31 702
Staat van de Europese Unie 2008–2009

nr. 17
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 14 mei 2009

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken1 en de vaste commissie voor Europese Zaken2 hebben op 2 april 2009 overleg gevoerd met minister Verhagen van Buitenlandse Zaken en staatssecretaris Timmermans van Buitenlandse Zaken over:

– de brief van de minister en de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken over de betrekkingen van de EU met de oostelijke buurlanden d.d. 13 maart 2009 (31 202, nr. 31.);

– de brief van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken over het fiche mededeling inzake het Oostelijk Partnerschap d.d. 23 december 2008 (22 112, nr. 763).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand woordelijk geredigeerd verslag uit.

Voorzitter: Ormel Griffier: Van Toor

Vragen en opmerkingen uit de commissies

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Voorzitter. Laat ik beginnen met mijn waardering uit te spreken voor de inspanningen voor deze regio. De benadering past in het traditionele beleid waarmee politieke, strategische, economische, veiligheids- en energiebelangen bevorderd worden. De ChristenUnie vraagt om daarnaast echt oog te hebben voor duurzaamheid, milieu en sociale transformatie. Op dit laatste punt zal ik in mijn bijdrage uitgebreid terugkomen. Het kabinet schrijft dat het Oostelijk Partnerschap mogelijkheden biedt om het transformatieproces in de landen van het Oostelijk Partnerschap te ondersteunen. Nederland en de Europese Unie hebben belang bij stabiele buurlanden die zich steeds meer in wet en regelgeving in de richting van de Europese Unie ontwikkelen. Zo ervaren wij dat als Nederland, maar hoe wordt dat in de landen waar wij het over hebben zelf ervaren? Verandert het partnerschap iets aan het optreden van de Europese Unie en Nederland, bijvoorbeeld nu met de crisis, of bij een inval van Rusland in één van de buurlanden? Ik citeer wat er staat op pagina 4 van de brief van de minister en de staatssecretaris: «Het is daarom ook in ons eigen belang om de oostelijke buurlanden bij te staan de gevolgen van de financieel-economische crisis op te vangen.» Hoe krijgt dat bijstaan concreet vorm en wat voegt het partnerschap daaraan toe? Overigens: als er in financiële hulp wordt voorzien, dan wel graag met een goede monitoring omdat de instituties in deze landen nog niet voldoende functioneren.

Er wordt gesproken over vorderingen in de oostelijke regio, onder andere over grote economische groei. Is daarbij ook goed gekeken naar de verdeling van deze groei? Profiteert de hele bevolking hiervan of slechts een klein deel? Als ik dit doortrek naar de relatie van deze landen met het westen: kan de binnenlandse industrie de concurrentie uit het westen wel aan? Heeft dit geen negatieve effecten voor het midden- en kleinbedrijf in deze landen, voor de kleine middenstanders die juist in tijden van crisis nodig zijn om het land op te bouwen? Terecht wordt opgemerkt dat bij verdere intensivering van relaties waarden van de Europese Unie en oostelijke landen met elkaar kunnen botsen. Ik wil dat concreet hebben: aan welke waarden wordt gedacht? Welke prioriteiten worden uiteindelijk gesteld als deze waarden met elkaar botsen?

Op pagina 3 en 4 van de brief van de minister en de staatssecretaris staat dat het transformatieproces met horten en stoten verloopt. In sommige landen zien wij een terugkeer naar oude reflexen en inperking van fundamentele vrijheden zoals vrijheid van de media en democratische rechten. Kunnen daar wat concrete voorbeelden genoemd worden? Wat wordt er vanuit de Europese Unie en Nederland ondernomen om het proces weer de goede kant op te draaien? Volgens de ChristenUnie onderstreept dit nog maar eens de noodzaak van ondersteuning en versterking van een onafhankelijk maatschappelijk middenveld. Kortom: geld voor Maatschappelijke Transformatie (Matra) is nuttig.

Ik wil wijzen op twee opmerkingen in het rapport van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV). Allereerst de opmerking over de verschillende partnerlanden op pagina 11. Het is de AIV opgevallen dat waar Wit-Rusland vooralsnog niet voldoet aan de voorwaarden van democratie, rechtstaat en mensenrechten en het op dit moment nog niet mag deelnemen aan het Oostelijk Partnerschap, dit blijkbaar niet geldt voor Azerbeidzjan en Armenië waar de situatie niet beter is. Ook in de Oekraïne, Moldavië en Georgië heeft de ontwikkeling van democratie, rechtstaat en mensenrechten nog een lange weg te gaan. Graag wil ik dat de leden van het kabinet op die opmerking ingaan en ook op wat er gezegd wordt over de relatie tot Turkije.

De heer Ten Broeke (VVD): Mevrouw Wiegman is misschien wel de meest fervente advocate van het Matra-programma en andere programma’s die de ontwikkeling in die landen ondersteunen. Ik heb daar zelf wel eens wat twijfels bij, maar het aardige van het AIV-advies is dat het juist zegt dat de programma’s vereenvoudigd moeten worden. Het is ook zeer de vraag of die landen op dit moment al voldoende substantiële bijdrage leveren aan politieke en economische hervormingen. U bent nu weer heel positief, heeft u op dat vlak een beter inzicht dan de AIV?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Het was niet mijn bedoeling om mij positief uit te laten over de huidige ervaring met Matra in die landen. Het zijn juist meer de ervaringen die wij opgedaan hebben met Matra in Oost-Europese landen waarvan ik weet dat Nederlandse ambassades daarin goed te werk gaan en dat zij er echt op gericht zijn dat het geld op de juiste plek komt en goed wordt gebruikt. Dat is mijn positieve ervaring en dat principe wil ik graag terugzien in de landen waar wij het vandaag over hebben.

Voorzitter. Ik wil inzoomen op de mensenrechten. Ik mis in de brief van het kabinet heel expliciet het punt van godsdienstvrijheid, de rechten van minderheden in het algemeen, dus niet alleen de seksuele minderheden, en de rechten van kinderen en gehandicapten. Allereerst godsdienstvrijheid: in de meeste van de oostelijke buurlanden is godsdienstvrijheid in min of meerdere mate een probleem. Vaak wordt er een staatskerk aangewezen, meestal de orthodoxe kerk, en alle andere religies en kerken worden in een hoek gezet en hebben te maken met weerstand in de vorm van beperkte vestigingsvrijheid, vergunningsverlening, bestempeling als sekte, et cetera. Dit blijft een aandachtspunt voor onze fractie, maar ik wil ook graag de aandacht van het kabinet hiervoor.

In de oostelijke landen leven grote groepen minderheden: traditionele, zoals Roma, of minderheden die zijn ontstaan door de vele grenswijzigingen van de afgelopen eeuw. Het blijft zaak om op te komen voor de rechten van de minderheden in onderwijs, huisvesting en als het gaat om discriminatie en politieke vertegenwoordiging. Is het kabinet bereid om zich hiervoor in te zetten in deze regio? Alleen al in de Oekraïne zijn veel potentiële conflicthaarden met betrekking tot grenzen en minderheden. Ik heb het idee dat daar op dit moment weinig aandacht aan wordt besteed.

Ik wil ook aandacht vragen voor kinderen, ouderen en gehandicapten. In veel van de landen in de oostelijke buurregio’s zijn grote kindertehuizen waar de situatie erg slecht is, met name Oekraïne en Wit-Rusland staan hier om bekend. Gisteren las ik nog het schrijnende verhaal over de dertienjarige Kolja. Hij groeit helemaal alleen op in een leegstaand huis in een troosteloze mijnstand. Zijn ouders leven niet meer en in de periode dat zij wel leefden, waren zij aan de alcohol en de drugs. Hij heeft in kindertehuizen gezeten, maar de zorg in die huizen is ronduit slecht, dus hij wist niet hoe snel hij daar weer weg moest komen. Ook voor ouderen zijn de omstandigheden vaak erg slecht. De gehandicapten, ten slotte, zijn meestal nog slechter af dan kinderen of ouderen. Zij kunnen niet voor zichzelf opkomen, worden uit de maatschappij geweerd en er is weinig specialistische zorg. Wat de ChristenUnie betreft, krijgen deze drie groepen bijzondere aandacht. Ik ben benieuwd of Nederland en de Europese Unie zich al daarop richten. Zo ja, op welke wijze?

Ik vraag ook hier, voor deze landen, aandacht voor het onderwerp mensenhandel – ik heb dat in meerdere overleggen gedaan – en dan niet alleen voor de bestrijding daarvan, maar ook voor de hulpverlening aan de slachtoffers. Het terugsturen van verhandelde mensen zou gepaard moeten gaan met hulp en opvang. Zonder hulp is het dweilen met de kraan open. Voor Nederland is, gezien de ervaring die al wordt opgedaan in landen als Roemenië en Bulgarije, een mooie rol weggelegd om zich ook in deze landen in te zetten.

Nederland ziet de Raad van Europa als een bij uitstek geschikte organisatie om de mensenrechtensituatie te verbeteren in de oostelijke buurlanden en daar invloed uit te oefenen. In de oostelijke buurlanden, uitgezonderd Wit-Rusland, worden veel activiteiten op dit gebied ontplooid. Dat is mooi, maar juist in een land als Wit-Rusland is aandacht voor de mensenrechten hard nodig. Hoe wordt eraan bijgedragen dat dit ook in dit land plaatsvindt? Als de Raad van Europa hier geen activiteiten ontplooit, gaan de Europese Unie of Nederland dat dan doen? Hoe? Wat doen zij dan? Volgens mij raakt dit aan een kernprobleem: Wit-Rusland is nog te veel een uitzonderingsland om opgenomen te zijn in het Oostelijk Partnerschap.

In Wit-Rusland geldt op dit moment erg strikte wetgeving die het bijzonder moeilijk maakt dat buitenlanders actief zijn, terwijl dit land eigenlijk wel hulp van buitenaf nodig heeft. Welke rol kunnen Nederland en de Europese Unie spelen om Wit-Rusland te bewegen hier soepeler mee om te gaan? Heel specifiek denk ik aan de komst van kinderen naar Nederland; wat kunnen wij doen om de zorg voor deze kinderen te bevorderen en een vakantie in Nederland mogelijk te maken? Zijn er regelingen met Wit-Rusland voor visa? Andere landen worden wel genoemd in de brief, maar ik mis Wit-Rusland. Vrij reizen voor Wit-Russen is zeker een punt van aandacht in de relatie met Wit-Rusland, want er zijn nog ontzettend veel beperkingen, zoals bijvoorbeeld voor studenten die tijdens hun studie niet naar het buitenland mogen op straffe van grote moeilijkheden bij hun terugkomst.

Minister Verhagen: Wij hebben sancties ten aanzien van Wit-Rusland, juist op het punt van visa en banktegoeden. Begrijp ik uw vraag goed dat u niet alleen pleit voor het opheffen van de sancties, maar ook voor het op een normale wijze laten deelnemen van Wit-Rusland aan de visumliberalisatie?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Nee, zeker niet in die generieke zin. Het gaat mij om bepaalde groepen zoals studenten. Hoe zouden wij mogelijkheden kunnen hebben en kunnen kijken hoe deze jonge mensen, de toekomstige generatie, meer vrijheid krijgen in het reizen?

Voorzitter. Ik kreeg gisteren het bericht binnen dat vierhonderd leden die een handtekening hebben gezet voor het oprichtingscongres van de Belarussian Christian Democracy Party stevig zijn geïntimideerd en grote problemen ondervinden in hun land. Dit is een concreet voorbeeld van hoe gebrekkig de democratie daar op dit moment functioneert.

De heer Ten Broeke (VVD): Voorzitter. Vorig jaar was het jaar waarin onder leiding van de Franse president, die toen het voorzitterschap van de Europese Unie bekleedde, de Club Med werd uitgenodigd om zich sterker te affileren met de Europese Unie. Dit jaar, met de Zweden binnenkort aan het roer, zal de blik wel op het oosten gericht worden. «Go East», lijkt het motief. De VVD-fractie heeft zich in een aantal overleggen die wij hiervoor hebben gehad al kritisch uitgelaten over het Oostelijk Partnerschap. Ik kan dat hier nu nog een keer herhalen, maar dat is weinig zinvol. De kritiek heeft met name te maken met de positie van Wit-Rusland dat wij toch wel een vreemde eend in de bijt vinden. Ook wij hebben vragen over de noodzakelijkheid van deze vorm. Ik zal zo dadelijk op een aantal punten ingaan met het AIV-advies in de hand. Ik deel ook een aantal van de observaties die mevrouw Wiegman zojuist uitsprak. Ik steun de minister als het gaat om zijn verzet tegen het uitnodigen van de heer Loekasjenko bij de EU-top waarin met die Oostelijke Partners wordt voorzien op 7 mei 2009. Tegelijkertijd wil ik ook mijn waardering uitspreken voor – en dan is het na vandaag ook echt genoeg geweest – wat het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft gedaan inzake de visumverlening aan mevrouw Bondarenko, waar de heer Van Baalen zich nogal sterk voor maakte. Dit neemt niet weg dat wij twijfels hebben over hoe het Oostelijk Partnerschap uiteindelijk ruimte biedt aan Wit-Rusland. Mevrouw Ferrero-Waldner lijkt te hebben gezegd dat zij de laatste dictator van Europa nog een kans wil geven. Mij is niet duidelijk of dit wel of niet leidt tot een uitnodiging of dat de beslissing hierover is verdaagd. Misschien kan de minister op dat vlak iets zeggen.

Ik zie de Raad van Europa toch vooral als kraamkamer, incubator, voor zich ontwikkelende Europese landen, met name op het gebied van ontwikkeling van de rechtstaat. Wat doet dit Oostelijk Partnerschap vanuit EU-perspectief nu af aan de Raad van Europa waarvan wij dit jaar ook een verjaardag vieren? Kunnen wij niet gewoon een hele hoop van die dingen die wij hier proberen vorm te geven via die Raad van Europa vormgeven?

Ik heb aarzelingen met betrekking tot de ontwikkeling van het vrije personenverkeer met de landen waar het hier omgaat. Het AIV-advies op pagina 6 stelt dat de EU visumvrij personenverkeer uiteindelijk in het vooruitzicht stelt. De regeringsbrief stelt daar tegenover, op pagina 11, dat in het Oostelijk Partnerschap de visumliberalisatie een langetermijndoelstelling is die onder strikte voorwaarden via een stapsgewijze benadering kan worden gerealiseerd. Wat zijn daar de garanties? Het moet absoluut helder zijn dat wij het hier niet hebben over een weg die ook maar op een manier leidt tot lidmaatschap of een nadere vorm van combinatie met de Europese Unie. Wij zouden daar in ieder geval ernstig tegen zijn. Volgens de regeringsbrief zijn er door de EU ondertussen wel visumfacilitatieovereenkomsten gesloten met acht landen waaronder Rusland, Oekraïne, Moldavië en heeft de Europese Commissie het mandaat gekregen om ook met Georgië te onderhandelen over een dergelijke overeenkomst. Gaat het hier om visa voor kort verblijf of openen wij ook hier een deur die misschien beter even op een kier of zelfs gesloten kan blijven?

