A
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 november 2008
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen
op 5 november 2008.
De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal
wordt onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door
ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de
Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 5 december 2008.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste
lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State
gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen
het op 26 juni 2008 te Tallinn totstandgekomen Protocol tot wijziging
van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Estland
tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van
belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen,
met Protocollen (Trb. 2008, 145).
Een toelichtende nota bij het Protocol treft u eveneens hierbij aan.
De goedkeuring wordt alleen voor Nederland gevraagd.
De minister van Buitenlandse Zaken,
M. J. M. Verhagen
TOELICHTENDE NOTA
1. Algemeen
Met het onderhavige Protocol wordt een nadere wijziging beoogd van het
op 14 maart 1997 te Tallinn tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk
der Nederlanden en de Republiek Estland tot het vermijden van dubbele belasting
en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen
naar het inkomen en naar het vermogen, met Slotprotocol (Trb. 1997, 98), zoals gewijzigd bij het op 14 juli 2005 te Tallinn
ondertekende Protocol (Trb. 2005, 268), hierna
te noemen «het Verdrag».
Het Verdrag wordt op één punt gewijzigd. Estland zal ter
voorkoming van dubbele belasting betreffende de beloning van in Estland wonende
artiesten en sportbeoefenaars in plaats van de vrijstellingsmethode voortaan
de verrekeningsmethode hanteren.
De wijziging is op initiatief van Nederland voorgesteld. Aanleiding vormt
de in het Belastingplan 2007 opgenomen aanpassing van de zogenoemde artiesten-
en beroepssportersregeling (hierna «ABSR»).1 Als gevolg van deze aanpassing heft Nederland met ingang van 1 januari
2007 niet langer loon- en inkomstenbelasting over de beloning die in het buitenland
wonende beroepssporters, artiesten en buitenlandse gezelschappen ontvangen
voor de activiteiten die zij in Nederland verrichten. De aangepaste ABSR stelt
onder meer als voorwaarde dat de betreffende artiest, sporter of het gezelschap
inwoner dient te zijn van een land waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming
van dubbele belasting heeft, of van de Nederlandse Antillen of Aruba. Voor
een nadere toelichting over de aanleiding voor deze aanpassing van de ABSR
zij verwezen naar de memorie van toelichting bij het Belastingplan 2007.2
In situaties waarin een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting geldt,
is het sporters- en artiestenartikel van toepassing op de beloning die beroepssporters,
artiesten en buitenlandse gezelschappen ontvangen. Dit artikel wijst het heffingsrecht
toe aan het land waar de activiteiten worden verricht (werkstaat).
Nu de ABSR is aangepast, effectueert Nederland als werkstaat dit heffingsrecht
niet langer. Indien de verdragspartner voor deze inkomsten aan zijn inwoners
voorkoming van dubbele belasting geeft door middel van de vrijstellingsmethode,
kan de situatie ontstaan dat over deze inkomsten in het geheel geen belasting
wordt geheven. Tijdens de parlementaire behandeling van het Belastingplan
is aangegeven dat contact zal worden opgenomen met deze «vrijstellingslanden»
om te trachten deze dubbele vrijstelling ongedaan te maken.
Ook Estland is een vrijstellingsland met betrekking tot de beloning genoten
door artiesten, beroepssporters en gezelschappen. Nederland heeft Estland
daarom schriftelijk verzocht ter voorkoming van dubbele belasting voor deze
inkomsten niet langer de vrijstellingsmethode te hanteren, maar de verrekeningsmethode.
Dit leidt ertoe dat deze inkomsten volledig in het woonland – in casu
Estland – kunnen worden belast. Estland is het eerste land waarmee een
protocol wordt gesloten tot wijziging van de voorkomingsmethode voor sporters
en artiesten.
2. Budgettaire gevolgen
Dit Protocol zal voor Nederland geen budgettaire gevolgen hebben, aangezien
er geen verandering wordt aangebracht in de heffingsrechten van Nederland.
De budgettaire gevolgen van de wijziging van de ABSR zijn besproken in de
memorie van toelichting daarbij.1
3. Koninkrijkspositie
Het onderhavige Protocol zal, evenals het Verdrag, alleen voor Nederland
gelden.
4. Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1
Het vierde lid van artikel 24 van het Verdrag geeft aan op welke wijze
Estland voorkoming van dubbele belasting verleent aan zijn inwoners. Dit lid
is in 2005 reeds bij Protocol gewijzigd. Dit gewijzigde artikellid wordt met
het onderhavige Protocol integraal vervangen door een nieuw lid. Onder iii
van onderdeel b van het nieuwe vierde lid wordt een verwijzing opgenomen naar
artikel 17, eerste en tweede lid. Hiermee wordt de verrekeningsmethode van
toepassing op het artiesten- en sportersartikel. Lid 4, onderdeel b, onder
iii wordt vernummerd tot lid 4, onderdeel b, onder iv.
Artikel 2
Het Protocol treedt in werking dertig dagen nadat de vereiste formaliteiten
voor inwerkingtreding door beide landen zijn afgerond en zal van toepassing
zijn op de belastingjaren en -tijdvakken die beginnen op of na 1 januari
van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin aan deze vereiste
formaliteiten is voldaan. De wijziging heeft geen terugwerkende kracht. Tijdens
de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2007 is reeds opgemerkt
dat de aanpassing van de ABSR in een aantal gevallen tot een dubbele vrijstelling
kan leiden, maar dat deze naar verwachting een zeer tijdelijk karakter zal
hebben. Met het oog op de eenduidigheid van de nieuwe regeling en de daarmee
samenhangende administratieve lasten en uitvoeringsaspecten werd het daarom
aanvaardbaar geacht om de ABSR ook met betrekking tot vrijstellingslanden
reeds meteen af te schaffen. Vanuit dezelfde overweging is ervoor gekozen
de aanpassing van het Verdrag geen terugwerkende kracht te geven tot 1 januari
2007.
De staatssecretaris van Financiën,
J. C. de Jager
De minister van Buitenlandse Zaken,
M. J. M. Verhagen