Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-200931700-XVI nr. 26

31 700 XVI
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2009

nr. 26
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG

Vastgesteld 29 oktober 2008

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport1 heeft op 27 oktober 2008 overleg gevoerd met staatssecretaris Bussemaker van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het onderdeel Sport van de begroting 2009 en aanverwante zaken.

Van het overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Smeets

Adjunct-griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Sjerp

Stenografisch verslag van een wetgevingsoverleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Maandag 27 oktober 2008

10.15 uur

De voorzitter: Atsma

Aanwezig zijn 4 leden der Kamer, te weten:

Atsma, Blom, Leijten en Zijlstra,

en mevrouw Bussemaker, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Aan de orde is de behandeling van:

de brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 14 april 2008 inzake de uitkomsten informele EU-sportministersbijeen­komst Brdo (21501-27, nr. 5);

de brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 3 april 2008 inzake kaderstellende afspraken Impuls Nationaal Actieplan Sport en Bewegen (30234, nr. 15);

de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 2 juni 2008 inzake het onderzoeksrapport De economische betekenis van sport in Nederland (30234, nr. 16);

de brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 4 juli 2008 inzake voortgang sportbeleid (30234, nr. 18);

het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2009 (31700-XVI);

de brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 29 september 2008 inzake het onderzoek Combineren van topsport met studie (30234, nr. 20);

de brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 26 maart 2008 inzake het werkbezoek aan China van 16 tot en met 23 februari 2008 (31200-XVI, nr. 128);

de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 2 juni 2008 inzake het onderzoeksrapport over de economische betekenis van sport in Nederland (30234, nr. 16);

de brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 8 oktober 2008 over het beleidskader Sport, Bewegen en Onderwijs (30234, nr. 21).

De voorzitter:

Goedemorgen, dames en heren, hier en thuis aan de buis. Welkom bij dit wetgevingsoverleg van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport met de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Dit wetgevingsoverleg gaat over de sportonderwerpen die de begroting met zich brengt. Daarnaast is een flink aantal andere stukken aan de agenda toegevoegd. Ik stel vast dat voor dit begrotingsoverleg de gebruikelijke sprekersvolgorde kan worden gehanteerd. Dit betekent dat wij beginnen met mevrouw Leijten van de SP. Op dit moment zijn vier fracties aanwezig, de fracties van de VVD, de Partij van de Arbeid, de SP en het CDA. Ik sluit niet uit, sterker, ik hoop dat zich nog in de loop van de ochtend andere collega's zullen melden. Treinen hebben vertraging, spitsstroken werken niet et cetera; wij houden dus overal rekening mee. Wellicht is het bij een enkeling gister­avond na een feestje van de plaatselijke sportclub ook te laat geworden. Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Leijten.

MevrouwLeijten(SP)

Voorzitter. Sport is een smeermiddel voor de samenleving. Mensen ontmoeten elkaar, spelen samen om te winnen en leren ook verliezen. Sport is een smeermiddel voor ieders lichaam om gezond te blijven en een middel tegen overgewicht, voor het verwerven van goede motoriek en ter voorkoming van allerlei aandoeningen. Sport is gezond en bij sport geldt dat jong geleerd oud gedaan is. Daarom wil ik de staatssecretaris complimenteren met het initiatief dat zij samen met staatssecretaris Van Bijsterveldt van OCW heeft genomen voor het versterken van sport in het onderwijs en op het mbo. Dit is al jaren een vurige wens van de SP. Vorig jaar nog raadde de staatssecretaris een motie van de SP over dit onderwerp af, met het argument dat dit bij het ministerie van OCW thuishoorde. Gelukkig heeft zij nu samen met het ministerie van OCW de verantwoordelijkheid genomen om meer sport op school te krijgen. Er wordt 28 mln. vrijgemaakt om de bewegende jeugd van 40% naar 50% te brengen. Dat is nog maar de helft, stel ik vast, en de SP vraagt zich af waar de ambities van de Alliantie School & Sport zijn gebleven om in 2010 90% van de jeugd minimaal een uur per dag te laten sporten op of buiten school. De 5 mln. voor het mbo is een start, maar wij betreuren het dat dit een subsidie is voor projecten. Is de staatssecretaris het met de SP eens dat een goed sportbeleid op scholen meer nodig heeft dan projectsubsidie?

Wat ons betreft, wordt samen met de ministeries van OCW en VWS gedegen gekeken naar de mate waarin gesport wordt in het onderwijs en hoe dit beter moet en kan. Al jaren geleden heeft de Kamer zich met de motie-Rijpstra van de VVD uitgesproken voor minimaal drie uur sport per week op school. De SP is daar nog steeds voor, want als wij dit met ons allen afspreken, dwingt dat om de daad bij het woord te voegen en stopt dat het naar elkaar wijzen. Dat laatste kenmerkt op dit moment wel een beetje de sport. De gemeente wijst naar de scholen en de scholen wijzen naar de gemeente. De scholen wijzen naar het ministerie en het ministerie van OCW wijst naar het ministerie van VWS en weer terug. Dan zijn er nog sportbonden die naar iedereen wijzen. Wij zouden graag willen dat de staatssecretaris verantwoordelijk is voor alles wat er gebeurt op het gebied van sport, of dit nu via de minister voor WWI, via OCW of wat dan ook loopt. Wij willen dat zij in ieder geval de leiding neemt.

Dit brengt mij op het volgende punt. Sporten in de buurt is van groot belang voor mensen die wij nu niet bereiken met sportvoorzieningen in het onderwijs of via de verenigingen. Ik doel met name op ouderen en chronisch zieken, die te weinig bewegen. Ook voor hen is sport een smeermiddel voor hun lichaam. Is de staatssecretaris bereid om een actieplan te maken om sporten in de buurt te versterken, zodat er dichtbij, laagdrempelig en betaalbaar gesport kan worden voor en door ouderen en chronisch zieken in de buurt?

Wij hebben heel wat uitgewerkte plannen van de staatssecretaris ontvangen. Daarin staan de ambities en afspraken met anderen voor samenwerking. Wij hebben een lijvig rapport gehad over de economische waarde van sport en de gang naar de mogelijke Olympische Spelen in Nederland in 2028. Daarop kom ik nog terug. Wat ik echter mis is een uitgewerkt plan voor de gehandicaptensport. Mijn vraag is waarom dit er nog niet is. Is hiervoor dan niet zo veel ambitie? Op één ding stevenen wij duidelijk af. Dat is dat per 1 december van dit jaar het vervoer voor gehandicapte sporters bovenregionaal afloopt. Dat heet Transvision. Er zijn grote zorgen bij gehandicapte sporters. Zij zijn op dit moment in competitie, maar weten niet of zij nog naar hun wedstrijden en trainingen kunnen. Kan de staatssecretaris toezeggen dat deze regeling niet verdwijnt en dat volgend jaar de gehandicaptensport nog bereikbaar is? Voor de SP-fractie is sport geen aangelegenheid van de interne markt van de Europese Unie. Dit standpunt hebben wij in de Kamer en in het Europees Parlement al eerder verkondigd. De SP'ers waren de enige Nederlandse Europarlementariërs die tegen het witboek hebben gestemd. De SP-fractie wil weten wat het standpunt van het kabinet is. Ik ben namelijk een beetje in verwarring. Ik weet dat het kabinet samen met de Fransen een afwijkende positie heeft ingenomen met betrekking tot het witboek. Wat is het standpunt van het kabinet in de discussie over de 6+5-regel van de FIFA? De FIFA pleit voor zes spelers uit eigen land in de opstelling. Zo kan talent worden ontwikkeld en krijgen minder rijke clubs de kans om talenten langer vast te houden. De SP-fractie is van mening dat de politiek, en dus ook de Europese Unie, niet over de opstelling gaat. Als de voetbalbonden dit internationaal of Europees afspreken, moeten zij daar vanzelf uitkomen. Als blijkt dat wetgeving hierbij in de knel komt of dat het juridisch onmogelijk is, zal dit ook blijken. De FIFA en de UEFA moeten dit maar uitvechten, zonder dat de Europese Commissie zich ermee bemoeit. Daarom willen wij de staatssecretaris vragen om bij de Europese Commissie bezwaar aan te tekenen tegen de door de Commissie voorgenomen procedure voor ingebrekestelling van landen die met de FIFA-regeling gaan werken. Dit moet toch bepaald worden door de clubs zelf. Laat de Europese Unie vooral zorgen voor goede antidopingtesten en programma's tegen hooliganisme. Daarin kan de Europese Unie een goede rol spelen.

De heerZijlstra(VVD)

Vindt de SP-fractie dat de EU zich niet moet bezighouden met de voorgestelde richtlijn van de FIFA, de 6+5-regel? Als dit zo is, wat vindt mevrouw Leijten ervan dat de EU zich bijvoorbeeld ook heeft beziggehouden met contracten, namelijk in het Bosman-arrest? Dat was namelijk ook een voortvloeisel van de ingreep van de EU in geldende regels in het voetbal. Vindt mevrouw Leijten dat ook dat moet worden teruggedraaid?

MevrouwLeijten(SP)

Deze uitspraak laat zien dat er een bepaalde bemoeienis van de EU is. Het kan dus zijn dat de 6+5-regel in Europa problemen oplevert. Ik vind dat de FIFA en de UEFA daar zelf uit moeten komen. In het witboek staat het voornemen van de Europese Unie over een talentenbeleid bij topclubs. Het zou goed zijn als de topclubs en de bonden dit zelf afspreken en dat de Europese Unie zich er niet mee bemoeit. Dat is heel duidelijk onze stelling. Ik denk persoonlijk dat de 6+5-regeling een heel mooi idee is om talenten bij clubs te houden. Maar nogmaals, ik vind dat de politiek en dus ook de Europese Unie niet gaan over de opstelling van de clubs. Daar moeten zij zelf uitkomen.

De heerZijlstra(VVD)

Bij het Bosman-arrest over de contracten voor de voetballers heeft de EU ook ingegrepen. Volgens mij vond de SP-fractie dit toen prima. Toen zijn – niet door mevrouw Leijten, maar in het algemeen – termen gebruikt als slavernij in het voetbal. Waarom zou het vrij verkeer van personen bij de 6+5-regeling wel worden uitgeschakeld, terwijl dit bij het Bosman-arrest niet het geval was? Wat is het onderscheid?

MevrouwLeijten(SP)

De 6+5-regeling gaat over de opstelling en niet over het aannamebeleid.

De heerZijlstra(VVD)

De 6+5-regeling gaat uiteindelijk ook over het aannamebeleid. Als een bepaald aantal voetballers uit een bepaald land moet komen, beïnvloed je impliciet het aannamebeleid van een club.

MevrouwLeijten(SP)

Maar dit gebeurt niet rechtstreeks. De 6+5-regeling gaat over de opstelling, de ontwikkeling en de kansen van talenten bij hun eigen club. Ik weet dat de UEFA ook bezwaren heeft. Als de UEFA vindt dat deze regeling niet goed is, moet zij dit aan de FIFA duidelijk maken, mogelijk via juridische procedures. Dit moet op dat niveau worden uitgevochten. Ik vind niet dat de politiek hierin een rol heeft. Ik vind de 6+5-regeling wel anders dan het Bosman-arrest, omdat de eerste over de opstelling gaat en niet over contracten en aannamebeleid.

De eerste twee kabinetten-Balkenende hebben behoorlijk bezuinigd op de sport. De basisinfrastructuur van de sport is op dit moment afhankelijk van de lotto- en totogelden. De SP-fractie vindt deze situatie onwenselijk. De SP-fractie vindt het een goede zaak als de basisinfrastructuur op termijn door het Rijk zou worden betaald, zeker als dit de uitkomst is van alle onderzoeken naar de economische waarde van de sport. Dit is in lijn met de wens van Nederland om een echt topsportland te worden en de Olympische Spelen van 2028 te organiseren. Dit is voor de SP-fractie een essentiële voorwaarde voor een stap in de richting van een"bid" voor de Spelen. De harde infrastructuur van wegen, stadions en accommodatie voor spelers zullen er wel komen door het vliegwiel, het smeermiddel van de Olympische Spelen. Wij vinden dat de politiek moet zorgen voor de goede infrastructuur van de sport. Is de staatssecretaris bereid hiernaar te kijken? Uiteraard zal daarover nog uitgebreid gesproken worden in het kader van het Olympisch Plan 2028. Het is eigenlijk onmogelijk om nu als politieke partij te zeggen of je voor of tegen bent, omdat nog niet bekend is wat het kabinet gaat doen met het olympisch plan en evenmin wat het gaat kosten. Hoe gaan wij de ambities waarmaken om maatschappelijk ook een sportland te worden? Voor de SP-fractie is een en ander echter wel bespreekbaar, want met ambitie is niks mis. Wij vinden wel dat de kosten van tevoren duidelijk moeten zijn, zowel van voorwaardelijke zaken als infrastructuur en dergelijke als van de organisatie zelf. Daarover moet optimale openheid bestaan, want als blijkt – zoals nu in Londen het geval is – dat het steeds maar duurder wordt, dan zou dat het draagvlak voor de Olympische Spelen onder druk kunnen zetten; de SP-fractie zou dat betreuren.

De heerBlom(PvdA)

Is de SP-fractie het met mij eens dat het organiseren van Olympische Spelen – wat mij betreft ook het WK voetbal 2018 – geld oplevert in plaats van geld kost?

MevrouwLeijten(SP)

Dat weten wij niet. Dat is maar hoe het berekend wordt. Uit onderzoek van Economische Zaken blijkt dat het geld oplevert, maar er zijn bijvoorbeeld berekeningen van eerdere Olympische Spelen, waaruit blijkt dat het meer heeft gekost dan het heeft opgeleverd. De vraag is daarbij ook wat je dan in de berekeningen meeneemt: alleen de kosten voor organisatie of ook de infrastructurele kosten?

Voor de SP-fractie speelt thans die vraag niet. Mijn fractie vindt het een uitstekende ambitie om op maatschappelijk vlak een sportland te worden en kan de stappen in het olympisch plan onderschrijven, maar vindt het dan wel van belang dat wij duidelijk in het vizier hebben wat het gaat kosten, zowel aan infrastructuur – wegen, mogelijk ov, accommodaties en stadions – als op het terrein van de organisatie. Op dat punt verwacht ik gewoon een duidelijk kabinetsbeleid. Of het financieel al dan niet meer oplevert dan het kost, moet echter worden bezien. Ik zei zo-even al dat het volgens de SP-fractie namelijk maatschappelijk ook ontzettend veel kan opleveren. Wat ons betreft wordt de basisinfrastructuur van de sport ook meegenomen in het stappenplan naar 2028, want dat is nu afhankelijk van het gokgedrag van de Nederlandse inwoners en eigenlijk is dat zo krom als maar mogelijk is.

Voor de Olympische Spelen 2028 vliegen er nu al behoorlijk wat miljoenen over de tafel, terwijl wij nog niet eens hebben besloten of Nederland een bid doet. Ik doel hierbij op gemeenten en provincies die al tonnen, zo niet miljoenen uitgeven aan promotie en onderlinge concurrentie. Afgelopen zomer hebben wij de reisjes van wethouders, gedeputeerden en ambtenaren gezien; Amsterdam geeft echter dit jaar gewoon 1,4 mln. uit en volgend jaar 2,5 mln. om zich te promoten als olympische stad en Rotterdam geeft enkele tonnen uit om zich te promoten als olympische stad. Kan de staatssecretaris hieraan een einde maken? Nederland is echt te klein om steden onderling te laten concurreren over de locatie van de Spelen. Als wij voor de Spelen gaan, dan doen wij dat als Nederland en dan beslissen wij uiteindelijk gezamenlijk waar deze heengaan. Gemeenten en provincies mogen nu niet geld uitgeven, terwijl wij nog helemaal niet weten of de Olympische Spelen naar Nederland komen, en al helemaal niet om elkaar te beconcurreren. Dat is echt verspilling van overheidsgeld.

Voorzitter. Daarmee kom ik aan het eind van mijn betoog.

De voorzitter:

Dat was kort en bondig.

Ik vraag collega Blom om tijdelijk de orde van de vergadering in de gaten te houden.

De heerBlom(PvdA)

Met alle vormen van genoegen.

De voorzitter:

Ik sluit namelijk niet uit dat het bij de volgende spreker volstrekt uit de hand loopt.

De voorzitter: Blom

De voorzitter:

Ik sluit helemaal niets uit als het om sport gaat.

Het woord is aan de heer Atsma van de CDA-fractie.

De heerAtsma(CDA)

Voorzitter. Bij de voorbereiding op dit debat kijk je als Kamerlid als eerste naar wat de staatssecretaris in de memorie van toelichting op de begroting schrijft. De CDA-fractie is daar wel van gecharmeerd; wij vinden dat de staatssecretaris de goede lijn te pakken heeft.

Vervolgens is de vraag waarover de staatssecretaris nu precies gaat natuurlijk ook reëel. Ik kom daar straks op terug, maar ik vind het in ieder geval jammer dat zij niet over het weer gaat, want het bericht dat gemiddeld minimaal 18 jaar gewacht moet worden op een volgende Elfstedentocht, sloeg in het noorden van het land in als een bom. Als de staatssecretaris daar iets aan zou kunnen doen, dan zou dat mij wel dierbaar zijn.

De voorzitter:

Dan zou zij Friesland moeten overdekken.

Excuus, ik realiseer me net dat ik de orde van de vergadering moet bewaren.

De heerAtsma(CDA)

Voorzitter. Dat of kunstijs op de kanalen.

De heerZijlstra(VVD)

Voorzitter. Past u op, want er zit nog een Fries naast u.

De heerAtsma(CDA)

Vijf miljoen mensen zijn georganiseerd actief in de sport. De CDA-fractie is blij met de berekening van het SCP dat het aantal mensen dat lid is of zich aansluit bij een sportclub de komende jaren met enkele procenten groeit. Dat is mooi. Vijf tot zes jaar geleden hadden wij op zo'n groei wel gehoopt, maar durfden dat niet zo zwart-wit uit te spreken. Ik denk dat mede het beleid van de afgelopen jaren debet is aan deze groei van het aantal leden van sportclubs. Er zijn nog altijd zo'n pak 'm beet 30.000 verenigingen en een miljoen vrijwilligers. Ik kom nog terug op de vraag wat wij hier aanvullend mee zouden kunnen doen.

Zoals ik al zei, is mijn fractie het eens met de algemene beleidsdoelstellingen die de staatssecretaris in de begroting verwoordt, zoals het tegengaan van inactiviteit, het stimuleren van bewegen, het versterken van verenigingen en het bevorderen van respect op en buiten het veld. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat de staatssecretaris nadrukkelijk aangeeft aandacht te willen besteden aan topsport. Topsport in alle facetten, zou ik daaraan willen toevoegen.

Dit brengt mij op het punt van de Olympische Spelen in Beijing die samen met de Paralympics afgelopen zomer zijn langsgekomen. Het zal iedereen zijn opgevallen dat Nederland daar in de breedte goed heeft gepresteerd. De ambities om qua prestaties bij de top 10 van de wereld te horen zijn weliswaar niet helemaal gerealiseerd, maar wij zaten er wel dichtbij. Het hangt vaak af van een of twee medailles meer of minder. In de breedte kun je wel degelijk stellen dat Nederland als topsportland goed meedoet. Naar aanleiding van het afscheid van het collegelid Zevenbergen, heeft de Algemene Rekenkamer recent een buitengewoon interessante vergelijking gemaakt tussen investeringen in topsportbeleid in Nederland en een aantal andere landen. Per saldo komt Nederland positief uit dit onderzoek. Er wordt gesproken over een investering van publieke en semipublieke middelen van pak 'm beet 70 mln. Het Nederlandse topsportbeleid scoort in die zin helemaal niet slecht, zeker niet in vergelijking met onze zuiderburen, de Belgen. Zij hebben bijna tot de laatste dag in China moeten wachten voordat er een medaille binnenrolde.

De Rekenkamer stelt vast dat Nederland het niet slecht doet, maar signaleert ook een aantal problemen. De staatssecretaris is in haar reactie op het rapport van de Rekenkamer ook daarop ingegaan. Een van de problemen is talentherkenning. De staatssecretaris stelt in haar reactie dat zij vindt dat daar meer aandacht aan mag worden besteed. Dat is prima, maar de vraag is dan wel hoe wij dat gaan doen. Kan de staatssecretaris een tipje van de sluier oplichten hoe zij extra investeren in talentherkenning en begeleiding van talent gaat aanpakken? Is zij met de CDA-fractie van mening dat het primaat in de eerste plaats ligt en moet blijven liggen bij de aanpak van sportbonden? Worden de sportbonden voldoende gefaciliteerd om dat te kunnen doen? Om maar even heel dicht bij huis te blijven als het gaat om talentherkenning en talentontwikkeling van topsporters: het ministerie van Defensie is in de beleving van mijn fractie het ministerie bij uitstek dat zichzelf een voorbeeldfunctie heeft toegekend op dit gebied door een combinatie van sport en maatschappelijke activiteit mogelijk te maken. Het ministerie van Defensie geeft topsporters de kans om een baan met een topsportcarrière te combineren. Wij kennen allemaal het voorbeeld van enkele judoka's. De CDA-fractie vindt dat dit initiatief van het ministerie van Defensie een voorbeeld moet zijn voor alle ministeries. Met het oog op de maatschappelijke betrokkenheid van ministeries zou je dit mogen verwachten. Wij horen graag een reactie van de staatssecretaris hierop.

