31 710 Deltaprogramma

D VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 16 januari 2024

De leden van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving1 hadden kennisgenomen van de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 8 november 20232, waarbij de Minister de Kamer de beleidsmatige duiding van het landelijk veiligheidsbeleid primaire waterkeringen, inclusief een eerste globale kosteninschatting van de verwachte versterkingsopgave tot 2050, aanbood. De leden van de fractie van de BBB wensten de regering naar aanleiding hiervan een aantal vragen te stellen. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en Volt wensten naar aanleiding hiervan een aantal gezamenlijke vragen te stellen. De leden van de fractie van de BBB en het lid van de fractie van OPNL sloten zich bij deze vragen aan.

Naar aanleiding hiervan is op 5 december 2023 een brief gestuurd aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

De Minister heeft op 16 januari 2024 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving, Dragstra

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR INFRASTRUCTUUR, WATERSTAAT EN OMGEVING

Aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat

Den Haag, 5 december 2023

De leden van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 8 november 20233, waarbij u de Kamer de beleidsmatige duiding van het landelijk veiligheidsbeleid primaire waterkeringen, inclusief een eerste globale kosteninschatting van de verwachte versterkingsopgave tot 2050, aanbiedt. De leden van de fractie van de BBB wensen de regering naar aanleiding hiervan enkele vragen te stellen. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en Volt wensen naar aanleiding hiervan enkele gezamenlijke vragen te stellen. De leden van de fractie van de BBB en het lid van de fractie van OPNL sluiten zich bij deze vragen aan.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

De leden van de fractie van de BBB merken op dat het Deltaprogramma niet voldoende middelen lijkt te bevatten om in Nederland droge voeten te houden tot 2050. Dit komt deels door strengere eisen, maar ook omdat er gebouwd wordt in gebieden waar de waterveiligheid te wensen overlaat. De leden van de fractie van de BBB wensen de regering in dit kader de volgende vragen te stellen:

  • 1. Is de regering het met deze leden eens dat klimaatadaptatie een onderdeel zou moeten zijn van het Klimaatfonds?

  • 2. Is er op dit moment in het Klimaatfonds geld gereserveerd voor klimaatadaptatie?

  • 3. Is het mogelijk voor de tekorten in het Deltafonds een beroep te doen op het Klimaatfonds? Zo nee, waarom niet?

  • 4. Worden er op dit moment subsidies verstrekt aan bouwprojecten in kwetsbare gebieden?

  • 5. Is het mogelijk voor bouwprojecten die worden gepland in kwetsbare gebieden een bijdrage te vragen aan het Deltafonds teneinde klimaatbestendig bouwen te stimuleren? Zo nee, waarom niet?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de GroenLinks-PvdA en Volt gezamenlijk

De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en Volt begrijpen dat 62% van de dijktrajecten met urgentie moeten worden aangepakt (categorie C en D) en dat 10% ook moet worden aangepakt, maar minder urgent. De regering constateert dat er veel te doen is, maar dat er ook nog tijd is om dit in het jaar 2050 op orde te brengen. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en Volt wijzen op de volgende passage uit de brief van 8 november 2023: «Om tot concrete actie over te kunnen gaan, is het van belang een zorgvuldig proces te doorlopen met alle betrokken en verantwoordelijke partijen.»4 Echter deze leden wijzen erop dat hoe meer tijd er nu wordt genomen en hoe minder er nu wordt geïnvesteerd, hoe groter de opgave op de langere termijn zal zijn – het zogenaamde «sneeuwschuif-effect» – zowel op materieel als op financieel gebied. Op dit moment wordt via het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) 2024–2035 gewerkt aan 936 km van de 2.000 km, zo lezen de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en Volt. Dit betekent dus dat niet wordt gewerkt aan 1.064 km.

