31 706 Regeling van een tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten (Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten)

Nr. 54 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 december 2011

De Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) is sinds 1 januari 2009 in werking getreden en vervangt de fiscale regeling buitengewone uitgaven. De Wtcg bestaat uit drie onderdelen: een algemene tegemoetkoming, een beperkte fiscale regeling voor specifieke zorgkosten en een korting op de eigen bijdrage voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en voor de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo). De algemene tegemoetkoming voorziet in een financieel forfait voor chronisch zieken en gehandicapten voor de meerkosten die zij maken vanwege hun ziekte of handicap. De algemene tegemoetkoming is gebaseerd op het zorggebruik van mensen en daarmee beter op de doelgroep toegesneden. De achterliggende gedachte is dat de intensiteit van zorggebruik een indicatie is voor het hebben van een chronische ziekte of handicap en daarmee ook voor meerkosten. Belangrijk voordeel van de Wtcg is het terugdringen van het niet-gebruik, doordat chronisch zieken en gehandicapten automatisch compensatie krijgen.

Tijdens het Algemeen Overleg (AO) van 19 april 2011 (Kamerstuk 31 706, nr. 52) heb ik aangegeven dat ik wil bezien wat ik met de Wtcg ten principale wil. Dit omdat de tegemoetkoming nog veel te vaak terecht komt bij de mensen waar deze niet voor bedoeld is. Middels mijn vijfde voortgangsrapportage heb ik u laten weten u voor het eind van dit jaar te informeren over verdere verbeteringen en mogelijke alternatieven voor de Wtcg. Deze afweging is ingewikkeld en vraagt om zorgvuldigheid. Ik wil daar meer tijd voor nemen en zal u niet nu, maar bij de voorjaarbesluitvorming hier nader over informeren. Ik zal u middels deze voortgangsbrief wel meenemen in de drie lijnen die ik onderscheid bij de heroriëntatie op de Wtcg.

Dit laat onverlet dat ik, zoals ik u al in de vijfde voortgangsrapportage heb laten weten, naar aanleiding van geluiden uit de samenleving en de uitkomsten van het AO van 19 april jl., voornemens ben om twee maatregelen voor de tegemoetkoming over 2012 te treffen. Dit betreft het fors aanscherpen van het criterium fysiotherapie. Daarnaast ben ik voornemens om bij de tegemoetkoming over 2012 hulpmiddelen die duiden op een levenslange beperking op te nemen in de afbakening. Hierin zijn ook de levenslange hulpmiddelen voor slechtzienden en blinden opgenomen.

Wat betreft de drie lijnen heb ik in de eerste plaats onderzoek laten verrichten naar een verdere verbetering van de huidige doelgroepbepaling in de Wtcg. Dit onderzoek bevindt zich in een afrondende fase. Er is met name gekeken naar de onderwerpen die de Taskforce Linschoten niet heeft betrokken in zijn oordeel en waar uw Kamer in het AO van 19 april jl. aandacht voor heeft gevraagd. Dit betreft de doelgroepbepaling op basis van fysiotherapie, revalidatiezorg en hulpmiddelengebruik. Daarnaast is gevraagd de zogeheten optelsystematiek die bepaalt of er recht bestaat op een hoge of lage tegemoetkoming nader te bezien. De eerste contouren laten enerzijds zien dat er verbeteringen mogelijk zijn en anderzijds dat die verbeteringen verstrekkende gevolgen hebben. Het voorstel zal waarschijnlijk leiden tot een flinke verschuiving van de doelgroep waarbij er meer mensen zullen zijn die hun tegemoetkoming verliezen dan mensen die voor het eerst een tegemoetkoming zullen ontvangen. Met name het onderdeel hulpmiddelengebruik lijkt een ingrijpende aanpassing. Ik wacht de definitieve resultaten van het onderzoek af en zal u bij de voorjaarsbesluitvorming hierover nader informeren.

Er bestaat een verscheidenheid aan regelingen waar veel overeenkomst zit in mensen die er aanspraak op kunnen maken. Daarom onderzoek ik in de tweede plaats, in samenspraak met mijn collega van SZW, de mogelijkheden voor een integratie van de Compensatieregeling Eigen Risico (CER) en de Tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen (TOG) in de Wtcg. De CER is een tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten om hen te compenseren voor het nadelige gevolg dat zij (waarschijnlijk) ieder jaar het verplichte eigen risico volmaken. De TOG-regeling is een tegemoetkoming om ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen te compenseren voor de kosten van de extra zorg die hun kind nodig heeft.

