31 797 (R1871)
Facultatief Protocol bij het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing; New York, 18 december 2002

B
nr. 2
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 29 augustus 2008 en het nader rapport d.d. 19 november 2008, aangeboden aan de Koningin door de minister van Buitenlandse Zaken. Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 30 juli 2008, no. 08002236, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de minister van Justitie, bij de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het Facultatief Protocol bij het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing; New York, 18 december 2002 (Trb. 2005, 243 en Trb. 2006, 64), met toelichtende nota.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 30 juli 2008, no. 08002236, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State van het Koninkrijk zijn advies inzake het bovenvermelde verdrag rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 29 augustus 2008, nr. W02.080351/II/K, bied ik U hierbij aan.

Het protocol beoogt een systeem in het leven te roepen van periodieke bezoeken door onafhankelijke internationale en nationale organen aan plaatsen waar personen gedetineerd worden teneinde foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing te voorkomen. Er wordt op internationaal niveau een Subcomité ter preventie van foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing ingesteld. Daarnaast legt het protocol aan staten die partij zijn de verplichting op om één of meer onafhankelijke nationale preventiemechanismen aan te wijzen ter voorkoming van foltering op nationaal niveau.

De Raad van State van het Koninkrijk onderschrijft de goedkeuring van het protocol, maar plaatst daarbij de volgende kanttekening.

Wat betreft de aanwijzing van een nationaal preventiemechanisme door de Nederlandse Antillen stelt de toelichting dat er twee bestaande instanties zijn die voorgedragen kunnen worden: de Ombudsman of de Commissie van Toezicht op het Gevangeniswezen. Er wordt thans overleg gevoerd om een definitieve voordracht te doen.1

De Raad merkt op dat het onduidelijk is welke commissie bedoeld wordt met «de Commissie van Toezicht op het Gevangeniswezen». Ingevolge de Landsverordening Beginselen gevangeniswezen is er bij ieder gesticht een Commissie van Toezicht die onder meer tot taak heeft toezicht te houden op de wijze van tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming in het gesticht en daarover aan de Minister van Justitie advies uit te brengen.1 Echter, er is niets geregeld over een overkoepelende «Commissie van Toezicht op het Gevangeniswezen». Gelet op het zware gewicht van het onderwerp van het protocol – het voorkomen van foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing – is de Raad van oordeel dat een spoedige en effectieve nakoming van de verplichtingen wat betreft het nationale toezicht van groot belang is. De Raad beveelt aan de toelichtende nota op dit punt te verduidelijken en aan te geven op welke termijn het nationale preventiemechanisme op de Nederlandse Antillen wordt aangewezen, en in hoeverre deze instantie voldoet aan het vereiste van onafhankelijkheid zoals neergelegd in artikel 18, eerste lid, van het protocol. De Raad adviseert daarbij tevens de situatie te betrekken na de staatkundige veranderingen binnen het Koninkrijk.

Naar aanleiding van de kanttekening van de Raad van State van het Koninkrijk is hoofdstuk IV, de paragraaf «Nationaal toezicht in de Nederlandse Antillen», van de toelichtende nota aangevuld.

De Raad van State van het Koninkrijk geeft U in overweging goed te vinden dat bedoeld protocol wordt overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal, aan de Staten van de Nederlandse Antillen en aan die van Aruba, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.

De Vice-President van de Raad van State van het Koninkrijk,

H. D. Tjeenk Willink

Ik moge U, mede namens de Minister van Justitie, verzoeken mij te machtigen gevolg te geven aan mijn voornemen het verdrag vergezeld van de gewijzigde toelichtende nota ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen aan de Eerste en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, en tevens over te leggen aan de Staten van de Nederlandse Antillen en de Staten van Aruba.

De minister van Buitenlandse Zaken,

M. J. M. Verhagen


XNoot
1

Toelichtende nota, paragraaf IV onder «Nationaal toezicht in de Nederlandse Antillen» en paragraaf V «Koninkrijkspositie», derde tekstblok.

XNoot
1

Artikel 16.

Naar boven