nr. 67
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 november 2008
In uw brief van 11 november 2008 brengt u het verzoek van de heer
Omtzigt en de heer Vendrik over om in een schriftelijke reactie uit te leggen
wat de verhouding is tussen de recente ontwikkelingen rond de door Nederland
gewenste roetfilterverplichting en de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag
over de fijnstofdifferentiatie en wat wel en niet is toegestaan op het vlak
van roetfilters. Mede namens de minister van VROM voldoe ik met deze brief
aan dit verzoek.
Uitspraak EG-Hof verbod nieuwe dieselauto’s zonder
roetfilter
In EU-verband worden de uitstootnormen waaraan nieuw verkochte personenauto’s
en bestelauto’s moeten voldoen, met regelmaat aangescherpt. Onderdeel
van die afspraken over aanscherping van de normen is wel dat de auto-industrie
de tijd krijgt om zich op de nieuwe normen in te stellen. Daarom is in de
Euro 5/6 verordening1 vastgelegd dat de strengere
normen voor fijnstofuitstoot in Euro 5 dieselpersonenauto’s (die alleen
kunnen worden gehaald door het affabriek monteren van een roetfilter) pas
vanaf 1 september 2009 voor nieuwe typen auto’s en vanaf 1 januari
2011 voor bestaande typen gelden. Artikel 95, lid 5, van het EG verdrag biedt
echter de mogelijkheid om toestemming te vragen om af te wijken van een verordening
als er sprake is van bijzondere omstandigheden in de lidstaat.
Nederland heeft op 2 november 2005 de Europese Commissie om toestemming
gevraagd om in afwijking van de Euro 5/6 verordening het in gebruik nemen
van nieuwe dieselpersonenauto’s en lichte dieselbestelauto’s zonder
roetfilter vanaf 2007 te mogen verbieden. De reden daarvoor was dat Nederland
een specifiek probleem had om de Europese luchtkwaliteitsnormen voor fijnstof
en stikstofoxide te halen.
De Europese Commissie heeft bij brief van 3 mei 2006 deze toestemming
niet gegeven. Nederland is bij het gerecht van eerste aanleg in Luxemburg
in beroep gegaan. Het gerecht van eerste aanleg heeft de Commissie in het
gelijk gesteld. Tegen die uitspraak is Nederland in hoger beroep
gegaan bij het Hof van Justitie van de EG. Het Hof van Justitie in de EG heeft
op 6 november jl. uitspraak gedaan. Het Hof, de hoogste Europese rechter,
heeft nu geoordeeld dat die weigering van de Europese Commissie onzorgvuldig
was. Het Hof heeft de Commissie opgedragen een nieuw besluit te nemen op het
eerdere Nederlandse verzoek en daarbij rekening te houden met alle ingeleverde
relevante gegevens, waaronder de gegevens over de luchtkwaliteit in Nederland
in 2004. De Commissie heeft in beginsel 6 maanden de tijd om opnieuw een besluit
te nemen. Nederland is verheugd over de Hofuitspraak, en acht de kans niet
uitgesloten dat een nieuw, beter beargumenteerd oordeel van de Commissie tot
instemming zal leiden met het Nederlandse verzoek.
Uitspraak gerechtshof Den Haag fijnstofdifferentiatie
in de BPM1
Vanwege de invoering van de fijnstofdifferentiatie in de BPM op 1 april
2008 hebben RAI en Bovag de Staat gedagvaard in een kort geding bij de rechtbank
Den Haag op 19 maart 2008. Bij vonnis van 31 maart 2008 is de vordering
van RAI en Bovag door de rechtbank afgewezen en de regeling niet in strijd
met het EG-recht geacht. Tegen de uitspraak zijn RAI en Bovag in hoger beroep
gegaan bij het Gerechtshof Den Haag. Op 14 oktober 2008 heeft het gerechtshof
Den Haag uitspraak2 gedaan in dit hoger beroep
in kort geding. Het Hof heeft de fijnstofdifferentiatie onmiskenbaar onverbindend
verklaard. Het Hof verbiedt de Staat met ingang van vier weken na betekening
van dit arrest uitvoering te geven aan de fijnstofdifferentiatie.
Het Hof concludeert dat de fijnstofdifferentiatie in strijd is met de
reeds genoemde Euro 5/6 verordening voor nieuwe personenauto’s. Het
Hof acht aannemelijk dat de import van dieselauto’s zonder roetfilter
door de fijnstofdifferentiatie ernstig wordt belemmerd. Dit acht het Hof in
strijd met de Euro 5/6 verordening. Conform deze verordening mogen nieuwe
dieselauto’s zonder roetfilter vooralsnog in alle lidstaten van de EU
worden ingevoerd.
Samenhang tussen de beide uitspraken
Nederland zet zich via twee sporen in voor het terugdringen van fijnstofemissies,
de BPM-differentiatie en de roetfilterverplichting. Beide Nederlandse initiatieven
hebben tot jurisprudentie geleid.
Zoals ik in het wetgevingsoverleg van 7 november jl. heb aangegeven,
heeft de uitspraak van het Hof van Justitie over de roetfilterverplichting
niet direct gevolgen voor de fijnstofdifferentiatie. Allereerst is het van
belang om het onderscheid tussen de fijnstofdifferentiatie en een roetfilterverplichting
scherp te zien. De fijnstofdifferentiatie is geen roetfilterverplichting,
maar een differentiatie in de aanschafbelasting naar de fijnstofuitstoot met
als doel de keuze voor een schone dieselauto te stimuleren. Dit onderscheid
naar de aard van beide maatregelen werkt ook procedureel en juridisch gezien
door. Zoals aangegeven in mijn brief van 30 oktober 20083, ben ik van mening dat de overwegingen bij de Euro 5/6 verordening
de ruimte geven om belastingen te heffen op basis van emissies en derhalve
de mogelijkheid bieden om een belasting te differentiëren op basis van
fijn stof. De roetfilterverplichting is geen belastingmaatregel. Daarom moest
hiervoor de procedure van artikel 95 EG worden gevolgd. De fijnstofdifferentiatie
is nu door het Hof Den Haag onmiskenbaar onverbindend verklaard. Ik acht het
wenselijk om cassatie in te stellen tegen deze uitspraak bij de Hoge Raad.
De cassatie heeft echter geen opschortende werking. Dit betekent dat al wel
uitvoering moet worden gegeven aan de uitspraak. Met betrekking tot de vraag
van de heer Omtzigt wat wel en niet is toegestaan ten aanzien van het roetfilter
verwijs ik naar mijn brief van 6 november. Hierin stel ik voor om vanaf 2009 een BPM-korting in te voeren van € 600 voor
nieuwe dieselauto’s met affabriek roetfilter. Een dergelijke korting
is toegestaan aangezien de meerkosten van het roetfilter niet worden overschreden.
De staatssecretaris van Financiën,
J. C. de Jager