De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en Volt wijzen erop dat de totale opgave tot aan het jaar 2050 op dit moment wordt ingeschat op 24 miljard euro. Dit zal mogelijk ook mee- of tegen kunnen vallen; circa 16 of 33 miljard euro. Deze leden zijn van mening dat dit een ruime bandbreedte betreft. Volgens de huidige afspraken wordt er jaarlijks 450 miljoen euro geïnvesteerd. Dat is tussen de jaren 2023 en 2050 een totaalbudget van net iets meer dan 12 miljard euro. In het meest gunstige scenario – 16 miljard euro – is dit al een tekort van 4 miljard euro, volgens het scenario van 24 miljard euro is dit een tekort van 12 miljard euro en in het minst gunstige scenario – van 33 miljard euro – is dit een tekort van 21 miljard euro. Voor deze leden is duidelijk dat het huidige budget ruimschoots onvoldoende is. De regering constateert zelf ook dat de doelstelling van de versterkingsopgave in 2050 onder druk staat.

  • 1. Is de regering bereid om het jaarlijkse budget in het Deltafonds bij te stellen, zodat dit toereikend is om de effecten van zeespiegelstijging en bodemdaling op te vangen en waarbij ook rekening wordt gehouden met stijgende grondprijzen? Is de regering voornemens om daarbij tenminste te anticiperen op het scenario van 24 miljard euro, maar bij voorkeur te anticiperen op het scenario van 33 miljard euro? Zo nee, kan de regering aangeven hoe wordt voorkomen dat de investeringen onevenredig gaan oplopen?

  • 2. Is de regering het met deze leden eens dat het risico van een onderschatting van de versterkingsopgave met onbeheersbare kosten op de lange termijn minder wenselijk is dan een overschatting nu, resulterend in een meevaller in de toekomst? Zo nee, waarom niet?

  • 3. Kan de regering een doorkijk geven in de opgave voor na het jaar 2050, waarbij wordt ingegaan op de conclusies en aanbevelingen van het rapport «Voorbij de dijk. Keuzes in het waterveiligheidsbeleid» van de Algemene Rekenkamer van 12 oktober 20235. Kan de regering een visie voor de waterveiligheid formuleren voor de periode na het jaar 2050?

  • 4. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en Volt constateren dat de verschillen in de versterkingsopgaven tussen de verschillende gebieden groot zijn. Zo zijn de opgaven bijvoorbeeld erg groot in het rivierengebied en gebieden in Noord-Limburg. Kan de regering toelichten hoe de kosten eerlijk worden verdeeld binnen Nederland? En blijven er in de gebieden met een grote versterkingsopgave voldoende middelen beschikbaar voor andere ruimtelijke opgaven?

  • 5. Het valt de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en Volt op dat de aan de orde zijnde brief over het landelijk veiligheidsbeeld primaire waterkeringen alleen het Europese deel van Nederland afdekt. Deze leden stellen het op prijs dezelfde informatie over het Caribisch deel van Nederland te ontvangen. Kan de regering dit de Kamer doen toekomen?

  • 6. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en Volt merken op dat in de huidige systematiek nog twee meetmomenten worden voorzien tot aan het jaar 2050. De eerste ronde had een reikwijdte van zes jaar, de volgende twee rondes hebben een reikwijdte van elf jaar. Kan de regering onderbouwen waarom deze opzet voldoende ruimte biedt om tijdig te kunnen bijsturen en waarom dat te verkiezen is boven meerdere kortere cycli tot aan het jaar 2050?

  • 7. In hoeverre wordt er bij bouw- en infrastructurele opgaven nu al in de kwetsbare gebieden rekening gehouden met veiligheidsrisico’s bij waterkeringen?

  • 8. Is de regering bereid om de kosten voor het klimaatbestendig inrichten van Nederland nader te onderzoeken, rekening houdend met weersextremen, droogte, wateroverlast, overstromingen, bodemdaling, waardedalingen enzovoorts? En kan de regering daarbij ook de maatschappelijk-economische kosten in kaart brengen als we onvoldoende klimaatbestendig bouwen?

De leden van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

De voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving, E. Kemperman

BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 januari 2024

Hierbij ontvangt u de antwoorden op de vragen over het landelijk veiligheidsbeeld primaire waterkeringen, welke gesteld zijn door de leden van de fracties van BBB, PvdA-GroenLinks en Volt (uw kenmerk: 173345.01U).

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, M.G.J. Harbers

Vragen van de leden van de fractie van de BBB

1.

Is de regering het met deze leden eens dat klimaatadaptatie een onderdeel zou moeten zijn van het Klimaatfonds?