Je kunt topsporters op alle mogelijke manieren een boodschap laten uitdragen. Bij het ministerie van Defensie zal er vooral een wervingskracht naar nieuw personeel van uitgaan, bij Binnenlandse Zaken zou het ook kunnen gelden voor bijvoorbeeld het werven van nieuwe agenten. Het ministerie van OCW kampt nog steeds met het probleem dat er te weinig mensen voor de klas willen. Het zou fantastisch zijn als sporters zouden uitdragen hoe mooi het vak van leraar is. Ook komen wij in de zorg handen tekort aan het bed. Het ministerie van VWS zou dus ook een rol kunnen spelen. Het ministerie van EZ kan natuurlijk in algemene zin een rol spelen bij de promotie van Nederland. Ook dat is fantastisch.

Kortom, voor alle ministeries ziet de CDA-fractie mogelijkheden. Hoe kijkt de staatssecretaris hier tegenaan? Wat kan zij doen om haar collega's te overreden om dit op te pakken? Dit voorstel is overigens anders dan het voorstel van de collega van Sport in Vlaanderen, om alle medaillewinnaars van de Olympische Spelen na afloop van de Spelen een baan bij de overheid aan te bieden. Dat is achteraf belonen en wij investeren liever vooraf. Dat zou op deze manier heel goed kunnen.

Ook kan gedacht worden aan het veel breder inzetten van topsporters en oud-sporters tijdens handelsmissies. Mijn fractie heeft deze suggestie eerder gedaan, maar het blijft een beetje hangen. De Kamer heeft een mooie nota van Economische Zaken ontvangen over het belang en de pr-waarde van sport, maar de uitvoering ervan in de praktijk is nog veel te slapjes.

Het ministerie van OCW kan een rol spelen bij het aanpassen van onderwijs, zodat talenten in hun schoolperiode sport en school kunnen combineren. Nederland heeft een wijdvertakt systeem van LOOT-scholen. Er zijn er nu 27. Alleen de provincie Zeeland moet het nog zonder LOOT-school stellen. Dat heeft natuurlijk alles te maken met de bevolkingsdichtheid en niet met het sporttalent, want er zijn ongetwijfeld veel sporttalenten in Zeeland. Door het onderwijs en door SportZeeland is meerdere keren gevraagd om ook daar een LOOT-school te stichten. De stichting LOOT, de provincie Zeeland, iedereen is positief, behalve het ministerie van OCW. Ik moedig de staatssecretaris aan om dit pleidooi bij haar collega's op het naburige departement krachtig te ondersteunen. En als het niet linksom kan, dan moet het maar rechtsom: in dat geval moet het vereiste aantal minimumleerlingen voor een LOOT-school maar worden verlaagd.

NOC*NSF coördineert en faciliteert sport in het algemeen en topsport in het bijzonder. Gelet op wat er de afgelopen maanden is gebeurd, maak ik mij toch enige zorgen over wat er binnen de sportkoepel aan de hand is. Ik ga daar nu verder niet op in, maar stel wel vast dat het personeel de staatssecretaris een brief heeft gestuurd waarin het personeel zijn zorgen deelt. Volgens mij is die brief verkeerd geadresseerd en had hij naar de sportbonden moeten gaan. Ik ga er dus niet van uit dat de staatssecretaris zich daar rechtstreeks mee bemoeit, maar het is toch een punt van zorg, want het betreft wel onze nationale sportkoepel. De problemen zijn ook niet van vandaag of gisteren. Ik hoop dat zij geen negatief effect hebben op het topsportbeleid in algemene zin, want de Algemene Rekenkamer stelt vast dat dit beleid voor een belangrijk deel wordt vormgegeven door NOC*NSF. NOC*NSF stelt ook een belangrijk deel van de middelen aan de verschillende bonden beschikbaar. Mijn fractie heeft daar in het verleden de kanttekening bij geplaatst of dit niet te veel de slager is die zijn eigen vlees keurt. Ik breng die vraag, met de breed aangenomen motie die indertijd ook het ministerie heeft bereikt, nog maar eens onder de aandacht. Autonomie van de bonden staat voor mijn fractie centraal.

Het is goed dat het NOC*NSF op dit moment het Olympisch Plan 2028 vormgeeft. De ambitie is groot en de ambitie van de sport is ook groot. Alle signalen staan op groen. Natuurlijk komt er over enkele weken nog een eindrapportage, maar wie is er eigenlijk tegen? Die vraag is gerechtvaardigd, want tot nu toe zijn behalve NOC*NSF ook alle bonden en het bedrijfsleven in de breedste zin enthousiast. En gelet op wat er vanuit Peking is geroepen, lijkt ook het kabinet in de volle breedte de ambitie te ondersteunen. Dat is mooi, maar wat betekent dat concreet? Ik heb inmiddels een schetsboek van het ministerie van VROM zien passeren. Dat staat vol met prachtige plaatjes, maar ik zie graag nu al een meer coördinerende rol van de staatssecretaris, waarin zij als een soort minister van sport erover waakt dat alle ministeries, van VROM tot en met Verkeer en Waterstaat, zich bezighouden met de vraag wat Olympische Spelen feitelijk betekenen voor de infrastructuur en ruimtelijke projecten, zoals een Olympisch dorp en huisvesting van tal van faciliteiten. Kortom, als Nederland ervoor gaat om de Olympische Spelen in 2028 te organiseren, moet je die vragen nu al beantwoorden, omdat de definitieve besluitvorming in het IOC al over tien à elf jaar aan de orde is. Dat betekent dat er werk aan de winkel is en dat wij niet het idee moeten hebben dat wij lang de tijd hebben. Sterker nog, de CDA-fractie vindt dat je de komende tien jaar volop moet investeren, met name in de sport, om de wereld duidelijk te maken dat Nederland zo'n groot Olympisch toernooi aankan. Daarom moeten wij proberen om grote, aansprekende sportevenementen binnen te halen. Het wereldkampioenschap voetbal van 2018 is al genoemd, maar ik kan mij ook andere grote sportevenementen voorstellen die wij niet iedere dag, niet ieder jaar, in Nederland organiseren. Ik denk daarbij aan een WK atletiek of een WK zwemmen en zo kunnen wij het lijstje met Olympische sporten nog wel even langslopen. Dat moet je doen als je voldoende draagvlak binnen het IOC wilt creëren.

Hiermee kom ik op een volgend punt: dit betekent dat je er ook voor moet zorgen, kijkend naar de meerjarenraming van het ministerie van VWS en naar de staatssecretaris van Sport, dat er middelen beschikbaar zijn om grote evenementen naar Nederland te halen. Ik stel vast dat er nu nog één pot is, een beperkt gevulde financiële pot voor het realiseren van topsportaccommodaties in algemene zin. Als ik het over topsportaccommodaties heb, heb ik het uiteraard ook over paralympische topsportaccommodaties. In diezelfde pot met geld zit ook het geld dat eventueel kan worden gebruikt voor het binnenhalen van evenementen. Naar onze overtuiging is deze pot absoluut onvoldoende gevuld. Wij zouden de staatssecretaris daarom willen vragen om ons een doorkijkje te geven in haar ambities op dit punt.

MevrouwLeijten(SP)

De CDA-fractie wil graag topsportevenementen binnenhalen en wil een doorkijkje in de raming. Zij vindt dat de pot niet genoeg gevuld is. Wat vindt de heer Atsma ervan dat de basisinfrastructuur van de sport – dus de sport van iedereen – betaald wordt uit de opbrengsten van de overheid uit het gokken van mensen? Is de heer Atsma, met de SP-fractie, niet van mening dat het ook goed kan zijn om ervoor te zorgen dat de basisinfrastructuur van sport gewoon wordt betaald door het Rijk?

De heerAtsma(CDA)

Natuurlijk kan niemand daar nee tegen zeggen, als wordt gevraagd hoe sport zou moeten worden gefinancierd. De realiteit is echter dat sport nu voor een deel wordt betaald uit de opbrengst van de kansspelbelasting. Daarover hebben wij het en die kansspelbelasting ligt onder vuur. Ik zal daar straks in een ander verband nog op terugkomen. Mevrouw Leijten moeten zich echter niet vergissen: als zij het heeft over de basisinfrastructuur van de sport, dan heeft zij het over miljarden die door gemeenten worden geïnvesteerd. Het is niet het Rijk dat met deze investeringen komt. Wij moeten ons daarvan goed bewust zijn. Er zitten nu in deze zaal oud-gemeenteraadsleden. Zij kunnen dit absoluut bevestigen. Ik hoef alleen maar te denken aan steden als Utrecht, Rotterdam en Amsterdam, maar ook aan plattelandsgemeenten. Deze gemeenten hebben in de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in sport en in sportvoorzieningen. De basisinfrastructuur is dus "mega". Ik denk dat je juist de landelijke overheid nodig hebt om een aantal accommodaties voor de internationale competities en voor de internationale topsport mogelijk te maken. Deze internationale topsport is namelijk niet altijd het primaire belang van een gemeente, van het lokale bestuur.

Nu ik dit heb gezegd, vraag ik aan de staatssecretaris hoe zij aankijkt tegen een substantiële verhoging van het budget voor het binnenhalen van grote evenementen, dus voor het investeren in die evenementen. Daaraan gekoppeld zullen wij natuurlijk ook moeten kijken naar het geld dat beschikbaar is voor de accommodaties, want daarop zitten nog steeds een flink aantal witte vlekken.

Er moet wat ons betreft een deltaplan voor de sport komen, willen wij de Olympische Spelen in 2028 echt optimaal kunnen faciliteren. Als op enig moment alle lichten en seinen op groen gaan, is het voor de CDA-fractie voor de hand liggend dat er een groot project van wordt gemaakt. Wij zullen dat tegen die tijd ongetwijfeld verder uitwerken.

In onze beleving zit er slechts een beperkt aantal miljoenen in de begroting van VWS voor sportaccommodaties...

De heerZijlstra(VVD)

De heer Atsma spreekt over de evenementenpot. De heer Rutte heeft daaraan tijdens de algemene beschouwingen uitgebreid aandacht besteed. Ik ben in de veronderstelling dat minister-president Balkenende toen heel helder heeft toegezegd dat hij die pot gaat vullen en het door de VVD gevraagde waarborgfonds voor het binnenhalen sportevenementen wil gaan instellen. Is de heer Atsma nu ongerust dat de heer Balkenende zijn belofte niet gaat waarmaken?

De heerAtsma(CDA)

Nee, ik heb eerder al gezegd dat de CDA-fractie vindt dat de staatssecretaris van Sport als coördinerend bewindspersoon op dit grote project haar leidende positie moet gaan spelen. Ik sluit overigens niet uit dat wij samen met het bedrijfsleven, dat staat te applaudisseren voor de ambities die Nederland op dit punt heeft, gaan kijken hoe wij dat fonds gaan vullen. Ik ben blij dat wij het erover eens zijn dat er meer moet gebeuren dan tot nu toe in het budget van het ministerie van VWS zit. De heer Zijlstra spreekt overigens over eenwaarborgfonds, een garantiefonds. Ik zou het liever over een stimuleringsfonds willen hebben, zeker als het gaat om het binnenhalen van grote evenementen. Wij hebben met waarborgfondsen buitengewoon slechte ervaringen. Laat ik dat maar ronduit zeggen. Het kan namelijk niet zo zijn dat je zegt: "Wij halen wel iets binnen en wij zien wel hoe het wordt." Ik voel absoluut meer voor een stimuleringsfonds. Daarvan gaat de juiste prikkel uit. Ik denk dat de VVD dat met ons eens zou moeten zijn.

Mevrouw Leijten heeft behartigenswaardige woorden gesproken over breedtesport. Ik deel die woorden en ik voeg eraan toe dat wij ook nu weer zien dat topsportsuccessen leiden tot onmiddellijk effect voor de breedtesport. Ik noem maar weer de gouden medaille van Anky van Grunsven en de gouden waterpolomedaille. Die hebben geleid tot een grote toeloop en belangstelling. Ik noem ook iemand als Epke Zonderland. Hij is gevallen tijdens de Spelen. Teleurstelling alom, maar op zaterdagmiddag zijn in Heerenveen bij de turnhal de begeleiders niet aan te slepen, zo veel belangstelling is er voor het turnen. Dat komt juist door de successen van iemand als Epke Zonderland. Dat zijn voorbeelden die wij moeten koesteren. Dat is een investering in de diepte en de breedte.

In reactie op mevrouw Leijten heb ik al iets gezegd over het gemeentelijk accommodatiebeleid en de breedte van de sportinfrastructuur. Wij blijven ons echt zorgen maken over het feit dat er nog steeds sportverenigingen gedwon­gen worden te verhuizen uit het centrum van een wijk of stad naar de periferie, omdat er woningen moeten worden gebouwd of wegen moeten worden aangelegd. Waarom is het niet mogelijk om dat proces van aftakeling een halt toe te roepen? De staatssecretaris schrijft in haar stukken dat op tal van terreinen overleg is geweest over impulsen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Ik vind dat wij hier best een keihard punt van kunnen maken. Willen de gemeenten geld voor de breedtesport, prima, maar dan maken wij ook een paar afspraken over de voorzieningen: waar gaan wij die houden en waar gaan wij die koesteren. Wij gaan die voorzieningen niet verbannen naar de periferie omdat in het centrum van een stad of wijk een paar centen meer voor een vierkante meter worden betaald. Ik ben er echt voor dat de staatssecretaris dat bepleit, samen met de minister van VROM en met anderen.

MevrouwLeijten(SP)

Het CDA stipt een heel goed en terecht punt aan. Wij maken ons hierover ook al jaren zorgen. Tegen ons is altijd gezegd dat het niet de verantwoordelijkheid van het Rijk is. Voorstellen van ons hierover zijn afgewezen. Ik wil wel weten hoe hard dit is voor het CDA.

De heerAtsma(CDA)

Ik heb al een suggestie gedaan, en ik ben erg benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris daarop. Zij onderhandelt regelmatig met de VNG over het inzetten van middelen voor tal van projecten die de breedtesport betreffen. Waarom kun je daar geen koppelverkoop van maken: die gemeentes waar de sportverenigingen dreigen te worden verbannen uit het centrum van de stad, zijn genoegzaam bekend. Ik weet dat men daarover in het verleden afspraken heeft geprobeerd te maken, en waarom zou je dat niet wat harder spelen? U wilt wat, wij zijn daartoe graag bereid, maar wij gaan dan wel kijken hoe het verder in uw gemeente is georganiseerd. Als er een vereniging moet verdwijnen omdat er mooie huizen moeten worden gebouwd, dan zegt de CDA-fractie: pas daar nu mee op.

MevrouwLeijten(SP)

Ik denk dat ik wel kan raden wat de staatssecretaris gaat zeggen, namelijk dat het de verantwoordelijkheid is van de lokale politiek om te beslissen of ergens een woonwijk moet komen. Wij stellen al jarenlang voor om 3% van de ruimte in nieuw aan te leggen wijken te reserveren voor buitenspeelplekken en sportplaatsen en om te proberen om datzelfde percentage ook in bestaande wijken te realiseren. Volgens mij is dat veel zinvoller dan het mes op tafel te leggen bij gemeenten. Stel dat een gemeente niet akkoord gaat met het niet-verplaatsen van de sportvelden, dan wordt de sport getroffen. Dus ik zou het CDA willen uitnodigen om zich aan te sluiten bij zo-even genoemd voorstel van ons.

De heerAtsma(CDA)

Ik ben het met u eens dat de staatssecretaris zal gaan zeggen dat de gemeentelijke verantwoordelijkheid boven alles staat. Echter, als een gemeente van de overheid geld vraagt voor faciliteiten en voorzieningen, dan mag daar ook wel wat tegenover staan. Ik heb slechts gevraagd om de mogelijkheid van een en ander te onderzoeken. Daarnaast is het wellicht verstandig om het geheel nog eens goed in beeld te brengen. Via de provinciale sportraden kan je prima nagaan, wellicht zelfs via NOC*NSF, waar op dit moment nog plannen in die richting gaande zijn die wij met z'n allen bepaald niet toejuichen. Het is een mooie stok achter de deur. Ik nodig de staatssecretaris uit om daarnaar te kijken.

In haar beleidsdoelstelling onderstreept de staatssecretaris nog eens dat sport goed is voor de gezondheid. Inactiviteit tegengaan is iets wat wij met z'n allen willen. Het CDA zou het aldus willen vertalen: eigenlijk heeft iedereen recht op sport, of men nu op school zit of op een bedrijf. Wij worden nog eens bevestigd in ons beeld dat sport belangrijk is, door cijfers, weliswaar van enkele jaren geleden, waaruit blijkt dat het ziekteverzuim substantieel minder is als werknemers aan sport doen. Wij vinden het dan ook raar dat er tegelijkertijd met de regelmaat van de klok berichten opduiken dat het sporters wordt verboden om op zaterdag of zondag op het voetbalveld te staan vanwege het risico op blessures. Dan kan er maar een antwoord zijn: je moet harde gegevens hebben over de meerwaarde van sport. Wij beschikken over cijfers van TNO van een aantal jaren geleden. Is het niet zinvol om opnieuw te onderzoeken en opnieuw te laten bevestigen wat de meerwaarde is van sport voor de mensen in het algemeen maar zeker voor werknemers? Het ziekteverzuim is aantoonbaar minder als er wordt gesport, ook als je daarbij rekening houdt met eventuele blessures.

Overigens, met betrekking tot bedrijven en sport krijgen wij nog steeds signalen dat de Belastingdienst verschillend omgaat met het faciliteren van bedrijven die hun werknemers wel de gelegenheid bieden om aan sport te doen. De faciliteiten zijn prima als je sportfaciliteiten in eigen huis kan aanbieden, maar kleinere ondernemingen kunnen dat vaak niet en zijn er op aangewezen om hun werknemers elders te laten sporten, waarbij het regime van de fiscus wel eens een iets andere is. En dat betreuren wij.

Wij zijn blij dat de discussie over de het algemeen nut beogende instellingen en de positie van de sportvereniging daarin, de goede kant lijkt op te gaan. Wij zijn er overigens absoluut nog niet. De CDA-fractie blijft herhalen dat sportverenigingen, de sport in het algemeen, de ANBI-status zouden moeten krijgen. Er komt overigens een moment dat dit geen vraag meer is maar dat er gewoon een uitroepteken bij komt te staan, want de bewegingen gaan gelukkig de goede kant op.

De heerZijlstra(VVD)

Als wij vanuit de Kamer politieke druk willen uitoefenen op met name de staatssecretaris van Financiën, dan staat het CDA dus aan de zijde van de VVD om dat er dus doorheen te krijgen? Dus het CDA spreekt hier politieke steun uit voor het onder de ANBI-regeling brengen van de sportverenigingen?

De heerAtsma(CDA)

De Kamer heeft dat al enkele malen uitgesproken. Het kabinet spreekt met één mond. Als de staatssecretaris zegt dat zij er bij haar collega De Jager nog een keer op zal aandringen, denk ik dat dit voldoende is om het laatste duwtje te geven. Gelukkig zijn er al stappen in de goede richting gezet. Wij hopen dat ook die laatste stap snel gezet zal worden.

De heerZijlstra(VVD)

Wij zijn ook blij dat er stappen worden gezet. De Kamer heeft het recht van amendement. Als wij daarvan gebruik zouden maken om dat te regelen waarbij de staatssecretaris een stapje heeft gezet, terwijl zij de volgende stap niet wil zetten, gaat de CDA-fractie daarin mee, begrijp ik uit de uitspraken van de heer Atsma, zowel hier als in de media.

De heerAtsma(CDA)

Ik sluit niet uit dat de CDA-fractie zelf met een initiatief komt. Ik hoop dat de VVD-fractie en anderen dat zullen steunen.

De heerZijlstra(VVD)

Met genoegen.

De heerAtsma(CDA)

Dit verhaal speelt inmiddels al jaren. Volgens mij is er zoveel overeenstemming over dat je er niet eens messen over zou moeten trekken.

Voorzitter. Het is ons niet duidelijk wat tot nu toe is gedaan met de motie die collega Jan de Vries vorig jaar namens de CDA-fractie heeft ingediend, over vrijwilligers in de sport en deregulering in het algemeen. De uitwerking van de motie over deregulering duurt wel erg lang. Er is toegezegd dat er op korte termijn iets zou komen, maar wij hebben dat nog niet gezien. Het jaar is nog niet om, maar het schiet alweer op. De dagen worden korter, dus het wordt tijd dat de staatssecretaris met een helder antwoord komt.

Wij geven de staatssecretaris dringend in overweging om de verzekeringsproblematiek van vrijwilligers in dat geheel mee te nemen. Enkele maanden geleden is hierover in algemene zin een motie ingediend door de fractie van de ChristenUnie. Wij brengen deze problematiek zeer nadrukkelijk onder de aandacht, omdat er een breed politiek draagvlak voor is. Wat ons betreft wordt de drempel om te kunnen verzekeren zo laag mogelijk. Sterker nog, deze zou er eigenlijk helemaal niet moeten zijn. Daarin kan de overheid een belangrijke rol spelen.

Ik heb al gesproken over NOC*NSF, maar er zijn ook nog andere sportkoepels, zoals NCS, NCSU en NKS, die ten onrechte wel eens de kleine sportkoepels worden genoemd. Zij hebben allemaal hun eigen positie verwor­ven in Nederland-sportland. Onder de vlag van de sportalliantie NSA worden goede dingen gedaan. De Kamer deelde de scepsis van de in NOC*NSF georganiseerde sportverenigingen van enkele jaren geleden absoluut niet. Kamerbreed werd gezegd dat je die organisaties in de benen moet houden, omdat zij hun eigen plek hebben bevochten en verdiend.