De regering wil de ervaring met reeds gesloten overeenkomsten afwachten alvorens in te stemmen met verdere uitbreidingen. Dat impliceert dus dat die uitbreiding wel wordt gezocht. Misschien even als achtergrond: de VVD heeft deze bezwaren omdat er een enorm welvaartverschil is tussen Nederland enerzijds en landen als de Oekraïne anderzijds en dat zal voorlopig nog wel even zo blijven. Volgens de regering is dit het oude concept waarbij de meer welvarende oostelijke buurlanden als een dam dienen tegen mensenhandel en illegale immigratie. Tot op zekere hoogte is dat zo, uiteindelijk, ooit eens, maar tot die tijd moeten wij vooral niet naïef zijn en oppassen dat wij niet de deur openzetten voor makkelijker transport van illegale werknemers. Daar zitten wij op dit moment niet op te wachten. Ook als wij kijken naar de corruptie-index, de bekende Transparacy International-index waar alle 180 landen op staan, staat Nederland met IJsland – misschien is dat na volgend jaar trouwens anders – op de zevende plaats, maar een land als Wit-Rusland staat op 151, Azerbeidzjan op 158 en Oekraïne op 134. Moldavië en Armenië staan in die verhouding, tussen die landen, op de 109de plaats, maar vanuit Nederlands en zelfs vanuit Europees perspectief is dat een droevige klassering.

De regering wil gaan richting het afsluiten van diepe en veel omvattende vrijhandelsakkoorden. Hoe verhoudt zich dit nu? Tegen vrijhandelsakkoorden hebben wij niets, maar wat is het diepergaande en veel omvattende element? Hoe verhoudt zich dat tot de hobby van de heer Ormel: het partenariaat?

Een opvallend punt is dat er een complicatie is met artikel 49 van het nieuwe EU-verdrag, het Verdrag van Lissabon, waarin staat dat elke Europese staat die de in artikel 2 bedoelde waarden eerbiedigt en zich ertoe verbindt deze uit te dragen, kan verzoeken lid te worden van de unie. Dat opent dus die deur waar ik het net over had en die wat mij betreft gesloten moet blijven. Wat betekent dit, op het moment dat wij het Verdrag van Lissabon hebben geëffectueerd, voor de mogelijkheden van het Oostelijk Partnerschap? De regering kan hier keer op keer beweren dat dit achterdeurtje er niet is, maar kan zij dat hier met het verdrag in de hand ook hardmaken? Toetreding van Armenië en Azerbeidzjan tot de Europese Unie is ook nog eens merkwaardig omdat deze landen gewoon in Azië liggen. Het eerder door mij genoemde artikel 49 van het verdrag lijkt niet-Europese staten uit te sluiten van een visumaanvraag.

Er wordt veel aandacht gegeven aan Rusland. De AIV, typisch AIV zou ik bijna willen zeggen, benadrukt met name de positieve elementen van de verhouding met Rusland. Ik denk dat in het vorige overleg de VVD-fractie helder heeft laten weten hoe wij daar tegenaan kijken. Dit zijn tijden waarin op een effectieve manier gebruik kan worden gemaakt van de relatieve zwakte van Rusland.

De heer Blom (PvdA): Nog even een nabrander over de geografische opmerking. Betekent dat dan ook dat die landen moeten verdwijnen uit de Raad van Europa?

De heer Ten Broeke (VVD): Nee.

Voorzitter. De EU stopt op dit moment zo’n 5 mld. in de Oekraïne om daar de gastoevoer te verbeteren, met name de efficiency van de energienetwerken. Oekraïne is een belangrijk land voor ons: het levert 25% van het Europese gas. Wij zouden eigenlijk veel beter inzicht moeten hebben in de gastoevoer die daar over en weer, zowel van oost naar west als van west naar oost, wordt geleverd. Gisteren is er in Moldavië, ook een belangrijk doorvoerland voor de Europese Unie, een belangrijke pijplijn opgeblazen. Het effect daarvan is dat de energietoevoer naar de Balkan, die voor 40% via die pijpleiding gebeurt, stil is komen te liggen. Wij hebben allemaal gezien in het recente verleden wat dat betekent. Wat geeft dat Oostelijk Partnerschap nu voor handvaten om in dit soort situaties op te treden?

Mevrouw Peters (GroenLinks): Voorzitter. De GroenLinks-fractie stond en staat sympathiek tegenover het idee van een Oostelijk Partnerschap. Zulke partnerschappen kunnen een mooi vehikel zijn voor Europees buitenlands beleid om de Europese cultuur van rechtstaat te versterken en uit te breiden waar mogelijk. Dit kan ook de veiligheid op den duur verhogen. De constructie roept echter wel veel vragen op voordat wij er echt enthousiast over zijn. Als wij kijken naar de landen waarover het gaat, zijn er grote verschillen tussen die landen: sommige hebben net een conflict gekend, andere kennen nu een semidictatuur, andere zijn grote wapenexporteurs of bronnen van mensenhandel, andere gooien hun opposanten in het gevang en arresteren hen zonder vorm van proces. Zo makkelijk is het niet om één vorm te vinden die al die landen gezamenlijk past. Ik wil de regering uitnodigen om in termen van buitenlandbeleid te schetsen wat het aangaan van het partnerschap met zo’n collectief betekent. Er zijn gezamenlijke, collectieve kenmerken. Ze komen allemaal uit de oude Sovjetsfeer en Rusland heeft in al die landen nog graag een vinger in de pap. Wat voor invloed heeft dit op de Russische betrekkingen? Hoe gaat de EU balanceren met het vergroten van de EU-invloed en het omgaan met Rusland? Het zijn allemaal landen die belangrijk zijn voor de Europese energie-invoer en doorvoer; is het nu vooral een vehikel wat een soort onderdeel is van onze energiezekerheidspolitiek of gaat het meer over de waardengemeenschap van de EU die het concept van veiligheid en rechtstatelijkheid moet versterken? Sommige landen maken avances tot de NAVO. Hoe gaan wij om met verschillende soorten avances in die regio en verschillende criteria die de NAVO en de EU hanteren voor intensivering van de betrekkingen? Hoe lopen die parallel en eventueel uiteen?

Ik heb wat procedurele vragen over dit partnerschap. Waar staan wij nu in de besluitvorming? Heeft de raad al besloten dat wij dit gaan doen en wordt dat op de top van 7 mei bekrachtigd? Begrijp ik het goed dat dan vervolgens de Europese Commissie gaat onderhandelen over associatieakkoorden met elk van die landen afzonderlijk? Gaan wij daarover hier in Nederland, voordat zo’n associatieakkoord wordt aangegaan, nog beslissen per land?

De heer Ten Broeke (VVD): De vraag hoe om te gaan met avances houdt mij misschien iets minder bezig dan mevrouw Peters, maar ik wil graag van haar weten of zij zelf een antwoord heeft op de vraag die zij stelt. Hoe staat GroenLinks in dat debat, bijvoorbeeld als het gaat om een aantal van die landen die NAVO-aspiraties hebben? Zou dat misschien niet moeten voorgaan op zo’n Oostelijk Partnerschap?

Mevrouw Peters (GroenLinks): Ik vind dat een moeilijke vraag. Ik weet niet of daar al uitgebreid door experts over is nagedacht. Mij lijkt dat veel van de criteria die voor EU-toenadering en intensivering van de betrekkingen gelden op het gebied van democratie en mensenrechten, ook moeten gelden voor toenadering tot andere bondgenootschappen. Er zijn echter ook verschillen: de NAVO gaat niet over handel. Waar liggen die verschillen als wij het hebben over intensivering tot één van die twee bondgenootschappen of de unie?

Voorzitter. Wat voor model krijgen die associatieakkoorden mee? Moet ik mij zoiets voorstellen als wat wij met de mediterrane landen hebben? Gaat er overal een mensenrechtencomité in zitten? Welke andere ingrediënten krijgt zo’n associatieakkoord? Klopt mijn aanname dat voordat men bijvoorbeeld financiële of steunvoordelen kan gaan genieten uit dit partnerschap, er een associatieakkoord moet zijn? Dus kunnen wij het er als lidstaat nog over hebben welke voorwaarden moeten gelden voordat men die voordelen kan genieten?

Nog even over de concrete elementen van het partnerschap: wij zijn voor liberalisatie van het personenverkeer en de visa, voor zover dat culturele uitwisseling en onderwijs betreft. Wij willen zo veel mogelijk people to people-contact bevorderen met op den duur, op de langetermijn, volledige vrijheid als er aan alle criteria wordt voldaan. Het risico van mensenhandel is echter reëel. Hoe kijkt de regering daar tegenaan en in hoeverre kan het partnerschap met het mensenhandelprobleem omgaan?

De EU heeft net besloten dat waar het over het externe energiebeleid gaat, de EU als één blok zal optreden. Hoe hard blijft die afspraak bestaan met het Oostelijk Partnerschap; is dat daarvan een versterking? Hoe groot is het risico dat in de bilaterale betrekkingen die lidstaten nog hebben met veel van deze Oostelijk Partnerschaplanden, lidstaten tegen elkaar worden uitgespeeld als bijvoorbeeld onderhandelingen over het associatieakkoord niet vlotten? Een ander kenmerk van deze Oostelijk Partnerschaplanden is dat een groot deel ervan nog oude Sovjetkernenergiereactoren heeft. De reactor in Armenië, die met name genoemd is, moet ontmanteld worden voordat er iets ondertekend kan worden. Ik ben benieuwd naar de stand van zaken wat betreft kernreactoren in de andere landen: Georgië heeft er veel, Oekraïne heeft er heel veel, Wit-Rusland gaat er samen met Iran één bouwen als ik goed ben geïnformeerd. Wordt daar goed naar gekeken voordat wij de betrekkingen met deze landen gaan intensiveren en ruimen zij hun rotzooi eerst op?

Tot slot het toetredingsperspectief en of wij dat nu wel of niet boven de markt moeten laten hangen. Ik ken de positie van de Nederlandse regering, maar ik steun hoe zij zich bij de gekozen formulering neerlegt die er eigenlijk niets over zegt. Men zegt niet dat de landen het hebben, maar men zegt ook niet dat ze het nooit zullen krijgen. Door dat zo vaag en open te laten, denk ik dat wij effectiever gebruik kunnen maken van de dialoog die het partnerschap gaat bieden om naar het doel toe te werken dat die Europese cultuur van rechtstatelijkheid en veiligheid daar uiteindelijk ook vorm kan krijgen.

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. De bijdrage aan de transformatie en de modernisering van de landen in het oosten van Europa is een goede zaak. Tegelijkertijd moeten wij bij deze landen geen valse verwachtingen wekken met betrekking tot het toetredingsperspectief. Ik betreur het dan ook in hoge mate dat dit in het verleden wel is gedaan; oud-minister Bot heeft openlijk gesuggereerd dat een land als Oekraïne op termijn zou moeten kunnen toetreden tot de Europese Unie, Saakasjvili vertoonde zich het liefst voor de vlag van de Europese Unie, daarmee bij zijn eigen bevolking de indruk wekkend dat hij halverwege NAVO en EU was. Ik denk dat het goed is om vanuit Nederland het uitgangspunt te hebben dat dit programma zich niet richt op toetredingsperspectief voor de betrokken landen. Anders ontstaan er verwachtingen die wij niet willen inlossen. De afgelopen jaren zijn wij al veel verstandiger geworden, daar waar het gaat over het noemen van data, landen en perspectieven, maar het is goed om op dit punt een pas op de plaats te maken.

Het is duidelijk waarom de oostelijke EU-landen streven naar het betrekken van hun buurlanden bij de Europese Unie. Ook deze landen hebben bij de EU aansluiting gezocht om zich te beschermen tegen de Russische invloed. Dat wensen zij hun buurlanden vanzelfsprekend ook toe. Paradoxaal genoeg hebben wij gezien dat een al te ambitieuze invulling van deze wens bij landen in de regio zowel tot interne spanningen leidt, als tot externe met Rusland. Er ontstaat kortom een gespannen situatie die uit kan monden in minder veiligheid, minder voorspoed en ook minder rechtstaat en democratie. Ook al is het Oostelijk Partnerschap deels een symbolische stap, de vraag is wat het effect zal zijn op de relatie met Rusland en op de situatie in de hele regio. Wat zal de rol hiervan zijn, wanneer er spanningen in de regio ontstaan? Met name over de relatie met Rusland drukt het kabinet wel de wens uit om die met het partnerschap niet te willen verstoren, maar dan moet het zich ook rekenschap geven van ontwikkelingen zoals wij die in de afgelopen maanden hebben gezien en mogelijk ook in een toekomstige periode zullen zien. Zijn er bijvoorbeeld ook grenzen aangegeven door Rusland, of zijn er grenzen die wij in Europa zelf zien, in de mate waarin wij de betrekkingen willen intensiveren, verstevigen? Ik kom daar straks in de zin van de economie nog op terug.

De bevolkingen van deze landen wordt toegewenst dat er een positieve ontwikkeling is in de mensenrechtensituatie. Het is goed om de nadruk te vestigen op mensenrechten in algemene zin, op een functionerende rechtstaat, welvaart en alle andere voorwaarden waar wij in het westen van Europa zo aan gewend zijn geraakt. In de brief is er echter, terecht, ook aandacht voor de negatieve gevolgen voor ons land wanneer het met deze landen slecht gaat, zeker nu de economische crisis toeslaat. Zaken als criminaliteit, verminderde veiligheid aan de grenzen, stokkende energieleveranties en toenemende migratiestromen, maken dat het ook in ons eigen belang is om naar die gevolgen te kijken, wij zijn dat ook verplicht. Het zoeken naar de juiste verhouding tussen die twee zaken, grofweg mensenrechten, democratisering en ontwikkeling aan de ene kant en het eigen belang aan de andere kant, dat is de opgave en die is ingewikkeld.

De vraag die gesteld moet worden, is of bij de intensivering van gesprekken over zaken als energiezekerheid en veiligheid, waarbij vooral de Europese Unie belang heeft, de ontwikkelingen rond mensenrechten en de rechtstaat gelijke tred houden. Het kabinet stelt zich immers op het standpunt dat verder geïntensiveerde samenwerking met de EU afhankelijk is van voortgang op het terrein van de mensenrechten. Moet men het Oostelijk Partnerschap zo opvatten dat het een uiting ervan is dat in die landen, met uitzondering van Wit-Rusland dat met name wordt genoemd, de mensenrechtensituatie dusdanig is verbeterd dat wij in een volgende fase van samenwerking terecht zijn gekomen? Of moeten wij het juist meer zien als een grote noodzaak vanuit de Europese Unie om een gesprek aan te gaan over energie en veiligheid? In het Oostelijk Partnerschap kan de samenwerking gedifferentieerd worden per land, maar de wens van intensivering is onmiskenbaar aanwezig. Dat is ook logisch.

Het is van belang om stil te staan bij Wit-Rusland. Vandaar dat de wenselijkheid om te differentiëren met betrekking tot het partnerschap door mijn fractie bijzonder wordt gedeeld als het gaat om de intensiteit van gesprekken en samenwerking, maar mogelijk ook om te komen tot een niet-volwaardige participatie wanneer wordt vastgesteld dat landen zich niet in de richting ontwikkelen van modernisering, verbetering van mensenrechten en andere zaken. Dat kan wenselijk zijn. Het multilaterale forum wordt op vier niveaus georganiseerd. Ten eerste komt er iedere twee jaar een bijeenkomst van de staatshoofden, de regeringsleiders, ten tweede ieder voorjaar een bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken in de marge van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen (RAZEB), ten derde tweemaal per jaar een senior officials-meeting ten behoeve van de vier beleidsterreinen en ten vierde komen er ondersteunende panels ten behoeve van de platforms. De vraag is of Wit-Rusland gezien de uitzonderlijke positie binnen het geheel bij elke bijeenkomst welkom zal zijn. Kan het kabinet daar een concreet antwoord op geven? Van volwaardige participatie kan volgens het kabinet, zo lezen wij in de brief, geen sprake zijn als er in de komende maanden geen significante stappen worden gezet. Men wacht dus op een symbolische stap waarvan een bepaalde intentie uitgaat. Is dat basis genoeg voor Wit-Rusland, geen lid van de Raad van Europa, niet participerend in het nabuurschapbeleid, om opeens mee te doen aan een volgende fase van de samenwerking? Mijn fractie heeft daar sterke bedenkingen bij. Is het niet noodzaak om eerst te verlangen dat het lid wordt van de Raad van Europa als uitdrukking van goede wil? Bij zo’n stap kan namelijk ook geen enkele «voor wat, hoort wat» een rol spelen.

Het kabinet ziet de Raad van Europa bij uitstek als organisatie om de mensenrechtensituatie van de oostelijke buurlanden te verbeteren. Mijn fractie deelt die opvatting. Het is dan ook logisch om volop op dat instrument in te zetten. Op welke wijze gaat dit partnerschap daar een specifieke meerwaarde aan geven? Is dat enkel ondersteunend: zonder medewerking van de raad, geen verdere samenwerking?

Met betrekking tot de veiligheid worden nog meer organisaties genoemd, zoals de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO). Kunnen wij de brief van de regering zo lezen dat naast het ontplooien van het partnerschap, het partnerschap zelf geen specifieke stappen op het gebied van externe veiligheid zal zetten en dat die taken vooral bij het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) en deze twee organisaties zullen liggen?

De heer Blom (PvdA): Voorzitter. Het voordeel van het als laatste in de rij aan de beurt zijn...

De voorzitter: Dat dacht u.

De heer Blom (PvdA): O ja, natuurlijk. Hoe kan ik de voorzitter nu vergeten.

Voorzitter. Het voordeel van als laatste in dít rijtje aan de beurt zijn, is dat je minder hoeft te focussen op zaken die al zijn besproken en het over de grote lijn kan hebben. Wat is de grote lijn volgens de PvdA als wij praten over het Oostelijk Partnerschap? Als men kijkt naar samenwerkingsverbanden met landen buiten de EU, en zeker met die aan onze oostelijke grenzen, is de doelstelling om de mensenrechtensituatie, de economische situatie en zaken die te maken hebben met welvaart en welzijn in dat soort landen te verbeteren. Ik als goed sociaaldemocraat heb dat diep in mijn hart gevlochten, want wij zijn natuurlijk internationaal solidair. Als ik kijk hoe onze regering dat vervolgens aan wil pakken, zie ik daar weinig dingen in waarvan ik denk dat er veel mis mee is. Het is wel zo dat wij ons moeten realiseren waar wij op dit moment zitten en waar wij vervolgens naar toe willen. Dan komen wij meteen tot de discussie of wij dit soort landen wel of niet het perspectief moeten bieden om in de toekomst lid te worden van de Europese Unie.

Het standpunt van de PvdA is, en dat heb ik al eerder verteld, dat in principe elk land dat binnen de geografische grenzen van Europa valt in de toekomst de mogelijkheid zou moeten hebben om zich aan te sluiten bij de EU. Zij moeten dan wel voldoen aan een heleboel criteria, bijvoorbeeld aan die van Kopenhagen. Natuurlijk is het heel belangrijk om te focussen op wat er mis is in dat soort landen. Wij moeten dat ook zeker doen in diplomatieke overleggen, wij moeten constant wijzen op de misstanden die er in die landen zijn en de politieke druk van de EU moet ook groot zijn. Is het echter dan niet aardig om de discussie vervolgens om te draaien door te zeggen dat op het moment dat zij voldoen aan al die criteria er wel degelijk een perspectief is op EU-lidmaatschap? Als de discussie wordt omgedraaid, betekent dit dat zij alleen lid kunnen worden van de Europese Unie als zij voldoen aan alle criteria. Want wat willen wij nu eigenlijk? Wij willen dat dit soort landen gaat voldoen aan die criteria. Daar hebben wij het hierover. Op het moment dat wij zeggen dat wij niet praten over een eventueel toekomstig lidmaatschap vind ik dat eigenlijk niet zo slim, want dan is de intrinsieke motivatie weg die dit soort landen beweegt om grotere stappen te zetten. Wat mij betreft, mogen wij daar wel wat meer ontspannen mee omgaan. Ik bedoel dus niet dat er op zeer korte termijn al sprake moet zijn van een lidmaatschap. Het gaat meer om een vergezicht: waar willen wij uiteindelijk naar toe met dit soort landen?

De heer Van Bommel (SP): Dit is wel één van de kernpunten van het debat wat mij betreft.

De heer Blom (PvdA): Wat mij betreft ook.

De heer Van Bommel (SP): Ik ben blij dat de PvdA hier zo duidelijk stelling neemt. Ik wil het toch even precies weten. Zit u nu op de lijn van de AIV die zegt dat het uitdrukkelijk wel en expliciet moet worden erkend of zit u op de lijn van de regering die zegt dat dit niet aan de orde is, dat wij daar nu niet over gaan spreken en dat het geen voorportaal is naar het lidmaatschap?

De heer Blom (PvdA): Daar moet ik een tweeledig antwoord op geven. Ik begrijp het standpunt van de regering dat zij op dit moment zegt dat het Oostelijk Partnerschap geen voorportaal voor het EU-lidmaatschap is. Iets anders is de inschatting van de AIV dat als men landen niet in de verre toekomst het perspectief biedt om lid te worden van de EU, de stappen veel langzamer worden gemaakt dan wanneer men dat wel doet. Expliciet het Oostelijk Partnerschap aangaan als voorportaal, nee, maar impliciet dat soort landen confronteren met de Kopenhagencriteria, ja.

De heer Van Bommel (SP): Mijn vraag is gericht op duidelijkheid over het standpunt van de PvdA. Dat heb ik nu verkregen, maar dan bent u kennelijk ontevreden met het standpunt van de regering. De regering wenst op dit moment helemaal niet uitdrukkelijk te erkennen dat dit toetredingsperspectief er is. Daar ben ik blij mee, ik steun de regering hierin, maar u bent weer eens afvallig.

De heer Ten Broeke (VVD): Afvallig zijn is al opmerkelijk, maar de vraag is of de PvdA voor de verkiezingen ook nog gaat draaien. Laten wij dit nu eens heel helder vaststellen: de regering is tot nu toe helder geweest over geen perspectief, geen énkel perspectief. U hebt misschien de minister van Buitenlandse Zaken net horen reageren toen de naam Ben Bot viel: dat liet aan duidelijkheid niets te wensen over. Nu zegt u: vanwege de intrinsieke motivatie van die landen waar wij het hier over hebben, moet dat perspectief wel geboden worden. Op termijn, ooit, Kopenhagen, et cetera, maar bottomline moet het perspectief geboden worden. Dat is interessant, dan is dus het nieuwe standpunt van de PvdA hier, vandaag, dat alle landen waar wij het hier over hebben uiteindelijk een perspectief op EU-lidmaatschap wordt geboden.

De heer Blom (PvdA): Volgens mij is dit ook het hoofdpunt waar het om gaat. Op het moment dat wij daar op een goede manier naar kijken, moeten wij de conclusie trekken – en die heb ik al eerder getrokken, niet alleen vandaag maar ook in een heleboel andere debatten – dat de grenzen van de Europese Unie vastliggen binnen de geografische grenzen van Europa. Als landen voldoen aan álle criteria die wij hebben gesteld voor toetreding tot de EU, dan heb ik er geen enkel bezwaar tegen dat dit soort landen bij de EU komt. Het gaat er nu alleen om of wij het Oostelijk Partnerschap gebruiken als perspectief tot toetreding. Daarvan zegt de regering: nee, dat doen wij niet, want dat is pas het eerste stapje van een heleboel stappen die nog moeten komen, die landen zijn nog lang niet toe aan die Kopenhagencriteria. Het advies van de AIV zegt in feite wat ik net zeg: het eventuele lidmaatschap moet niet geblokkeerd worden, maar blokkeren is wat anders dan geen perspectief bieden. Wat ik wil in Europa zijn landen, ook om ons heen, ook aan de oostelijke grenzen, die voldoen aan die Kopenhagencriteria, want dan heb ik exact bereikt wat ik graag wil, namelijk respect voor de mensenrechten, een goede rule of law, een goede jurisprudentie en een goede manier van leven. Dat wil ik! Daar moeten wij naar streven en dat moet het uitgangspunt zijn. Op het moment dat wij dat perspectief weggeven, dat wij zeggen: nooit en te nimmer – voor zover wij dat kunnen zeggen als parlementariërs, want ook wij zijn slechts voorbijgangers – dan blokkeren en remmen wij die stappen waarvan wij willen dat die sneller worden genomen. Dat is precies de discussie die wij voeren als wij praten over de toetreding tot de Europese Unie van een land als Turkije, daarover verschillen wij ook van mening. Wij zeggen dat de ontwikkelingen in dat soort landen beter en sneller gaan door ze erbij te trekken, terwijl u zegt dat u ze er niet bij wilt. Dan zegt u een halt toe aan de ontwikkelingen in dat soort landen zelf. Dat is exact het verschil tussen de VVD en de PvdA: wij vinden dat wij door contacten aan te gaan en te praten, druk uit te oefenen en perspectief te bieden, landen tot verbetering kunnen brengen. U vindt dat wij een soort hek om Europa moeten zetten en moeten zeggen: dit zijn wij met z’n allen en wat er buiten dat hek gebeurt, zal mij een rotzorg zijn en dat is mijn pakkie-an niet. Dat is precies het verschil tussen een liberaal en een sociaaldemocraat.

De heer Ten Broeke (VVD): Er bestaan inderdaad grote verschillen, het is goed dat wij dit vandaag hebben vastgesteld. U zegt iets heel geks: voor de intrinsieke motivatie van die landen is het nodig om ze perspectief te bieden en dat doet u. Dat is nogal wat: die landen een perspectief bieden. U deed dat voor de Balkanlanden en u doet dit nu ook voor de landen van het Oostelijk Partnerschap. U zegt er zelfs bij: als wij dat niet doen, dan komt er niets van terecht. Ik weet niet wat erger is: uw zogenaamde opvatting over de heldere positie van de VVD, die gewoon is njet, of dat u meent dat het deze landen kennelijk niet lukt om hervormingen door te voeren als ú daar niet een plaatje aan verbindt.

Mevrouw Peters (GroenLinks): Ik heb veel sympathie voor het standpunt dat de PvdA hier inneemt. Het lijkt volgens mij veel op het standpunt van de GroenLinks-fractie, ik wil dat even verifiëren. In formuleringen die de EU gebruikt, staat: «the EU will give strong support to these partners in their efforts to come closer to the EU.» Geen woord over toetredingsperspectief wel of niet. De Nederlandse regering heeft zich daarbij aangesloten. Deelt u de mening dat het daarbij moet blijven: niks zeggen, niks uitsluiten?

De heer Blom (PvdA): Volgens mij ben ik hartstikke duidelijk. Ik vind dat elk land dat zich binnen de geografische grenzen van Europa bevindt en voldoet aan de Kopenhagencriteria, uitzicht moet hebben op het lidmaatschap van de Europese Unie, maar dan alleen met het accepteren van diezelfde criteria. De discussie vandaag gaat erover of het Oostelijk Partnerschap nu een voertuig is om tot het EU-lidmaatschap te komen. Daar is het antwoord nee op, maar perspectief bieden mag van mij best. Dat is ook helemaal niet nieuw, ik heb al eerder geroepen dat wij er volgens mij op deze manier naar moeten kijken. Uiteindelijk is hetgeen dat wij bereiken veel meer van belang dan hoe wij het bereiken.

Voorzitter. Natuurlijk besef ik, mijn collega Van Bommel heeft er ook al het één en ander over gezegd, dat wij wel eens wat gedonder met Rusland zouden kunnen krijgen op het moment dat wij de banden met het Oostelijk Partnerschap versterken. Dat is voor mij niet zozeer een vraag, maar een redelijke zekerheid. Op wat voor manier zullen de diplomatieke gesprekken met Rusland plaatsvinden op het moment dat wij over dit onderwerp praten? Hoe gaan wij dan met elkaar om? Hetzelfde geldt voor Turkije omdat daar natuurlijk wel wat gevoeligheden zitten tussen de Kaukasusregio en Turkije zelf.

Op het gebied van de Raad van Europa deel ik de mening van alle vorige sprekers, ik ben er ook lid van. Echter, op het moment dat wij zeggen dat de Raad van Europa zich veel meer met het proces moet bemoeien, vind ik dat wij twee dingen moeten doen. Ten eerste moeten wij zorgen dat de Raad van Europa daar dan ook de middelen voor heeft, want de afgelopen jaren is de begroting op nul gebleven, die is niet gestegen. Ten tweede moeten wij zeggen dat de Raad van Europa zich moet gaan richten op de corebusiness, op democratie en mensenrechten, en de rest moet laten gaan. Toevallig ben ik van de week uitgenodigd, ik ben overigens niet gegaan, door het Subcommittee on Tourism Development van de Raad van Europa om mij op Cyprus vier dagen bezig te houden met de ontwikkelingen van het toerisme op Cyprus. Daar zitten dan 25 tot 30 leden van de Raad van Europa in een vrij luxe hotel aan de kust zich bezig te houden met het Cypriotische toerisme. Ik denk dat de Raad van Europa daar niet voor is bedoeld. Op het moment dat wij eens met z’n allen de agenda van de Raad van Europa tegen het licht houden en een rode viltstift pakken, dan worden de vergaderingen en bijeenkomsten vaker rood dan wit. Wij gaan daar overigens zelf over als parlementaire assemblee. Het zou goed zijn als de raad zich bezighoudt met zijn corebusiness en als de Europese Unie ervoor zorgt dat de Raad van Europa die ook op een goede manier kan uitvoeren met de benodigde middelen.

Voorzitter: Van Bommel

De heer Ormel (CDA): Voorzitter. De intensivering van de samenwerking met de oostelijke buurlanden van de Europese Unie is van groot strategisch belang. Een schil van stabiele landen om de Europese Unie heen garandeert een grotere veiligheid voor onszelf, voor de burgers van de EU. Deze landen worden stabiel als zij Europese waarden incorporeren en dat is ook weer van belang voor de burgers van die landen. Uit oogpunt van internationale solidariteit zijn wij een groot voorstander van de verbetering van mensenrechten, democratie en ontwikkeling van de rechtsstaat in deze landen. Ook energievoorziening en verbetering van de economie zijn van groot strategisch belang, ook voor onszelf. Het moet zonder meer duidelijk zijn, daarin verschil ik met de heer Blom, dat het Oostelijk Partnerschap geen wachtkamer is voor een volwaardig lidmaatschap van de EU. Het moet ook duidelijk zijn voor die landen dat er een «voor wat, hoort wat»-principe is. Er zijn duidelijke markeringspunten die, mits bereikt, voordelen bieden aan die landen met als hoogst bereikbaar specifiek te onderscheiden status het – hier komt het, meneer Ten Broeke – partenariaat en niet een lidmaatschapsperspectief.

In de brief van de regering wordt aangegeven dat zij het partenariaat ziet als een soort maximaal potentieel dat in een glijdend perspectief bereikt kan worden. Wij zijn van mening dat het partenariaat een op zichzelf staand samenwerkingsverband moet zijn dat ook als zodanig gedefinieerd moet worden. Dus niet zomaar de uitkomst van een samenwerkingsverband, maar een specifiek samenwerkingsverband met specifieke voordelen, maar ook met specifieke eisen. Wij hechten er ook aan om de oostelijke buurlanden niet als één geheel te beschouwen, maar ieder land apart, op zijn eigen merites, te beoordelen.

In de brief geeft de regering aan dat de mening van de AIV gedeeld wordt dat het onwenselijk zou zijn indien de intensivering van de betrekkingen met de oostelijke buurlanden een negatieve weerslag zou hebben op onze betrekkingen met Rusland. Hoe bedoelt de regering dit? Natuurlijk zijn goede betrekkingen met Rusland van groot belang, maar daar laten wij niet de intensivering van de betrekkingen met de oostelijke buurlanden vanaf hangen. Wij spreken hier over autonome landen en indien deze landen een betere betrekking wensen met de EU, en de EU wenst dat ook, dan is het aan de EU en de landen zelf. Dat geldt ook ten aanzien van toekomstige vrijhandelsakkoorden met oostelijke buurlanden; de regering is nogal voorzichtig in de brief. Economische integratie mag niet leiden tot ongewenste verlegging van handelsstromen ten nadele van de handelsrelaties met Rusland, zegt de regering. Wij kunnen ons echter voorstellen dat wijnen uit Georgië, die op dit moment Rusland niet binnenkomen, zeer aantrekkelijk kunnen zijn voor leden van de Europese Unie.

Ten aanzien van de mensenrechten heb ik de volgende opmerkingen. In Wit-Rusland heerst geen mediavrijheid. In Wit-Rusland wordt de oppositie onderdrukt, is vorig jaar vier keer de doodstraf voltrokken en is geen sprake van vrije verkiezingen. Wij zijn op zich een voorstander van besprekingen met Wit-Rusland in het kader van het Oostelijk Partnerschap, maar wij zouden het verwelkomen als de aanwezigheid van Wit-Rusland op de top van 7 mei op ministerieel niveau zou zijn. Wij vragen ons met het Nederlands Helsinki Comité af waarom Wit-Rusland de mensenrechtenbeweging Nasha Viasna nog niet heeft geregistreerd. Het zou een mooi gebaar zijn van Wit-Rusland om dat nu eens vóór die 7 mei-top te doen.

Wij hebben ook zorgen over Georgië. Het is ook daar van belang dat de oppositie de vrije mening kan uiten. Hoe beoordeelt de regering het gevangenzetten van leiders van de oppositie? Wat is haar appreciatie van de aangekondigde grote demonstratie van 8 april? Ook Azerbeidzjan en Armenië lijken de vrije pers in toenemende mate te onderdrukken, graag een reactie van de regering.

Wij zijn het eens met de regering dat terughoudendheid gepast is ten aanzien van visumfacilitatie. De regering geeft hiervoor als reden de financiering van visumfacilitatie. Wij zijn ook van mening dat de kosten door de leges gedekt moeten kunnen worden, maar met name bezorgd over mensensmokkel, mevrouw Wiegman noemde het ook, human trafficing, internationale criminaliteit en illegale migratie. Nu lijkt het erop dat juist die illegale activiteiten niet geremd worden door een visumbeleid. Er moet dan ook meer ingezet worden op samenwerking met deze landen op het gebied van inlichtingen en politie. Wij gaan in een Oostelijk Partnerschap uit van volledige samenwerking met deze landen op het gebied van criminaliteitsbestrijding. Graag hierop een reactie. Wij willen ook graag weten wat de stand van zaken is met betrekking tot de visumverstrekking door Wit-Rusland aan kinderen die door Nederlandse vrijwilligers worden uitgenodigd om in Nederland een vakantie te vieren.

Er is een informeel geografische criterium dat gebruikt wordt bij de verdeling van de European Neighbourhood Policy Instrument (ENPI). Op dit moment gaat twee derde van de middelen naar de mediterrane regio en een derde naar de oostelijke regio. Waarom is dat? Moet dat zogenaamde informele geografische criterium nog wel van toepassing zijn en is het niet veel beter te kijken naar objectieve criteria zoals welvaartsniveau en bevolkingsomvang?

Ten aanzien van Moldavië, Oekraïne, Armenië en Georgië zit Nederland in een kiesgroeprelatie voor de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Wat betekent dat voor de Nederlandse positie, hoe wordt dat ingevuld en wat betekent dat voor de positie van Nederland ten opzichte van het Oostelijk Partnerschap?

Wij delen de opvatting van de AIV dat de Europese Unie zich aanzienlijk meer inspanning dan tot nu toe dient te getroosten ten aanzien van frozen conflicts in deze regio. Abchazië en Zuid-Ossetië zijn al burnt conflicts te noemen, maar er zijn ook nog andere conflicten en daar lezen wij eigenlijk te weinig over. Ik denk aan Transnistrië, aan de aanwezigheid van Russische troepen in Moldavië en aan Nagorno-Karabach. Wij vragen nadrukkelijk ook aandacht, en wij hopen dat de regering dit inbrengt, voor de positie van de Internally Displaced Persons (IDP) die door de«frozen conflicts» in deze landen in kommervolle omstandigheden verkeren.

Voorzitter: Ormel

Antwoord van de bewindslieden

Minister Verhagen: Voorzitter. Ik zie de inbreng van de Kamer een beetje als het verlengde van de eerdere discussie die wij gevoerd hebben over het nabuurschap. In het kader van algemene overleggen ter voorbereiding van overleggen van de ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie is er natuurlijk al bij een aantal elementen stil gestaan. Wij hoeven dus niet het hele bredere kader opnieuw ter discussie te stellen, maar ik ga uiteraard in op de vragen. Op de vragen over de Raad van Europa – niet die over de commissies van de assemblee zelf en over de vraag of zij zich over toerisme moeten buigen of niet, want daar gaan parlementariërs over – wat betreft de ministeriele kant, zal de staatssecretaris ingaan, net als op de economische situatie van dit partnerschap, handel, economische ontwikkelingen, elementen van energie en kerncentrales. Ik zal met name ingaan op de discussies in relatie tot de top van 7 mei, de aanwezigheid van Wit-Rusland en de mensenrechten als zodanig, conditionaliteit en specifieke vragen die over een aantal landen zijn gesteld, inclusief het partenariaat.

Met betrekking tot de algemene relatie van de Europese Unie met de oosterburen deel ik de analyse, door iedereen breed gemaakt, dat er diverse belangen zijn op het punt van veiligheid, politiek en economie, energievoorziening- en zekerheid. Ook de AIV heeft juist dit brede palet aan belangen helder geschetst in het advies dat eind februari 2009 is toegezonden. In die zin juichen wij het dan ook toe dat de Europese Unie het initiatief heeft genomen tot oprichting van zo’n Oostelijk Partnerschap omdat men daarmee een kader voor het vormgeven en het nader uitdiepen van die betrekkingen op basis van die belangen kunt doen. Twee weken geleden hebben wij als Europese Raad in principe het startschot gegeven voor dit partnerschap met een verklaring, daar hebben wij ook met de Kamer over gesproken, en het Oostelijk Partnerschap zal formeel 7 mei a.s. worden gelanceerd op de top met die partnerlanden.

In zeker zin is het inderdaad een equivalent van de Unie voor de Mediterrane Regio, de heer Ten Broeke sprak daarover, en ik denk dat het ook goed is dat wij aan beide kanten kijken naar onze buurlanden en hoe wij daarmee de relatie vormgeven. Ik denk dat het ook een mogelijkheid is, mevrouw Peters sprak daar specifiek over, om juist op deze wijze als Europese Unie de waarde van democratisering en mensenrechten beter te stimuleren en wortel te laten schieten in die partnerlanden. De heer Blom zei: wij kunnen ons gaan focussen op wat er mis is, maar wij kunnen ook kijken hoe wij door middel van dit partnerschap juist positievere ontwikkelingen op die terreinen kunnen stimuleren. Dat geldt ook voor de economische en politieke transformatieprocessen in die regio. Die zijn fragiel, daar ben ik het volkomen mee eens, er is een heleboel op aan te merken, maar juist daarom moeten wij kijken hoe wij dat het beste kunnen verbeteren. Met die analyse ben ik het eens. Tegelijkertijd zeggen wij ook als Europese Unie dat er duidelijke voorwaarden zijn aan de mate van intensivering van de betrekkingen. Die voorwaarden liggen juist op het punt van democratie, rechtstaat en eerbiediging van mensenrechten. Dat zijn cruciale voorwaarden die dankzij Nederland zijn opgenomen in de verklaring en ook in de conclusies van de raad is er een verwijzing naar die voorwaarden gedaan. Dat geeft dus eigenlijk aan dat men ook kan differentiëren in de vorm van samenwerking, mede gelet op de staat van dienst van die buurlanden. Er is dus een verband tussen het respecteren van die voorwaarden en de uitbouw van de bilaterale betrekkingen. Wij gaan ze met iedereen aan, maar hoe beter men presteert, hoe intensiever de betrekkingen. Wij kunnen dus differentiëren en die mogelijkheid is er dankzij de Nederlandse inzet in gekomen.

Veel van de leden hebben gevraagd hoe wij omgaan met Wit-Rusland. Er zijn leden die zeggen dat Wit-Rusland zo vreselijk is dat het niet in het Oostelijk Partnerschap moet worden opgenomen. Anderen delen meer de mening van de Nederlandse regering en zeggen dat Wit-Rusland er juist bijgenomen moet worden, maar dat het duidelijk moet zijn dit op een laag niveau is en dat dit hoger kan worden naar mate men verbetert. Ik heb zelf net vertegenwoordigers van de oppositie gesproken. Zij zeggen: «Natuurlijk kunnen wij niet zeggen dat er sprake is van een duurzaam respect voor mensenrechten, van een staat van dienst die aan de normen die wij stellen tegemoet komt of de toets der kritiek zou kunnen doorstaan. Dat zijn wij volledig met u eens en ga ze rustig op de kop zitten om dat duidelijk te maken, maar betrek ons alstublieft wel bij dat Oostelijk Partnerschap. Juist omdat jullie ons niet links laten liggen en ons erbij houden, zien wij die kleine stapjes van verbetering op het punt van de mensenrechten en de relatie tot de oppositie.» Vanwege dit signaal willen wij niet doen, dat heb ik ook gemeld in de eerdere debatten ter voorbereiding van de Europese Raad, of het daar geweldig is en president Loekasjenko hier een platform geven op 7 mei. Dat zou hem eigenlijk een positie geven die zou doen voorkomen dat Wit-Rusland precies hetzelfde is als andere deelnemers. Zowel staatssecretaris Timmermans als ik hebben dat in onze bilaterale contacten, maar ook in de vergadering van de Europese Unie, helder verwoord. Tegelijkertijd hoef ik er geen geheim van te maken dat wij daar redelijk alleen in staan. Dat staan wij wel eens vaker, zoals de leden weten, maar ook hier zegt men dat vanwege het belang om Wit-Rusland erbij te betrekken, om ervoor te zorgen dat het niet in de handen van Rusland gedreven wordt, men het wel moet uitnodigen en het geen excuus moet geven om de rug naar Europa en het gezicht naar Rusland te keren, met alle gevolgen van dien voor Abchazië, Zuid-Ossetië et cetera. Ik heb het punt nog eens helder naar voren gebracht in de raad en collega Timmermans en ik hebben dat gedaan zowel bij de voorbereidende RAZEB, als afgelopen weekend in het Gymnichoverleg.

Wij vinden dat, zoals de heer Ormel eigenlijk ook verwoordde, er in het uitnodigingsbeleid een vertegenwoordiging van Wit-Rusland op lager niveau zou moeten zijn om derhalve ook hier te kunnen differentiëren. Het voorzitterschap beraadt zich nu op het definitieve uitnodigingsbeleid. Ik heb aangegeven dat dit wat ons betreft niet een vertegenwoordiging op presidentieel niveau van Wit-Rusland zou moeten zijn en ik heb gezegd dat, als de meerderheid gevolgd wordt, ik vind dat in ieder geval tijdens die top in alle helderheid moet worden aangegeven welke bezwaren wij hebben tegen het gebrek aan voortgang op het gebied van democratie en respect voor mensenrechten in Wit-Rusland. Wij hebben dat wel eens eerder gedaan bij landen die aanwezig waren op basis van uitnodiging zoals Zimbabwe en Birma. Wij gaan vanwege het grote belang van de top, hem niet blokkeren of laten mislukken, maar wij moeten toch in niet mis te verstane woorden duidelijk maken wat wij van de stand van zaken vinden.

Ik dank de heer Ten Broeke voor de waarderende woorden in relatie tot de enorme inzet van zijn collega Van Baalen met betrekking tot de mogelijkheid voor een Nederlands-Wit-Russische mevrouw om terug te gaan naar Wit-Rusland voor familiebezoek. Mevrouw Wiegman en de heer Ormel vroegen naar de stand van zaken met de uitreisvergunning. Wij hebben heel lang gesproken over de uitreisvergunning voor kinderen die in de nasleep van Tsjernobyl vakantie wordt aangeboden of de mogelijkheid moeten hebben voor vakanties in andere landen waaronder Nederland. Uiteindelijk is het gelukkig goed gekomen voor deze kinderen, maar het is natuurlijk niet structureel opgelost. Eén van de problemen is dat ook een overeenkomst, een bilaterale afspraak, met Wit-Rusland gemaakt moest worden waarbij wij wat bezwaren hadden tegen de inhoud van deze afspraak. De onderhandelingen over de bilaterale afspraak om die vakanties mogelijk te maken, zijn inmiddels in een vergevorderd stadium en ik heb er goede hoop op dat wij binnenkort tot een definitieve regeling kunnen komen zodat wij niet meer in een soortgelijke situatie komen als in het verleden.

Voorzitter: Van Bommel

De heer Ormel (CDA): Ik ben blij dat er vergaande onderhandelingen gaande zijn. Die vakanties vinden met name plaats in de zomervakantie, acht u het waarschijnlijk dat het voor Wit-Russische kinderen deze zomer weer mogelijk is om in Nederland vakantie te vieren?

Minister Verhagen: Daar ben ik heel hard voor aan het werk. Ik had eerder een overeenkomst kunnen hebben, zonder meer, maar dan had ik akkoord moeten gaan met een aantal eisen van Wit-Rusland die naar mijn mening haaks staan op onze verdragsrechtelijke verplichtingen en anderszins. Toen heb ik nee gezegd. Heel simpel: als ik zwart op wit moet gaan aangeven dat allerlei verdragen, asielverdragen noem maar op, buiten toepassing zijn, doe ik dat niet, met alle respect. Tegelijkertijd zeiden zij, daarom was er een eerste blokkade, dat wij het ontvoeren van kinderen mogelijk maken, dat de kinderen zogenaamd voor vakantie komen en dat wij hen dan zogenaamd asiel verlenen. Dat is dus een tijdje een patstelling geweest en wij moesten een dusdanige overeenkomst maken dat ik geen concessies deed aan mijn principes en tegelijkertijd de zorgen wegnam dat wij mensen het land uitsmokkelen. Meer kan ik er eigenlijk ook niet over zeggen, ik heb al heel veel gezegd, maar dan hebt u een beetje een idee van wat er aan de hand is.

Voorzitter. Op de mensenrechten in Wit-Rusland is een hoop aan te merken, de leden hebben daar allemaal over gesproken en vragen gesteld over de mensenrechten in relatie tot de registratiedrang, mevrouw Wiegman vroeg daar specifiek naar. Onze mensenrechtenambassadeur is in Wit-Rusland geweest en heeft op dat punt scherpe kritiek geuit, juist op deze registratiedrang van de Wit-Russische overheid die ten koste gaat van de bewegingsvrijheid van het maatschappelijk middenveld. Ook in OVSE- en Raad van Europaverband wordt dit vraagstuk aangekaart. De heer Ormel wees op de problemen met de mensenrechtenorganisatie Nasha Viasna. Volgens de officiële overheid en de officiële autoriteiten zijn die problemen er omdat de organisatie niet voldoet aan bepaalde administratieve voorschriften. Wij zijn er ook bezorgd over en het is naar onze mening illustratief voor de door ons waargenomen verslechtering van de mensenrechtensituatie en het klimaat voor niet-gouvernementele organisaties (ngo). Dat hangt in wezen samen met de problematiek die hier werd geconstateerd. Er vindt op dit moment ook een gesprek plaats met de Wit-Russische ambassade waarin wij dit punt ook specifiek zullen opbrengen.

Voorzitter: Ormel

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): De minister gaat nader in op de verschillende kanten van de mensenrechten, maar ik heb heel expliciet gevraagd naar die godsdienstvrijheid.

Minister Verhagen: Daar kom ik nu op. U had het over de registratiedrang in relatie tot de ngo’s, net zoals de heer Ormel. Daarnaast kwam het ook over de godsdienst. Die twee dingen kan ik niet tegelijkertijd behandelen.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Ik maakte mij even ernstig zorgen dat u het niet als een expliciet onderwerp zou duiden.

Minister Verhagen: Voorzitter. Op 8 oktober heeft Nederland in OVSE-kader een speciale dag georganiseerd over de vrijheid van godsdienst. Ik heb de godsdienstvrijheid ook specifiek aan de orde gesteld in relatie tot de minderheden juist bij de OVSE-ministeriële in Helsinki. Wij delen de zorgen van mevrouw Wiegman; ik kan niet anders dan die onderstrepen en haar gelijk geven, maar juist op dit punt hebben wij ook de ministeriële gebruikt om duidelijk te maken hoe wij daar tegenover staan. Bij de OVSE-ministeriële in Helsinki hadden wij sowieso een uitgesproken situatie waar, onder andere dankzij ons, het werd ons ook niet in dank afgenomen, niet-gouvernementele organisaties aanwezig konden zijn bij de openings- en sluitingssessie van deze OVSE-ministeriële. Daar hadden zij formeel recht op. Een aantal landen, weliswaar lid van de OVSE, maar dat juist op dit punt problematische posities inneemt, probeerde die toegang van de ngo’s te blokkeren. Formeel, als punt van orde, heb ik uiteindelijk het voorzitterschap ertoe gebracht dat deze ngo’s daar konden zijn om juist over deze problematiek te spreken. Geen ongerustheid: wij zijn daar zeer uitgesproken en zeer actief in.

Mevrouw Wiegman vraagt waarom de visa niet geregeld worden door de ambassade in Kiev, maar door die in Warschau. Wij hebben een aantal afspraken in het kader van Schengen en dat houdt in dat de Wit-Russen die naar Nederland willen reizen een visum kunnen afvragen bij de Duitse ambassade in Minsk. Dus de Wit-Russische kinderen die naar Nederland reizen hebben bijvoorbeeld via de Duitse ambassade hun visum gekregen. Het is dus helemaal niet noodzakelijk om naar Warschau te reizen voor het aanvragen van een visum voor Nederland. In tegendeel, in het kader van de Schengenafspraken kunnen zij dit zonder probleem doen.

Ik wil nu op een aantal landen ingaan op basis van de vragen die daarover gesteld zijn. De heer Ormel vroeg naar de politieke patstelling in Oekraïne omdat er pas in 2010 verkiezingen zouden zijn. De presidentverkiezingen zijn inmiddels vervroegd naar 2009. In sommige landen lijkt het er wel eens op dat dit een rem op hervormingen inhoudt, maar dat hoeft het natuurlijk niet te zijn. Men kan rustig door blijven gaan met noodzakelijke hervormingen ook al vinden er over een tijdje verkiezingen plaats. Ik zie heus wel dat er problemen zijn binnen het Oekraïense politieke spectrum tussen groeperingen die meer toenadering tot het westen zoeken en groeperingen die toenadering tot het oosten zoeken. Hopelijk leiden de verkiezingen tot een meer eensgezinde opstelling van de regering met een duidelijk mandaat van de kiezer, zodat eenduidiger wordt wat het beleid is van de regering. Wij maken hier in Nederland ook mee dat coalities vanuit verschillende invalshoeken toch tot gemeenschappelijke standpunten komen en hervormingen gaan doorvoeren, dus laten wij nu die voorbeelden ook uitstralen ten opzichte van andere landen.

Ik ben zelf vrij recent in Georgië geweest en heb daar ook met leden van de oppositie gesproken. Niet dat dit een eensluidend geheel is, overigens. Zij zijn het geloof ik over één ding eens, dat er een andere president moet komen, maar dan houdt het ook ongeveer op. Ook hier heb ik beide partijen aangespoord met elkaar in gesprek te gaan, juist binnen de kaders van het parlement. Eén van de problemen van een groot deel van de Georgische oppositie is namelijk dat zij buitenparlementair is en niet wil praten met de binnenparlementaire oppositie. Volgens mij gaan mevrouw Peters en de heer Van Bommel toch wat constructiever met elkaar om dan de oppositie daar, ondanks het feit dat ik het niet altijd met hen eens ben. Wij hebben de overheid, de autoriteiten, zowel in mijn gesprekken met de president en de minister van Buitenlandse Zaken als ook met de voorzitter van het parlement opgeroepen om de dialoog met de oppositie aan te gaan. Als men kijkt naar de aangekondigde demonstraties waar ook de heer Ormel naar verwees, is het van belang dat de mensen met elkaar in gesprek komen om escalatie te voorkomen en de orde te handhaven. Het cynische van het geheel is dat één van de grote voorstanders van de aanzet tot de demonstraties, de voormalige voorzitter van het parlement, eerder samen met Saakasjvili voor de hele omwenteling naar meer democratie heeft gezorgd. Vroeger trokken zij zij aan zij op en nu staan zij ongeveer op voet van conflict. Het positieve is dat de Georgische regering de oppositie heeft uitgenodigd om een gesprek aan te gaan over de economische situatie. Dat vind ik een hoopvol teken. Ik zeg niet dat dit door mijn gesprek is gekomen, maar wel door de opstelling van de Europese Unie in zijn totaliteit, waarbij de Europese Unie een recente oproep heeft gedaan aan de Georgische regering om dat gesprek weer aan te gaan.

De heer Ten Broeke had een vraag over de visafacilitatie, de visa voor korte duur. De Europese Unie heeft visafacilitatie-overeenkomsten met een aantal landen, zoals Moldavië en Oekraïne, maar ook met Rusland. De afspraken hebben betrekking op de visa voor korte duur, want voor de langere duur, dus langer dan drie maanden, gelden gewoon de nationale reguliere afspraken die er zijn. Wij maken samen, als Europese Unie, overeenkomsten voor de visa voor kortere duur om snelle uitwisselingen mogelijk te maken, maar hij hoeft niet bevreesd te zijn dat op dit punt de nationale regelgeving overboord wordt gegooid.

Mevrouw Peters vroeg naar de uitwerking van het partnerschap en de relatie met Rusland. Als die top van start is gegaan, op 7 mei, en het politieke proces min of meer gelanceerd wordt, dan krijgen wij daarna de echte uitwerking van het partnerschap. Er komen dan nieuwe contractuele betrekkingen en associatieakkoorden voor landen die daarvoor in aanmerking komen, te beginnen met Oekraïne en Moldavië. Die akkoorden zullen gewoon hier, in de Tweede Kamer, behandeld worden. Wat ons betreft zullen die allemaal ook politieke clausules bevatten met betrekking tot mensenrechten et cetera, juist omdat wij willen kunnen differentiëren. Op dat punt kan ik haar tegemoet komen.

Iedereen ging eigenlijk, met zijn eigen invulling, in op het lidmaatschapsperspectief. Ik wil even heel helder zeggen dat bij dit partnerschap het lidmaatschapsperspectief voor oosterburen niet aan de orde is. Oud-minister Bot mag dat vinden, niets ontneemt hem dat recht, maar de opvatting van de regering is: nee. Het Oostelijk Partnerschap is geen voorportaal voor een lidmaatschap, punt uit! Dat laat onverlet dat op basis van het Verdrag van Lissabon, waar ook de heer Ten Broeke ja tegen heeft gezegd, het iedereen vrij staat om een aanvraag in te dienen. Zo simpel is het. De Nederlandse regering zegt heel duidelijk dat zij de deur nu niet openzet en geen lidmaatschapsperspectief biedt, maar wil samenwerken. Ook de zes oude lidstaten hebben daar een rode lijn getrokken. Ik ben het dan ook niet eens met de AIV, daar ben ik heel duidelijk in, die stelt dat het bieden van een vooruitzicht op toetreding op langere termijn ons een betere positie geeft om invulling te geven aan het partnerschap. Ik gebruik dat partnerschap juist om op basis van allerlei gedeelde belangen verdere stappen te kunnen zetten en politieke en economische hervormingen te kunnen stimuleren. Ik vind ook dat die oostelijke buurlanden er goed aan zouden doen om zich nu niet blind te staren op een lidmaatschapsperspectief, want zelfs de voorstanders zien dat dit de eerste jaren überhaupt niet aan de orde is, en nu eens zouden moeten kijken naar dat hervormingsproces an sich, wat voor grote waarde dat heeft voor de eigen bevolking, en het optimaal benutten van de mogelijkheden die dit Oostelijk Partnerschap biedt. De verwijzing naar een onrealistisch toetredingsperspectief leidt op dit moment tot onwenselijke verwarring en politieke teleurstelling.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Hier komen wij denk ik op het punt waarmee ik mijn bijdrage begon; het kabinet heeft zelf een prachtige zin opgeschreven als reactie op hoe het tegen het Oostelijk Partnerschap aankijkt en hoe het zit met die gedeelde belangen en noem maar op. Dan is de vraag: hoe gemeenschappelijk wordt dit dan beleefd binnen de Europese Unie en door de landen zelf, die daar misschien zelf wel met bepaalde verwachtingen zitten? Is dat allemaal helder genoeg?

Minister Verhagen: Het is buitengewoon helder kan ik u verzekeren. Dit is ook tijdens de Europese Raad, zowel door de premier als door mijzelf, nog eens heel helder naar voren gebracht.

Voorzitter. In dit kader vroeg de heer Ormel of dit allemaal niet nodig zou zijn als wij nu eindelijk eens werk zouden gaan maken van die partenariaatgedachte. Het blijft altijd interessant om met hem nader te spreken over het partenariaat, te meer omdat de vraag die hij daar oorspronkelijk over stelde kamerbreed gesteld werd door de motie-Ormel (31 202, nr.13). Het concept van het partenariaat heeft, zoals wij weten, geen plek in de Europese verdragen, staat wel als zodanig in de regeringsverklaring en wij hebben hem daar vorig jaar mei een brief over gestuurd. Wij achten het partenariaat van toepassing op twee categorieën landen. Ten eerste op de kandidaat-lidstaten die de toetredingsonderhandelingen niet meer kunnen of willen voortzetten en ten tweede op de zes oostelijke buurlanden uit het Europees nabuurschapsbeleid. Wij zijn van mening dat het partenariaat de facto overeenkomt met het maximale bereik van het Europees nabuurschapsbeleid. Daarom ben ik het niet helemaal met hem eens dat wij dit nu als blok moeten zetten; ik denk dat het juist wel een proces wil zijn. Wij hebben de differentiatie in het kader van het partnerschap en als wij optimaal gebruik maken van alle mogelijkheden die dit biedt, dan komen wij uit op het partenariaat. Dan is er namelijk op allerlei terreinen samenwerking zonder dat men lid is van de Europese Unie. Dus zonder deel te nemen aan de instituties van de Europese Unie heeft men wel op het punt van bijvoorbeeld handel, visa en allerlei zaken samenwerkingsverbanden.

De heer Van Bommel (SP): Dan moeten wij dus eigenlijk constateren dat het partenariaat er al is. Die situatie is namelijk denkbaar, bereikbaar en beschreven, dus dan hoeven wij hiervoor geen nadere voorzieningen te treffen, want het is in feite een staat die bereikt kan worden. Dan kunnen wij allemaal tevreden naar huis op dit punt.

Minister Verhagen: Ik ben blij dat u tevreden naar huis kunt.

Mevrouw Peters (GroenLinks): Ik was ook geneigd om die gevolgtrekking van de heer Van Bommel te trekken. Waar het EU-raamwerk nu al alle mogelijkheden van het partnerschap gaat bieden, biedt het partenariaatidee niets extra’s. Het is met andere woorden hetzelfde, er wordt niets toegevoegd. Wij hebben het vocabulair om te duiden wat het partenariaat is eigenlijk niet nodig en kunnen volstaan met het woord partnerschap.

Minister Verhagen: U moet nu niet weglopen van iets dat u zelf gevraagd hebt. Ik mag u aanspreken op consistentie: u was één van de ondersteuners van de motie-Ormel net als de heer Van Bommel. Met alle respect: die was kamerbreed. Ik ken uw moties hoor. U hebt daar toen om gevraagd; ik neem aan dat u zich nu niet distantieert van iets waar u een jaar geleden om vroeg.

Mevrouw Peters (GroenLinks): Ik ben ermee geholpen en ik bereik een voortschrijdend inzicht als de minister mij hier uitlegt dat het partenariaatidee eigenlijk niets toevoegt aan het formeel door de EU uitgewerkte partnerschapidee. Dan is eigenlijk, bij nader inzien, dat hele partenariaatidee overbodig, niet nodig en misschien geen goed idee.

Minister Verhagen: Ten eerste is dat wat ik nu zeg niet nieuw ten opzichte van hetgeen ik in oktober heb gezegd toen wij de discussie voerde over het nabuurschap in het algemeen. Toen heb ik gezegd: dit is naar mijn mening de meest optimale invulling. Als wij optimaal gebruik maken van de mogelijkheden die het nabuurschap, c.q. het partnerschap bieden, komen wij eigenlijk tot het partenariaat, want dan heeft men in wezen alles zonder dat men lid is van de Europese Unie. Ten tweede blijft het desalniettemin van belang om het partenariaat te hebben omdat het van toepassing is op twee categorieën landen. De ene categorie is de landen die wij op dit moment geen toetredingsperspectief willen geven en de andere is de landen die niet langer willen of kunnen werken aan de toetredingsonderhandelingen. Met andere woorden: een land waarmee wij nu toetredingsonderhandelingen hebben dat niet onder het partnerschap valt, het Oostelijk Partnerschap, het nabuurschap of de Mediterrane Unie, moet daar ook voor in aanmerking kunnen komen als het uiteindelijk besluit te stoppen met de toetredingsonderhandelingen. U hebt ook zelf over landen gesproken die hier niet onder vallen.

De heer Blom (PvdA): Het wordt mij een beetje ingewikkeld. Wij hebben nu een partnerschap, een partenariaat, een nabuurschap, associatie- en stabilisatieovereenkomsten, kandidaat-lidstaten: het wordt een hele lappendeken van allerlei landen die wij in hokjes plaatsen.

Staatssecretaris Timmermans: Welcome to my world.

De heer Blom (PvdA): Ik word daar eerlijk gezegd niet zo vrolijk van. Als wij dat nu eens gewoon kunnen versimpelen door te zeggen dat er aan de ene kant een partnerschap is dat geen automatisch uitzicht biedt op lidmaatschap en dat er aan de andere kant kandidaat-lidstaten zijn. Dan zijn er twee groepen, dat moet toch genoeg zijn?