Antwoord:

Het is belangrijk dat we klimaatverandering tegengaan, en tegelijkertijd ons aanpassen aan de effecten van klimaatverandering. Voor het tegengaan van Klimaatverandering ligt er een grote opgave. Het Klimaatfonds is in het geheel bedoeld voor klimaatmitigatie. We moeten namelijk nu zoveel mogelijk doen om verdere zeespiegelstijging en de enorme gevolgen en kosten daarvan te voorkomen. Dat is op lange termijn de verstandigste én goedkoopste strategie. De visie van de leden wordt gedeeld dat voldoende voorbereiding op en aanpassing aan klimaatverandering wel van groot belang is. Voor watergerelateerde aspecten van klimaatadaptatie (waterveiligheid, aanpak wateroverlast en aanpak droogte) bestaat daarom het Deltafonds. Voor de aanpak van hitteproblematiek is er vanuit het Ministerie van IenW vooralsnog geen voorziening.

2.

Is er op dit moment in het Klimaatfonds geld gereserveerd voor klimaatadaptatie?

Antwoord:

Nee, dat is niet het geval, omdat het Klimaatfonds volledig gericht is op klimaatmitigatie. Het is wel zo dat specifieke maatregelen voor mitigatie die in aanmerking kunnen komen voor het fonds soms ook een bijdrage leveren aan adaptatie.

3.

Is het mogelijk voor de tekorten in het Deltafonds een beroep te doen op het Klimaatfonds? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Het staat de beide Kamers vrij om bij tekorten in het Deltafonds voor eventuele aanvullingen ook te kijken naar middelen uit het Klimaatfonds. De instellingswet van het Klimaatfonds gaat niet over de hoogte van de middelen in het fonds. Beide Kamers kunnen dus ook ná instelling van het fonds middelen desgewenst heralloceren, indien middelen nog niet zijn besteed of nog niet juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden zijn. Jaarlijks wordt een fondsbegroting voorgelegd ter behandeling aan beide Kamers. Een dergelijke dekkingsvraag kunnen beide Kamers op die centrale momenten meewegen.

4.

Worden er op dit moment subsidies verstrekt aan bouwprojecten in kwetsbare gebieden?

Antwoord:

Via onder andere de woningbouwimpuls worden subsidies verstrekt aan bouwprojecten. Het overgrote deel van de Nederlandse bevolking woont en werkt momenteel in voor klimaatverandering gevoelige gebieden. Het is onmogelijk om alleen maar te bouwen op plekken zonder enkel risico, er worden dus ook subsidies gegeven aan woningbouwprojecten in kwetsbare gebieden. De subsidies binnen de woningbouwimpuls zijn onder andere bedoeld voor groene maatregelen, waarmee ook wateroverlast kan worden tegengegaan.

In de komende periode wordt ingezet op de bouw van veel nieuwe woningen. Een deel hiervan ligt in kwetsbare delen waar zich risico’s met betrekking tot overstromingen, wateroverlast en/of bodemdaling voordoen. Nieuw te ontwikkelen bouwlocaties moeten daar tegen bestand zijn. Als invulling van dit beleid komt er een ruimtelijk afwegingskader dat voor heel Nederland inzicht zal geven in de omvang van de kwetsbaarheid, met duiding waar het te kwetsbaar is om te bouwen en waar dat onder randvoorwaarden wel kan.

5.

Is het mogelijk voor bouwprojecten die worden gepland in kwetsbare gebieden een bijdrage te vragen aan het Deltafonds teneinde klimaatbestendig bouwen te stimuleren? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Het direct aanvragen van een bijdrage vanuit het Deltafonds is op dit moment niet mogelijk. Het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie helpt decentrale overheden om klimaatadaptief te werken, voor zowel nieuwe ontwikkelingen als bestaand bebouwd gebied. Er was tot eind 2023 de mogelijkheid om aanvragen in te dienen voor de tijdelijke impulsregeling klimaatadaptatie. De regeling is bedoeld om in het bestaande bebouwde gebied knelpunten voor klimaatadaptatie op te lossen. Daarnaast worden vanuit het Deltafonds middelen verstrekt voor het versterken van de dijken, waarmee de kwetsbare gebieden worden beschermd tegen overstromingen.

Vragen van de leden van de fractie van de GroenLinks-PvdA en Volt gezamenlijk

6.