De CDA-fractie herhaalt dit standpunt en is teleurgesteld dat de staatssecretaris geen structurele oplossing voor de financiering van de NSA heeft gevonden. Wij vinden dat deze er moet komen. Wij hadden ook verwacht dat er sluitende financiering zou zijn, gezien het amendement van de leden Bussemaker en Atsma, maar deze is er niet. Daarom dien ik samen met collega Blom een amendement in om structurele financiering van de NSA mogelijk te maken. Collega Blom gaat hier straks op in. Ik denk dat wij de staatssecretaris niet duidelijk hoeven te maken hoe belangrijk dat is.

Ik zeg erbij dat de NSA niet bevoogdend moet worden toegesproken en niet van bovenaf bepaald moet worden met welke onderwerpen zij zich bezighoudt. De drie koepels die eronder zitten, kunnen zelf heel goed bepalen wat hun meerwaarde is voor de sport in het algemeen. Zij houden zich onder andere bezig met sport en respect, de positie van homoseksualiteit in de sport en tal van zaken die te maken hebben met arbitrage. Dat zijn prima zaken die je daar heel goed kunt neerleggen. Zo zijn er meer voorbeelden te geven waar ik nu niet op inga, want het signaal is helder.

Er zijn inderdaad grote zorgen over de financiering van de sport in het algemeen. Collega Leijten wees er al op dat de sport voor een belangrijk deel afhankelijk is van inkomsten uit de lottogelden. Ik geloof dat er 46 mln. uit de lotto komt. Het is allang bekend dat dit onder druk staat door de liberalisering van de kansspelen binnen Europa. Het is echter niet bekend wat het antwoord van het kabinet daarop is. Dat antwoord blijft in het luchtledige hangen. Als ik met veel waardering richting de staatssecretaris of minister van VWS een aantal opmerkingen heb gemaakt in een ander verband, dan zou ik dat in dit verband ook wel willen doen. De CDA-fractie vraagt van hen de grootst mogelijke inzet om in elk geval voor alternatieven te zorgen, mocht deze geldstroom opdrogen. Het heeft weinig zin erover te speculeren welke alternatieven inzetbaar zijn, maar het lijkt ons evident dat er iets moet gebeuren.

Over het Europees Witboek Sport is de CDA-fractie ronduit positief. Collega Leijten is daar kritisch over. Wij begrijpen haar negativisme eigenlijk niet, omdat het absoluut positief is dat je probeert om een aantal zaken in Europees verband aan te pakken. Dat betekent natuurlijk niet dat je alles moet aanpakken. Nederland heeft net als andere landen een eigen positie daarin, maar een aantal onderwerpen met betrekking tot de sport is grensoverschrijdend.

MevrouwLeijten(SP)

Ik heb ook aangegeven waar Europa zeker wel over moet gaan. Wij hebben hier al een uitgebreid debat over gehad. Toen was er volgens mij helemaal geen verschil van opvatting tussen de nu aanwezige fracties over de rol die Europa heeft bij grensoverschrijdende zaken, zoals doping en hooligans die over de landsgrens gaan. Europa gaat echter niet over de ordening van de sport in de lidstaten. De bonden moeten ook een eigenstandige positie hebben. Ik begrijp deze uithaal dus niet, want ik heb het over de 6+5-regel van de FIFA gehad. Dat vind ik nu precies zo'n voorbeeld waarbij Europa zich gaat bemoeien met de opstelling. De opstelling is geen zaak voor Europa.

De heerAtsma(CDA)

Dat is volstrekte onzin. Europa, Sarkozy of Balkenende gaan helemaal niet over de opstellingen. Zij zouden dat misschien wel willen, maar dat is gelukkig niet het geval. Het gaat er wel om dat je de positie van de sport en de ontwikkelingsmogelijkheden en het geven van kansen aan Nederlandse of andere talenten – per land zal dat ongetwijfeld anders worden ingevuld – voor een belangrijk deel kunt garanderen. De FIFA en in het verlengde daarvan ook de UEFA hebben dat bepleit. Natuurlijk zijn er nuanceverschillen tussen de FIFA en de UEFA. Ik vind dat je daarin de sport zelf aan zet moet laten, maar het laat onverlet dat Europa er wel mee te maken heeft. Stel nu dat de FIFA dat wel zou doen, dan heb je op zijn minst een discussiepunt over het vrije verkeer van mensen en het recht op vereniging. Dat soort zaken is grensoverschrij­dend. Je kunt dan wel zeggen dat wij er niet over gaan, maar dan steek je de kop in het zand. Bovendien vind ik het buitengewoon goed dat FIFA en UEFA nadenken over een en ander. Sterker nog, ik hoop dat dit ook van toepassing is op andere sporten. Kijk eens naar een aantal sporten in Nederland, zoals basketbal. Kijk hoeveel kansen er worden gegeven aan Nederlandse talenten? Om tal van redenen worden die niet gegeven. Ik kan mij echter voorstellen dat je juist daarom zegt dat er naar gekeken moet worden. Ik vind daar niets mis mee. Net zo goed als er niets mis is met het feit dat Europa kijkt naar het reguleren van het management in de sport en naar het tegengaan van het aantrekken van kinderen die nog niet rijp zijn voor topsport.

MevrouwLeijten(SP)

Ik maak bezwaar tegen de opmerking over de kop in het zand steken. Dat heb ik in mijn betoog absoluut niet gedaan. Ik vind de bezwaren tegen de 6+5-regel van de Europese Commissie, waarbij zelfs al een sanctie is aangekondigd voor landen die deze regel mogelijk gaan invoeren, exemplarisch voor waar Europa niet behoort te gaan. Ik vind het wel jammer dat het CDA het op deze manier benadert. Ik ben het er absoluut mee eens dat wij oog moeten hebben voor talentontwikkeling en dergelijke en dat wij best kunnen kijken hoe wij elkaar daarin kunnen stimuleren. Daar hebben wij echter geen witboek voor nodig. De heer Atsma was hierover ook kritisch tijdens het algemeen overleg. Hij vroeg zich af of wij dit nu wel nodig hebben. Wij vonden het allemaal prima dat de staatssecretaris samen met de Fransen met een apart initiatief kwam. De vraag is nu immers net weer of Europa daarover moet gaan. Als het dan gaat over de opstellingsregels, dan moet dat een discussie zijn tussen de FIFA en de UEFA. Als Europa zich hiermee gaat bemoeien, dan kunnen de Russische clubs ook weer doen wat zij zelf willen. Dat is dan dus ook meteen globaal. Er zijn in de competitie nu eenmaal ook clubs aanwezig uit landen die geen deel uitmaken van de Europese Unie. Hier loopt de Europese Unie tegen haar grenzen aan. Ik steek mijn kop niet in het zand. Ik wil niet dat Europa zich met haar tentakels zomaar met alles gaat bemoeien.

De heerAtsma(CDA)

Ik zeg nogmaals dat Europa zich helemaal niet bemoeit met de opstelling. Europa kiest in samenwerking met de internationale sportfederatie voor een beschermingsdeken om nationale talenten een kans te kunnen geven. Dat lijkt mij uitstekend. Andere bonden zouden daar een voorbeeld aan moeten nemen en ook in andere takken van sport zou dit een vervolg moeten krijgen. Ik heb mij daar altijd positief over uitgelaten en dat blijf ik doen. Tijdens de recente toelichting op het witboek heb ik mij ook zo opgesteld. Het memorandum dat door Nederland en Frankrijk is geïnitieerd, heb ik ook zeer toegejuicht. In de kern betekent het namelijk dat de autonomie van de sport wordt erkend. Dat staat in het memorandum, Europa is er ook voor en via het witboek kan het een vervolg krijgen. De autonomie van de sportbonden wordt dus erkend en er wordt voorkomen dat de commercie en grote ondernemingen alles in handen krijgen, van het organiseren van competities tot en met de uitzendrechten en dergelijke.

MevrouwLeijten(SP)

Ik deel de mening van de heer Atsma dat wij hiernaar moeten kijken. Talenten moeten een kans krijgen en clubs moeten niet leeggeroofd worden door het grote geld. Daar ben ik helemaal voor. In de stukken staat echter dat de 6+5-regel de meest simpele en efficiënte regeling is, maar niet haalbaar lijkt. De positie van de Europese Commissie en het Europees Parlement is geen zes plus vijf, maar vier plus vier. Dat is allemaal techniek, maar er staat ook dat de Europese Commissie daarbij een ingebrekestelling heeft aangekondigd als een lidstaat er wel mee begint. Zij is dus wel degelijk bezig met die tentakels. Daarom vroeg ik naar het standpunt van het kabinet. Ik vind dat het een discussie moet zijn tussen de UEFA en de FIFA over wat er juridisch mogelijk is. Hier zegt de Europese Commissie gewoon dat zij het politiek afwijst en stappen gaat zetten tegen lidstaten die dat doen. Ik vind dat de Europese Commissie dit niet moet doen en ik heb daarover een vraag gesteld aan de staatssecretaris. Bij het overleg dat wij destijds over het witboek hadden, waren wij – ook de staatssecretaris – eensgezind. Sommige dingen kunnen heel goed gestimuleerd worden en andere dingen moeten aan de lidstaten worden overgelaten. Ik vind dat er licht komt tussen wat wij toen in dat AO zeiden, waar wij het allemaal over eens waren, en het standpunt waar de Europese Commissie nu naar toe gaat en waar staatssecretaris Timmermans ook achterstaat.

De heerAtsma(CDA)

Wij zijn het er ook mee eens. Ik ga mezelf niet herhalen. U zegt dat u het voor kennisgeving zal aannemen als de FIFA en de UEFA er samen uitkomen. Zo werkt het dus niet. Als je daar in politieke zin op Europees niveau geen rugdekking voor krijgt, weet je dat de eerste de beste die naar de Europese rechter stapt, misschien gelijk krijgt. Kijk maar wat er in het verdrag staat over het vrije verkeer van mensen, goederen en diensten. Dan loop je dus meteen vast. Het is goed dat op dit punt een expliciet standpunt is ingenomen. Dat is goed voor ons allemaal: de sport, de kijker, de supporter en de sporter. Daar applaudisseer ik dus voor, inclusief applaus voor het memorandum dat Frankrijk en Nederland hebben geïnitieerd.

Ik hoop dat mevrouw Leijten het met mij eens is dat wij er ook consistent in zijn dat Europa zich niet moet bemoeien met het onderwijs en de relatie met de sport in algemene zin. Ik heb al gezegd dat wij in Nederland de LOOT-scholen hebben. Dat is prima. Wij hebben zojuist mevrouw Leijten ook al complimenten horen uitspreken over het beleidskader Sport, bewegen en onderwijs. Wij onderschrijven die complimenten, want het is prima dat dit gebeurt. Nederland is heel goed in staat om zelf de relaties tussen het onderwijs en de sport vorm te geven. Wij vinden het vanwege de organisatie van de sport in Nederland ook inhoudelijk ingewikkeld als Europa daarover al te vergaande uitspraken zou doen. De sport in het Verenigd Koninkrijk, een ander land van de EU, is totaal anders georganiseerd dan bijvoorbeeld in Nederland. Wij hebben in Nederland een unieke infrastructuur met ongeveer 30.000 verenigingen met miljoenen leden. Veel andere landen kennen dat systeem niet en hebben het veel meer aan onderwijsinstellingen gekoppeld. Dat is allemaal prima. Het zijn eigen keuzes. Dat betekent wel dat je enorm moet uitkijken en dat je niet een-op-een dingen moet binnenhalen waarmee je de sportinfrastructuur niet direct een dienst bewijst. Wij kunnen dat zelf doen en dat moet vooral zo blijven.

Wij hebben ook begrepen dat de Alliantie School & Sport inmiddels misschien wel in schoonheid is gestorven of opgegeven. De impuls die nu van het ministerie komt, zou het vervolg daarop moeten zijn. Wat is er met de prachtige ambitie gebeurd die onder de Alliantie School & Sport lag? In 2005 werd als doelstelling verwoord dat in 2010, dus over een dik jaar, 90% van alle jongeren levenslang moesten sporten. Het antwoord op de vraag wat de uitkomst is, kan ik zelf ook wel geven: die doelstelling is niet gehaald. Als wij om die reden die alliantie ten grave hebben gedragen, is dat prima. Ik denk echter wel dat het goed is om dat vast te stellen. Als je gaat evalueren, moet je dat namelijk wel breed doen.

Mijn voorlaatste punt is sport en ontwikkelingssamenwerking. Wij zijn blij met de beleidsnotitie over ontwikkelingssamenwerking en sport van verschillende ministeries en de wederzijdse "bevruchting" die mogelijk is. Een halfjaar geleden was een delegatie van deze Kamer in Zuid-Afrika, namelijk in Kaapstad. Die delegatie van Kamerleden heeft daar kennisgenomen van een groot aantal projecten van het initiatief SCORE. Dat is een prachtig initiatief. Als ik mij niet vergis, heeft de staatssecretaris nog niet zo lang geleden ook kennisgemaakt met een aantal projecten op dat terrein. Iemand als Hans Vonk – hij is bij velen van ons bekend – die volgens mij weer tijdelijk is ingevlogen bij Ajax, is de ambassadeur van dat project in de townships. Sport als middel om verantwoord gedrag te promoten, werkt meer dan goed. Wij brengen projecten van SCORE en andere projecten graag extra onder de aandacht van de staatssecretaris, omdat die concreet zijn. Je ziet onmiddellijk het resultaat daarvan.

Wij hebben begrepen dat het programma "Meedoen allochtone jeugd door sport" goed verloopt. Dat is mooi. Dat is ook een programma dat onder de NSA hangt of daaronder kan worden gehangen, al dan niet met deelprojecten. Vijfhonderd verenigingen doen mee en ik meen dat daarbij negen bonden actief zijn betrokken. De doelstelling voor 2010 is in dit geval wel gehaald, in tegenstelling tot die van de Alliantie School & Sport. Dat is prima. Hoe nu verder? Gaan wij dat programma verder uitbouwen? De CDA-fractie zou daarmee op zichzelf geen enkel probleem hebben, maar zij signaleert wel dat er een groot tekort is aan allochtoon kader. Wij zouden ons daarom kunnen voorstellen dat de staatssecretaris zich vooral extra daarvoor ging inzetten. Binnen de kaders van het programma "Meedoen allochtone jeugd door sport" zou dat volgens ons een goede vervolgstap kunnen zijn. Om als verenigingen leefbaar en vitaal te blijven, zullen zij ook in de toekomst zeker behoefte hebben aan een allochtoon kader.

De voorzitter: Atsma

De heerZijlstra(VVD)

Voorzitter. Sport is belangrijk. Wij hebben onder andere het Beleidskader Sport, Bewegen en Onderwijs gekregen waarin een fantastisch stukje staat: "Sport- en beweeginterventies kunnen gericht worden ingezet om motorische achterstanden aan te pakken en om overgewicht te verminderen, maar ook om sociale vaardigheden te verbeteren, waarden en normen over te dragen, agressie te verminderen en weerbaarheid te verbeteren, leerprestaties te verbeteren en schooluitval te voorkomen." I rest my case, zou ik zeggen. Het is dan wel jammer dat wij hier met vier partijen zitten. Hoe belangrijk is sport dan in de politiek?

Veel zaken rond sport worden geregeld op lokaal niveau: accommodaties, verenigingsondersteuning enzovoorts. Voor mij als Kamerlid was het ook een ontdekkingstocht. Op lokaal niveau heb ik veel op het gebied van sportbeleid gedaan, maar ik was op zoek naar wat er precies op nationaal niveau gebeurt. Wij hebben een hele batterij aan stukken en daar ga ik straks doorheen. Hopelijk wordt het mij vergeven als er hier en daar een dubbeling in zit. Ik begin met een paar algemene punten.

De VVD-fractie heeft bij de algemene politieke beschouwingen al aandacht gevraagd voor de ambities voor de Olympische Spelen in 2028 en het WK in 2018. Hoe kunnen wij ervoor zorgen dat wij meer evenementen binnenhalen? Als je een evenement wilt binnenhalen, moet je een pot met geld – het maakt niet uit of je dat "garantiefonds" of "stimuleringsfonds" noemt – hebben die je als een soort onderpand beschikbaar kunt stellen aan de wereldbond die het evenement uitschrijft. Als je die niet hebt, kun je een heel mooi bidbook maken, maar krijg je het evenement niet. Dat is natuurlijk zonde. Om de Tour de France naar Rotterdam of – wat mij betreft – Utrecht te halen, moet je een garantie van een miljoen hebben. Dat geld ben je niet kwijt; het staat geparkeerd. Als je het niet krijgt, gaat het miljoen terug. Als je het wel krijgt, verdien je dat miljoen dik en dwars terug. Zo'n pot hebben wij nodig, zeker als wij de ambitie hebben om de Olympische Spelen en het WK te organiseren.

Dit zijn geen evenementen die je even uit de losse pols organiseert. Je moet ervoor oefenen door andere evenementen naar Nederland te halen. Het WK Hockey is in Utrecht gehouden en dat ging heel goed. In 2013 zullen, ook weer in Utrecht, hopelijk de Jeugd Olympische Dagen worden gehouden. Wij kunnen het, dus laten wij het doen. Ook Rotterdam zet allerlei evenementen neer, zoals het Formule 1 City Racing. Dit was fantastisch georganiseerd. Wij hebben het in Nederland dus in de vingers, maar moeten het blijven oefenen. Wat de VVD-fractie betreft, komt er dus zo'n eenmalig "stimule­ringsfonds"; ik sluit mij aan bij de woorden van de heer Atsma, misschien heb ik dan zijn steun meteen binnen.

De ANBI-discussie loopt al jarenlang; de heer Atsma zei dat ook al. Tijdens de behandeling van het Belastingplan is vorig jaar een motie-Remkes c.s. ingediend om te regelen dat sportverenigingen worden gezien als een algemeen nut beogende instelling. Ik herhaal wat wij eerder hebben gezegd: het kan niet zo zijn dat een fanfare wel een algemeen nut beogende instelling is en een sportvereniging niet. Ik kan het lijstje herhalen uit het begin van mijn betoog. In dat licht is er geen enkele andere conclusie mogelijk dan dat sport algemeen nut beoogt. Via de staatssecretaris vraag ik dit aan haar collega van Financiën, maar ik hoor ook graag hoe zij het ziet vanuit haar specifieke verantwoordelijkheid: waarom zet het kabinet die stap niet? Gezien haar eigen uitspraken en stukken is het vreemd als zij sportverenigingen niet als algemeen nut beogend zou zien.

ANBI speelt een rol in de financiering. Als je die fiscaal aftrekbaar maakt, zul je meer giften krijgen. Een ander probleem in de financiering is dat de kansspelbelasting geliberaliseerd wordt. De lottopot is belangrijk voor de sport. Hoe gaan wij dit regelen? Welke bedreigingen ziet de staatssecretaris op dit punt? Welke acties worden ondernomen om te bezien of wij aan dijkcontrole moeten gaan doen? Voorkomen moet worden dat wij op een bepaald moment constateren: het is een beetje uit de hand gelopen en nu hebben wij een probleem. Kijkt de staatssecretaris vooruit naar mogelijke problemen? Misschien heeft zij redenen om die niet te zien, maar dan is erover nagedacht. Als zij ze wel ziet, hoor ik het echter ook graag.

De 6+5-regel in het voetbal is een interessant onderwerp dat hoog op de agenda staat. De VVD-fractie wil graag iets aan het probleem doen; volgens mij is er geen enkele fractie in deze Kamer die dat niet wil. De crux is echter de wijze waarop. Wij kunnen net doen alsof wij op een eiland zitten, maar wij hebben wel te maken met de Europese Dienstenrichtlijn en het vrije verkeer van personen. Mevrouw Leijten zei dat het gaat over de opstelling. Die bepaalt echter wel welke contractspelers een club in de selectie heeft. Als je een bepaald aantal nationale spelers moet opstellen, zul je een bepaald aantal nationale spelers contracteren. De Europese regelgeving heeft daarop dus wel degelijk betrekking. Dat kunnen wij met zijn allen niet leuk vinden, maar het is een feit. Ook het Bosman-arrest werd een feit vanwege het vrije verkeer van personen en werknemers. Mijn verwachtingen van de FIFA zijn juist niet zo hoog. Het is immers de FIFA die voor de huidige ellende zorgt. De huidige Europese homegrown player rule is in potentie best een redelijk instrument. Die regel houdt in dat je ervoor moet zorgen dat een bepaald aantal spelers bij je eigen club is opgeleid. Het indirecte effect daarvan moet zijn om veel spelers uit eigen land te krijgen. Dit leidt er echter niet toe dat men meer nationale spelers in een selectie krijgt, maar dat spelers op steeds jongere leeftijd worden weggetrokken. Dat is natuurlijk niet de bedoeling. Daarin speelt de FIFA wel een kwalijke rol. In haar de beleidsregels staat immers heel helder en heel duidelijk dat het verboden is om spelers onder de 18 jaar te transfereren, tenzij de ouders van baan wisselen. Daarbij moet het daadwerkelijk gaan om van baan wisselen. Nu kun je constateren dat het aantal metrobestuurders in Londen met een salaris van een ton astronomisch is toegenomen sinds deze regel is ingevoerd. Als een speler gewoon in Londen voor een baan voor papa of mama zorgt, dan mag hij eigenlijk niet verhuizen volgens de FIFA-regels, maar aangezien de FIFA niet controleert en daarop geen duidelijk beleid voert, gebeurt het toch.

