nr. 5
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 14 november
2008 en het nader rapport d.d. 8 december 2008, aangeboden aan de Koningin
door de minister van Justitie. Het advies van de Raad van State is cursief
afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 11 oktober 2008, no. 08.002939, heeft Uwe
Majesteit, op voordracht van de minister van Justitie, bij de Raad van State
ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot uitvoering van het
op 25 oktober 2007 te Lanzarote tot stand gekomen Verdrag van de Raad
van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en
seksueel misbruik (Trb. 2008, 58; hierna: het Verdrag), met memorie van toelichting.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 11 oktober
2008, nr. 08.002939, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies
inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen.
Dit advies, gedateerd 14 november 2008, nr. W03.08 0428/II,
bied ik U hierbij aan.
Het is verheugend dat de Raad van State de strekking van het voorstel
onderschrijft. Het voorstel heeft de Raad van State aanleiding gegeven tot
het maken van één opmerking. Graag ga ik daar in het navolgende
op in.
Het verdrag beoogt een hecht fundament en een krachtige bijdrage te leveren
aan de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik.
Een belangrijk onderdeel van het verdrag betreft de strafrechtelijke bescherming
van kinderen tegen nieuwe verschijningsvormen van misbruik die zich in de
digitale wereld voordoen.
De uitvoering van het verdrag leidt onder andere tot de strafbaarstelling
van het corrumperen van kinderen (voorgesteld artikel 248d van het Wetboek
van Strafrecht).
De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar
maakt een opmerking met betrekking tot de term «ontuchtig oogmerk».
Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het voorstel
wenselijk is.
Artikel 22 van het verdrag verplicht tot het strafbaar stellen van het
corrumperen van minderjarigen. In de officiële Engelse verdragstekst
luidt artikel 22 als volgt: «Each Party shall take the necessary legislative
or other measures to criminalise the intentional causing, for sexual purposes,
of a child who has not reached the age set in application of Article
18, paragraph 2, to witness sexual abuse or sexual activities, even without
having to participate.» In de Nederlandse vertaling van deze bepaling
is het onderdeel «for sexual purposes» vertaald met: «voor
seksuele doeleinden». Het voorgestelde artikel 248d van het Wetboek
van Strafrecht luidt: «Hij die een persoon waarvan hij weet of redelijkerwijs
moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt,
met ontuchtig oogmerk ertoe beweegt getuige te zijn van seksuele handelingen,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vierde categorie.»
In de toelichting op dit artikel wordt vermeld dat de term «for
sexual purposes» is omgezet in het bestanddeel «met ontuchtig
oogmerk». Uit de toelichting wordt niet zonder meer duidelijk waarom
voor dit bestanddeel, dat in die vorm thans niet in de wet voorkomt, is gekozen.
De term «oogmerk», die in het strafrecht duidt op een zware vorm
van opzet, kan verwarring wekken. Uit de toelichting blijkt dat in de term «ertoe
beweegt» de opzet reeds besloten wordt geacht (overigens spreekt de
toelichting ten onrechte van het bestanddeel «opzettelijk ertoe beweegt»).
Met de vertaling van «for sexual purposes» door «met ontuchtig
oogmerk» wordt in feite tweemaal het bestanddeel «opzet»
in de delictsomschrijving opgenomen, dat dan ook tweemaal bewezen moet worden.
Op deze wijze geschiedt de implementatie van het verdrag op een wijze die
een geringere bescherming van de minderjarige met zich brengt. Niet zonder
meer valt in te zien waarom in de formulering van het voorgestelde artikel
248d niet is aangesloten bij de Nederlandse vertaling van het verdrag, waarin
de term «voor seksuele doeleinden» is gehanteerd.
De Raad adviseert de toelichting aan te vullen en het wetsvoorstel zo
nodig aan te passen.
De Raad merkt op dat uit de memorie van toelichting niet duidelijk blijkt
waarom in het voorgestelde artikel 248d Sr, dat uitvoering geeft aan artikel
22 van het Verdrag, voor het bestanddeel «ontuchtig oogmerk» is
gekozen. De Raad geeft aan dat niet zonder meer valt in te zien waarom niet
is aangesloten bij het in de Nederlandse vertaling van artikel 22 van het
Verdrag gebezigde begrip «voor seksuele doeleinden». De Raad is
van mening dat de voorgestelde formulering ertoe leidt dat in de delictsomschrijving
tweemaal het bestanddeel «opzet» is opgenomen, hetgeen zou leiden
tot een geringere bescherming.
Het voorgestelde artikel 248d Sr geeft uitvoering aan de in artikel 22
van het Verdrag opgenomen verplichting tot strafbaarstelling van het corrumperen
van kinderen. Onder het corrumperen van kinderen wordt verstaan het opzettelijk
een kind laten aanschouwen van seksuele handelingen voor seksuele doeleinden.
Het begrip «for sexual purposes», in de Nederlandse vertaling «voor
seksuele doeleinden», wordt in de delictsomschrijving van artikel 248d
Sr geduid met het bestanddeel «ontuchtig oogmerk». Daarmee is
aangesloten bij de systematiek van het Wetboek van Strafrecht. In die systematiek
vormt het bestanddeel «oogmerk» de gebruikelijke implementatie
van in internationale rechtsinstrumenten gehanteerde begrippen als «for
the purpose of» of «with the aim of», waarmee een voor strafbaarheid
vereiste aanwezigheid van een bepaald doel bij de gedraging tot uitdrukking
wordt gebracht. Zo spreekt bijvoorbeeld artikel 23 van het Verdrag (strafbaarstelling ’grooming’)
van het doen van een «intentional proposal (_) for the purpose of (_)».
Ook hier dient de gedraging (het doen van een voorstel) met een bepaald doel
(het plegen van ontucht) te zijn verricht, hetgeen in het voorgestelde artikel
248e Sr eveneens is geïmplementeerd met het bestanddeel «oogmerk».
Anders dan de Raad veronderstelt, leidt zulks echter niet tot een dubbel opzetvereiste.
Gedragingen die worden verricht met een bepaald oogmerk zijn immers per definitie
opzettelijk. Dat geldt ook voor het gedragsbestanddeel «ertoe bewegen»
in het voorgestelde artikel 248d Sr.
Op grond van het bovenstaande ben ik van mening dat het voorgestelde artikel
248d Sr niet leidt tot een geringere bescherming dan de bescherming die artikel
22 van het Verdrag beoogt te bieden.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in het voorstel van wet nog een
enkele redactionele verbetering aan te brengen.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening
zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State,
H. D. Tjeenk Willink
Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van wet en de memorie
van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin