nr. 39
GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN HET LID REMKES TER VERVANGING VAN
DAT GEDRUKT ONDER NR. 31
Ontvangen 19 november 2008
De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
I
In artikel I wordt na onderdeel M een onderdeel ingevoegd, luidende:
Ma. Artikel 6.33 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «het algemeen nut
beogende instellingen» vervangen door: het algemeen nut beogende instellingen
en amateursportinstellingen.
2. In het derde lid wordt «deze instelling niet langer een
kerkelijk, levensbeschouwelijk, charitatief, cultureel, wetenschappelijk of
algemeen nut beogend karakter heeft» vervangen door: deze instelling
niet langer een kerkelijk, levensbeschouwelijk, charitatief, cultureel, wetenschappelijk
of algemeen nut beogend karakter heeft of niet langer het karakter heeft van
een amateursportinstelling.
II
Artikel VII wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel A, onder 1, komt te luiden:
1. In onderdeel 3° wordt «voor zover aan de verkrijging
niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt
van te zijn geschied in het algemeen belang» vervangen door: voor zover
aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging
het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang of, ingeval
van een verkrijging door een amateursportinstelling, voor zover aan de verkrijging
niet een opdracht is verbonden welke aan de verkrijging het karakter ontneemt
van te zijn geschied in het belang van de sportbeoefening.
2. Onderdeel B komt te luiden:
B. Artikel 32a wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
2. In het eerste lid (nieuw) wordt «voor zover aan de verkrijging
niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt
van te zijn geschied in het algemeen belang» vervangen door: voor zover
aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging
het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang of, ingeval
van een verkrijging door een amateursportinstelling, voor zover aan de verkrijging
niet een opdracht is verbonden welke aan de verkrijging het karakter ontneemt
van te zijn geschied in het belang van de sportbeoefening.
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Van het recht van overgang is vrijgesteld hetgeen wordt verkregen
door een instelling als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder 110.
3. Onderdeel C komt te luiden:
C. Artikel 33, eerste lid, wordt als
volgt gewijzigd:
1. In onderdeel 4° wordt «voor zover aan de verkrijging
niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt
van te zijn geschied in het algemeen belang» vervangen door: voor zover
aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging
het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang of, ingeval
van een verkrijging door een amateursportinstelling, voor zover aan de verkrijging
niet een opdracht is verbonden welke aan de verkrijging het karakter ontneemt
van te zijn geschied in het belang van de sportbeoefening.
2. In onderdeel 10° wordt «voor zover de uitkeringen geheel
of nagenoeg geheel het karakter hebben van te zijn geschied in het algemeen
belang» vervangen door voor zover de uitkeringen geheel of nagenoeg
geheel het karakter hebben van te zijn geschied in het algemeen belang of,
ingeval van uitkeringen van amateursportinstellingen, de uitkeringen geheel
of nagenoeg geheel het karakter hebben van te zijn geschied in het belang
van de sportbeoefening.
3. Er wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel
120 door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
130. door een instelling als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder
110.
Toelichting
Amateursportinstellingen worden op grond van vaste jurisprudentie niet
aangemerkt als instellingen die het algemeen nut beogen en vallen derhalve
niet onder de toepassing van het huidige artikel 6.33, eerste lid, onderdeel
b, van de Wet IB 2001.
In de voorgestelde wijziging worden de amateursportinstellingen als een
nieuwe categorie in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001
opgenomen. Hiermee wordt bereikt dat de amateursportinstellingen van dezelfde
fiscale faciliteiten gebruik kunnen maken als algemeen nut beogende instellingen
en dat ook dezelfde aanwijzingsprocedure geldt. Giften aan aangewezen amateursportverenigingen
kunnen dan in de inkomstenbelasting in aftrek worden gebracht als persoonsgebonden
aftrek en de schenkingen van en aan amateursportinstellingen en de legaten
aan amateursportinstellingen worden vrijgesteld in de Successiewet 1956.
In de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 wordt nader uitgewerkt
onder welke voorwaarden een instelling door de inspecteur aangemerkt kan worden
als een instelling in de zin van artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van
de Wet IB 2001. Die voorwaarden zullen in verband met de voorgestelde wijziging
aangepast moeten worden.
Door de bovengenoemde wijzigingen wordt de in artikel VII van het voorstel
van wet opgenomen wijziging van de Successiewet 1956 grotendeels overbodig.
De in dat artikel voorgestelde vrijstelling in de Successiewet 1956, op grond
waarvan schenkingen van en aan amateursportinstellingen en legaten aan amateursportinstellingen
vrijgesteld zouden zijn van heffing van schenkings- en successierechten, is
niet meer nodig nu deze schenkingen en legaten als gevolg van de in dit amendement
opgenomen voorstellen reeds meelopen in de vrijstelling voor onder artikel
6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 vallende instellingen. Daarom
wordt ook artikel VII gewijzigd. Op grond van dit amendement wordt in dat
artikel alleen nog geregeld – in overeenstemming met de regeling voor
algemeen nut beogende instellingen – dat de vrijstellingen in de Successiewet
1956 voor de amateursportinstellingen slechts van toepassing zijn voor zover –
kort samengevat – de verkrijgingen of uitkeringen zijn geschied in het
belang van de sportbeoefening. Met dit manedement wordt nu de eerste stap
die het Kabinet in het belastingplan al heeft gezet volledig uitvoering gegeven
aan een vorig jaar breed door de Tweede Kamer aangenomen motie. Ook wordt
aangesloten bij een recent door o.m. Tweede Kamerleden van het CDA gehouden
pleidooi.
Met dit amendement is een structurele budgettaire derving van € 11
mln gemoeid. De financiële dekking hiervoor kan worden gevonden in de
voorstellen die de VVD-fractie in de tegenbegroting heeft gedaan.
Remkes