Minister Verhagen: Nee. U zegt hier zelf al, en dat steunde u toen wij twee weken geleden de Europese Raad in gingen, dat wij vinden dat er ook binnen het partnerschap gedifferentieerd moet worden, dat er landen zijn die al verder doorgegaan zijn met hun economische, rechtstatelijke en democratische hervormingen en dat wij naar mate ze meer rechtstaat, meer democratie, meer respect voor mensenrechten hebben, meer economisch in staat zijn met ons samen te werken, ook meer vormen van samenwerking krijgen. Wij differentiëren dus zelfs al daarbinnen. Niet ieder land is hetzelfde. Het aardige is juist, en daarom ben ik voorstander van het ontwikkelen van dit soort instrumenten zowel met betrekking tot de oosterals de zuiderburen, dat wij een min of meer op maat toegesneden vorm van samenwerking krijgen, een intensievere samenwerking of een minder intensieve samenwerking al naar gelang de staat van zo’n land. Als men eigenlijk economisch geïntegreerd is, doordat men optimaal in staat is om samen te werken op dit soort terreinen, en zowel economisch als op andere manier geassocieerd is aan het Europees beleid, dan zit men in die vorm van het partenariaat en als dat niet het geval is, blijft men in een heel summiere vorm van samenwerking zitten.

Voorzitter: Van Bommel

De heer Ormel (CDA): Ik wil twee aspecten toevoegen aan deze discussie over het partenariaat. Ten eerste: een punt dat niet genoemd wordt en dat wel in de motie-Ormel staat, is dat een partenariaatvorm exclusief is voorbehouden aan landen die zich bevinden in het werelddeel Europa. Dat betekent dus dat een partnerschap met landen in bijvoorbeeld Noord-Afrika nooit kan uitmonden in een partenariaat. Ik denk dat dit een belangrijk verschil is. Ten tweede: ik ben van mening, dat gaf ik in mijn eerste termijn ook aan, dat het partenariaat een wenkend perspectief kan zijn voor landen, dat dit betekent dat er markeringspunten moeten zijn waaraan die landen moeten voldoen alvorens ze een partenariaat kunnen hebben en dat daar dus ook iets tegenover moet staan. Het zou bijvoorbeeld zo kunnen zijn dat ten aanzien van visumfacilitatie er wat meer mogelijkheden zijn. Dat betekent dan wel dat die landen een op orde zijnd judicieel systeem moeten hebben, een goed werkend politieapparaat en dergelijke. Met andere woorden: er moeten markeringspunten zijn, er moet iets tegenover staan, het is voorbehouden aan landen die liggen binnen het werelddeel Europa en dat maakt het partenariaat wel degelijk tot een andere vorm dan een partnerschap-plus of wat dan ook, dat ook aan Marokko of Egypte voorbehouden zou kunnen zijn. Is de minister ten aanzien van de markeringspunten van mening dat Europa daar wellicht nog wat meer uitwerking aan zou moeten geven?

De heer Van Bommel (SP): Ik wil hier nog aan toevoegen dat de motie-Ormel niet kamerbreed is aangenomen. Mijn fractie heeft deze motie tenminste niet gesteund.

De heer Ormel (CDA): Maar zij had wel een duidelijke meerderheid.

Minister Verhagen: Ik heb eigenlijk weinig toe te voegen aan de schets van de heer Ormel. Juist vanwege dat perspectief is dus ook een lidmaatschapsperspectief niet in het kader te plaatsen, zoals de AIV dat deed. Dat hangt hier ook mee samen.

Voorzitter: Ormel

De heer Blom (PvdA): Voor de duidelijkheid nog even terug naar de discussie over het partenariaat. Ik begin het een mooi woord te vinden, ik kan het ook steeds gemakkelijker uitspreken. Als de heer Ormel bedoelt dat het partenariaat bedoeld is voor landen die eigenlijk exact aan alle Kopenhagencriteria voldoen, maar niet lid worden van de EU, heeft wat mij betreft dat partenariaat weinig zin. Want op het moment dat aan alle Kopenhagencriteria is voldaan, mogen zij wat mij betreft lid worden van de EU. Zo heb ik, als PvdA, dat partenariaat nooit gezien; dat misverstand moet dan wel even uit de weg, anders gaat mijn redenatie vanuit mijn eerste termijn ook niet op dat er als men alle criteria moet voldoet geen probleem is. Dat wou ik maar even gezegd hebben. Ik ben dus niet voor een B-lidmaatschap.

De voorzitter: Wij hebben over het partenariaat reeds gesproken, toen is de motie aangenomen. Wij zijn nu in debat met de minister.

Minister Verhagen: Als u verder uw discussie wilt voeren: ga uw gang. Ik hoor de uitkomst wel. Even serieus: wij hebben hier uitvoerig over het partenariaat gesproken, ik heb een brief gestuurd over de zienswijze van de regering, daar is een debat over gevoerd. Als u de discussie iedere keer wilt openbreken, ga uw gang, maar doe dat in uw eigen tijd.

Het is in ieder geval duidelijk dat er veel initiatieven zijn die deels overlappen. Dat is ook omdat de alomvattendheid van de betrekkingen met onze buren om meer specifiekere instrumenten vraagt; verschillende instrumenten die deels hetzelfde terrein bestrijken. Wij hebben ook Zwarte Zeesynergie, de Baltische Zeesamenwerking, de noordelijke dimensie, los van dit soort dingen zijn er allerlei vormen en dat geeft aan dat er een veelheid van relaties is en een veelheid van belangen waarbij wij in verschillende vormen met deze landen samenwerken.

Voorzitter. Mevrouw Peters en de heer Ormel vroegen hoe het zit met de landen die geen lid zijn en waar het Oostelijk Partnerschap wel consequenties voor heeft, zoals Rusland en Turkije. Allereerst is het zo dat wij duidelijk gesteld hebben bij de discussie over de vormgeving van het Oostelijk Partnerschap dat, los van het feit of men formeel tot het Oostelijk Partnerschap behoort dus ook als men niet uitgenodigd is bij de start op 7 mei, het toch naar onze mening van belang kan zijn om met bijvoorbeeld Rusland en Turkije op bepaalde deelgebieden de samenwerking open te houden, bijvoorbeeld op het gebied van energie, visserij in de Zwarte Zee en milieu. Dat is evident omdat er landen zijn die deel uitmaken van het Oostelijk Partnerschap waarbij Turkije en Rusland weer betrokken zijn. Dat wil niet zeggen dat zij een stem hebben; het gaat er niet om dat Rusland of Turkije bepalen wat wij doen met die landen in het Oostelijk Partnerschap. Ik ben het ermee eens dat als wij praten over betrokkenheid er geen sprake mag zijn van een vetorecht van landen. Omdat het echter naaste buurlanden zijn van de landen van het Oostelijk Partnerschap of van de Europese Unie en strategische partners, zijn ze op sommige deelgebieden gewoon nodig. Ik heb met mijn Russische collega overigens in alle openheid gesprekken over op welke wijze dat zou kunnen, net als met mijn Turkse collega.

De heer Ten Broeke (VVD): Het is een interessante invalshoek die de minister daar kiest. Ik vraag mij af of dit het Oostelijk Partnerschap, bijvoorbeeld als wij het hebben over Turkije, de mogelijkheid geeft om onderhandelingen te openen over zaken die te maken hebben met energiesamenwerking, terwijl men dat in het kader van het kandidaat-lidmaatschap van Turkije niet doet. Dat is een ander perspectief, maar dat kan nuttig zijn.

Minister Verhagen: Dat kan, alles kan. Ik wil daar wel eens over denken. Het zou best kunnen, maar op dit moment wordt er juist in het kader van de energiesamenwerking ook in relatie tot Nabucco wel met Turkije gesproken. Dat element is dus niet voorbehouden aan de vraag of dit in zo’n vorm wordt gegoten.

De heer Ten Broeke (VVD): Het hoofdstuk met Turkije in het kader van de kandidaat-lidmaatschapsonderhandelingen die betrekking hebben op energie, is gesloten. Dat zou misschien geopend kunnen worden, daar moeten wat voorwaarden voor worden vervuld, maar dat leidt dan altijd op den duur tot lidmaatschap. Als uw Oostelijk Partnerschap, waar ik ook de nodige twijfels bij heb, nu ineens een leuk perspectief ziet, de mogelijkheid biedt om in dit belangrijke gebied, dit belangrijke beleidsveld, wel met Turkije door te praten zonder dat dit ergens toe hoeft te leiden, dan zou ik dat maar eens onderzoeken als ik u was.

Minister Verhagen: Wij zullen er nader naar kijken of dit nog verdere mogelijkheden biedt. U zei dat het hoofdstuk over energie gesloten is, maar dat is nog niet geopend, wij zijn er nog helemaal niet over begonnen. Dat is in relatie tot het Ankaraprotocol één van de meest essentiële hoofdstukken waar wij straks pas over gaan praten. Wij moeten niet onze eigen positie ondergraven in relatie tot het dwingend naleven van het Ankara-protocol en door deze opstelling in een situatie komen dat wij aan de ene kant zeggen: zolang jullie het Ankaraprotocol niet hebben vervuld, gaan wij dit hoofdstuk niet openen omdat wij dit zien als één van de zeven essentiële. – U wilde helemaal geen hoofdstukken openen, herinner ik mij nog –. Ook moeten wij niet aan de andere kant nu elementen via deze samenwerking gaan uitdiepen die onze eigen instrumenten uit handen slaan.

De heer Ten Broeke (VVD): Als dat werkelijk zo is, is dat een versterking van de redenering. Wij hebben al geconstateerd dat het met het Ankaraprotocol niet opschiet. Als u de druk erop wilt houden dan is zo’n Oostelijk Partnerschap misschien niet eens zo’n slecht idee. Het is in ons belang op energie voortgang te boeken, maar wij willen die voortgang niet boeken met als uiteindelijke kost dat dit leidt tot verder afspraken die kunnen leiden tot een lidmaatschap, Minister Verhagen: Nee, nee, nee, u gaat het hier juist erger maken. Wij hebben vanuit de Europese Unie en Nederland wel degelijk contacten in het kader van de Nabuccolijn en anderszins, als het gaat over het veilig stellen van energiezekerheid. Wij schieten niet in onze eigen voet, maar met wat u voorstelt, halen wij ons enige drukmiddel weg en schieten wij onszelf wel in de voet. Ik constateer ook dat u een tegengesteld spoor vaart. U zegt: wij zijn klaar, wij hoeven helemaal niets meer te openen, en in uw verkiezingsprogramma zegt u dat Turkije over een paar jaar lid is, maar wel met allerhande clausules ten aanzien van het vrije verkeer van personen. Ook daar constateer ik dat u niet consistent bent.

De heer Ten Broeke (VVD): Wij zijn wel consistent; u opende alleen net een hele andere mogelijkheid om waar het in ons belang is, met Turkije verdergaande afspraken te maken. Wij kunnen dan in ieder geval voortgang boeken. U geeft zelf al aan dat u zonder dat het energiehoofdstuk is geopend dit toch al aan het doen bent, op zichzelf begrijpelijk en verstandig, en dat in het kader van het Oostelijk Partnerschap volgens u dit evident en uitdrukkelijk nooit tot een lidmaatschap kan leiden. Dat lijkt mij met Turkije aan de orde, want dat is ons belang en daarmee houdt u de druk op de ketel, want een kandidaat-lidmaatschap komt er niet dichter mee in de buurt.

Minister Verhagen: Nee, nee, nee. Nu gaat u via een achterdeurtje heel iets anders proberen en ik vind dat achterbaks. Ik vind dat wij gewoon open en straight moeten zijn. Komt u nu dan maar met het water naar de dokter en zeg dat u tegen het lidmaatschap bent, maar dan handelt u in strijd met uw eigen verkiezingsprogramma. Dat vind ik prima, u mag ook voortschrijdend inzicht hebben, ik ga niet over uw opvattingen. De Nederlandse regering zegt echter: zij komen niet bij de Europese Unie als zij niet voldoen aan de criteria, punt uit. Die hoofdstukken worden niet geopend als zij niet voldoen aan het Ankaraprotocol, zo is het, en als zij er allemaal wel aan voldoen, gaan wij die hoofdstukken openen en de toetredingsonderhandelingen afronden. Dat is wat wij doen. Wij zijn eerlijk en wij zijn hard.

De heer Ten Broeke (VVD): Wij willen ook eerlijk en hard zijn, want zij voldoen niet aan het Ankaraprotocol, dus er worden geen nieuwe hoofdstukken geopend. Heel belangrijk is dat wij ons in dit geval geen mogelijkheden onthouden. Nu is het heel simpel: u zegt zo-even dat u nog wel eens wilt onderzoeken of dat Oostelijk Partnerschap energiesamenwerking niet kan intensiveren. Op dit moment kunt u dat bijna niet doen omdat u dan de onderhandelingen zou moeten openen en die liggen nu juist weer vast omdat niet aan het Ankaraprotocol wordt voldaan.

Minister Verhagen: Nee, dat is niet waar. Alsof ik niet op een aantal terreinen, bijvoorbeeld over de Nabuccopijplijn zou kunnen...

De heer Ten Broeke (VVD): Kunt u het energiehoofdstuk op dit moment openen of niet? Het antwoord is: nee.

Minister Verhagen: Niet in het kader van de toetredingsonderhandelingen.

De heer Ten Broeke (VVD): Zo is het.

Minister Verhagen: Wilt u dat dan wel?

De heer Ten Broeke (VVD): Nee, ik zeg juist dat ik dat absoluut niet wens en dat hebben wij trouwens al gezegd, dus wij zijn eerlijk, hard en duidelijk.

Minister Verhagen: Wat wilt u nu ?

De voorzitter: Nu sluiten wij dit hoofdstuk af. Dank u wel meneer Ten Broeke. Ik verzoek de minister zijn beantwoording af te ronden.

Minister Verhagen: Wellicht dat het partenariaat voor de heer Ten Broeke nog uitkomst biedt.

Voorzitter. Collega Timmermans zal de overige vragen beantwoorden.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Ik heb nog een vraag waarvan ik vermoed dat die bij de minister ligt. Ik heb gewezen op het feit dat in Wit-Rusland de Belarussian Christian Democracy Party wordt opgericht; er is eind februari, begin maart een congres geweest. Er zijn 1000 handtekeningen nodig om de partij op te richten, zij hebben er inmiddels 1076, maar ondertussen worden er mensen onder druk gezet om die handtekening in te trekken. Alleenstaande moeders wordt bijvoorbeeld gedreigd met ontslag om de druk op die manier op te voeren. 12 april is een belangrijke datum omdat de regering dan uitspaak moet doen, dus ik wil dit punt onder aandacht van de minister brengen en vragen of hij dit wil oppakken.

Minister Verhagen: Dat zeg ik toe.

Staatssecretaris Timmermans: Voorzitter. Het grote verschil tussen het Oostelijk Partnerschap en de Unie voor de Middellandse Zee is natuurlijk dat het bij het Oostelijk Partnerschap om Europese landen gaat. Dan zijn wij weer bij de discussie over wat er in het verdrag staat. Daar staat in dat Europese landen een aanvraag voor het lidmaatschap kunnen doen. Dat kunnen landen uit de Middellandse Zeeregio niet. Dat wil dan nog niet zeggen dat landen van het Oostelijk Partnerschap ook perspectief hebben op toetreding. Het is niet ingewikkelder dan dat. Het is natuurlijk zo dat er allerlei ambities overal leven, allerlei volstrekt onrealistische verwachtingen. Sommigen denken dat als men maar lid is van de Europese Unie de Mercedesimporteur bij iedereen een Mercedes voor de deur komt zetten. Het is nogmaals heel simpel: in het verdrag staat dat Europese landen een aanvraag mogen doen tot toetreding, maar alle bestaande lidstaten bepalen of dat gebeurt. De Nederlandse regering is daarin, volgens het adagium, strikt maar fair. Wij doen onze afspraken gestand, maar wij maken geen afspraken die wij niet kunnen waarmaken. In de Europese Unie wordt daar, zoals de commissie weet, verschillend over gedacht. Er zijn inmiddels flink wat lidstaten die vinden: hoe meer hoe beter, hoe sneller hoe beter. Er zijn echter ook lidstaten zoals Nederland, en gelukkig groeit dat aantal, die zeggen: daar doen wij niemand een plezier mee, nog het minst de landen waar het om gaat, want als men te vroeg in al dat economische, financiële, politieke geweld van de Europese Unie terechtkomt, raakt men als nieuwe lidstaat vermorzeld. Bovendien hebben wij ook nog te maken met wat Helmut Schmidt noemde: «Wir müssen es verkraften.», wij moeten het zelf ook kunnen verwerken. Ik wil dit nadrukkelijk in dit kader plaatsen omdat ik kwijt wil dat er anders over gedacht wordt door andere lidstaten en dat Nederland hiervoor moet knokken. Dat doen wij met de steun van de Kamer. Ik zeg het ook nadrukkelijk omdat dit niet is omdat wij een bekrompen visie zouden hebben op de Europese Unie, maar omdat wij vinden dat dit in belang is van zowel de partnerstaten als van onszelf.

Veel mensen in andere landen gebruiken de woorden partnerschap en partenariaat door elkaar. Dat is ook gewoon een kwestie van taal. Toen het idee van het partenariaat werd gelanceerd, hadden wij nog geen Europees nabuurschapsbeleid, nog geen Oostelijk Partnerschap en dat is allemaal een vorm van invulling van dat partenariaat. Daarmee is niet dat partenariaat helemaal ingevuld en ik ben het met de heer Ormel eens dat er ook nog andere methoden zijn om het in te vullen, maar maak het nu niet ingewikkelder of controversiëler dan het is. Natuurlijk is het de volkssport voor politici om zaken scherp te stellen en verschillen te zoeken, maar ik denk dat de verschillen hier misschien niet zo groot zijn.

De landen ten oosten van de Europese Unie worden, heel, heel hard geraakt door de economische en financiële crisis. Dat laat ons niet onberoerd. De financiële sector in die landen is meestal in handen van EU-banken, vooral Duitse en Oostenrijkse banken, maar ook Nederlandse. Dat het daar nu zo heel erg slecht gaat, raakt ook de economie van de Europese Unie. Zeker een land als Oostenrijk heeft daar op dit moment heel veel last van. Wat is dan het instrument van de Europese Unie om hier iets aan te doen? De Unie heeft het eigen instrument, daarom heeft de Europese Unie besloten die faciliteit bij de Europese Raad te vergroten, maar nog veel belangrijker zijn de instrumenten van het IMF waar vandaag in Londen over wordt gesproken. Het IMF heeft het beste instrumentarium en de beste toegang om het bieden van financiële verlichting in tijden van financiële krapte te combineren met de noodzaak van structurele hervormingen die nadrukkelijk aanwezig is in die landen. Het IMF stelt nu snel beleid bij omdat deze crisis, deze vraaguitval, andere antwoorden vraagt dan eerdere crises. Het is ook goed dat vandaag wordt gesproken over een forse verhoging, wereldwijd, van IMF-middelen. Men begrijpt elkaar daarin goed en de Europese Unie heeft zoals bekend de faciliteit van het IMF verhoogt met 75 mld.. Het begrip tussen IMF en EU, zonder dat dit formeel vastligt, is dat dit met name is bedoeld voor de landen in Oost-Europa. Dat is niet makkelijk met die landen omdat bijvoorbeeld Oekraïne wel graag de financiële verlichting wil, maar niet snel bereid is om de structurele aanpassingen door te voeren die daarvoor wel nodig zijn. Mevrouw Timosjenko en president Joestsjenko waren bijvoorbeeld bij de ontmoeting van de christendemocraten aan de vooravond van de Europese Raad en dan ziet men dat zij wel bereid zijn om gesteund te worden in deze moeilijke tijd, maar dat de bereidheid om te doen wat nodig is en ervoor te zorgen dat zij er goed uitkomen, wat minder nadrukkelijk aanwezig is. Er moet nog behoorlijk wat dialoog gevoerd worden voordat wij dat voor elkaar hebben.

Wij moeten ook zelf opletten dat wij de neiging van de West-Europese banken om zich in deze onzekere tijd helemaal terug te trekken op de thuismarkt een beetje proberen af te remmen daar waar mogelijk. Daar hebben die landen extra last van omdat zij bijna geen eigen financiële en bancaire sector hebben en bovendien allemaal met heel zwakke munten moeten werken.

De heer Ormel zei dat de regering zegt dat de oostelijke landen moeten boeten voor het feit dat Rusland geen WTO-lid is. Dat is niet wat wij zeggen. Wij zeggen juist dat de economische integratie met de oostelijke buurlanden niet afhankelijk blijft van voortgang of het gebrek daaraan in de toetreding van Rusland tot de WTO. Wij willen niet die landen door Rusland laten gijzelen, in tegendeel. Dat Rusland voortdurend beweert dat de toenadering, de samenwerking die wij zoeken een vorm is van empire building vanuit de Europese Unie of van concurrentie met Rusland over invloedsferen, wil ik echt met kracht tegenspreken. Die landen hebben zelf de wens voor meer economische aansluiting met de Europese Unie, het is voor de stabiliteit van de Europese Unie ook goed dat te doen, maar het heeft niets te maken met een soort great game in Europa tussen Rusland en de Europese Unie.

De heer Ormel (CDA): U zegt wel in uw brief dat economische integratie niet mag leiden tot ongewenste verlegging van handelsstromen ten nadele van de handelsrelatie met Rusland.

Staatssecretaris Timmermans: Op het moment dat wij Rusland economisch gaan afknijpen, is het probleem misschien een paar honderd kilometer verplaatst, maar niet minder groot. Wat dat betreft zit het hele continent in hetzelfde schuitje: ook een gunstige economische ontwikkeling van Rusland is in ons belang.

Voorzitter. De heer Ormel vroeg naar de vrije pers in Armenië en Azerbeidzjan. Daar maken wij ons zorgen over, hoewel er ook lichte verbeteringen te zien zijn: meer pluriformiteit en wat meer persvrijheid. Dat is ook het gevolg van druk van buitenaf door de Raad van Europa en de Europese Unie. Wij laten dat zeker niet los en doen dat via de Europese Unie en de Raad van Europa en ook bilateraal. De heer De Gooijer is onlangs in Azerbeidzjan geweest waar hij dit punt nadrukkelijk bij zijn gesprekspartners aan de orde heeft gesteld.

De heer Van Bommel en mevrouw Wiegman vroegen naar de Raad van Europa en de mensenrechten. Voor de Europese Unie is de Raad van Europa een belangrijke onderaannemer bij het uitvoeren van mensenrechtenprojecten. De Raad van Europa geeft in totaal ongeveer 35 mln. uit aan die projecten. 30 mln. daarvan komt rechtstreeks uit de EU-begroting omdat de Raad van Europa de mensen en de expertise heeft om dat op een goede manier te doen in die landen en bovendien op een inclusieve manier omdat het om lidstaten gaat. Daarom gebruikt de Europese Unie ook graag de Raad van Europa als instrument daarin. De Europese Unie doet dat op projectbasis; wij kunnen dus niet zeggen dat er meer geld naar de Raad van Europa moet om dat te doen. Als de raad met projecten komt, zal de Europese Unie die steunen. Ik vind wel, de heer Van der Linden maakte dat punt onlangs in de Eerste Kamer, dat met name het Europees parlement – daar gaan wij hier niet over, maar misschien is het ook een gedachte om van beide kanten de dialoog te voeren – zegt: wij hebben een commissie mensenrechten, wij hebben daar 100 mln. per jaar en wij hebben wat moeite om dat uit te geven. Ik denk dan: zoek contact met de Raad van Europa en kijk of er niet, bijvoorbeeld met de parlementaire assemblee van de Raad van Europa, nog meer goede projecten op te zetten zijn. De expertise, ook bij het secretariaat van de Raad van Europa, is wel degelijk op dat punt aanwezig. Daar zou men ook meer gebruik van kunnen maken, met name in de Kaukasus. Overigens draagt Nederland op vrijwillige basis ook nog eens extra financiële middelen bij aan de programma’s. Dat heeft ook veel te maken met de zeer intensieve aandacht van beide Kamers voor het werk van de Raad van Europa.

Omdat de energie-infrastructuur zo gebrekkig is en bijvoorbeeld gas vaak maar één richting op kan stromen, het zou goed zijn als het beide kanten op zou kunnen stromen, dit op zich al politiek en economisch een destabiliserende factor, wordt nu met spoed gewerkt aan projecten om te proberen daar verbetering in aan te brengen. Dat geldt zowel lidstaten in het oosten als buurlanden in het oosten. Daar kan iedereen aan meedoen, daar is ook geen belemmering voor. Men zou zich kunnen voorstellen dat zo’n netwerk ook anderen zou kunnen raken, met name Turkije, en dan is er ook geen belemmering om daar een intensievere samenwerking in op te zetten. Ook daar dreigt altijd weer, zoals laatst ook bleek rond Oekraïne, een Russische reactie dat wij de wortels uit hun moestuin proberen te halen. In onze ogen is dat een overtrokken reactie omdat ook Rusland gediend is met grotere stabiliteit op dit punt. Het gaat natuurlijk om mega-investeringen, zoals altijd bij energie- en pijplijninvesteringen. De EU investeert 2,5 mld. in Oekraïne, maar dat is geen overname, dat is investeren in energie-infrastructuur die dringend noodzakelijk is voor de belangen van de Europese Unie maar ook voor die van Rusland.

Mevrouw Peters vroeg naar de kerncentrales. Natuurlijk, al jarenlang, sinds de eerste discussie over de toetreding aan het begin van de jaren negentig, is veiligheid van kerncentrales een absolute topprioriteit van de Europese Unie. De commissie is betrokken bij alle projecten, ook in landen als Georgië, Oekraïne en Rusland. Ook Nederland is bilateraal betrokken en draagt bij aan twee fondsen: het Chernobyl Shelter Fund en de Nuclear Safety Account. Wij dragen voor ongeveer 10 mln. bij en dat wordt via de European Bank for Reconstruction and Development (EBRD) gesluisd.

Moldavië en Oekraïne streven naar toetreding tot de Europese energiemarkt, dat betekent dat zij ook de regels die voor productie, transport en distributie gelden, moeten overnemen. Ook op dit punt is er natuurlijk een rechtstreeks Russisch belang gediend. Het is zo jammer dat dit te weinig wordt ingezien in Moskou. Als die regels gelden, kan Oekraïne niet meer die streken uithalen die zij dit afgelopen jaar heeft uitgehaald. Nederland zal de positie die wij hebben, wij hebben een goede relatie met Rusland op dit gebied, gebruiken om dat onder de aandacht te brengen.

De heer Ten Broeke vroeg wat «deep and comprehensive» betekent als wij het hebben over free trade agreements. Ook dat is altijd weer een hele semantische discussie. Er zijn free trade agreements die als men ze bestudeert helemaal geen free trade agreements zijn. Men wil dan graag een vrijhandelsovereenkomst sluiten, men durft niet de hele route af te leggen en dan zegt men: nu ja, wij hebben maar een paar dingen geregeld, maar het is toch een vrijhandelsovereenkomst. Dat komen wij wereldwijd tegen. Daarom gebruiken wij heel precies de term «deep and comprehensive» omdat wij daadwerkelijk tot een volledige vrijhandel willen komen zoals wij dat ook eerder met andere landen hebben bereikt.

Profiteert de bevolking van de economische groei of is die ongelijk verdeeld, vroeg mevrouw Wiegman. Die vraag is niet met een algemeen antwoord te beantwoorden, want dat verschilt enorm van land tot land. Overigens is dat niet alleen een probleem van die oostelijke landen als men hoort wat iemand als Robert Reich, de voormalig minister van Buitenlandse Zaken onder Clinton, heeft te vertellen over de Verenigde Staten en de gedachte die onder Reaganomics is ontwikkeld dat men de allerrijkste alle ruimte geeft en dat dit dan vanzelf doorsijpelt in de economie. Toen men met dat idee begon, had 1% van de Amerikaanse bevolking, de rijksten, nog maar 8% van het bruto nationaal product (bnp) in handen. Nu zijn wij aangeland bij het feit dat 1% van de rijkste Amerikanen 25% van het bnp in handen heeft en dat er niets doorsijpelt naar de middenklasse of de lage klasse. Daar is sprake van een verkeerd bewezen economische theorie omdat die niet heeft geleid tot het effect dat was beoogd. In een aantal Oost-Europese landen dacht men bijvoorbeeld dat een hele lage «flat tax» of helemaal geen belasting of totale vrijheid voor ondernemers heel goed zou uitwerken en daar heeft hetzelfde effect zich voorgedaan: er is een hele kleine groep extreem rijke mensen die het geld niet in zijn eigen economie uitgeeft. Los van een moreel of politiek oordeel dat men kan hebben, is vanuit de economische redenering een betere inkomensspreiding verstandiger omdat dit meer geld in de economie geeft. Daar is voor een hele hoop oostelijke buurlanden nog verbetering nodig, ook wat betreft de versterking van de positie van het midden- en kleinbedrijf. Het midden- en kleinbedrijf moet juist voor de banen en de groei zorgen, veel meer dan de oligarchen en de hele grote bedrijven.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Ik besef hoe complex dit soort economische vraagstukken zijn en hoe bescheiden de rol van Nederland is. Ik denk echter dat op het moment dat er afspraken worden gemaakt met deze landen rondom energiezekerheid, waarbij wij toch ook vooral gericht zijn op ons eigen belang en de energiezekerheid die wij in ons land willen waarborgen, wij toch iets van randvoorwaarden kunnen stellen. Er zitten jongens als Kolja in zo’n oude mijnstad waar ongelofelijke vervuiling en uitzichtloosheid is. De mensen daar profiteren niet van en liften niet mee op dat energievraagstuk en de vernieuwing en verduurzaming.

Staatssecretaris Timmermans: Dat is waar, maar het probleem is helaas nog breder dan dat. In de transformatie die zich na de omwenteling heeft voltrokken – prima dat markteconomie er is gekomen, prima dat er afgerekend is met die totalitaire regiems – waren de partijbonzen in een dusdanige uitmuntende uitgangspositie dat zij ook de grootaandeelhouders of de eigenaren werden van bedrijven die later veel meer waard zijn geworden als gevolg van de markteconomie. Dat is ook een enorme bron van ongelijke inkomensverdeling en dat zal ook moeten worden aangepakt. Het gaat dus nog veel verder dan alleen dat punt van die energie. Wat kunnen wij dan als Nederland of als Europese Unie doen? Essentiële elementen om dit te bereiken zijn: heel veel op laag, grassroots-niveau opereren, het stimuleren van bedrijvigheid – het midden- en kleinbedrijf is daar essentieel voor – het versterken van de positie van de middenklasse, het werken aan democratisering, het bestrijden van corruptie, het transparant maken van eigendomsverhoudingen en het invoeren van een werkend burgerlijk wetboek. In sommige landen, zoals Tsjechië en Polen, is dat bijvoorbeeld beter gelukt dan in een land als Hongarije, zeg ik dan maar eerlijk als wij over lidstaten spreken, en in andere landen moeten wij dat ook zien te bereiken.