Is de regering bereid om het jaarlijkse budget in het Deltafonds bij te stellen, zodat dit toereikend is om de effecten van zeespiegelstijging en bodemdaling op te vangen en waarbij ook rekening wordt gehouden met stijgende grondprijzen? Is de regering voornemens om daarbij tenminste te anticiperen op het scenario van 24 miljard euro, maar bij voorkeur te anticiperen op het scenario van 33 miljard euro? Zo nee, kan de regering aangeven hoe wordt voorkomen dat de investeringen onevenredig gaan oplopen?

Antwoord:

Afgesproken is dat in 2050 alle primaire waterkeringen voldoen aan de norm. In het Landelijk Veiligheidsbeeld Primaire Keringen is een eerste globale kosteninschatting gegeven van beheerders over de opgave tot 2050. Verdere uitharding is nodig. Daaraan wordt in de komende periode gewerkt. Ook zullen beleidsmatige en bestuurlijke keuzes worden bezien. Dit wordt samen met de (unie van) waterschappen en de programmadirectie Hoogwaterbeschermings-programma (HWBP) gedaan. Het Rijk en de waterschappen dragen beide voor 50% bij aan het HWBP. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Bestuursakkoord Water uit 2011. Het gaat om een totaalbedrag dat door indexatie is opgelopen tot € 450 mln per jaar (prijspeil 2023). De inschattingen uit het Landelijk Veiligheidsbeeld geven aanleiding deze afspraken opnieuw af te wegen. Vastgelegd is dat de bijdrage aan het HWBP tot 2028 niet verhoogd wordt. De programmadirectie HWBP heeft uitgezocht dat tot ca. 2031 voldoende middelen beschikbaar zijn om de gewenste versterkingsprojecten uit te voeren. Er wordt ook gewerkt aan het geven van zicht op de periode daarna, om de voortgang van projecten te kunnen borgen, mede gezien de gebruikelijke lange doorlooptijden.

7.

Is de regering het met deze leden eens dat het risico van een onderschatting van de versterkingsopgave met onbeheersbare kosten op de lange termijn minder wenselijk is dan een overschatting nu, resulterend in een meevaller in de toekomst? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

De globale kosteninschatting behorende bij het Landelijk Veiligheidsbeeld Primaire Keringen is een eerste inschatting van beheerders en bevat nog veel onzekerheden. De bandbreedte is groot en loopt van € 15,7 mrd tot € 32,9 mrd. Tot 2050 is er ca. € 12,6 mrd beschikbaar. Van belang is om de onzekerheden en de bandbreedte te verkleinen, zodat daarna weloverwogen een keuze kan worden gemaakt over het al dan niet aanpassen van (financiële) afspraken voor het HWBP. Dit wordt in de komende periode opgepakt.

8.

Kan de regering een doorkijk geven in de opgave voor na het jaar 2050, waarbij wordt ingegaan op de conclusies en aanbevelingen van het rapport «Voorbij de dijk. Keuzes in het waterveiligheidsbeleid» van de Algemene Rekenkamer van 12 oktober 20236. Kan de regering een visie voor de waterveiligheid formuleren voor de periode na het jaar 2050?

Antwoord:

Waterveiligheid is voor een laaggelegen delta als Nederland een continue opgave nu en in de (verre) toekomst dus ook na het jaar 2050. Voor de bescherming tegen overstromingen is het op orde brengen en houden van de primaire waterkeringen in Nederland de meest (kosten)effectieve maatregel. Dat geldt ook voor de periode na 2050. Ruimte voor toekomstige dijkversterkingen moet nu al worden gereserveerd. Het waterveiligheidsbeleid is adaptief en cyclisch ingericht waarbij beleid periodiek wordt geëvalueerd en bijgesteld, gericht op de lange termijn. Daarvoor wordt continu kennis ontwikkeld en toegepast in de praktijk en er wordt goed gekeken naar wat er op de lange termijn op ons afkomt, zoals in het Kennisprogramma Zeespiegelstijging.

Het wordt steeds belangrijker om in de ruimtelijke ordening en inrichting rekening te houden met water(veiligheids)belangen. De meest recente klimaatscenario’s laten o.a. zien dat extreme wateroverlast vaker zal gaan voorkomen. Klimaatverandering vraagt om scherpere keuzes over hoe we de schaarse ruimte gebruiken en inrichten om daarbij voldoende klimaatrobuust en toekomstbestendig te zijn. De visie van het kabinet op dit vlak is verwoord in de «water en bodem sturend» brief (Kamerstukken II, 27 625, nr. 592).

