldoet. Vanwege de vitale functie van het visitatierapport voor de uiteindelijke accreditatie is het van groot belang dat de VBI’s en de door hen ingestelde commissies aan zware eisen voldoen. De WHW schrijft voor dat de NVAO jaarlijks een lijst opstelt van organisaties die naar het oordeel van de NVAO voldoen aan criteria om visitaties te kunnen uitvoeren. De NVAO heeft in het protocol voor de VBI richtlijnen gegeven voor de zorgvuldige werkwijze van VBI en visitatiepanels. In het accreditatieproces wordt de samenstelling en feitelijke werkwijze van de visitatiecommissie door de NVAO getoetst op onafhankelijkheid en deskundigheid. Daarbij komt ook de representativiteit van de gespreksdeelnemers aan de orde. Uit haar wettelijke opdracht vloeit voort dat de visitatiecommissie zelf de selectie van studenten bepaalt en de wijze waarop zij studenten wil horen. Sommige VBI’s werken ook met een inloopuur, waarbij betrokkenen bij de opleiding die niet aan de gesprekken hebben deelgenomen hun visie op de opleiding naar voren kunnen brengen. Als de opleiding de beoordeling op oneigenlijke manier zou willen beïnvloeden door bepaalde studenten voor te dragen, is het aan de visitatiecommissie om dat te signaleren en te corrigeren. Bovendien houdt een goed kwaliteitszorgsysteem in dat de opleiding regelmatig evaluatieonderzoek laat uitvoeren waarbij het oordeel van een brede groep studenten over de kwaliteit van het onderwijs wordt onderzocht. De visitatiecommissie kan beschikken over deze evaluatierapporten.

Bestaat er bijvoorbeeld het criterium van diversiteit zodat de studenten een afspiegeling zijn van de populatie binnen een bepaalde opleiding? Indien dit niet het geval is, dan vernemen deze leden graag waarom niet.

De NVAO geeft richtlijnen voor een zorgvuldige werkwijze van VBI en visitatiecommissies (protocol VBI) en toetst deze achteraf op onafhankelijkheid en deskundigheid. Er zijn geen specifieke voorschriften met betrekking tot de diversiteit van de te horen studenten. Uit de opdracht van de commissie vloeit voort dat zij – binnen het mogelijke – zorgt voor diversiteit van respondenten en eenzijdigheid vermijdt. Omdat bij een visitatie slechts een beperkt aantal studenten kan worden gehoord, zou het echter te ver voeren om de formele eis te stellen dat de geselecteerde studenten een afspiegeling vormen van de populatie binnen de opleiding.

Voorts vragen deze leden of het momenteel mogelijk is dat een opleiding (alleen maar) studentassistenten selecteert voor het visitatiegesprek. Is het denkbaar dat deze studenten een belang voelen om wenselijk te antwoorden omdat zij hun baan te danken hebben aan de vakgroep die een opleiding verzorgt, zo vragen de leden.

Uit de vorige antwoorden blijkt dat als een visitatiecommissie de selectie van te horen studenten zou beperken tot een zeer specifieke categorie, dat niet in overeenstemming is met de eis van zorgvuldige werkwijze van een visitatiecommissie. Als een visitatiecommissie dit constateert, zal zij andere gesprekspartners vragen.

Ook willen de leden van de VVD-fractie weten wie bij een visitatiegesprek met studenten aanwezig zijn. Mogen opleidingscoördinatoren zelf bepalen of zij hierbij aanwezig zijn? Deze leden vragen of het belang wordt onderkend van een gesprek achter gesloten deuren zodat studenten ook echt het gevoel hebben zonder last of ruggespraak te kunnen antwoorden.

De visitatiecommissie bepaalt haar eigen werkwijze; zij bepaalt wie zij wil horen en hoe het horen plaatsvindt. Opleidingscoördinatoren of andere leden van de staf kunnen dus niet bepalen of zij aanwezig zijn bij het horen van studenten.

In hoeverre is het kabinet in staat en bereid nadere eisen te stellen aan de samenstelling van en de gang van zaken rond visitatiegesprekken met studenten, zodat de onafhankelijkheid daadwerkelijk gewaarborgd is, zo vragen de aan het woord zijnde leden.

Naar het oordeel van het kabinet is een zorgvuldige gang van zaken bij de visitaties voldoende gewaarborgd door de huidige regeling. Er zijn geen concrete signalen dat de regeling tekortschiet wat betreft het verzekeren van een onafhankelijk beoordelingsproces en het op zorgvuldige wijze horen van betrokkenen. Zoals gezegd is het de verantwoordelijkheid van de visitatiecommissie om het visitatieproces en het horen van betrokkenen op zorgvuldige wijze in te richten. De NVAO heeft tot taak om er op toe te zien dat de visitatie zorgvuldig is uitgevoerd.

15. ARTIKELSGEWIJS

Artikel I. Wijziging Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Onderdeel AN (artikel 6.2)

De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat ten behoeve van de macrodoelmatigheidstoets tot nu toe het voorschrift ontbrak dat de betrokken instelling over haar voornemen om een nieuwe opleiding te gaan verzorgen, overleg pleegt met andere instellingen. De leden van deze fractie vragen de regering nader toe te lichten wat er moet worden verstaan onder het overleg met andere instellingen. Houdt de voorgestelde wijziging in dat bij het starten van een nieuwe opleiding ook overleg gevoerd moet worden met vergelijkbare niet-bekostigde opleidingen? In hoeverre betekent dit dat de continuïteit en kwaliteit van publieke voorzieningen afhankelijk gemaakt wordt van toevallige omstandigheden op de vrije markt, zoals de VSNU stelt, zo vragen zij.

