Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201031813 nr. 18

31 813 (R 1873)
Wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot meervoudige nationaliteit en andere nationaliteitsrechtelijke kwesties

nr. 18
AMENDEMENT VAN HET LID VAN VELZEN

Ontvangen 19 januari 2010

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

Artikel I, onderdeel G, tweede onderdeel, vervalt.

II

Artikel I, onderdeel H, wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede «wordt een onderdeel toegevoegd» wordt vervangen door: worden twee onderdelen toegevoegd.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

g. indien hij bij rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot het verlies van het Nederlanderschap.

III

Na artikel I wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL IA

Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 9, eerste lid, onder b, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van het derde onderdeel door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

4°. verlies van het Nederlanderschap.

B

Na artikel 36 wordt in Titel II een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 36 0a

1. Verlies van Nederlanderschap kan worden uitgesproken bij veroordeling wegens:

a. een misdrijf omschreven in de Titels I tot en met IV van het Tweede Boek, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld;

b. een misdrijf als bedoeld in artikel 83 of 205; of

c. een misdrijf omschreven in de artikelen 6, 7 en 8 van het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationale Strafhof (Trb. 2000, 120).

2. Het verlies van het Nederlanderschap wordt niet opgelegd indien staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn.

3. Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid, gaat in op de dag dat de veroordeling daartoe onherroepelijk is geworden.

Toelichting

Dit amendement regelt ten eerste dat de strafrechter als bijkomende straf verlies van het Nederlanderschap kan uitspreken en dat dit slechts kan bij de in het eerste lid van artikel 36 0a genoemde misdrijven. Ten tweede komt de bevoegdheid voor de minister om het Nederlanderschap in te trekken naar aanleiding van een veroordeling wegens een misdrijf hiermee te vervallen.

Van Velzen