De heerBlom(PvdA)

Zou je het probleem met Europese regelgeving kunnen opheffen door aan het homegrown-principe, dat aardig is, een extra voorwaarde te verbinden, zoals een minimumtransferleeftijd? Dus niet voor je achttiende als je ouders een baan hebben, maar sowieso 18 jaar. 23 jaar zou nog een betere uitkomst zijn. Wat vindt de VVD daarvan?

De heerZijlstra(VVD)

23 vind ik te oud.

De heerBlom(PvdA)

Die leeftijd is analoog aan jeugdelftallen. Die gaan ook tot 23 jaar.

De heerZijlstra(VVD)

Ik ga uit van hoe het in het algemeen in de maatschappij werkt. Als je 18 wordt, dan word je volwassen, mag je stemmen en dat soort dingen. Dan mag je ook keuzen maken in het leven. Dan zou het toch gek zijn als de overheid zegt dat dit alleen niet geldt als je voetballer bent? Dus als een voetballer in het buitenland wil gaan voetballen, dan mag dat niet van de overheid. De VVD vindt 18 jaar wel een belangrijke leeftijd. Wij zijn het erover eens dat je moet proberen bij die leeftijd één streep te trekken. Een beetje analoog aan wat de heer Blom net voorstelde, vraag ik aan de staatssecretaris het volgende. In hoeverre ziet zij mogelijkheden paal en perk te stellen aan de transferregel voor voetballers beneden de 18 jaar, zodat wij echt kunnen controleren of er alleen getransfereerd wordt bij een reële baanverandering? Iemand kan in het buitenland gaan werken. Dat heb ik zelf ook gedaan. Dat kun je niet blokkeren, want je kunt moeilijk zeggen: uw kind blijft achter want hij voetbalt nu eenmaal bij Heerenveen, en daar blijft hij dan ook maar terwijl u ergens anders op de wereld zit. Het huidige misbruik moeten wij echter tegengaan. Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris om dat te doen? Wij moeten immers ook binnen de Europese regels blijven.

Ik geef de staatssecretaris daarbij een suggestie mee. In Frankrijk heeft wetgeving gegolden waarbij jeugdspelers automatisch een optie tot contract hadden bij hun club wanneer een eerste mogelijkheid daartoe zich aandiende. Overigens zijn daaruit spelers als Henry en Zidane voortgekomen. Die wetgeving is verdwenen. Ik weet niet of dat is gekomen door Europese regelgeving, maar dat leidde er in die tijd toe dat Franse spelers inderdaad voornamelijk eerst bij hun eigen club terechtkwamen. Aangezien de staatssecretaris op dit gebied toch al een warme band heeft met de Fransen, vraag ik haar of zij eens kan bezien wat de Fransen indertijd in elkaar hebben gesleuteld en in hoeverre dit is te reanimeren. Op dat vlak liggen wat ons betreft mogelijkheden. In hoeverre krijgt een club waar de opleiding heeft plaats­gevonden een voorkeursrecht bij de contractering?

MevrouwLeijten(SP)

U ziet niets in zes plus vijf of vier plus vier. Het ziet er echter wel naar uit dat de Europese Commissie uitkomt op vier plus vier, samen met de UEFA. Bent u van mening dat dan dezelfde bezwaren gelden als bij zes plus vijf?

De heerZijlstra(VVD)

Welke aantallen je ook noemt, waar het uiteindelijk om gaat, is dat het overeind blijft staan als iemand naar het Europese Hof gaat. Dat hebben wij met het Bosman-arrest gezien en dat zullen wij ook hierbij zien. Van mij mag de 6+5-regel. Het is mij ook een doorn in het oog dat wij competitiewedstrijden zien, of het nu in Nederland is of in Engeland, waar je amper een speler uit eigen land ziet rondlopen. Daar ben ik het mee eens. Alleen realiseer ik mij ook wat de bestaande wetgeving is en dan zeg ik tegen mevrouw Leijten: het maakt mij niet uit op welke manier zij het regelen, alleen zie ik dat je met 6+5 of 4+4 of andere verplichte aantallen tegen de regels aanloopt van het vrije verkeer van personen, goederen en werknemers. Als het kabinet op dat vlak met een gouden vondst komt, gaan wij daar niet voor liggen, laat dat helder zijn, maar ik zou het principe van het vrije verkeer van werknemers geen geweld willen aandoen. Dat is namelijk een groot voorrecht in Europa en daar moeten wij niet direct een uitzondering op maken als het een keertje niet uitkomt.

MevrouwLeijten(SP)

Mijn pleidooi was eigenlijk dat er over die 6+5-regel geen uitspraak zou moeten komen van de EU, maar dat de bonden het zelf moeten uitzoeken. De wereldvoetbalbond FIFA en de Europese voetbalbond UEFA zouden dat met elkaar moeten doen, binnen de juridische kaders die er zijn. Ook de heer Zijlstra ziet immers het probleem van het vrije verkeer van werknemers als het de ouders betreft. Wij hebben allemaal legio voorbeelden van ouders die een contract krijgen bij de club van hun kind om daar de krijtstrepen te trekken of wat anders te doen. Daarbij speelt ook nog de homegrown rule over spelers die in eigen land opgeleid worden. Die regel leidt ertoe dat heel jonge jongetjes worden weggehaald uit jonge clubs in Zuid-Afrika. Die laat men hier dan spelen en zij worden zogenaamd opgeleid. Het is misschien ook wel niet zo gewenst om zulke jonge jongens uit hun thuissituatie te halen. Ik vind het goed dat de heer Zijlstra de staatssecretaris die vragen stelt. Hij wil net zoals de fracties van de SP en van het CDA dat er talentontwikkeling is en dat het niet alleen maar de grote clubs zijn die alles weg kunnen kopen. Ik constateer echter dat er blijkbaar frictie is tussen de macht van de centen en het vrije verkeer van werknemers.

De heerZijlstra(VVD)

Als mevrouw Leijten zegt: wij willen iets doen aan het feit dat steeds jongere spelers naar clubs toe worden gehaald, dan zijn wij het daarmee eens. Daar gaat die hele discussie over, maar daarvoor ga ik niet een waardevol principe zoals dat van het vrije verkeer van personen, goederen en werknemers overboord gooien. Alle goede zaken hebben over het algemeen ook een schaduwkant. Daarom moet je iets niet direct weggooien. Als er negatieve effecten optreden voor jonge spelers – daarover zijn wij het volgens mij eens – dan moet daar wat aan gedaan worden. Drie weken geleden speelde jong Chelsea tegen jong Arsenal en de twee sterspelers waren twee Nederlanders, bij beide clubs een. Dan denk je toch: waarom zitten die nu niet bij een club in eigen land? Waarom zijn die op 13- of 14-jarige leeftijd naar Londen gehaald? Dat zijn de negatieve kanten waar wij wat aan proberen te doen. Wij moeten echter realistisch blijven. Wij hebben te maken met een set Europese regels en daar kunnen wij ons voor verstoppen, maar het Europees Hof zal ons vanzelf inhalen. Ik heb liever een oplossing die overeind blijft, dan een oplossing die binnen een jaar na haar invoering door het Europees Hof de prullenmand in wordt gegooid.

Dan kom ik op allerlei voorliggende stukken zoals het Nationale Actieplan Sport en Bewegen, het NASB, waar ook het NISB een rol in heeft. Op een gegeven moment gingen de afkortingen helemaal door elkaar heen lopen en vraag je je af: lees ik het nu goed? Laat ik beginnen met de beweegnorm die daarin genoemd wordt. Ik wil de staatssecretaris nog een risicogroep meegeven, namelijk Kamerleden. Sinds ik in dit huis rondloop, voldoe ik in ieder geval niet meer aan de beweegnorm, maar dat terzijde.

Het NASB richt zich met name op de groepen met de grootste gezondheidsachterstanden. Als men verder kijkt, zijn dat voornamelijk mensen met een lage sociaaleconomische score, zoals dat zo mooi heet. Wat ik mis, is een analyse. Wat is precies de reden dat deze mensen minder sporten? Er wordt geconstateerd dat zij minder sporten en er komen allerlei interventies en acties om hen meer te laten sporten, maar mij is uit alle stukken niet duidelijk geworden waarom die mensen minder sporten. Komt dat door de lagere sociaaleconomische status, het feit dat zij minder inkomen hebben? Komt het doordat er minder faciliteiten zijn? Is er een gebrek aan voorzieningen? Is er gebrek aan activiteiten? Wat is precies de reden? Als wij oplossingen willen verzinnen, is het best handig om eerst begrepen te hebben wat precies de kern van het probleem is.

Er zijn bijvoorbeeld diverse gemeenten die aan inkomensbeleid doen. Ik noem de gemeente in de gemeenteraad waarvan ik heb gezeten, Utrecht, waar veel aan inkomensbeleid werd gedaan om mensen aan het sporten te krijgen. Je moet goed bekijken of de mensen met een sociaaleconomisch slechtere score het in zulke gemeenten duidelijk beter doen dan in gemeenten waar dergelijk inkomensbeleid niet is gevoerd. Als uit de analyse blijkt dat dit niet het geval is, kun je inkomensmaatregelen nemen tot je een ons weegt, maar is het lage inkomen blijkbaar niet helemaal de oorzaak. Dat is wat ik het meest mis, zowel in dit stuk als in andere stukken: de diepere analyse wat de grondoorzaken zijn waarom deze groep mensen minder sport. Als wij dat hebben geanalyseerd, komen wij veel sneller en vanzelfsprekender op oplossingen. Het kan best zijn dat dit de oplossingen zijn – daar wil ik van af zijn – maar dan heb je er in ieder geval wat meer zekerheid over.

De voorzitter:

Namens mijn fractie stel een vraag aan de heer Zijlstra, nog even los van Utrecht; bij FC Utrecht zijn gisteren heel veel sportbegeleiders aan de kant gezet, geloof ik.

De heerZijlstra(VVD)

Dat is een betaaldvoetbalclub!

De voorzitter:

Heeft de heer Zijlstra zelf een idee wat de oorzaak zou kunnen zijn? Hij is immers ook actief geweest op gemeentelijk niveau.

De heerZijlstra(VVD)

Laat ik daarop maar meteen doorgaan. Een van de dingen die zijn waar te nemen, en die je in de stukken, waar ik nu maar een beetje doorheen shop, ziet terugkomen, is de trend dat sportaccommodaties naar de randen van de steden gaan. De heer Atsma gaf dat zelf ook al aan. Dientengevolge zijn er steeds minder faciliteiten. Ik ben heel cynisch, zal ik eerlijk zeggen, over de wijze waarop wij dit voor elkaar moeten krijgen. Er ligt namelijk ook een heel sterke opdracht van het Rijk aan gemeenten, en zeker aan steden, om tot stedelijke verdichting te komen. Om groen buiten de steden te sparen, moeten wij meer in de steden bouwen. Elk groen veldje en elk pleintje dat wij kunnen vinden, wordt om deze reden dichtgebouwd. Daarmee verdwijnen faciliteiten, zeker in de binnensteden. In een van de stukken die op de agenda staan – ik kom er nog wel op welk precies – wordt duidelijk geconstateerd dat met name in de zogenaamde "prachtwijken" van mevrouw Vogelaar het probleem speelt van onvoldoende gelegenheid tot sporten. Wij kunnen natuurlijk heel veel activiteiten opzetten, maar als dat soort kernzaken er niet is, neemt de mogelijkheid om te sporten af. Wij kunnen dus heel veel activiteiten organiseren, maar als wij dit niet continu doen, dan zakken mensen terug in dezelfde uitgangspositie en is er wederom hetzelfde probleem.

De voorzitter:

Daarom vroeg ik dit ook. Is de heer Zijlstra met ons van mening dat je alles op alles zou moeten zetten om die trend tegen te houden?

De heerZijlstra(VVD)

Dat ben ik heel erg met de heer Atsma eens. Dat hebben wij ook uitgebreid bepleit. Daarbij moeten wij wel in het oog houden – en daar komt mijn cynisme vandaan – dat de rijksoverheid tegelijkertijd de stedelijke verdichting wil, en volgens mij is die tak, de rijksoverheid, tot nu toe net iets krachtiger dan de sportlobby. Daar zit van alles achter. Daar zit ook veel meer geld achter, laten wij dat maar helder stellen. Die stedelijke verdichting moeten gemeenten eveneens uitvoeren. Je kunt niet tegelijkertijd tegen gemeenten zeggen dat zij stedelijk moeten verdichten en dat zij hun sportaccommodaties en groenvoorzieningen overeind moeten houden, omdat mensen anders niet kunnen sporten. Het is het een of het ander. Hieraan zie je dus ook de verkokering in het rijksbeleid. Wij proberen diverse dingen tegelijkertijd te doen, maar die zijn gewoon conflicterend. Daarin zullen wij een stap moeten zetten. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan ook hoe zij denkt dit te gaan doen. Dit is het kabinet van de pijlers. Bij zijn aantreden heeft het kabinet een grote ontkokering aangekondigd. Hierin ligt qua ontkokering een heilige taak, zou ik bijna zeggen. Als wij dat niet doen, dan kunnen wij de voornemens tot meer sporten en meer faciliteiten op onze buik schrijven.

Voorzitter. In het Nationaal Actieplan Sport en Beweging staat op pagina 8 dat tot nu toe niet goed bekend is wat een omgeving precies beweegvriendelijk maakt. In de bijlage staat ergens dat dit voldoende groen in de wijk en sportterreinen in de wijk zou kunnen zijn; "zou kunnen", zo staat het er. Dan kom ik op mijn eerdere punt: dat is mooi, maar hoe verhoudt zich dat tot de stedelijke verdichting?

Hoe staat het met het streven naar meer sport op school? Mevrouw Leijten sprak er al over en moties van de heer Rijpstra hierover zijn in het verleden aangenomen. In het stuk staat dat in het primair en in het voortgezet onderwijs twee keer per week gymnastiek wordt gegeven. Hoeveel is twee keer per week? Hoeveel uren worden minimaal gegarandeerd? Moet dit aantal niet omhoog? In het buitenland is er een heel andere structuur. Daar is sport veel meer aan scholen gebonden. Het sportwezen speelt zich daar vooral af rond de scholen. De VVD-fractie vindt dat de Nederlandse verenigingscultuur goud is. Wij moeten deze overeind houden. Kunnen wij het entreeportaal ook in de scholen leggen? Daar zijn de kinderen. Daar moeten de kinderen zijn. Het mooie voorbeeld van Friese gemeenten is gebruikt. Sportverenigingen kwamen op Friese scholen en organiseerden clinics. De kinderen gingen op een gegeven moment naar de sportverenigingen, waardoor veel meer kinderen lid werden en gingen sporten. Moeten wij zulke initiatieven niet veel meer institutionaliseren? Wat is daarbij mogelijk?

Het is mij opgevallen dat in het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen staat dat indien gemeenten afzien van het realiseren van outputafspraken, de rijksbijdrage het jaar daarop stopt. Op zich lijkt mij dit buitengewoon verstandig, maar wat gebeurt er met de eerdere bijdrage? Er zit namelijk een beetje een gevaarlijke perverse prikkel in. Eerst krijgen gemeenten geld om dingen te doen, dan worden er afspraken gemaakt over het meten en als gemeenten niet meedoen, stopt het. Dan kan een gemeente dus eerst wat geld binnenharken en als de gemeente moet leveren, kan zij zeggen dat zij het toch niet zo'n goed idee vindt. Kan de staatssecretaris niet beter zeggen dat als een gemeente deelneemt, zij outputafspraken moet maken? Als een gemeente halverwege afhaakt, betaalt zij gewoon terug, ook wat zij al gekregen heeft. Dan weet iedereen waar hij aan toe is.

Ik was een beetje verbaasd over wat de heer Atsma zei over het belang van sport voor de economie en voor de gezondheidszorg. Volgens mij wordt in dit rapport helder weergegeven wat voor fantastische bijdrage sport levert aan onze economie en aan onze gezondheid. Weliswaar brengt het kosten met zich mee door blessures, maar het brengt vele malen meer op door het voorkomen van arbeidsverzuim en door effectiever werken.

De voorzitter:

Namens mijn fractie zeg ik dat ook, maar misschien moet dit nog wat beter tussen de oren komen bij veel ondernemers.

De heerZijlstra(VVD)

Wij zijn het er in ieder geval over eens dat het goed is dat dit rapport er is en dat het een uitdaging is om dit tussen de oren te krijgen, ook bij het Rijk overigens. Volgens mij wordt door de ondernemers best veel in sport geïnvesteerd. Natuurlijk heeft een klein bedrijf met een of twee werknemers, waarvan één thuiszit met een gebroken enkel, een gillend groot probleem. Laten wij daarin ook reëel zijn. Op macro­niveau levert sport echter een heel grote bijdrage. Het is goed dat dit eens vastgesteld is. Van een bedrag van 9,4 mld. op jaarbasis raak je toch onder de indruk.

De VVD-fractie ziet een tegenstelling tussen sport en cultuur. Uit het rapport komt naar voren dat sport meer banen oplevert dan cultuur en een hogere bijdrage levert aan het BNP. Sport krijgt de helft van de overheidssubsidies en genereert veel meer particuliere investeringen. Hoewel dit niet in het rapport en in de begeleidende brief staat, wil de VVD-fractie van het kabinet weten waartoe dit leidt. Wij zien een grote discrepantie tussen de investeringen in sport en cultuur en de uitkomsten ervan. Deze staan precies diametraal tegenover elkaar. Leidt dit volgens het kabinet nog ergens toe of blijft het een speeltje van minister Plasterk van Cultuur en doen wij er niets aan? De staatssecretaris zou toch bepaalde beleidsconsequenties moeten trekken uit het rapport Tijd voor sport. Of zij moet meer investeren in sport, of zij bekijkt eens wat er misgaat bij Cultuur. Van de VVD-fractie mag de staatssecretaris beide doen, maar dat er iets aan de hand is, blijkt wat ons betreft uit de cijfers.

In het rapport staat ook duidelijk dat de deelname van vrouwen aan de sport gelijk is aan die van mannen. Dat is heel goed. Ik heb nog één puntje, dat ik ook richt aan de vertegenwoordigers van NOC*NSF. De VVD-fractie heeft een voorbeeld gevonden. In het dammen voor mannen wordt door het NOC*NSF geld gestoken, maar in het dammen voor vrouwen niet. De talenten zijn net tegenovergesteld verdeeld. Hoe klein het onderwerp ook is, kan de staatssecretaris eens met NOC*NSF in contact treden?

De voorzitter:

Als woordvoerder van de CDA-fractie vraag ik me dan af of bij het dammen ook aan de beweegnorm wordt voldaan.

De heerZijlstra(VVD)

Voorzitter. Als het aantal armbewegingen wordt meegeteld, dan zal dat inderdaad het geval zijn.

In de brief van 4 juli komen onder andere de combinatiefuncties aan de orde. Conform de begroting zouden er eind 2009 zo'n 915 combinatiefuncties gerealiseerd moeten zijn; in 2012 moeten er 2500 zijn. Gaat dit wel goed, gezien het feit dat begonnen wordt met de G31? Reëel bekeken mag je daar de grootste bulk aan combinatiefuncties verwachten. Als de G31 inmiddels klaar zijn en hun zaken hebben ingezet, maar wij eind 2009 of begin 2010 op 915 functies zitten, lukt het dan nog wel in de resterende twee jaar? De combinatiefuncties zijn namelijk wel belangrijk voor het behoud van de verenigingen. Wij hebben een gouden infrastructuur, maar die staat wel onder druk, niet door het gebrek aan vrijwilligers – het zijn er meer dan ooit – maar door een ander type vrijwilligers. Mensen besteden liever een gering aantal uren aan een projectje in plaats van gedurende een aantal jaren van een bestuursfunctie te vervullen die een x-aantal uren per week in beslag neemt. Daar ligt dus wel een taak en daar kunnen de combinatiefuncties een rol spelen. De VVD-fractie vindt echter dat het een beetje traag gaat. Is de staatssecretaris het daarmee eens? Zo niet, hoe gaat zij het dan allemaal redden?

De VVD-fractie ontvangt signalen dat bij die combinatiefuncties – functies in het onderwijs met sport of cultuur – het aandeel sport lijkt achter te blijven. Kent de staatssecretaris deze signalen? Zo ja, wat gaat zij daaraan doen? Kan zij eens haar licht daarop laten schijnen, om in ieder geval te zorgen voor voldoende combinatiefuncties met sport?

De voorzitter:

Ik wijs erop dat u inmiddels royaal over de tijdsindicatie heen bent.

De heerZijlstra(VVD)

Dat vind ik een knappe conclusie voor iemand die dat zojuist zelf ook deed in zijn eigen bijdrage.

De voorzitter:

Nee, nee, de tijd wordt precies bijgehouden. Het is slechts een indicatie dat u over uw tijd heen gaat.

De heerZijlstra(VVD)

Voorzitter. Ik zal wat sneller gaan spreken.

De brief van 4 juli is eigenlijk het enige stuk waarin iets over gehandicaptensport staat. Daarin staat dat "op dit moment overleg plaatsvindt over het programma 2008-2012". Wij zijn bijna in 2009; als er nu nog overlegd wordt over het programma 2008-2012, gaat er volgens mij iets niet goed. Wat gaat er nu gebeuren met de gehandicaptensport? De staatssecretaris heeft voornemens opgenomen in de begroting. Deze stralen een ambitie uit, maar hoe gaat zij deze waarmaken? Voor de VVD-fractie blijft dat namelijk onduidelijk.