9.

De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en Volt constateren dat de verschillen in de versterkingsopgaven tussen de verschillende gebieden groot zijn. Zo zijn de opgaven bijvoorbeeld erg groot in het rivierengebied en gebieden in Noord-Limburg. Kan de regering toelichten hoe de kosten eerlijk worden verdeeld binnen Nederland? En blijven er in de gebieden met een grote versterkingsopgave voldoende middelen beschikbaar voor andere ruimtelijke opgaven?

Antwoord:

Voor de financiering van het HWBP wordt 50% bijgedragen door het Rijk, 40% betreft een solidariteitsbijdrage van alle waterschappen en 10% is de projectgebonden bijdrage van het waterschap waar het versterkingsproject plaatsvindt. Hiermee wordt invulling gegeven aan de gezamenlijke verantwoordelijkheid van Rijk en waterschappen voor de waterveiligheid en de basisbescherming voor iedere Nederlander. Ook worden hiermee de lasten evenwichtig verdeeld over de waterschappen. Een waterschap krijgt daarmee 90% van de projectkosten gesubsidieerd.

De financiële middelen voor het HWBP zijn bedoeld voor waterveiligheidsopgaven. Er kan meegekoppeld worden door andere ruimtelijke opgaven, maar deze moeten vanuit derden of vanuit budgetten behorend bij deze opgaven gefinancierd worden.

10.

Het valt de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en Volt op dat de aan de orde zijnde brief over het landelijk veiligheidsbeeld primaire waterkeringen alleen het Europese deel van Nederland afdekt. Deze leden stellen het op prijs dezelfde informatie over het Caribisch deel van Nederland te ontvangen. Kan de regering dit de Kamer doen toekomen?

Antwoord:

De BES-eilanden zijn boven de zeespiegel gelegen en kennen derhalve geen primaire keringen. Om die reden komt Caribisch Nederland niet voor in het landelijk veiligheidsbeeld primaire keringen. De KNMI-scenario’s voor Caribisch Nederland geven een beeld van de verwachte effecten van klimaatverandering, waaronder zeespiegelstijging. Deze effecten worden ruimtelijk weergegeven in de klimaateffectatlas Caribisch Nederland7. Het kabinet heeft tevens aangegeven de eilanden te ondersteunen om tot klimaatplannen te komen, om zich hier tijdig op te kunnen prepareren.

11.

De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en Volt merken op dat in de huidige systematiek nog twee meetmomenten worden voorzien tot aan het jaar 2050. De eerste ronde had een reikwijdte van zes jaar, de volgende twee rondes hebben een reikwijdte van elf jaar. Kan de regering onderbouwen waarom deze opzet voldoende ruimte biedt om tijdig te kunnen bijsturen en waarom dat te verkiezen is boven meerdere kortere cycli tot aan het jaar 2050?

Antwoord:

Waterschappen en Rijkswaterstaat hebben continu inzicht in de staat van hun primaire waterkeringen, weten hoe ze erbij liggen en welke activiteiten er nodig zijn om de veiligheid te waarborgen. Dit wordt met de nieuwe beoordelingssystematiek gestimuleerd. Deze activiteiten, onder andere inspecties, metingen, beheer en onderhoud, zijn onderdeel van de zorgplicht voor primaire keringen. Minimaal eens per 12 jaar moeten de beheerders hun primaire waterkeringen beoordelen en dit rapporteren aan de Minister. Het Rijk deelt het verslag daarvan aan het einde van de beoordelingsrondes met de Eerste en Tweede Kamer. De periode van 12 jaar is gekozen om de beheerders ruimte te geven om het beoordelingsproces doelmatig in te richten en zo de activiteiten van beoordelen en versterken gelijkmatig in de tijd te spreiden. Dit leidt tot een betere verdeling van capaciteit en bestuurlijke lasten, terwijl de veiligheid geborgd blijft door het continue inzicht. Beheerders kunnen indien nodig hun beoordeling tussentijds bijstellen.

12.