De heer Ten Broeke (VVD): In uw betoog maakt u heel snel de stap van de planeconomie, die daar gelukkig voorbij is, naar de voodoo-economics reagan-style die daar in sommige landen zijn entree heeft gedaan en die niet aan veel mensen ten goede komt. U geeft net aan wat er mogelijk is, maar dan leg ik u toch nog even de quote voor die ik al eerder aan mevrouw Wiegman heb voorgelegd uit het advies van de AIV, dat de programma’s die zich met name op de lokale economie richten aanzienlijk zouden moeten worden vereenvoudigd en dat ook de bewijskracht er eigenlijk niet is dat ze op dit moment substantieel of überhaupt voldoende bijdrage leveren aan die economische en politieke hervormingen. Wat moeten wij dan met dat Oostelijk Partnerschap, wat zitten daar dan nog voor handvaten in langs de lijnen die u net schetst?

Staatssecretaris Timmermans: Ik moet nog maar eens goed naar die conclusie van de AIV en de onderbouwing daarvan kijken, want ik wil die niet voorshands zo overnemen. Als wij kijken naar de ervaringen van bijvoorbeeld een bank als ING met dit soort projecten in die landen, dan zijn die ervaringen vaak ook heel positief. Als wij kijken naar de ervaringen die wij hebben met bijvoorbeeld ons Matra-programma dan zijn die ervaringen ook vaak heel positief. Dat is niet de enorme schaal waarbij men meteen de hele transformatie voor elkaar krijgt, maar het is wel een graadmeter voor hoe die zaken werken. Als wij op dat niveau het Oostelijk Partnerschap nog meer zouden kunnen invullen, met de ervaring die wij hebben opgedaan met de transformatie van landen die nu lidstaten zijn, denk ik dat wij nog een hele hoop kunnen bereiken. Ik wil graag nog eens nadrukkelijker naar de kritiek van de AIV kijken en uiteraard moeten wij dan ook bereid zijn om het beleid bij te stellen als blijkt dat het niet of onvoldoende werkt. Dat zullen wij ook zeker doen, maar voorshands lijkt het opereren op dat niveau het meest effectief om te bereiken wat wij allemaal willen.

De heer Ormel (CDA): Ik had u nog een vraag gesteld over de ENPI.

Staatssecretaris Timmermans: Er is inderdaad een informele afspraak gemaakt. Als men een bepaald bedrag bestemt voor het Oostelijk Partnerschap dan moet twee keer zo veel naar de Middellandse Zeeregio gaan. Dat is een vuistregel die algemeen wordt gehandhaafd, een informele afspraak. Hij is op zich niet zo onlogisch gelet op de omvang van het aantal landen in de respectievelijke samenwerkingsverbanden en gelet op de problematiek in de beide regio’s. Het heeft alles te maken met dat in de EU sommige lidstaten meer aandacht hebben voor de ene regio en andere lidstaten weer voor de andere. De stroomversnelling waarin het Oostelijk Partnerschap is gekomen, is eerlijk gezegd ook het gevolg van de stroomversnelling waarin de Unie voor de Middellandse Zee terecht is gekomen. «Als jullie dat krijgen, willen wij dit.» Nederland iséén van de landen, samen met Duitsland en nog een aantal andere, dat zegt dat wij bij beiden evenveel belang hebben. Daarom zijn wij geneigd dat evenwicht te accepteren, maar het is geen wet. Het is alleen te accepteren als het gebaseerd is op rationele argumenten die te maken hebben met het potentieel van beide samenwerkingsvormen. Met andere woorden: als blijkt dat in het Oostelijk Partnerschap veel meer kan en dat de drempel daar financiële middelen is, terwijl blijkt dat om politieke of andere redenen in de Middellandse Zeeregio veel minder zou kunnen, dan achten wij ons niet gehouden aan politieke afspraken omtrent de verdeling van de middelen. Het moet wel gaan om wat wij er praktisch mee kunnen doen.

Nadere gedachtewisseling:

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Voorzitter. Ik dank de bewindslieden voor het antwoord en ook voor de hele concrete toezeggingen over de vakantiereizen voor de kinderen en de aandacht van de OVSE voor de vrijheid van godsdienst. Ik wil graag van de staatssecretaris een reactie op de kindertehuizen en de gehandicapten, zeker gezien zijn inzet daarvoor in een land als Bulgarije. Ziet hij daarvoor ook mogelijkheden in de oostelijke buurlanden? Ook dank ik minister Verhagen voor de aandacht voor de oprichting van die partij. Hoe gaat hij dat precies doen? Het kan via de mysterieuze wegen van de diplomatie, daar geef ik graag de ruimte voor, maar ik zou wel graag rond de datum van 12 april de terugkoppeling krijgen, wat er precies uit is gekomen en of hij enige invloed daarop heeft kunnen uitoefenen.

De heer Ten Broeke (VVD): Voorzitter. Het is erg lang en erg veel gegaan over al die ringen die rondom Europa liggen. Het is mij niet zo ontzettend veel duidelijker geworden wat het Oostelijk Partnerschap daar voor toegevoegde waarde zou kunnen hebben, tenzij het zo is dat het Oostelijk Partnerschap op zaken die vanuit de Europese Unie van belang worden geacht, energie is daar de meest vooraanstaande, versnelling kan inbrengen. Ik heb al eerder gevraagd, ook in een ander verband, of de relatie met Turkije heel nadrukkelijk kan worden onderzocht omdat het én in het belang van Turkije én in het belang van Europa en onze energieonafhankelijkheid is. Het is mij niet helemaal duidelijk of ik nu wel of niet een toezegging heb van de minister van Buitenlandse Zaken om te kijken wat er extra mogelijk is, bovenop wat al gebeurt, zonder dat de consequentie van het openen van hoofdstukken in het kader van de kandidaatstelling voor het lidmaatschap aan de orde is. Juist om zich aan de afspraken te houden en pragmatisch te opereren in het kader van onze nationale belangen, kan het Oostelijk Partnerschap mogelijkheden bieden. Dat lijkt mij fair en ook zeer in ons belang.

Tot slot het verschil tussen het Oostelijk Partnerschap en die Club Med waarmee ik begon. Mag ik vaststellen dat die laatste beantwoording niet betekent dat er een soort van harmonisering gaat plaatsvinden omdat het verwachtingspatroon van de zuidelijke landen wordt afgestemd op dat wat de oostelijke landen misschien aan verwachtingspatroon hebben? Het kan dus niet zo zijn dat de landen die evident niet tot Europa behoren, ook verdragsmatig niet, nu ineens dezelfde verwachtingen kunnen gaan hebben.

De heer Ormel (CDA): Voorzitter. Het is goed dat er aandacht wordt gevraagd voor Nasha Viasna de Wit-Russische mensenrechtenorganisatie. Ik wil vragen om dat ook via het Tsjechische voorzitterschap in EU-verband aan te kaarten bij de Wit-Russen. Een delegatie van deze commissie gaat begin mei naar Georgië voor een werkbezoek. Daarom verzoek ik om ons een verslag van het bezoek dat de minister had te zenden, voorafgaand aan het bezoek van de Kamer. Als laatste had ik aandacht gevraagd voor de frozen conflicts, ik hoor daar graag nog een nadere beantwoording op.

Minister Verhagen: Voorzitter. Ik zal mij uiteraard aan de dingen houden die ik mevrouw Wiegman heb toegezegd, maar ik weet niet of 12 april lukt. Ik zal uiteraard een terugkoppeling geven van de stand van zaken, maar ik vind 12 april wel heel vroeg en ik vraag mij af wat exact de reden is om daar 12 april aan te koppelen.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Dat is het moment waarop de regering van Wit-Rusland de knoop zal doorhakken of deze partij een plek zal krijgen of niet.

Minister Verhagen: Dat begrijp ik, maar daar zit het probleem net. Ik zeg u toe u op de hoogte te houden van de gang van zaken met enige kanttekeningen ten aanzien van de datum.

Voorzitter. De heer Ten Broeke zegt terecht dat het Oostelijk Partnerschap juist in het belang is van en ook als instrument kan dienen voor belangenbehartiging van de Europese Unie. Dit is duidelijk een tweesnijdend mes. Wij streven naar intensivering, niet alleen omdat wij die landen willen helpen, maar omdat wij er zelf ook belang bij hebben. Een ring van stabiele buurlanden is in het belang van de stabiliteit, van de economische groei, de economische betrekkingen, in het belang van onze eigen werkgelegenheid en voor goede relaties met die buurlanden om redenen van veiligheid en mensenrechten et cetera. Daar heeft hij volkomen gelijk in. Wij moeten ook niet beschroomd zijn om onze eigen belangen, ook als het gaat om energiezekerheid en -voorziening, via dat Oostelijk Partnerschap veilig te stellen.

Turkije is geen lid van het Oostelijk Partnerschap. Ik ga niet nu het lidmaatschap openstellen om bijvoorbeeld via deze weg de toetredingsonderhandelingen die wij voeren buiten de deur te zetten. Er waren landen die zeiden: laten wij Turkije ook maar uitnodigen omdat bij bepaalde projecten in het kader van het Oostelijk Partnerschap Rusland en Turkije betrokken worden. Er waren ook afgelopen weekend, bij het Gymnichoverleg, mensen die Turkije wilden uitnodigen. Ik vroeg: hoe zit Turkije dan daar bij die top? Aan de Europese kant in het kader van de toetredingsonderhandelingen of aan de kant van degenen van het Oostelijke Partnerschap waarvoor geen toetredingsperspectief is? Vandaar dat ik in de interruptie zo reageerde omdat ik dacht dat de heer Ten Broeke, dat noemde ik achterbaks, dit als achterdeurtje gebruikte om de toetredingsonderhandelingen buiten de deur te zetten en dat doe ik niet. Dit laat onverlet dat daar waar er een evident belang is van beide kanten om Turkije bij bepaalde projecten te betrekken, als wij zaken doen met Armenië of andere landen, wij dat op deze manier kunnen doen.

Ik zeg de heer Ormel toe dat ik via het voorzitterschap aandacht vraag voor de Wit-Russische mensenrechtenorganisatie. In zijn algemeenheid is het effectiever om dit via de EU te doen. De Europese Unie is nauw betrokken bij het onderhandelingsproces over een oplossing van het vraagstuk van Transnistrië. Er is een speciale vertegenwoordiger aangesteld, de Hongaar Mizsei, die in het kader van het vijf-plus-twee-overleg van de OVSE, Rusland, Moldavië, Oekraïne, Transnistrië, de VS en de EU, die laatste twee als waarnemers, gesprekken voert over een duurzame oplossing van dat conflict. Het gaat moeizaam, dat ben ik met u eens, maar het is tegelijkertijd van belang om dat proces wel in stand te houden, want zo lang er gesproken wordt, wordt er niet geschoten om het maar heel simpel en cru te zeggen. Ten aanzien van Nagorno-Karabach vinden gesprekken plaats in het kader van de OVSE-Minsk-groep die wordt voorgezeten door Frankrijk, Rusland en de Verenigde Staten. De Europese Unie heeft daar een minder prominente positie. Wel is het zo dat Morel, de speciale vertegenwoordiger voor de Kaukasus, betrokken is bij dat proces. Overigens heeft hij in relatie tot Georgië op dit moment ook wel zijn handen vol aan andere activiteiten, met name aan het vlottrekken en op gang houden van het Genèveproces.

Staatssecretaris Timmermans: Voorzitter. Mij rest nog één vraag over de kinderen. Die landen kampen nog allemaal met die perfide erfenis van het communisme waarbij ieder kind waar ook maar één vlekje aan zat meteen weggestopt werd, uit de maatschappij werd gehaald. De maatschappij was natuurlijk ideaal en in die ideale maatschappij kwamen geen zieke kinderen voor. Er zijn dus generaties mensen opgegroeid die maar één reflex hadden als zij een kindje kregen met het syndroom van Down of met een ander gebrek: meteen weg. De hele sociale infrastructuur is daarop ingesteld. Dat omdraaien, is een maatschappelijke omwenteling. Daarom zetten wij ook met voorrang onze Matra-gelden in voor dit soort projecten. Ook de ENPI-gelden worden voor dit soort projecten ingezet; zowel op microniveau, individuele tehuizen, steden of dorpen, als op macroniveau, bij het opnieuw inrichten van de hele gezondheidszorg. Hierbij wordt geprobeerd het concept in te voeren dat inmiddels in West-Europa geaccepteerd is, dat men kinderen zo veel mogelijk in hun eigen sociale omgeving laat opgroeien, ook als hiervoor enige extra steun nodig is.

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

Ormel

De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken,

Waalkens

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

Van der Kolk-Timmermans


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van Bommel (SP), Van der Staaij (SGP), Wilders (PVV), Waalkens (PvdA), Van Baalen (VVD), Çörüz (CDA), Ormel (CDA), voorzitter, Ferrier (CDA), Van Velzen (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Haverkamp (CDA), Blom (PvdA), Eijsink (PvdA), Van Dam (PvdA), Dezentjé-Hamming-Bluemink (VVD), Irrgang (SP), Knops (CDA), Boekestijn (VVD), Voordewind (ChristenUnie), Pechtold (D66), ondervoorzitter, Ten Broeke (VVD), Van Raak (SP), Gill’ard (PvdA), Thieme (PvdD) en Peters (GroenLinks).

Plv. leden: De Wit (SP), Van der Vlies (SGP), De Roon (PVV), Vermeij (PvdA), Van Miltenburg (VVD), Omtzigt (CDA), Spies (CDA), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Jasper van Dijk (SP), Ten Hoopen (CDA), Jonker (CDA), Boelhouwer (PvdA), Leerdam (PvdA), Arib (PvdA), Neppérus (VVD), Lempens (SP), Schermers (CDA), Griffith (VVD), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie), Koşer Kaya (D66), Van Beek (VVD), Gesthuizen (SP), Samsom (PvdA), Ouwehand (PvdD) en Vendrik (GroenLinks).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), Atsma (CDA), Van Bommel (SP), ondervoorzitter, Van der Staaij (SGP), Waalkens (PvdA), voorzitter, Van Baalen (VVD), Ormel (CDA), Van Velzen (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Jan Jacob van Dijk (CDA), Blom (PvdA), Eijsink (PvdA), Van Dam (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Jonker (CDA), Irrgang (SP), De Roon (PVV), Boekestijn (VVD), Pechtold (D66), Ten Broeke (VVD), Gill’ard (PvdA), Jasper van Dijk (SP), Thieme (PvdD), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie) en Peters (GroenLinks).

Plv. leden: Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), De Wit (SP), Van der Vlies (SGP), Vos (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Haverkamp (CDA), Lempens (SP), Schermers (CDA), Knops (CDA), Jacobi (PvdA), Samsom (PvdA), Kuiken (PvdA), Teeven (VVD), Spies (CDA), Roemer (SP), Wilders (PVV), Nicolaï (VVD), Van der Ham (D66), Van der Burg (VVD), Besselink (PvdA), Van Leeuwen (SP), Ouwehand (PvdD), Voordewind (ChristenUnie) en Vendrik (GroenLinks).

Naar boven