De VVD-fractie vindt het enigszins teleurstellend dat de enige reactie van het kabinet op het rapport over de combinatie van topsport met onderwijs luidt: "Wij roepen de sportorganisaties op, het rapport ter harte te nemen." Als extra stap wil de staatssecretaris nog wel enkele bijeenkomsten organiseren om de organisaties wegwijs te maken. In dat rapport staan namelijk toch wel een aantal belangrijke zaken. Mijn fractie vindt dat de NOC*NSF-definitie van topsport-/talentprofielen gewoon gehanteerd moet worden. Daarover bestaat enige onrust, maar een heldere definitie is belangrijk, te meer omdat daarmee een keuze wordt gemaakt. De VVD-fractie bepleit dat gekozen wordt voor het echte talent, wat als consequentie kan hebben dat je hier en daar een laatbloeier kwijtraakt. Als wij dat niet doen, zetten wij in op de breedtesport en op de groep mensen die het misschien alsnog toch per ongeluk wel redt; volgens mijn fractie is dat de verkeerde prioriteit. Ik roep de staatssecretaris op, te gaan voor de focus die NOC*NSF heeft aangegeven, want dan komen er heldere beschrijvingen en wordt het ook gemakkelijker om beleid te maken. Hoe zit het met de aanpassing van de urennorm? Het stuk geeft als aanbeveling dat aanpassing van de urennorm nodig is voor categorie III-talenten, maar in de conclusies staat vervolgens dat aanpassing van de urennorm niet nodig is, omdat de noodzaak daartoe onvoldoende is aangetoond. Wat gaat er op dit punt nu precies gebeuren? Volgens de VVD-fractie moet de staatssecretaris in overleg treden met OCW. Doet zij dat? Is zij ook in overleg met NOC*NSF en andere organisaties om scholen te wijzen op de mogelijkheden die wetgeving biedt en hen te informeren over het faciliteren van de mogelijkheden, over het opstellen van globale richtlijnen of over de mogelijke afwijkingen van de urennorm? Ik snap best dat de staatssecretaris zegt dat het niet allemaal haar verantwoordelijkheid is. Dat is goed. Maar wordt er vanuit het ministerie iets gedaan om te zorgen dat de bonden en organisaties het wel oppakken?

Dan kom ik op het Beleidskader Sport, Bewegen en Onderwijs. Volgens mijn fractie is er sprake van een achteruitgang van ambities. Volgens dit beleidskader moet in 2012 50% van de jeugdigen aan de beweegnorm voldoen, terwijl in het vorige kabinet de norm was dat in 2010 90% dagelijks aan sport moest doen. Vanwaar deze verlaging van de ambitie? Dit is overigens niet nieuw bij deze staatssecretaris; ik moet eerlijk zeggen dat bij alle kabinetten een dergelijk teruggang het geval was. De vrees, ook weer bij deze notitie, is dat wij zo incidenteel bezig zijn. Er is een initiatiefje hier, een projectje daar, er zijn programma's van 2004 tot 2008 en van 2008 tot 2012, maar hoe zorgen wij er nu voor dat er continuïteit in het beleid komt? Je ziet dat als iets als de Alliantie School & Sport afloopt, er vervolgens weer iets nieuws wordt verzonnen, wat eigenlijk slechts een soort herformulering van het wiel is. Ik heb dit ook lokaal waargenomen. Eerst zie je dat een succesvol project een beetje in elkaar dondert. Er wordt geconstateerd dat er een probleem is, omdat het succesvolle project in elkaar is gedonderd. Vervolgens wordt er iets in elkaar geklust wat ongeveer gelijk is aan het vorige project, maar dat wel te maken krijgt met allerlei aanloopproblemen. Hoe kan dit worden voorkomen? Ook dit beleidskader ademt naar de mening van mijn fractie te veel een sfeer van "incidenteel projectje" uit.

In aansluiting hierop vraag ik mij af in hoeverre sport terug kan komen in het curriculum van het mbo. Er is een probleem met het activeren van kinderen. Moet de overheid daar niet iets aan doen? Wat doet de staatssecretaris hieraan in de richting van haar collega van het ministerie van OCW? 63% van de scholieren wil meer sporten op en om de school; er ligt dus een enorm potentieel. De kinderen willen wel. Eigenlijk is het gewoon "low hanging fruit", zoals dat zo mooi heet. Hoe gaan wij dat fruit plukken? Moet de overheid hier geen heldere norm voor stellen?

Het is goed dat de staatssecretaris inzet op vakmensen, zoals zij helder uitlegt in het stuk. Als praktijkvoorbeeld kunnen de Cruyff Courts en de Krajicek-playgrounds worden genoemd. Die laatste zijn het succesvolst, omdat daar begeleiding van vakkundige mensen aanwezig is bij het spelen van de kinderen. Je ziet dat kinderen dan langer blijven sporten en het meer iets van zichzelf maken. Dat moeten wij als les meenemen. Het is goed dat de staatssecretaris deze vakmensen voorop stelt.

Het is in dit verband wel gek dat zij op de pabo de Leergang vakbekwaamheid bewegingsonderwijs lichter heeft gemaakt. In het stuk staat dat de pabo-studenten het als te zwaar ervaarden en dat het daarom lichter is gemaakt, zodat er genoeg studenten komen. Dat vind ik het paard achter de wagen spannen. Als de leerlingen het niet aankunnen, wordt de grens verlaagd. Nee, dat moet niet. Het is of inhoudelijk nodig om een zwaar programma te hebben en dan zijn er wat meer studenten die afvallen, of te zwaar. Zoals het er nu staat, heeft mijn fractie er een slecht gevoel over. Kan de staatssecretaris haar licht laten schijnen over dit punt?

Ten slotte kom ik op de maatschappelijke stages. In het stuk worden die aangehaald als een prachtige vorm waarbij kansen liggen voor sportverenigingen. Wat de VVD-fractie betreft, is dit een beetje lariekoek. De maatschappelijke stage is tot zeven dagen in de week verworden. In zeven dagen in de week zijn er geen extra handen in de sportvereniging. Als een sportvereniging aan begeleiding moet gaan doen – en dat moet bij een fatsoenlijke stage – zal dat wel extra werk opleveren, maar geen extra hulp. Kan de staatssecretaris hier op ingaan? Er worden mooie plaatsjes geschapen, maar als je echt de verenigingen hulp wilt bieden, moet je of de maatschappelijke stage veel groter maken, zodat stagiairs nadat zij zijn ingewerkt echt iets kunnen doen, of ophouden met dat instrument.

De heerBlom(PvdA)

Voorzitter. Het een na laatste punt van de heer Zijlstra spreekt mij bijzonder aan, want ik ben namelijk nog een van die pabo-afgestudeerden – hoewel ik het eigenlijk nooit studeren heb gevonden – die een "aantekening-J" heeft gehaald. Het was mijn specialisatievak, maar dit terzijde.

Voordat ik aan mijn bijdrage begin, maak ik de staatssecretaris een compliment voor de manier waarop zij het laatste jaar bezig is geweest. Nederland kent een lange traditie van staatssecretarissen die een boegbeeld van de sport zijn geweest, de een wat letterlijker dan de ander. Deze staatssecretaris heeft aangetoond dat zij echt een hart voor de sport heeft. Zij is zichtbaar op plekken waar dat heel belangrijk is, bijvoorbeeld op de Olympische Spelen in China. Zij heeft de mensenrechtensituatie in China ter sprake gebracht, terwijl veel sceptici dachten dat dit nooit zou lukken. Volgens mij is haar dat echter heel aardig gelukt en ik maak haar mijn complimenten daarvoor.

Ik heb mijn inbreng als volgt ingedeeld: de school, de wijk, de sportvereniging, de topsport en ten slotte de evenementen. Ik begin met de school. Wij weten allemaal dat op de jongste schoolleeftijd de basis voor sportbeleving wordt gelegd. De school moet dus een basis vormen die de jeugd niet alleen tot sport stimuleert, maar daarvoor ook de faciliteiten verschaft. Daarom voeren wij nog steeds de discussie over vakleerkrachten. Die discussie is belangrijk. Er is een aantal stappen gezet die tot verbeteringen hebben geleid, maar het gaat nog lang niet hard genoeg. Gymnastiek en vooral sport op school vormen echt voor ieder kind de basis van de latere sportbeleving.

Ik woon zelf in een klein dorpje in Zeeland. Wij hebben nog geen LOOT-school, maar die zal er ongetwijfeld komen. Nu zijn kleine scholen helemaal niet in staat om vakleerkrachten aan te trekken voor een volledige werkweek. Zij zoeken dus altijd combinaties van leerkrachten, die allemaal uurtjes op verschillende scholen draaien. Daarom is dat combinatieverhaal zo interessant. Hierbij worden vakleerkrachten ingezet op scholen, terwijl tegelijkertijd hun knowhow wordt gebruikt door sportverenigingen. Dat is ook de wens van de staatssecretaris en dat zie ik wel terug, maar er zijn nog steeds veel problemen die moeten worden opgelost. Hoe gaan wij bijvoorbeeld om met het dienstverband? Is dat nu geregeld? Er geldt nog steeds een btw-verplich­ting voor scholen die deze oplossing kiezen. Gaan wij dat nu eens een keer afschaffen? Gaan wij gemeenten nu ook echt stimuleren om aan die combinatieleerkrachten te komen? Juist voor sportverenigingen is die stimulering zo belangrijk, omdat sportverenigingen veranderen. Het wordt voor hen steeds moeilijker om vrijwilligers te krijgen. Als je mensen uit combinatieclusters kunt inzetten om het werk bij de sportverenigingen te vergemakkelijken, dan wordt het voor de vrijwilligers een stuk leuker.

MevrouwLeijten(SP)

De combinatiefuncties kunnen inderdaad een belangrijke schakel zijn tussen de school en de sportvereniging, maar volgens de staatssecretaris vormen zij slechts een aanvulling op de vakdocent. Bent u het met mij eens dat iemand die in een combinatiefunctie in dienst is bij de gemeente en gymnastiekles geeft, wel bekwaam moet zijn? Dat is nu volledig aan de gemeenten, maar als het gaat om een vervanger voor een vakdocent, omdat het om een kleine school gaat, dan moet die persoon wel goed opgeleid zijn, zodat de kwaliteit van de les niet wordt ondermijnd.

De heerBlom(PvdA)

Ik ben het volstrekt met u eens. Ik weet dat gymnastiek en sport echte vakken zijn. Je kunt niet zomaar tegen de eerste de beste zeggen: jongens, wij hebben nog een paar uurtjes gymnastiek over op die school, ga dat eens even leuk vullen. Dan blijft het bij trefbal en touwklimmen. Het gaat juist om het stimuleren van sport en sportbeleving en leren hoe je met elkaar omgaat. Zo is het belangrijk om antipestprogramma's op school te combineren met sportactiviteiten, want juist de sociale functie van sport – ik ben niet voor niets sociaaldemocraat en ik kom uit een gezin dat zich altijd met sport heeft beziggehouden – is nog veel belangrijker dan de prestatieve functie. Daarom moeten scholen daar op een fatsoenlijke manier mee beginnen. Zij moeten een creatieve oplossing zoeken, bijvoorbeeld een combinatie met buitenschoolse opvang. Overdag staan sportkantines leeg. Die staan bij sportvelden. Dus als je buitenschoolse opvang moet regelen, verzin dan niet iets in een of andere container op het schoolplein, maar maak afspraken met die sportverenigingen. Er zijn een heleboel creatieve mogelijkheden waarmee wij de sportbeleving en de sportparticipatie bij kinderen veel groter kunnen maken.

Ik ga over naar de wijk. Als wij terugkijken naar de discussies in de Kamer in de afgelopen maanden over voornamelijk de integratie van Marokkaanse jongeren, dan komt bij mij direct de vraag op waarom wij dat soort zaken niet koppelen. Daarvan zijn een aantal voorbeelden. Bijvoorbeeld in de jaren negentig, toen er in Groningen overlast was van Antillianen, is er een aantal activiteiten georganiseerd, waarbij sportverenigingen en maatschappelijke organisaties de wijken ingingen en de mensen aan het sporten brachten. Volgens mij is sport een heel goede manier om ook dit soort problemen op te lossen, maar daarvoor is wel het een en ander nodig. Als er geen ruimte voor sport in een wijk is, kun je honderd keer roepen dat het belangrijk is om te sporten, maar dan zul je er toch voor moeten zorgen dat er ruimte komt. Dan moet je die ruimte dus ook creëren. Zoals de heer Atsma zei, kun je dit door actief in te grijpen op het moment dat gemeenten om geld vragen van de landelijke overheid. Van gemeenten kan dan worden gevraagd om daar iets tegenover te stellen. Maar wat mij betreft mag het nog veel verder gaan. Bij stadsvernieu­wingsplannen en uitbreidingsplannen moet je ervoor zorgen dat sportaccommodaties een prominente plek krijgen in de wijk en niet daarbuiten. Als je dagelijks wordt geconfronteerd met sport, bijvoorbeeld als je erlangs loopt naar school, dan stimuleert dat automatisch. Maar als je eerst op de fiets moet stappen om vijf kilometer te fietsen om bij een sportvereniging te komen, krijg je die stimulans niet. Dan is sport geen onderdeel van de samenleving geworden. Sport hoort in de wijk te zijn. Op het moment dat wij praten over stadsvernieuwing, maar ook als wij het hebben over uitbreiding en nieuwbouw, moet ervoor worden gezorgd dat er weer sportverenigingen in de wijk komen.

Er zijn allerlei initiatieven geweest, waarover ik de mening van de staatssecretaris wil vragen. Ik denk bijvoorbeeld aan de Haagse Sporttuinen. Hierbij wordt aan kinderen de mogelijkheid geboden om eerst lid te worden van de Haagse Sporttuinen. Vervolgens wordt hun de mogelijkheid geboden om de overstap te maken naar sportverenigingen. Je betrekt kinderen zo bij die sport, maar ook bij sport als maatschappelijk fenomeen. Een van de doelstellingen van de veertig Vogelaarwijken zou moeten zijn dat elk kind lid is van een sportvereniging of van een culturele vereniging. Wat mij betreft nog het liefst van een sportvereniging. Ik weet dat het ambitieniveau erg hoog is, maar je moet ergens beginnen. Ik ben er echt absoluut van overtuigd dat als je "kids" laat sporten, je van een heleboel problemen af bent.

Sportverenigingen zitten op dit moment natuurlijk nog wel met een aantal problemen, bijvoorbeeld als het gaat om ruimte. Het is natuurlijk volslagen van de gekke dat er sportverenigingen zijn met wachtlijsten voor kinderen die willen gaan sporten. Ik ken voorbeelden van voetbal­verenigingen uit Rotterdam waarbij kinderen eerst drie jaar op de wachtlijst staan, voordat zij lid kunnen worden. Als je het kinderen wilt afleren om te gaan sporten, moet je het op die manier doen. Je moet er dus echt voor zorgen – dat is een gemeentelijke taak, maar net zozeer een taak van de landelijke overheid – dat die verenigingen ruimte krijgen om uit te breiden, waardoor ze die "kids" lid kunnen laten worden van die sportvereniging. Niks is immers zo frustrerend voor een kind dat wil gaan voetballen, als het van zijn ouders hoort dat het nog even niet mag gaan voetballen, omdat er een wachtlijst is. Minister Rouvoet moet hier en daar nog wat wachtlijsten wegwerken. Ik vraag de staatssecretaris om haar best te doen om ook deze wachtlijsten weg te werken.

Op het platteland is sprake van het omgekeerde probleem. Door de vergrijzingsproblematiek op het platteland worden sportverenigingen steeds kleiner. Dat betekent dat de sportverenigingen niet meer in staat zijn om hun eigen sportaccommodaties te bestieren. Die gemeenten vragen dan aan de sportverenigingen om met elkaar samen te gaan. Ik woon op het eiland Tholen, in de provincie Zeeland. Daar heeft men het, wat mij betreft redelijk bezopen plan om tegen voetbalvereni­gingen te zeggen dat zij de standaardelftallen, het eerste en tweede van de senioren en de A1 en de B1, samen te voegen. Deze mogen dus niet meer in het dorp voetballen. Er wordt naar een plek midden op het eiland gezocht waar de standaardelftallen mogen voetballen. Mensen beseffen niet dat een sportvereniging in zo'n klein dorp niet alleen sport is, maar ook sociale cohesie. Bij ons in het dorp is niet zo veel aan de hand, behalve bij die sportvereniging. Die organiseert namelijk niet alleen voetbalwedstrijden, maar ook feesten, bruiloften, partijen en inkomsten van Sinterklaas. Bedenk het allemaal maar. De sportvereniging is het centrale punt in het dorp en ik denk dat in andere plattelandsgebieden precies hetzelfde het geval is. Een geldige reden voor een gemeente kan nooit zijn dat een sportvereniging veel te duur wordt. Het kan niet zo zijn dat een gemeente een vereniging opdoekt en verschillende verenigingen bij elkaar brengt om zo uit de centen te komen. Het gaat om mensen, het gaat om sporten, het gaat niet om centen. Ik verzoek de staatssecretaris om daaraan ook aandacht te besteden.

Over de gehandicaptensport is ook al het een en ander gezegd. Ik vind dat wij ervoor moeten zorgen dat gehandicapten binnen de reguliere verenigingen kunnen sporten. Maak daar dan ook die dubbelslag. Zet gehandicaptensport niet apart in een hoekje, maar probeer het te integreren. Een mooi voorbeeld hiervan zijn de G-voetbalelftallen. Dat verschijnsel slaat aan, het gaat hartstikke goed. Mensen zijn daar enthousiast over. Kijk of je die combinaties meer kunt maken. Wij hebben het dan gelijk over allerlei sporthulpmiddelen. Noem sporthulpmiddelen nu gewoon sporthulpmiddelen en geen sportrolstoel. Bij een heleboel gemeenten is namelijk wel te vinden dat je een sportrolstoel kunt krijgen, maar als je iets anders mankeert, wordt het vreselijk ingewikkeld. Hetzelfde geldt voor het bereikbaar houden van alles wat met sportaccommodaties te maken heeft.

De heer Atsma heeft al iets gezegd over de Nederlandse Sport Alliantie (NSA). Ik zal daarover samen met hem een amendement indienen tijdens de begrotingsbehan­deling op 15 december. Wij willen de NSA in elk geval dit jaar een subsidie verstrekken van 1 mln. Dat is volledig in overeenstemming met alle moties die hierover in andere jaren zijn aangenomen.

De voorzitter:

De begrotingsstemmingen zijn eind december, maar het amendement kan nu al ingediend worden.

De heerBlom(PvdA)

Ik dien het nu in. Het ligt er.

De voorzitter:

De staatssecretaris zal erop reageren. Ook zij neemt er kennis van.

De heerBlom(PvdA)

De reclame van de Stichting Ideële Reclame (SIRE) ging over verbaal geweld aan de zijlijn. Ik vond dat een fantastisch goede reclame en ik ben blij dat het ministerie initiatieven heeft genomen om de campagne op te zetten. Ik sta echter nog steeds elke zaterdagochtend langs het voetbalveld met mijn jongste en mijn oudste zoon, want die voetballen alle twee. En je wilt eigenlijk nog steeds niet weten wat er langs zo'n lijn gebeurt. Zo'n SIRE-reclame is dan wel hartstikke leuk, want dan zeg je tegen zo'n ouder: "Zou wat die meneer daar zegt wel in overeenstemming zijn met de gedragscode van de SIRE-reclame?". Er is echter niemand die dat controleert. Ik wil best een stapje verder gaan. Een heleboel sportverenigingen kunnen op dit moment moeilijk begeleiders krijgen, zoals jeugdleiders en scheidsrechters in het jeugdvoetbal. Het verbale geweld dat tegen jeugdscheidsrechters wordt gebezigd, daar lusten de honden af en toe geen brood van. Dat is echt niet normaal. Je moet je voorstellen dat daar jongetjes van 9, 10 jaar staan te voetballen en dat pa en ma denken dat zij bij Ajax staan te kijken. En dan lopen daar ook nog jeugdleiders en -trainers rond, die denken dat zij bij Ajax werken. Op die manier wordt de hele sfeer in dat elftalletje verpest. De jongetjes weten niet meer waar zij aan toe zijn, want zij horen veel te veel langs de lijn en van het verbale geweld word je ook niet vrolijker. De reclamecampagne is dus hartstikke goed, maar probeer daar ook nog een vervolg aan te geven. Als de staatssecretaris aan mij vraagt om aan te geven hoe wij dat zouden moeten doen, dan wordt dat lastig. Ik kan mij echter voorstellen dat je binnen verenigingen een soort gedragscode krijgt, waarbij zij zelf controleren wat er langs de lijn gebeurt. Soms lusten de honden daar namelijk echt helemaal geen brood van.

De heerZijlstra(VVD)

Ik hoop dat de heer Blom toch iets verder kan gaan dan zijn laatste zin. Ziet hij daar een taak voor de staatssecretaris? Moet dit binnen verenigingen worden opgelost? Hoe ziet hij dat?