Deze drie regelingen hebben een vergelijkbare doelstelling. Ze bieden alle drie een compensatie in de (meer)kosten of eigen betalingen veroorzaakt door een chronische ziekte of handicap. Dit betekent dat er ook een grote mate van overlap is tussen de rechthebbenden van de drie regelingen. Er zijn echter ook verschillen. In de eerste plaats zal de Wtcg per 1-1-2012 inkomensafhankelijk worden waarmee deze bestemd wordt voor de mensen die deze het hardste nodig hebben. Zowel de CER als de TOG zijn momenteel inkomensonafhankelijk. Verder verschillen de criteria van de regelingen. De CER bakent af op tweejarig zorggebruik in de Zvw en verblijf in een AWBZ-instelling. Voor de Wtcg wordt naar één jaar gekeken en tellen naast een breder spectrum aan Zvw-criteria (bepaalde hulpmiddelen, revalidatiezorg en chronische fysiotherapie) ook extramurale AWBZ-indicaties, Wmo-gebruik en rolstoelindicaties mee. Bij de TOG geldt dat de functie behandeling wordt meegenomen in de criteria terwijl dit bij de Wtcg niet het geval is. Verder wordt bij de bepaling van het recht op een tegemoetkoming voor de Wtcg of de TOG onder andere gekeken naar de functie begeleiding die gegeven wordt in dagdelen. Een dagdeel begeleiding telt in de TOG voor vier uur. In de Wtcg telt een dagdeel begeleiding echter voor 2,5 uur. Ook worden de regelingen door verschillende instanties uitgevoerd. De Wtcg en de CER worden momenteel uitgevoerd door het CAK en de TOG door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De CER en de WTCG worden automatisch uitgekeerd terwijl de TOG moet worden aangevraagd. Ten slotte zijn de momenten van uitkeren voor alle drie de regelingen verschillend. De Wtcg wordt in jaar t+1 uitbetaald over jaar t. De CER betaalt de compensatie in jaar t zelf uit. De TOG wordt na afloop van ieder kwartaal uitbetaald.

Bovenstaande beschreven verschillen leiden er toe dat ik samen met de Minister van SZW in kaart wil brengen wat de gevolgen zijn van eventuele integratie voor de huidige groep rechthebbenden van de CER en de TOG. Daarbij zijn er verschillende manieren om de integratie vorm te geven. Ook daar wil ik mij nader op bezinnen. Daarna zal ik in het voorjaar een besluit nemen over het wel of niet integreren van de CER en/of de TOG in de Wtcg en uw Kamer hierover informeren.

Tot slot bezie ik welke reële alternatieven er zijn voor de Wtcg. Bij de invoering van de Wtcg was het al bekend dat de bepaling van de groep rechthebbenden van de algemene tegemoetkoming niet optimaal was. Daarom heeft de toenmalige Staatssecretaris een Taskforce ingesteld die als taak had om verbetervoorstellen te ontwikkelen. Dit heeft eind 2009 geleid tot een advies van de Taskforce Linschoten, welke het vorige kabinet vrijwel geheel heeft overgenomen. Deze verbeteringen worden dit jaar zichtbaar bij de tegemoetkoming over 2010 die eind 2011 wordt uitgekeerd. Toch zijn we er nog niet. Er vallen mensen onterecht buiten de boot. Daarnaast krijgen mensen die geen meerkosten hebben wel een tegemoetkoming. De afbakening van de Wtcg is dus nog niet op orde en het vaststellen van de juiste doelgroep zal altijd een moeilijk traject blijven. Ik vind de huidige Wtcg complex en het brengt lastige uitvoeringsvraagstukken met zich mee. Zoals ook door uw Kamer is gevraagd in het AO over de Wtcg van 19 april jl. zal ik nadenken over reële alternatieven voor de Wtcg. Ik wil toe naar een regeling die maatschappelijk aanvaardbaar en eenvoudig is, en die er is voor mensen die deze het hardste nodig hebben. Ik vind het tevens belangrijk dat de regeling budgettair beheersbaar blijft en dat de uitvoeringslasten niet onevenredig groot worden. De komende tijd zal ik bezien wat reële alternatieven kunnen zijn. Mogelijke opties zijn een route richting de Wmo, het gebruik van ICF en een vergaande vereenvoudiging van de regeling. Ik vind zorgvuldigheid hierbij heel belangrijk. Ik wil niet met een nieuwe regeling komen waarbij ik na een paar jaar tot de conclusie kom dat het geen goede regeling is. Ik zal de komende tijd mogelijke alternatieven voor de Wtcg in kaart brengen en u in het voorjaar hierover nader informeren.

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. I. Schippers

Naar boven