nr. 2
VOORSTEL VAN WET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de activerende
werking van de Werkloosheidswet voor langdurig werklozen te versterken en
derhalve, naast het aanscherpen van de criteria voor de als passend in aanmerking
te nemen arbeid, werkhervatting door langdurig werklozen te bevorderen door
het invoeren van inkomstenverrekening en het intensiveren van de arbeidsbemiddelende
taak van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
ARTIKEL I WIJZIGING WERKLOOSHEIDSWET
De Werkloosheidswet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vervanging van de punt aan het einde van onderdeel e door
een puntkomma wordt aan het eerste lid een onderdeel toegevoegd, luidende:
f. zodra de werknemer op wie het zesde lid, onderdeel b, van toepassing
is, inkomsten geniet, die per week meer bedragen dan 87,5% van vijf
maal 100/70 van de uitkering.
2. Het zesde lid komt te luiden:
6. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing:
a. gedurende de eerste dertien weken van ongeschiktheid van de werknemer
tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte indien hij hierdoor minder
of niet beschikbaar is voor arbeid dan het aantal arbeidsuren dat hij heeft
verloren; en
b. op de werknemer, die ten minste 52 weken onafgebroken recht op
uitkering heeft gehad, mits de werknemer werkzaamheden als werknemer gaat
verrichten op een moment waarop sprake is van volledig verlies van zijn arbeidsuren
terwijl geen recht bestaat op onverminderde doorbetaling van zijn loon over
die uren.
3. In het zevende lid wordt «voor de toepassing van het zesde
lid» vervangen door: voor de toepassing van het zesde lid, onderdeel
a.
4. Onder vernummering van het achtste lid tot twaalfde lid worden
vier leden ingevoegd, luidende:
8. Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het
zesde lid, onderdeel b, worden perioden meegeteld waarin ten hoogste gedurende
vier weken geen recht op uitkering bestaat.
9. Het zesde lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing
op de werknemer die, uit hoofde van de in dat onderdeel bedoelde werkzaamheden,
in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling
recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek, dan wel op bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt als bedoeld
in artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet.
10. Indien tijdens een recht op uitkering na toepassing van het zesde
lid, onderdeel b, een nieuw recht op uitkering ontstaat, geldt voor toepassing
van het zesde lid, onderdeel b, ten aanzien van dat nieuwe recht niet langer
de voorwaarde dat de werknemer ten minste 52 weken onafgebroken recht op uitkering
heeft gehad.
11. Onder de uitkering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, wordt
verstaan de gezamenlijke uitkeringen indien sprake is van meerdere rechten
op uitkering of indien sprake is van samenloop van het recht op uitkering
met een recht op uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Ziektewet.
B
Onder plaatsing van de aanduiding «1.» voor de tekst van artikel
26a wordt aan dat artikel een lid toegevoegd, luidende:
2. De artikelen 19, eerste lid, onderdeel j, 26, eerste lid, onderdelen
d tot en met g en i tot en met m, zijn niet van toepassing, en artikel 24,
eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2° en 4°, is van toepassing
alsof het recht op uitkering is geëindigd, op de werknemer:
a. op wie artikel 35aa, eerste lid, onderdeel b, van toepassing is;
en
b. van wie de werkzaamheden als werknemer een zodanige omvang hebben
dat een verlies van minder dan vijf of minder dan de helft van zijn arbeidsuren
per kalenderweek zou resteren indien artikel 20, eerste lid, onderdeel b,
van toepassing zou zijn geweest.
C
Artikel 27, tweede lid, komt te luiden:
2. Indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel
24, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, opgelegd, niet is nagekomen, weigert
het UWV de uitkering blijvend over het aantal uren waarover het recht op uitkering
zou zijn geëindigd of niet zou zijn ontstaan:
a. indien de werknemer de betreffende arbeid zou hebben aanvaard
of verkregen; of
b. indien, in plaats van artikel 35aa, eerste lid, onderdeel b, artikel
20, eerste lid, onderdeel b, van toepassing zou zijn geweest en de werknemer
de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen.
D
Artikel 35aa wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. De uitkering wordt verminderd met 70% van de inkomsten
uit arbeid indien:
a. de werknemer toestemming heeft verkregen van het UWV om werkzaamheden
als bedoeld in artikel 77a, eerste lid, te verrichten en het recht op uitkering
op grond van het tweede lid van dat artikel blijft bestaan; of
b. artikel 20, zesde lid, onderdeel b, of negende lid, van toepassing
is.
ARTIKEL II WIJZIGING WET STRUCTUUR UITVOERINGSORGANISATIE
WERK EN INKOMEN
Indien het bij koninklijke boodschap van 24 juni 2008 ingediende
voorstel van wet houdende wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen en enkele andere wetten in verband met de evaluatie van deze
wet, de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en deregulering (Kamerstukken
II 2007/08, 31 514, nr. 2) tot wet is verheven en in werking is
getreden, wordt aan artikel 30a, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen, een zin toegevoegd, luidende:
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering maakt in dit kader afspraken
met werkgevers op basis waarvan concrete, passende arbeid kan worden aangeboden
aan personen, die ten minste 52 weken onafgebroken recht op een uitkering
op grond van de Werkloosheidswet hebben gehad. Voor het bepalen van het tijdvak
van 52 weken is artikel 20, achtste lid, van de Werkloosheidswet van overeenkomstige
toepassing.
ARTIKEL III INWERKINGTREDING
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,