De heerBlom(PvdA)

De staatssecretaris heeft natuurlijk een bepaalde competentie. Zij kan ook niet alles regelen wat ik zou willen. Tegelijkertijd is het een heel grote verantwoordelijkheid voor de voetbalbonden. Dit speelt namelijk vooral bij voetbal. Bij andere sporten heb ik het nog niet echt gezien. Bij ijshockey kom ik niet zo veel, want dat heb je bij ons in Zeeland niet. Het is dus ook een verantwoordelijkheid voor de bonden. Ik kan mij voorstellen dat er een soort sanctiemethodiek zou kunnen komen bij de bonden, die te maken hebben met de manier waarop verenigingen zich gedragen. De bonden zouden wat mij betreft bepaalde elftallen kunnen terugtrekken uit competities. Dat mag van mij hoor, ik heb daar helemaal geen bezwaar tegen. Als je langs de lijn staat, word je daar echt niet vrolijk van.

De voorzitter:

Als ik namens de CDA-fractie ook iets mag zeggen: ik begrijp dat de situatie op Tholen niet anders is dan elders, en dat u vindt dat sancties niet mogen inhouden dat elftallen moeten fuseren. Maar u staat langs de kant. Ik zou die negen andere ouders erop aanspreken.

De heerBlom(PvdA)

Dat doe ik dus ook. Sterker nog, ik sta ook regelmatig op zaterdagochtend met zo'n fluitje in mijn gezicht, zodat ik er ook mee word geconfronteerd. Natuurlijk loop ik dan naar die ouders toe, maar ik heb de mazzel dat ik 1 meter 85 ben en 100 kilo weeg. Als ik geen bril op heb en mijn haar is kort geschoren, denken ze: daar moeten wij een beetje voor oppassen, voor die Blom! Er zijn natuurlijk ook mensen die dat dus niet hebben. Daar gaat het mij dus om. Niet iedereen durft elkaar meer aan te spreken in deze samenleving. Dat is dus ook het geval op het voetbalveld. Het heeft ook te maken met burgerzin. Die kan je stimuleren door dit soort reclamecampagnes, maar daar moet je het niet bij laten. Wat mij betreft worden informatieavonden georganiseerd bij verenigingen en wordt gezorgd voor coaches bij verenigingen die de begeleiding doen. Nogmaals, het lijkt een klein probleem, maar voor al die tienduizenden mensen die elke zaterdag op het veld staan, is dat niet leuk.

Daarnaast geldt dat sportverenigingen, zeker in de grote steden, van kleur veranderen. Wij zien het aantal allochtone leden van sportverenigingen groeien, en dat is goed. Het grote probleem dat ook de aandacht van de staatssecretaris zou dienen te hebben, is hoe je allochtone ouders bij die sportverenigingen betrekt. Normaal gesproken, weten mensen die gewend zijn om jarenlang met kinderen op sportverenigingen om te gaan, dat niet alleen het kind op de sportvereniging zit maar dat ook wat van de ouders wordt gevraagd, in de zin van bardiensten en het vervoeren van kinderen. Allochtone ouders hebben daar veel minder affectie mee. Het lijkt mij dan ook goed dat de staatssecretaris een plan maakt waarbij ook door stimuleringsactiviteiten allochtone ouders veel meer worden betrokken bij sportverenigingen. Dat is echt nodig, want sportverenigingen hebben een gebrek aan vrijwilligers.

Vervolgens kom ik te spreken over topsport. Laat ik maar eens beginnen met de 6+5-regeling. Natuurlijk weet ik, mijnheer Zijlstra, dat er in Europa vrij verkeer van werknemers is en natuurlijk ken ik het Bosman-arrest en de uitspraken van het Europees Parlement en de Europese Commissie. Maar zijn dat nu zaken die gebaseerd zijn op nuchter, helder, logisch nadenken, ja of nee? Is voetbal wel een onderdeel van het vrij verkeer van werknemers? Is voetbal wel een normale bedrijfstak? Kan ik solliciteren bij Ajax om daar te gaan voetballen? Ik dacht het niet. Dat betekent dus dat het een andere soort van economie is dan de gewone economie. Als je dat met z'n allen constateert – ik weet dat wij dan te laat zijn want wij hebben dat vrije verkeer van werknemers nu eenmaal – dan moet je erkennen dat voetbal en bijvoorbeeld ook basketbal, waarop de heer Atsma wees, geen normale bedrijfstakken zijn. Sport en voetbal behoren ook bij het nationale culturele erfgoed en wat mij betreft bij de identiteit van Nederland. Op het moment dat het Nederlands elftal successen heeft, staan wij met z'n allen wel in oranje shirtjes langs de kant van de weg. Dus dat hoort bij ons. Het kan toch niet zo zijn dat ik op zondag naar Ajax zit te kijken waarin één Nederlander speelt en ik vervolgens op woensdag naar Real Madrid zit te kijken en er vijf in spelen? Dan gaat er bij mij toch een lampje branden, in de zin dat er iets niet klopt. Voetbal is geen normale bedrijfstak en hoort daarom dus ook niet onder de normale bedrijfstakken te vallen. Als ik in het Belgische parlement parlementslid wil worden, kan dat ook niet, om de doodeenvoudige reden dat ik Nederlander ben. Als ik in het Franse leger wil gaan dienen, kan dat ook niet, omdat afgesproken is dat het gaat om diensten ter bescherming van het eigen land. Als wij in staat zijn om in Europese regelgeving uitzonderingen te maken, ook in het Verdrag van Lissabon, om bijvoorbeeld diensten van algemeen economisch belang aan te wijzen, dan moet het toch te doen zijn om ook voor dit onderhavige probleem een oplossing te vinden? Of dat nu de 6+5-regeling of de 4+4-regeling is, dat zal mij een rotzorg zijn; waar het mij om gaat, is dat wij ervoor zorgen dat talent in Nederland blijft en dat de vereenzelviging blijft in de sport. Als je fan bent van Feyenoord is het echt leuk als er vijf of zes Rotterdammers in spelen; of ze er beter van worden is overigens een ander verhaal. Dat geldt natuurlijk voor elke club. Dat heeft ook te maken met de voortgang van de concurrentie van het Nederlandse ten opzichte van het buitenlandse voetbal. Onze bondscoach Bert van Marwijk en onze voetbalprofessor Johan Cruijff zeggen dat Nederland over een aantal jaren in de tweede divisie van het Europese voetbal speelt, als wij hier niets aan doen. Wij hebben gezien wat er in Engeland is gebeurd. Bij Chelsea speelt ook geen Engelsman meer. Als gevolg daarvan heeft Engeland zich niet geplaatst voor het WK.

Als wij dat belangrijk vinden, moet Nederland met de FIFA, de UEFA, het Europees Parlement en de Europese Commissie ervoor zorgen dat wij ons boerenverstand laten werken. Wij moeten ons afvragen wat belangrijker is: die regeltjes die wij hebben bedacht en die zijn uitgevonden om het de mensen beter te maken, of de uitwassen van diezelfde regelgeving. Als wij vinden dat die regelgeving leidt tot uitwassen, moeten wij niet zeggen dat er nu eenmaal regeltjes zijn, maar ervoor zorgen dat de regeltjes veranderen. Ik ben ervan overtuigd dat dit lukt, als wij dat met z'n allen willen. Ik weet dat deze ambitie hoog is, maar ik hoor graag de mening van de staatssecretaris hierover.

MevrouwLeijten(SP)

Ik ben benieuwd wat u vindt van het standpunt van de staatssecretaris van Europese Zaken.

De heerBlom(PvdA)

Ik ben het helemaal eens met de staatssecretaris van Europese Zaken, die in verschillende artikelen en interviews ongeveer hetzelfde zei als ik wat ik net zei. Ik ben ook Europees woordvoerder van de fractie van de Partij van de Arbeid. Wij weten allebei dat het lastig is, maar het gaat er niet om te constateren dat het lastig is, maar dat wij niet op de goede weg zijn. Als wij met z'n allen vinden dat wij niet op de goede weg zijn, moeten wij een oplossing vinden. Ik ben toch niet de politiek ingegaan om alle regeltjes die zijn bedacht, te volgen? Nee, ik ben de politiek ingegaan om iets te doen aan regeltjes waarvan ik vind dat zij niet goed zijn.

De voorzitter:

Dat schept verwachtingen.

MevrouwLeijten(SP)

In dit geval vind ik het heel prettig dat de heer Blom de politiek is ingegaan, want wij zitten op dezelfde lijn. Ik probeer uit te zoeken waar het kabinet en in dit geval de staatssecretaris van Europese Zaken staan. Ik heb aan de staatssecretaris naar aanleiding van zijn uitspraken gevraagd wat hij gaat doen in de richting van de Europese Commissie en het Europees Parlement. Het antwoord daarop was het tegenovergestelde van wat hij in de krant had geroepen. Daarom vroeg ik wat het standpunt is van het kabinet over het nationaal belang van sport, het witboek, het memorandum en de 6+5-regeling. Dat staat haaks op het memorandum dat wij eerder hebben gezien. Ik hoop dat de heer Blom net zo ferm zal blijven als straks het antwoord komt dat men misschien toch wat is gedraaid.

De heerBlom(PvdA)

Laten wij eerlijk zijn, er is een heel groot verschil tussen een staatssecretaris en een Kamerlid.

MevrouwLeijten(SP)

Wat in de krant en in antwoord op Kamervragen wordt gezegd, moet wel een beetje hetzelfde zijn.

De heerBlom(PvdA)

Dat vind ik te simpel. Ik juich het alleen maar toe als de staatssecretaris of een minister een discussie aanzwengelt. Als wij in de normale relatie tussen de Kamer en de staatssecretaris met elkaar communiceren, bijvoorbeeld door officiële Kamervragen te stellen, kan de staatssecretaris niet anders doen dan de wet volgen, want daar is hij voor. Alleen ben ik geen staatssecretaris en wil ik die wet veranderen. Daarom moeten wij dit soort dingen met z'n allen aanpakken. Ik weet dat de staatssecretaris van Europese Zaken en de staatssecretaris van Sport heel nauw betrokken zijn bij die discussie. Eind november, begin december is er een Europese Raad, waar zij met de collega's bijeen komt. Tijdens die raad kan dit worden geagendeerd. Ik vind dat de staatssecretaris mee moet nemen wat de leden Atsma, Zijlstra, Leijten en Blom hebben gezegd. Dat is ook de taak van de staatssecretaris. Wanneer de staatssecretaris terug is, zullen wij beoordelen wat er vervolgens uitkomt, maar de toon is wel gezet en dat vind ik het belangrijkste.

MevrouwLeijten(SP)

Ik hoor toch een verschil tussen wat de leden Blom en Leijten en de leden Atsma en Zijlstra zeggen. De heren Atsma en Zijlstra zeggen dat er vrij verkeer is van werknemers, zodat wij niets kunnen doen, maar dat Europa misschien wel over een 6+5-regeling gaat. Wij zeggen dat Europa er misschien niet over gaat, maar dat de voetbalbonden erover gaan. Ik heb hierover een hele discussie gehad met de heer Atsma. Ik vind het heel prettig dat de heer Blom zo duidelijk stelling neemt, maar er ligt volgens mij frictie bij wat wij meegeven.

De heerBlom(PvdA)

Ik geef mee: los het op! Ik vind de beste optie de 6+5-regel. Dat staat buiten kijf. De Nederlandse voetbalelftallen hebben de grootste successen gehaald in de periode dat er maar drie buitenlanders mee mochten doen. Die successen werden behaald in 1970, 1971, 1972 en 1973 – respectievelijk Feyenoord en Ajax – en in 1978 PSV. In 1995 was er het succes van Ajax, maar toen gold die regeling ook nog niet. Dat is dus allemaal goed gegaan. Wij zien dat het een probleem wordt in Europa voor de nationale elftallen, voor de nationale competities, voor het vereenzelvigen met je sportvereniging, voor de voorbeeldfunctie van een topsporter en voor breedtesport. FIFA heeft in de volledige breedte het plan geaccepteerd. Van de FIFA is Nederland lid, net als alle Europese landen. UEFA is daar weer overheen gegaan met het idee dat er Europese regelgeving is. Europese regelgeving kun je echter ook veranderen, net zo goed als dat wij de regelgeving in Nederland kunnen veranderen. Mevrouw Leijten, u bent als Tweede Kamerlid in Nederland immers ook medewetgever in Europa. De staatssecretaris is dat ook. Wanneer je consensus krijgt over een en ander, moet het te doen zijn om die regelgeving te veranderen. Het moet dan gericht zijn op de oplossing. Ik ben ervan overtuigd dat er een oplossing is. Ik vraag aan de staatssecretaris om haar stinkende best te doen, die oplossing zo snel mogelijk te vinden.

De voorzitter:

Ik heb nog een aanvulling. De CDA-fractie was absoluut niet ver verwijderd van het standpunt van de heer Blom. Mocht die indruk zijn gewekt bij mevrouw Leijten, dan neem ik daar afstand van.

De heerZijlstra(VVD)

Volgens mij moeten wij helemaal niet op zoek gaan naar een verschil op dit punt. De heer Blom heeft dit ook al aangegeven. Mevrouw Leijten, wij zien het probleem, maar wij geven de staatssecretaris in verschillende gradaties aan, oplossingen te zoeken. De ene partij ziet wat meer problemen in de huidige regelgeving dan de andere. Laten wij vooral met z'n allen koesteren dat wij het een keer ergens over eens zijn. Dat is voor de verandering best leuk!

De voorzitter:

Dat lijkt mij een goede samenvatting.

MevrouwLeijten(SP)

De heer Zijlstra interrumpeerde mij juist op dit punt. Hij vroeg of ik wist wat het Bosman-arrest inhoudt en of ik wel begreep wat vrij verkeer van werknemers betekent in de Europese Unie. Ik heb met de heer Atsma een behoorlijk fel debatje gevoerd, waarin mij zelfs verweten werd dat ik mijn kop in het zand stak. Daar was toen weinig overeenstemming! Als hierover wel overeenstemming is, vind ik dat heel mooi. Wij kunnen dan de staatssecretaris op pad sturen. Ik vind dat zij dan niet hoeft te wachten tot november. Zij kan dat dan morgen regelen.

De voorzitter:

De slotconclusie is aan de heer Blom; hij was aan het woord.

De heerBlom(PvdA)

Ik voel alleen maar warmte om mij heen, dus dat gaat helemaal goed!

De voorzitter:

Dat is toch een mooie conclusie.

De heerBlom(PvdA)

Ja.

Er zijn natuurlijk nog meer evenementen. Het een en ander is al gezegd over de Olympische Spelen 2028. De PvdA ondersteunt van harte het plan van het CDA om daarvoor een deltaplan te ontwikkelen, want zo'n plan lijkt mij echt noodzakelijk. Daaraan voorafgaand komt in 2018 het WK. Als het goed is, kandideren Nederland en België zich in het najaar samen voor de organisatie van dat WK. De voorbereidingen daarvoor zijn inmiddels begonnen.

De heerZijlstra(VVD)

Nederland en Vlaanderen.

De heerBlom(PvdA)

Nederland en België, niet Nederland en Vlaanderen.

De PvdA-fractie vindt dit soort evenementen van eminent belang. Niet alleen als opmaat voor de Olympische Spelen, maar ook om een aantal andere redenen. De cynici zullen zeggen dat Nederland zich automatisch plaatst voor het WK als het dat kampioenschap organiseert. Daar zijn wij erg blij mee, want dan zijn wij weer van een last af. Tegelijkertijd heeft zo'n evenement een ongelooflijke economische impact in Nederland. Het bruto nationaal product is in Duitsland met 3,5% gestegen in het jaar dat het WK daar plaatsvond. Het levert dus gewoon geld op. Ik wijs op allerlei stadsvernieuwingen in Barcelona. Zo'n beetje de halve stad is opgeknapt, omdat er Olympische Spelen zijn geweest. Wij kennen in Nederland hier en daar nogal wat infrastructurele problemen. De collega van de staatssecretaris, de heer Eurlings, heeft daar een en ander over geroepen de afgelopen weken. Wat is nou mooier dan twee vliegen in één klap slaan? Aan de ene kant organiseer je het wereldkampioenschap en aan de andere kant kun je met het geld dat je daarmee verdient, een heleboel infrastructurele problemen oplossen. Ik wijs mevrouw Leijten erop dat de organisatie helemaal niet om geld vraagt. De organisatie die in 2000 het Europees Kampioenschap in Nederland heeft georganiseerd, heeft helemaal niet om geld gevraagd. Dat heeft geld opgebracht. Je moet niet zuiniger zijn dan een Zeeuw. Je moet proberen te investeren in dat soort zaken. Het heeft aan alle kanten positieve effecten. Het is bevorderlijk voor de sportbeleving, rolmodellen, voorbeelden, inkomsten en infrastructuur. Het heeft alleen maar positieve effecten.

MevrouwLeijten(SP)

De heer Blom vroeg of ik het ermee eens ben dat het economisch gezien meer oplevert dan het kost. Dat kan niemand voorspellen, want het ligt in de toekomst. Het ligt er maar net aan hoeveel wegen wij gaan aanleggen en hoeveel stadions wij zullen gaan bouwen. Wij kunnen daar nu dus niets over zeggen. Maar is de heer Blom het met mij eens dat als wij toegaan naar het WK 2018 of de Olympische Spelen 2028 wij inzichtelijk moeten hebben wat het gaat kosten en welke projecten eraan gelinkt zijn?

De heerBlom(PvdA)

Ja, sterker nog: in internationaal verband zijn daarvoor al wat aanzetten geweest. Misschien is het nieuw voor u, maar er bestaat een Beneluxparlement, een interparlementaire Beneluxraad. Afgelopen zaterdag is het nog in het nieuws geweest. Dat is een verzameling van Nederlandse en Belgische parlementariërs. Zij hebben een werkgroep opgericht die bekijkt wat de impact voor de rol als nationale parlementen is van de organisatie van zo'n evenement. Financiering speelt daarbij een hele belangrijke rol. Als wij controleren wat de regering doet, behoren wij ons te vergewissen van het kostenaspect. Dat speelt echter nog helemaal geen rol, want op dit moment is er nog geen verzoek tot financiële ondersteuning gericht aan het Belgische en Nederlandse kabinet.

MevrouwLeijten(SP)

Ik heb het niet over het WK 2018 gehad, maar wel over de Olympische Spelen van 2028. Ik heb zelfs gezegd dat je kunt ramen als je een duidelijke begroting maakt en aangeeft welke infrastructurele projecten eraan hangen: wegen, stadions, noem maar op. Je moet voorkomen dat het draagvlak wordt ondermijnd doordat alles op een hoop wordt gegooid en er wordt gezegd: dat moet voor de Olympische Spelen. Dat zie je nu in Londen gebeuren en eerder zag je dat ook in Athene. In de aanloop naar de Spelen kwamen er steeds meer kritische geluiden omdat alles opeens het excuus van de Olympische Spelen kreeg en de kosten de pan uitrezen. Volgens mij is dat een risico.

De heerBlom(PvdA)

Uiteraard moeten in de aanloop naar zo'n groot evenement aan al die basisvoorwaarden omtrent kostenramingen voldoen.

Eén ding moeten wij niet vergeten. Als wij nu niet dat WK van 2018 of de Olympische Spelen van 2028 binnenhalen, lukt het wat mij betreft nooit meer. De machtsblokken en de economische factoren in het buitenland zijn zo groot dat het de vraag is of je überhaupt in een land als Nederland dit soort evenementen zou kunnen organiseren. Nu hebben wij de mogelijkheid nog. Dat betekent dat wij het nu moeten doen. Als wij wachten, hebben wij niet zo veel mogelijkheden meer.

Ook de Fanny Blankers-Koen Games staan in de stukken. Dat is een van de 24 eendaagse atletiekwedstrijden die behoren tot de top in de wereld. Het probleem is natuurlijk weer het geld. Het is heel simpel: men heeft daar een begroting en die is niet sluitend. Wij hebben daar de afgelopen vijf jaar centen in gestopt. De staatssecretaris is van plan om daarmee te stoppen. Dit betekent dat de Fanny Blankers-Koen Games wel eens niet door zouden kunnen gaan. Aangezien dit op het gebied van de atletiek op dit moment het enige Nederlandse wereldevenement is, zou de PvdA-fractie het bijzonder betreuren als de FBK Games door gebrek aan een subsidie niet zouden doorgaan. Ik overweeg de indiening van een amendement, maar ik vraag de staatssecretaris eerst of zij daar zelf ook ideeën over heeft.

Tot slot het idee van de nationale raad voor de sport. Ik ben heel benieuwd wat de staatssecretaris daarvan vindt. Het is een met de SER vergelijkbaar strategisch en coördinerend orgaan, waarbij beleidspartners van de verschillende overheidslagen en particulier initiatief samenwerken. Het lijkt mij een aardig initiatief, maar voordat ik daar echt waardeoordelen over geef, wil ik eerst de mening van de staatssecretaris horen.

De voorzitter:

Wat is het verschil met de eerder door een meerderheid van deze Kamer bepleite raad voor de sport of sportautoriteit? Dat was overigens voor uw aanwezigheid in de Kamer. Ik heb die vraag overigens zelf gesteld. Misschien is het goed om een parallel te trekken. Dan hebben wij draagvlak in de Kamer voor de suggestie.

De heerBlom(PvdA)

Ik ben dol op het trekken van parallellen, dus dat doen wij bij dezen.

De voorzitter:

Ik stel vast dat alle woordvoerders, die vier vijfde van alle Kamerleden vertegenwoordigen, hun bijdrage hebben geleverd. Dat zijn er dus 120. Een royale meerderheid van de Kamer is dus aanwezig. Wij hebben aangegeven dat wij ongeveer om 12.30 uur menen te kunnen schorsen. Ik stel voor dat wij tot 13.15 uur schorsen, zodat het mogelijk is om te lunchen en de staatssecretaris zich kan beraden op de antwoorden. Die zullen er ongetwijfeld komen.