In hoeverre wordt er bij bouw- en infrastructurele opgaven nu al in de kwetsbare gebieden rekening gehouden met veiligheidsrisico’s bij waterkeringen?

Antwoord:

Nu al is de hoogte van de normen voor de primaire keringen gebaseerd op een overstromingsrisicobenadering. Daarbij is gekeken naar zowel de kans op, als de gevolgen van een overstroming in het achterliggende gebied: hoe groter het gevolg, hoe strenger de norm voor een waterkering.

Zoals in antwoord 11 aangegeven hebben de waterkeringbeheerders daarnaast continu inzicht in de toestand van hun waterkering en weten ze ook welke activiteiten nodig zijn om de veiligheid te waarborgen. Er is daarom geen reden om bij dergelijke bouw- en infrastructurele opgaven nu rekening te houden met de veiligheidsrisico’s bij waterkeringen. Wel zal afhankelijk van het gebied rekening moeten worden gehouden met andere aspecten van klimaatverandering zoals wateroverlast en hitte.

13.

Is de regering bereid om de kosten voor het klimaatbestendig inrichten van Nederland nader te onderzoeken, rekening houdend met weersextremen, droogte, wateroverlast, overstromingen, bodemdaling, waardedalingen enzovoorts? En kan de regering daarbij ook de maatschappelijk-economische kosten in kaart brengen als we onvoldoende klimaatbestendig bouwen?

Antwoord:

De vraag naar de kosten en baten van klimaatadaptatie bestrijkt een enorm breed terrein. Onderdeel van de baten is de te vermijden schade die het gevolg zal zijn van onvoldoende klimaatbestendig investeren in de Nederlandse economie. In het verleden is via de «klimaatschadeschatter» de schade door effecten van klimaatverandering tot 2050 geschat op een bedrag dat kan oplopen tot 170 miljard euro. Een belangrijk onderdeel in deze vraag naar de kosten en baten van klimaatadaptatie betreft het klimaatbestendig inrichten van de gebouwde omgeving. Op dit moment loopt in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken in samenwerking met IenW een onderzoek om een (eerste) totaal overzicht te krijgen van de kosten en baten om de gehele gebouwde omgeving in Nederland klimaatbestendig ingericht te hebben in 2050. Het gaat dus zowel om nieuwbouw als bestaande bouw. De Landelijke Maatlat voor een klimaatapdatieve en groene gebouwde omgeving is als uitgangspunt genomen voor wat we onder klimaatbestendig inrichten en bouwen verstaan8. Dit betekent dat wordt gekeken naar wateroverlast, hitte en droogte als gevolg van extreem weer, maar ook naar overstromingen, bodemdaling en biodiversiteit. Het onderzoek is in februari 2024 gereed en wordt daarna met de Kamer gedeeld. Ook vanuit de markt is er toenemende aandacht voor dit thema, met name voor inprijzen risico’s in vastgoedprijzen. Verder wordt onderzoek gedaan naar de effecten van klimaatverandering op de financiële sector o.a. door een werkgroep van de Nederlandse Bank en door het IMF. Tenslotte brengen ook decentrale overheden in toenemende mate de kosten en baten in kaart van klimaatbestendige inrichting van hun provincie, gemeente of gebied.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Wijk (BBB), Kemperman (BBB) (voorzitter), Van Langen (BBB), Jaspers (BBB), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Kluit (GroenLinks-PvdA), Crone (GroenLinks-PvdA), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Martens (GroenLinks-PvdA), Klip-Martin (VVD), Meijer (VVD), Kaljouw (VVD), Rietkerk (CDA) (ondervoorzitter), Prins (CDA), Van Meenen (D66), Aerdts (D66), Bezaan (PVV), Nicolaï (PvdD), Nanninga (JA21), Janssen (SP), Holterhues (CU), Dessing (FVD), De Vries (SGP), Hartog (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL)

X Noot
2

Kamerstukken I 2023/24, 31 710, C.

X Noot
3

Kamerstukken I 2023/24, 31 710, C.

X Noot
4

Kamerstukken I 2023/24, 31 710, C, p. 13.

X Noot
6

Kamerstukken I 2023/24, 31 710, C, p. 13

X Noot
8

Zie de brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Kamerstukken 27 625, nr. 592

Naar boven