Er is inderdaad ook afstemmingsoverleg nodig met aanbieders van vergelijkbare niet-bekostigde opleidingen. In antwoord op vragen van de VVD-fractie over het niet-bekostigd onderwijs heb ik al toegelicht waarom dit het geval is. In de nieuwe beleidsregel macrodoelmatigheid zal expliciet worden vastgelegd dat het moet gaan om privaatgefinancierd onderwijs dat wordt aangeboden onder vergelijkbare condities. Hiermee worden de continuïteit en de kwaliteit van het publiek bekostigd onderwijs niet aangetast noch de toegankelijkheid voor de studenten. Overigens zullen deze effecten zich voor de universiteiten nauwelijks voordoen.

De leden van de SP-fractie wijzen ook op de bepaling dat een instelling die een nieuwe opleiding wil starten, overleg moet voeren met vergelijkbarebekostigde en niet-bekostigde opleidingen. Zij vinden overleg met bekostigde opleidingen voldoende. Waarom wil de regering dat er ook overleg wordt gevoerd met private instellingen? Moet de overheid niet zorgen voor een goed studieaanbod, los van private initiatieven? Private instellingen zijn vaak duurder en daardoor minder toegankelijk dan bekostigde instellingen. Deelt de regering deze zienswijze, vragen zij.

Ik verwijs naar mijn antwoord op de vorige vraag maar voeg daar nog aan toe dat dat de te stellen eis dat het moet gaan om vergelijkbare opleidingen die bovendien onder gelijke condities door studenten zijn te volgen, bedoeld is om de toegankelijkheid te waarborgen. Een kostbare opleiding kan dan niet als alternatieve voorziening worden beschouwd. Overigens blijken opleidingen van private instellingen lang niet altijd duurder te zijn.

Deze leden zeggen te vrezen voor een onnodige tweedeling in het onderwijs. Loopt de regering hiermee niet vooruit op de huidige discussie en experimenten rondom het open bestel, zo vragen zij.

De beleidslijn om het privaat gefinancierde onderwijs te betrekken bij de beoordeling van nieuwe bekostigde voorzieningen geldt al vanaf het Hoger Onderwijs en Onderzoeksplan 1998 en staat los van de experimenten met het open bestel.

Onderdeel CI

De leden van de SGP-fractie vragen waarom het voorleggen van de regeling waarbij een college van beroep bijzonder onderwijs wordt ingesteld door het bestuur van een of meer bijzondere instellingen aan de minister noodzakelijk is in het licht van de huidige praktijk.

In deze bepaling is aansluiting gezocht bij hetgeen is bepaald over de structuurregeling van bijzondere universiteiten. De bijzondere universiteiten nemen de regels van de openbare universiteiten in acht tenzij hun eigen aard zich daartegen verzet. Hetzelfde uitgangspunt wordt nu gehanteerd bij de regeling van de externe rechtsbescherming van bijzondere instellingen. Daarmee beoog ik enerzijds deze instellingen voldoende ruimte te bieden voor «maatwerk» en tegelijkertijd de studenten een zo groot mogelijk mate van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid te garanderen. In de praktijk zijn de bijzondere universiteiten aangesloten bij het college van beroep voor het hoger onderwijs maar hun eigenstandige positie vraagt blijvend om een wettelijke verankering van de mogelijkheid een andere keuze te maken.

Artikel III (WSF 2000)

De leden van de SGP-fractie vragen waarop de zesenhalf jaar waarop aanspraak gemaakt kan worden op de prestatiebeurs in het geval van levensbeschouwelijke opleidingen voorheen gebaseerd was. Zij vragen welke berekening daaraan ten grondslag ligt en welke argumenten een beperking van deze termijn rechtvaardigen.

In het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw is in de toen geldende Wet op de Studiefinanciering geregeld dat studenten aan een theologische ambtsopleiding aanspraak hadden op 6,5 jaar studiefinanciering. Deze termijn hing samen met het feit dat de student zo voldoende tijd had om eventuele deficiënties op het gebied van Grieks en Latijn weg te werken. Inmiddels dienen studenten eventuele deficiënties vóór inschrijving te hebben weggewerkt. Dit betekent dat er geen aanleiding is om de duur van de studiefinanciering langer te laten zijn dan de nominale studieduur. Een van de uitgangspunten is dat deze opleidingen zo veel mogelijk gelijkgesteld worden met andere opleidingen. Ook op het gebied van studiefinanciering vindt aldus harmonisatie plaats met de reguliere bepalingen. Studenten kunnen wel een financiële ondersteuning van de instellingen krijgen op grond van het profileringsfonds. Met de universiteiten die een samenwerkingsverband zijn aangegaan met een seminarium is afgesproken dat zij extra middelen krijgen in verband met het beroep dat studenten in dit verband op het profileringsfonds kunnen doen.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

R. H. A. Plasterk

Naar boven