De vergadering wordt van 12.30 uur tot 13.15 uur geschorst.

StaatssecretarisBussemaker

Voorzitter. Ik begin met de woordvoerders te bedanken voor hun woorden, maar ook voor hun passie voor de sport en hun soms bevlogen verhalen. Mevrouw Leijten sprak terecht over sport als smeermiddel. Die boodschap heb ook ik proberen uit te drukken in de teksten die de Kamer van mij heeft gekregen. De heer Zijlstra gaf er wel heel veel voorbeelden van, maar ze zijn wel allemaal waar. Sport is inderdaad een fantastisch smeermiddel om heel veel verschillende maatschappelijke doelen te bereiken, wat vaak met reguliere middelen veel moeilijker lukt. De Haagse Sporttuin is een goed voorbeeld. Die floreert, terwijl het meer traditionele welzijnswerk moeite heeft om aansluiting te vinden bij de leefpatronen van mensen daar. Zo kan sport mensen bij elkaar brengen, die behalve de school weinig plekken meer hebben waar zij allemaal komen.

Sporten kan verder de gezondheid dienen en de verenigingsstructuur versterken. De heer Blom gaf een paar heel mooie voorbeelden waarin de sportvereniging veel meer is dan alleen een plek waar wordt gesport. Het is een plek van sociale cohesie, waar mensen elkaar treffen en waar zelfs sinterklaasfeesten kunnen plaatsvinden. Kortom, sporten is een soort modern dorpsplein en dat moet het ook zijn: een plek waar mensen elkaar treffen en sociale cohesie en actief burgerschap vorm krijgen. Dit zeg ik wel in de wetenschap dat de sport zelf altijd voorop moeten staan. Sport werkt alleen als smeermiddel om al die mooie maatschappelijke doelen te bereiken vanuit het besef dat sport leuk is om zelf te doen.

Ik ben blij dat ik die geluiden over het belang van sport ook bij de woordvoerders hoor. Wij hebben een goed sportjaar achter de rug waarna het gemakkelijk is om dat te zeggen. Na de sportzomer met het EK Voetbal en de Olympische en Paralympische Spelen kunnen wij met zijn allen tevreden zijn over de prestaties van de topsporters, maar evenzeer vanwege het gedrag van de Oranjefans. Bij het EK Voetbal in Zwitserland en Oostenrijk heb ik mee mogen maken dat de Oranjefans niet alleen in zeer groten getale aanwezig waren, maar ook zeer werden geroemd voor hun gedrag. Vaak vonden de plaatselijke bewoners het zeer jammer dat het Oranjelegioen de plek verliet. Dat was niet alleen vanwege het geld – natuurlijk ook daarom – maar ook vanwege de gezelligheid en het gedrag van de supporters. Dat mag ook wel eens worden gezegd; er zijn andere voorbeelden.

Interessant zijn ook de goede, nog nooit vertoonde kijkcijfers van de tv-uitzendingen. Dat geldt met name voor de Paralympische Spelen. Er was een halfuur per dag expliciet aandacht voor de sport. Dit vertaalt zich ook in het beleid. Dit jaar bevatte de Troonrede voor het eerst een zeer uitgebreide passage over sport, waarbij niet alleen werd verwezen naar de topsport maar ook naar de breedtesport. De heer Atsma zei heel nadrukkelijk: topsport en breedtesport zijn met elkaar verbonden en kunnen niet zonder elkaar. Topprestaties stimuleren amateurs om te gaan sporten en topsporter kun je alleen worden vanuit de brede basis, de piramide waarin iedereen op alle niveaus kan meedoen. Mijn boodschap is dan ook: excelleren kan op alle niveaus. Wij moeten de condities scheppen waaronder dat kan. Dit doen wij met heel veel initiatieven, op het terrein van zowel breedtesport als topsport. Ik zal dadelijk eerst ingaan op alle vragen over breedtesport dan wel topsport. Daarna zal ik op een aantal andere thema's terugkomen. Vanzelfsprekend komt daarbij ook het Olympisch Plan 2028 aan bod. Dat geeft immers heel goed aan wat ik bedoel met "excelleren kun je op alle niveaus", van sport op basisniveau tot topsport. In algemene zin bevat deze begroting wel een aantal nieuwe beleidsvoornemens, maar niet heel veel. De meeste voornemens zijn vorig jaar al aan bod gekomen. Ik ben blij dat wij met de uitvoering van de beleidsvoornemens goed op koers liggen, en dat er met de beleidspartners goede afspraken zijn gemaakt over de te behalen doelen.

Dat doe ik niet alleen in het kabinet, maar daar kom ik straks bij het olympisch plan iets nadrukkelijker op terug. Sport staat immers niet op zichzelf en heeft niet alleen betrekking op de terreinen van VWS. Natuurlijk ligt er een directe relatie met gezondheid en preventie. Ik werk echter ook zeer intensief samen met andere collega's uit het kabinet, niet in de laatste plaats met de staatssecretarissen Van Bijsterveld en Dijksma in het kader van Sport en Onderwijs. Ook hebben wij samen met EZ een onderzoek gedaan, waaruit blijkt hoe groot de economische betekenis van sport is. Met de minister voor WWI werken wij samen in verband met de wijkenaanpak en de Krachtwijken. Met staatssecretaris Aboutaleb van SZW werken wij samen in het kader van de armoede-impuls, met VROM inzake het ontwikkelen van het olympisch plan, met Justitie inzake kansspelbeleid en gedragscodes, en met Buitenlandse Zaken, Sport en Ontwikkelingssamenwerking, waar de commissie een aparte brief over heeft ontvangen. Met de staatssecretaris van Europese Zaken werken wij samen inzake het Europees beleid, het Witboek, enzovoort. Kortom, het sportbeleid coördineer ik wel en natuurlijk valt de hoofdmoot onder VWS, maar de kracht van het beleid dat op een aantal punten is ingezet, zit juist in de samenwerking met andere departementen. Daarbij geldt ook: 1+1=3, doordat je niet alleen de sportmiddelen besteedt, maar bijvoorbeeld ook middelen van de brede school of van het ontwikkelingssamenwerkingsbudget. Hierdoor kan je meer voor elkaar krijgen dan in je eentje. Bij die samenwerking horen vanzelfsprekend ook de sportbonden, NOC*NSF, andere sportkoepels en de gemeenten. De gemeenten zijn immers met het huidige beleid uitgerust om hun verantwoordelijkheid waar te maken. Zij moeten dat nu laten zien.

Een van de doelstellingen bij het eerste thema, breedtesport, is het versterken van de sportverenigingen. Ikzelf hecht zeer aan de impuls Brede scholen, sport en cultuur omdat ik meen dat je door de mogelijke combinatiefuncties op heel verschillende manieren het sporten onder jongeren kunt stimuleren, het thema dicht bij de school kunt houden, en een professionaliseringsslag kunt maken. Hierdoor stel je niet alleen jongeren meer in staat om te sporten, maar kun je vooral ook de sportverenigingen versterken. Dat sluit weer aan bij het belang van sportverenigingen bij het versterken van sociale cohesie en het zorgen voor ontmoetingsplekken voor mensen.

De inzet is en blijft dat 2500 fte's beschikbaar komen voor het sport- en bewegingsaanbod. Ook daarbij liggen wij op koers; de eerste dertig gemeenten zijn gestart met de aanstelling van de combinatiefuncties. Er wordt nu overlegd met lokale partners over de vraag waar en hoe die combinatiefuncties worden geplaatst. Er is daarbij ondersteuning van zowel de VNG, de VSG als de sportsector. Veel gemeenten zijn al begonnen. Ik beschik nog niet over de precieze cijfers, maar ik weet dat men in Amsterdam al 20 combinatiefunctionarissen heeft, in Rotterdam 22 en in Alkmaar 14, om maar een paar gemeenten te noemen. Het nemen van aanvullende maatregelen, zoals de ontwikkeling van sport- en beweegteams, ligt vooral op lokaal niveau. Bij de 2500 combinatiefuncties is ervan uitgegaan dat alle gemeenten meedoen, maar in verschillende tranches. Wij zijn begonnen met de G31, waarvan alleen Helmond heeft besloten, niet mee te doen. Uiteindelijk zullen de combinatiefuncties echt kunnen bijdragen aan de kracht van verenigingen bij kleine gemeenten en kleine scholen. Het is juist de bedoeling om dit te doen, omdat men op die manier bijvoorbeeld nog wel een vakleerkracht kan binnenhalen. Er is gevraagd naar de verdeling van de middelen. De middelen lopen op met het budget naar aantal inwoners dat men heeft onder de 18 jaar. De heer Zijlstra vroeg hoe het zit met de volgende tranche. Heel veel gemeenten blijken belangstelling te hebben voor de tweede tranche. 85 van de 93 gemeenten die daarvoor in aanmerking komen, hebben er belangstelling voor. Mocht het onverhoopt toch zo zijn dat er bij de laatste tranche geld overblijft, dan is een herverdeling daarvan aan de orde over de gemeenten die denken meer combinatiefunctionarissen weg te kunnen zetten. Hoe dan ook, als het aan mij ligt, komen die 2500 combinatiefuncties er.

Ik dacht dat eveneens de heer Zijlstra vroeg of sport niet achterblijft bij cultuur. Daar hebben wij nog geen cijfers over, maar de gegevens die ik heb, wijzen erop dat wij ons daar niet ongerust over hoeven te maken. Sport is juist bij heel veel gemeenten populair om combinatiefuncties op in te richten.

De heerZijlstra(VVD)

Kunnen wij in de toekomst op de hoogte gehouden worden van de verdeling? U krijgt daar immers gegevens over. Kunt u ons voor de volgende begroting meer inzicht geven in de vervolgtranches? Nu hebben wij tot 915 functies inzichtelijk gekregen. Het zou handig zijn om een verdere doorkijk te krijgen.

StaatssecretarisBussemaker

Vanzelfsprekend. Dat wil ik zelf immers ook graag weten, juist omdat ik het een van mijn belangrijkste beleidsvoornemens vind. Er komt eind van dit jaar een eerste rapportage. Ik zal u die toesturen. Vanzelfsprekend zullen wij ook bij de volgende begroting doen wat wij nu doen, namelijk aangeven waar wij staan en hoe de volgende tranches verdeeld gaan worden.

Mevrouw Leijten vroeg wat er gebeurt als gemeenten niet meedoen. De bedoeling is dat gemeenten hier zelf ook verantwoordelijkheid in nemen en dat zij daar ook zelf middelen aan besteden. Zij moeten cofinancieren. De gemeenten mogen dat ook zeer nadrukkelijk op hun beurt niet verhalen op de deelnemende sectoren zoals sportverenigingen, want het moet iets extra's worden en het mag niet af van wat men toch al geeft aan scholen of aan sportverenigingen. Dat is soms best moeilijk. Daarom ben ik des te blijer dat veel gemeenten heel actief en enthousiast zijn om mee te doen. Mocht een gemeente onverhoopt toch niet cofinancieren, dan krijgt zij bij de volgende tranche geen geld meer. Ik kan het geld niet terughalen. Dat zou een enorme bureaucratie met zich meebrengen, maar wij zijn ook nu zeer alert op gemeenten die het naar ons idee niet doen zoals het bedoeld is. Dat moeten wij dan nu weten, want als ik er nu geen paal en perk aan stel, dan heb ik ook niets meer in handen om de gemeenten bij een volgende tranche daarop aan te spreken. Ik vraag nu overal waar ik kom zelf hoe het precies zit en mijn medewerkers zijn daar ook zeer actief in. Wij zullen gemeenten er ook op aanspreken als wij het vermoeden hebben dat zij toch niet echt cofinancieren, maar op een al te makkelijke weg het geld gebruiken dat men toch al besteedde. Ik heb daar overigens vooralsnog niet veel signalen van. Ik krijg vooral signalen dat gemeenten heel actief meedoen en dat zij ook de kansen van sportbeleid op lokaal niveau zeer nadrukkelijk zien.

De heerZijlstra(VVD)

Heel goed dat dit de goede kant op lijkt te gaan. U zegt echter feitelijk: wij praten erover, en wij hopen dat wij de boel op die manier goed op orde krijgen. Wat hebt u nog verder aan middelen? U zegt dat u vanwege bureaucratische ellende geen geld kunt terugvorderen. Wat zijn dan de middelen die u in handen hebt om te voorkomen dat men voor de free ride gaat en eerst 100% vergoeding krijgt en dan afhaakt op het moment dat men zelf moet leveren? Hoe gaan wij dat inkaderen?

De voorzitter:

Middelen of instrumenten? Ik denk dat u instrumenten bedoelt.

De heerZijlstra(VVD)

Instrumenten.

MevrouwLeijten(SP)

Ik wil alleen even zeggen dat het vragen van de heer Zijlstra betrof. Ik heb het niet over de combinatiefuncties gehad.

StaatssecretarisBussemaker

Het ultieme middel dat ik heb, is om te zeggen: jullie krijgen geen geld meer als jullie het niet doen zoals het de bedoeling is. U moet, zeg ik tegen de gemeenten, extra middelen daarvoor aantrekken. Overigens helpen de sportbonden mij daar ook bij, want die willen natuurlijk ook zien dat het geld naar de sportverenigingen gaat en dat het niet onverhoopt op een andere wijze besteed wordt. Wij organiseren daar ook dagen voor met de gemeenten en met de sportbonden, om ervoor te zorgen dat ervaring en kennis wordt uitgewisseld. Nogmaals, ik heb middelen om hen daarop aan te spreken, maar ik ben vooral blij dat gemeenten heel enthousiast zijn over de combinatiefuncties. Ik kan mij eigenlijk ook niet anders voorstellen. Zij moeten daarvoor dan ook iets extra's doen. Daarom proberen wij zo goed mogelijk te signaleren waar het niet goed gaat. Wij moeten dit namelijk wel lokaliseren om ook tegen de volgende tranche gemeenten te kunnen zeggen: zo willen wij dat u het doet, en als u het niet op deze manier doet, dan stoppen ook de middelen die u van ons krijgt om de combinatiefuncties vorm te geven.

Daarnaast proberen wij gemeenten natuurlijk te helpen bij de problemen die zij in de praktijk kunnen tegenkomen. Een voorbeeld van zulke problemen is door de fracties van de PvdA en de VVD genoemd. Met name de PvdA-fractie noemde het btw-vraagstuk in verband met de combinatiefuncties. Daarvoor hebben de ministeries van OCW en VWS in nauwe samenwerking met de VNG een tweetal modellen ontwikkeld. Deze modellen worden momenteel op hun haalbaarheid getoetst, in samenspraak met het ministerie van Financiën. In de praktijk blijkt al dat gemeenten op dit moment de combinatiefunctionarissen vooral zelf in dienst nemen, of dat dit wordt gedaan door een sportservice of een werkgeversorganisatie. Die hebben dan het formele werkgeverschap. Zodra de modellen door Financiën akkoord worden bevonden, kan het werkgeverschap ook overgaan op de lokale organisaties, zoals oorspronkelijk de bedoeling was. Wij hebben voor nu dus een noodverband getroffen. Dit is echter vooral ook een kwestie die bij het ministerie van Financiën ligt. Wij doen er alles aan om dit probleem in samenspraak met OCW en dus ook vooral met Financiën goed op te lossen.

Voor de breedtesport is het van groot belang om de hele sportinfrastructuur in kaart te brengen. Ik had het zo-even al over de positie van sportverenigingen in het kader van de combinatiefuncties, die nadrukkelijk zijn bedoeld om de sportverenigingen te versterken. Ook vrijwilligers spelen daarbij een heel grote rol, evenals natuurlijk de middelen voor de basisstructuur. Daarover wilde ik nu een aantal opmerkingen maken.

De sportinfrastructuur is, zoals wij weten, in hoge mate afhankelijk van vrijwillige inzet. Ook de positie van vrijwilligers kan nog wel verder worden versterkt. Vanwege de maatschappelijke functie is het namelijk belangrijk om te investeren in pedagogische kwaliteiten, bijvoorbeeld met betrekking tot probleemgedrag van kinderen of met betrekking tot nieuwe doelgroepen zoals ouderen, chronisch zieken of mensen met een handicap. Dat kan alleen goed gebeuren als wij ook de vrijwilligers weten te stimuleren en te motiveren. Dat doen wij op een aantal manieren, bijvoorbeeld met het opleiden van scheidsrechters samen met NOC*NSF. Daarvoor hebben wij ook afgelopen jaar veel aandacht gevraagd.

De werving en het behoud van vrijwilligers vormen ook een belangrijk punt, evenals de vrijwilligersverzekering, waarover de heer Atsma het had naar aanleiding van de motie-Slob die bij de algemene politieke beschouwingen is ingediend. De uitvoering daarvan is in een vergevorderd stadium. Dat betreft alle vrijwilligers in Nederland, ook ongeorganiseerde vrijwilligers. Er wordt voor gekozen om een dergelijke verzekering via gemeenten te regelen. Dat zal hetzij via de Wmo lopen, hetzij via het Gemeentefonds. Daarover is nu nog overleg tussen de departementen van BZK en VWS gaande. Sportvrijwilligers zullen daar ook van profiteren. Gelukkig is het zo dat in sommige takken van sport vrijwilligers al verzekerd zijn. Zij kunnen op termijn ook gaan profiteren van die nieuwe verzekering.

De voorzitter:

Namens de CDA-fractie stel ik daarover een vraag. Het is op zichzelf heel mooi dat dit via de gemeenten wordt geregeld. De staatssecretaris weet echter ook dat er in de sport duizenden verenigingen zijn die leden hebben uit meerdere gemeenten. Er zijn zelfs regionaal georiënteerde verenigingen. Hoe wordt dat probleem opgelost? De gemeenten zijn immers over het algemeen niet zo dat zij voor de buren gaan betalen.

StaatssecretarisBussemaker

In de motie van de heer Slob, ingediend bij de algemene politieke beschouwingen, werd heel nadrukkelijk verwezen naar gemeenten. Wij voeren de motie uit zoals die is ingediend. Dat geldt voor sport niet anders, als dit onder de Wmo zou vallen. Tal van terreinen die onder de Wmo vallen, houden niet op bij de gemeentelijke grenzen. Ik zou de heer Atsma willen vragen om eerst af te wachten hoe wij uitvoering geven aan deze motie. Ik snap heel goed dat ook sportbonden niet ophouden te bestaan bij de gemeentelijke grens. Ik zie ook niet een-twee-drie een variant om het beter te regelen. Bovendien heeft de Kamer gevraagd om het via de gemeenten te regelen.

De voorzitter:

Dat is duidelijk, maar in de uitwerking moet wel duidelijk zijn dat atletiekverenigingen, schaatsclubs, ijshockeyclubs en basketbalclubs, noem ze allemaal maar op, vooral regionale verenigingen zijn. Zij halen hun potentie uit de regio. Als je de rekening bij één gemeente neerlegt, gaat dit gedoe geven.

StaatssecretarisBussemaker

Ik neem dit punt mee, niet alleen voor de sport, maar ook voor alle andere vrijwilligersorganisaties. Wij zullen nog eens bekijken hoe de verzekering vorm moet krijgen bij de Scouting en bij andere vormen van vrijwilligerswerk die zich bewegen over de gemeentegrenzen heen. Dit kan er overigens ook toe leiden dat er ook iets van gemeenten wordt gevraagd. Zij moeten zich ook constructief opstellen.

Bij het kaderbeleid en de sportinfrastructuur hoort natuurlijk ook de basisinfrastructuur van de sportmiddelen. Mevrouw Leijten vroeg wat ik ervan zou vinden als het Rijk de basisinfrastructuur van de sport zou gaan financieren. Ik blijf zeggen dat de financiering van de basisinfrastructuur toch vooral de verantwoordelijkheid is van de sport zelf. Volgens mij gaat het in Nederland op zich goed, behalve dat enkele jaren geleden het een en ander is afgebouwd. Daarop heeft mevrouw Leijten terecht gewezen. Dit is geen reden om de financiering gelijk op rijksniveau over te nemen. Wel moeten de middelen er zijn om ook op lokaal niveau de basisinfrastructuur goed overeind te houden.

Wij moeten de lottogelden veiligstellen, ook in het kader van de herziening van het kansspelbeleid. Zo kunnen wij ervoor zorgen dat de basisinfrastructuur op orde blijft.

De heer Atsma en een aantal anderen hebben eveneens vragen gesteld over het kansspelbeleid. Het veiligstellen van de inkomsten voor de sport is voor mij van het allergrootste belang. Ik zal daar bovenop zitten. De meeste inkomsten voor de sport komen van de lotto. De laatste jaren is daarin een dalende lijn zichtbaar. Dit betekent dat de middelen afnemen. Ik denk dat wij bij de discussie ook niet uit het oog moeten verliezen dat ook andere maatschappelijke sectoren geld uit kansspelen krijgen. Ook daarvoor moet een oplossing gevonden worden. Het moet wel in gezamenlijkheid gebeuren. Een van de problemen van het kansspelbeleid waarvoor de minister van Justitie zich gesteld ziet, is dat wij alle maatschappelijke sectoren op een redelijke wijze tegemoet willen komen. Justitie onderzoekt op dit moment een aantal opties. De uitkomst daarvan kan ik nog niet meedelen. Deze uitkomst moet van de minister van Justitie komen en moet maatschappelijk en bestuurlijk aanvaardbaar zijn voor vele sectoren, maar in ieder geval ook voor de sportsector. Ik zeg toe dat ik deze ontwikkelingen nauwgezet zal blijven volgen. De inzet is er wat mij betreft op gericht dat een minimaal afdrachtpercentage uit de kansspelopbrengsten voor de sport beschikbaar blijft. Tegen mevrouw Leijten zeg ik dat ik een maximale inzet pleeg om deze middelen voor de basisinfrastructuur via het kansspelbeleid op niveau te houden.

MevrouwLeijten(SP)

Ik sprak hierover in het kader van de Olympische Spelen. De ambities daarvoor zijn hoog. Nu al zijn allerlei projecten gaande bij andere ministeries om de Olympische Spelen van 2028 naar Nederland te halen. Het lijkt mij heel goed als de staatssecretaris voor sport namens haar ministerie het bedrag van 44,3 mln. dat via lotto en toto binnenkomt, veiligstelt. Nu gaat dit bedrag naar NOC*NSF, de bonden en clubs en verenigingen. Onderling betalen zij van alles aan elkaar door. Als de staatssecretaris dit bedrag veiligstelt en op den duur uit de begroting haalt, is de zekerheid gegarandeerd. Als wij de ambitie hebben om de Olympische Spelen binnen te halen, is dit toch wel het minste wat wij aan investeringen kunnen doen.

StaatssecretarisBussemaker

Als je denkt aan het organiseren van de Olympische Spelen van 2028, moet inderdaad je eerste ambitie zijn om sporten op alle niveaus mogelijk te maken. Daarom zei ik in het begin van mijn termijn ook dat excelleren op alle niveaus in de sport mogelijk moet zijn. Dat betekent dat sport voor iedereen toegankelijk moet zijn. Je moet dus niet met megalomane projecten beginnen richting de Olympische Spelen, maar met het stimuleren van een sportklimaat. Gelukkig is dat precies de boodschap van NOC*NSF: Nederland moet een olympisch sportklimaat krijgen. Daar heb je middelen voor nodig en daarom blijf ik inzetten op een gegarandeerd minimumafdrachtpercentage uit de kansspelopbrengsten, want dan heb je de middelen om die basisinfrastructuur in de sport te garanderen. Dan hoeft het niet uit de sportbegroting te komen en dan kunnen wij de middelen daaruit vooral inzetten om met ons allen het sportklimaat richting de Olympische Spelen voor iedereen op een toegankelijk en goed niveau te brengen.

MevrouwLeijten(SP)

In het onderzoek "De economische betekenis van sport in Nederland" staan heel mooie overzichten over de financiële relaties. Ik zei zojuist al dat 44,3 mln. uit de lottogelden komt. Het is maar de vraag hoeveel mensen gokken; de SP-fractie vindt dat dit aantal eerder teruggebracht moet worden dan dat lottodeelname aangemoedigd wordt. Sponsoring van sportverenigingen levert bijna 100 mln. op en de gemeenten geven ook meer dan 100 mln. Het zou toch heel goed zijn om als rijksoverheid aan te geven het samen te doen – op dit moment geeft de staatssecretaris 80 mln. – het op te bouwen en het niet afhankelijk te maken van de mate waarin mensen gokken? Aan de ene kant willen wij een beetje matigend beleid – gokken moet niet te veel gestimuleerd worden, vandaar ook dat de Eerste Kamer aan de rem heeft getrokken bij de nieuwe Wet op de kansspelbelasting – maar aan de andere kant willen wij zo veel mogelijk inkomsten uit de lottogelden genereren. De SP-fractie pleit daarom voor minder lottogelden en meer rijksmiddelen.

StaatssecretarisBussemaker

Volgens mij hebben uw opvattingen meer betrekking op kansspelbeleid dan op sport. De verdeling van financiële middelen is in Nederland gecombineerd; de middelen komen deels uit het kansspelbeleid, deels uit sponsorgelden en deels uit bijdragen van leden van sportbonden en gemeenten, maar ook uit de VWS-begroting. Bij elkaar opgeteld zorgt dat voor een substantieel te besteden bedrag. Het komt natuurlijk niet alleen van VWS, maar ik heb niet zomaar extra geld op mijn begroting en het lijkt mij dus zeer onwenselijk om het beschikbare bedrag aan lottogelden voor sport dan maar ten laste te laten komen van de begroting. Ik herhaal dat ik inzet op een gegarandeerd minimumafdrachtpercentage uit de kansspelopbrengsten. Het zou de wereld op zijn kop zijn als tal van maatschappelijke sectoren wel geld krijgen uit die opbrengsten, maar de sport nu juist niet.

De voorzitter:

Als woordvoerder van de CDA-fractie wil ik op dit punt ook nog een vraag aan de staatssecretaris stellen. Overigens worden nog wel enkele doelen begunstigd, waarvan mijn fractie zich afvraagt of dat wel gehandhaafd moet worden. Misschien kan daaruit nog wel een plukje geld voor de sport gehaald worden.

De staatssecretaris sprak over een gegarandeerd minimumpercentage. Zou het in deze fase niet verstandiger zijn om over een gegarandeerd minimumbedrag voor de sport te spreken in plaats van over een percentage? Als het totaal fors snel minder wordt, dan zijn percentages mooi, maar zakt de pudding wel heel snel in elkaar.

MevrouwLeijten(SP)

Dat er vanuit de kansspelopbrengsten geld naar cultuur, natuur en sport gaat, is natuurlijk uitstekend. Het principiële punt hier echter betreft geld dat nodig is voor de basisinfrastructuur. Mijn fractie vindt helemaal niet dat de verdeling van de kansspelopbrengsten afgeschaft moet worden, maar als dat geld er niet langer is, hebben wij wel een probleem, zoals ook blijkt uit het onderzoek van Berenschot.

StaatssecretarisBussemaker

Laten wij dan eerst vaststellen dat juist – u wijst daar terecht op – andere sectoren ook geld uit de kansspelopbrengsten ontvangen. De sport moet daarvan meeprofiteren via een mimumumafdrachtpercentage. Tegen de heer Atsma zeg ik dat dit er vanzelfsprekend rekening mee moet houden dat de basisinfrastructuur niet ontmanteld wordt. Willen wij Olympische ambities en ambities voor het toekomstige sportklimaat in Nederland hebben, dan moet die basisinfrastructuur op orde zijn. Daar zijn wij het helemaal over eens. Ik ga alleen niet zeggen: laat mij het maar doen. Ik weet anders precies waar het op uitdraait: dan moet het uit de begroting van VWS komen. Mevrouw Leijten, die ook woordvoerder is op andere beleidsterreinen, zal daar niet direct om zitten te springen. Ik doe dat in ieder geval niet. Het is niet meer dan logisch dat de sport meeprofiteert van de kansspelmiddelen. Laten wij eerst afwachten waar de minister van Justitie mee komt, want hij moet de afweging tussen al die verschillende factoren maken. Dat is ingewikkeld genoeg. Ik loop hem daarbij niet voor de voeten, maar ik zit hem wel op de hielen, zodat hij de sport niet vergeet. Mocht dat onvoldoende zijn, dan kom ik daar graag bij de Kamer op terug. In dat geval zullen wij bezien hoe wij dat oplossen. Ik herhaal dat niet ter discussie staat dat de basisinfrastructuur op orde moet zijn.

Mevrouw Leijten heeft gevraagd om 3% van de ruimte te reserveren voor sport, spel en beweging. Dit is een verantwoordelijkheid van de gemeenten. Ik zeg er wel bij dat ik bij al mijn werkbezoeken aan gemeenten daarnaar vraag. Ik wijs gemeenten er ook steeds op dat zij moeten oppassen, want zij kunnen wel mooie combinatiefuncties in het leven roepen en op allerlei manieren uitspreken dat zij sport belangrijk vinden, maar als sportfaciliteiten naar de randen van de stad verdwijnen en kinderen daar niet meer zonder begeleiding naar toe kunnen, dan spannen zij het paard achter de wagen en hebben zij nog een heel lange weg te gaan. Gelukkig is de minister van VROM dat met mij eens. Zij heeft gemeenten die 3%-norm aanbevolen. Omdat de discussie over stedelijke verdichting ook op haar terrein ligt, is het veel waard dat zij die norm aanbeveelt, zodat de infrastructuur op gemeentelijk niveau bereikbaar is.

In de NASB-impuls is met gemeenten afgesproken dat sport en bewegen worden verankerd in het ruimtebeleid en in het gemeentelijke gezondheidsbeleid. Ik zal dit ook zeer sterk benadrukken in mijn overleggen met de VNG en de VSG over ruimte voor sport in de stad en in de wijk.

De heerZijlstra(VVD)

Het klinkt natuurlijk prachtig dat de minister van VROM een aanbeveling doet voor het hanteren van de 3%-norm, maar het zegt eigenlijk niets. Als je de eisen voor stedelijke verdichting overeind houdt, dan is zo'n aanbeveling toch een loze letter. Er zit een discrepantie tussen beide doelstellingen. Het kabinet moet feitelijk een keuze maken. Wij kunnen niet beide overeind houden en met aanbevelingen komen, want dan worden gemeenten geconfronteerd met onverenigbare zaken. Welke keuze maakt het kabinet? Een aanbeveling is echt onvoldoende.

StaatssecretarisBussemaker

Als u mij hier een keuze voorlegt, dan vraagt u mij wel om heel erg over de grenzen van mijn eigen portefeuille heen te beslissen. Ik heb al gezegd dat de minister van VROM de 3%-norm aan gemeenten aanbeveelt, ongeacht hun verdere eisen en beleid. Ik ben wel bereid om uw zorgen nog eens over te brengen aan mijn collega van VROM, maar uiteindelijk moet de keuze wel op gemeentelijk niveau gemaakt worden, want wij kunnen haar niet aan gemeenten voorschrijven. Wij kunnen aanbevelingen doen en het ter sprake brengen, maar gemeenten moeten die keuze zelf maken. Ik heb vertrouwen in de lokale democratie en ga er dus van uit dat in gemeenteraden wordt gezegd: pas op, zorg dat die sportvoorzie­ningen in de wijk komen. Daar zijn mooie voorbeelden van, zoals Rotterdam en uw eigen stad Utrecht. Ik heb daar enkele weken geleden een fantastische atletiekbaan bezocht die midden in een wijk ligt, naast het roc-gebouw en andere onderwijsvoorzieningen. Ik vind het heel goed dat Utrecht heeft afgesproken dat als er een meeropbrengst is bij verkoop, 5% daarvan weer moet worden geïnvesteerd in de sport. Dat beleid breng ik graag onder de aandacht van andere gemeenten: zou dat niet ook iets voor anderen zijn om daarvan te leren?

De heerZijlstra(VVD)

Ik ken die voorbeelden wel en gemeenten hebben over het algemeen ook de beste intenties. Maar aan het einde van de rit hebben gemeenten met plus- en minsaldi te maken. In de praktijk zie je een discrepantie. Aan de ene kant moet geld worden verdiend en zijn er eisen op het gebied van stedelijke verdichting. Aan de andere kant zijn er wensen, van zowel de Kamer als van de staatssecretaris, die daarmee conflicteren. Ik noem het voorbeeld van Utrecht en het Leidsche Rijn Park. Dat gebied is in de loop der jaren steeds kleiner geworden, omdat de begroting sluitend moest worden gemaakt. Ik vind het prima dat de staatssecretaris met haar collega gaat praten, maar ik wil een stapje verder gaan. Ik wil dat het kabinet, zowel vanuit de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van Sport als vanuit de verantwoordelijkheid van de minister van VROM, in een brief duidelijkheid geeft hoe deze zaken kunnen worden verenigd. Met alleen een aanbeveling komen wij er niet.

De voorzitter:

Ik vraag de aanwezige Kamerleden om niet zulke lange interrupties te plegen. De staatssecretaris moet echt om half vijf weg, omdat zij andere verplichtingen heeft. Het is nog lang geen half vijf, maar de commissie wil ook een tweede termijn.

De heerZijlstra(VVD)

Daar zijn wij zo klaar mee hoor.

De voorzitter:

Bij deze is afgesproken dat de tweede termijn alleen kan worden gebruikt voor toejuichingen en voor het indienen van moties.

De heerBlom(PvdA)

Ik ben het met de heer Zijlstra eens dat alleen een aanbeveling wel erg mager is. Ik ben het niet eens met de staatssecretaris als zij zegt dat er geen mogelijkheden zijn om gemeenten vergaand te overtuigen dat het zo belangrijk is om de sportvoorzieningen in de wijk te laten komen. In Nederland hebben wij het systeem van bestemmingsplannen. Binnen die bestemmingsplannen moeten de gemeenten zich houden aan regels die van tevoren zijn vastgesteld. Bestemmingsplannen worden gecontroleerd door de provincies. Dat betekent dat het voor de Kamer als rijksoverheid mogelijk moet zijn om in te grijpen in de manier waarop gemeenten omgaan met bestemmingsplannen. Dat is nu eenmaal de wet- en regelgeving zoals wij die toepassen. De vraag is echter of wij dat willen. Ik ben het niet eens met de staatssecretaris als zij zegt dat wij het niet kunnen. Ik verzoek de staatssecretaris daarom om met haar collega in het kabinet die daarover gaat, deze weg eens te bewandelen.

StaatssecretarisBussemaker

Ik heb gezegd dat ik wel bereid ben om te kijken of ik gemeenten kan stimuleren en kan overtuigen, maar dan wel met woorden, niet door in te grijpen in bestemmingsplannen. Ik vind dat ik niet op één onderdeel de hele regelgeving over de bestemmingsplannen naar aanleiding van vragen van de commissie voor VWS, kan gaan veranderen. Nogmaals, ik ben bereid om aan de minister van VROM de zorgen van de heer Blom over te brengen en aan haar te vragen hoe zij daarmee wil omgaan. Dit heeft echter wel te maken met hoe het Rijk tegen gemeenten aankijkt. Op tal van onderdelen bestaat er een tendens naar decentralisatie. Wij moeten daarom goed weten wat wij doen als wij die decentralisatie te ver vinden gaan. In dat geval moeten wij een goede afweging maken; er moet dan niet voor iedere casus apart een afweging worden gemaakt, maar dit moet onderdeel zijn van een integraal beleid.

De heerBlom(PvdA)

Met alle respect voor deze opvatting, maar ik vind dat de staatssecretaris zo toch te gemakkelijk redeneert. De achterliggende gedachte van decentralisatie is dat je vindt dat gemeenten een aantal zaken beter kunnen regelen dan de rijksoverheid. Ik kan mij echter voorstellen dat de rijksoverheid ingrijpt, als je je tegelijkertijd realiseert dat gemeenten wel met bepaalde voorzieningen willen komen, maar deze gewoonweg niet kunnen betalen, omdat hun budgettering afhankelijk is van bijvoorbeeld de manier waarop zij invulling geven aan de stadsvernieuwing en aan nieuwbouwplannen. Dat doet zij ook met regelgeving over minimale bouwhoogten, met regelgeving over het minimale aantal te bebouwen vierkante meters per hectare, met regelgeving over openbaar groen en ook met regelgeving over een aantal andere zaken. Ik zie dus geen enkele reden waarom je niet in een bestemmingsplan zou kunnen opnemen dat een bepaald percentage van de bebouwde oppervlakte zou moeten worden ingevuld met sportvelden. Dat kan, dat is mogelijk. Je moet het echter willen. Wij doen het al, alleen op andere vlakken. Het is dus niet uniek, het is een toevoeging.

StaatssecretarisBussemaker

De heer Blom gaat er vanuit dat gemeenten wel zouden willen, maar niet kunnen. Ik ben wel bereid om dat eens met de VNG en de VSG te bespreken. Laten wij eerst maar eens bekijken in hoeverre dat een probleem is, want er zijn ook gemeenten die daarmee veel minder problemen hebben. Ik noemde al Utrecht, maar het geldt ook voor Rotterdam en een aantal andere gemeenten. Ik ben graag bereid om dat met hen te bespreken. Wat daaruit volgt, zal ik bespreken met mijn collega van VROM. U hoort daar dan van haar over, want ik vind dat dit bij de portefeuille VROM thuishoort en niet bij die van mij.

MevrouwLeijten(SP)

Als die inventarisatie gemaakt wordt, zou ik hem graag willen zien. Dat was mijn vraag aan de staatssecretaris.

De voorzitter:

Dat heeft zij toegezegd.

StaatssecretarisBussemaker

Ik heb toegezegd dat ik het ga bespreken. Naar aanleiding daarvan ga ik kijken of ik een inventarisatie ga houden, voordat ik nu allerlei onderzoek op touw zet waarvan gemeenten zelf zeggen dat zij er geen behoefte aan hebben.

De heerZijlstra(VVD)

Dat is duidelijk, maar de staatssecretaris zegt dat haar collega van VROM gaat terugrapporteren. Ja natuurlijk, over de ruimtelijke aspecten. De VVD – ik weet niet hoe de andere partijen erover denken – zou echter graag een terugkoppeling krijgen over de eventuele effecten op het sportbeleid en op alle goede voornemens die wij hier hebben.

De voorzitter:

Namens de CDA-fractie heb ik in mijn eerste termijn aangegeven dat er een koppeling is met subsidieaanvragen en plannen die gemeenten zelf bij de staatssecretaris indienen. Daar kan zij natuurlijk wel die afspraak maken als staatssecretaris van Sport. Overigens voelt het CDA niets voor een nieuwe vorm van "Pronkiaanse" bemoeizucht vanuit Den Haag met gemeentelijke bestemmingsplannen. Daar zijn namelijk al de provinciale streekplannen die de bestemmingsplannen ook gemeentelijk toetsen. Ik zou dus liever bij mijn eigen departement blijven als ik in de schoenen van de staatssecretaris zou staan. Dat is ook gemakkelijker te regelen

StaatssecretarisBussemaker

Ik zal nog een keer aangeven hoe ik het voor me zie. Ik ben bereid om met de VNG en de Vereniging Sport en Gemeenten te bespreken of er signalen zijn dat gemeenten wel sportfaciliteiten zouden wíllen organiseren, maar dat om een of andere reden niet kunnen. Ik wil dan weten wat die redenen zijn en ik zal kijken of er aanleiding is tot verder onderzoek of tot verdere bespreking met de collega's op het departement. Ik ben ook graag bereid om het punt van de heer Atsma over te nemen, want daar zit inderdaad wel een directe relatie. Bij subsidies voor bijvoorbeeld grote sportaccommodaties zeggen wij al vaak dat wij willen dat die gebruikt worden voor breedtesportfaciliteiten, zodat die accommodaties geen incidenteel gebruikte topsportfaciliteiten worden, maar ook een geïntegreerde buurt- en breedtesportfunctie krijgen. Ik ben graag bereid om daar nog meer naar te kijken dan wij al doen. Mochten de zorgen van gemeenten echter te maken hebben met de vormgeving van bestemmingsplannen, dan ga ik u daar geen antwoord op geven. Ik kan dan niet anders dan het onder de aandacht brengen van mijn collega van VROM. Als zij daar de noodzaak van inziet, zal zij daar een geïntegreerde afweging over moeten maken. Je kunt het dan voor het onderdeel sport niet ineens heel anders doen dan voor scholen of welk ander onderdeel dan ook in bestemmingsplannen. Dat antwoord zult u in elk geval niet van mij krijgen, daar ga ik me niet mee bemoeien.

Alle fracties hebben aandacht gevraagd voor het onderdeel sport en onderwijs in het kader van breedtesport, mede naar aanleiding van het recent aan u toegezonden Beleidskader Sport, Bewegen en Onderwijs. De doelstellingen voor sport, bewegen en onderwijs zijn in dat Beleidskader verbonden en het is een vervolg op de Alliantie School & Sport. Voor 2009 is daar zo'n 28 mln. beschikbaar voor, onder andere voor de inzet van combinatiefuncties, die ik al heb genoemd. Additioneel is er nog eens 9 mln. beschikbaar voor overige voornemens, juist omdat wij het belangrijk vinden dat aan de jeugd sport, spel, dans en andere bewegingsvormen worden aangeboden en dat het op een aantrekkelijke manier wordt gedaan, bijvoorbeeld met dagarrange­menten, waardoor er zo veel mogelijk jongeren gebruik van maken. Daarvoor is het nodig dat scholen, sportverenigingen, naschoolse opvang, buurtorganisaties en andere lokale partners de handen ineen slaan. Met het Beleidskader willen wij ook stimuleren dat dat kan, en hoe dat kan. Wij beginnen ermee dat sport van groot belang is in het onderwijs. Schoolbesturen moeten invulling geven aan hun kerndoelen ten aanzien van lichamelijke opvoeding en sport. Daarvoor vraag ik blijvend aandacht van mijn collega's van OCW, die daar overigens zeer enthousiast over zijn. Het is de eerste keer dat bewindslieden vanuit onderwijs en sport zo'n gezamenlijk kader naar buiten hebben gebracht. Een van die speerpunten is bewegen op mbo-niveau, waarbij uitvoering wordt gegeven aan de motie-Hamer.

Via de convenanten inzake Kinderen doen mee en de algemene uitkering aan gemeenten die van 40 mln. in 2008 naar 80 mln. in 2011 gaat, geeft de staatssecretaris van SZW vanuit het armoedebeleid ook een zeer grote impuls om kinderen uit arme gezinnen meer te laten sporten. Aanvullend heb ik dan nog het jeugdsportfonds gesubsidieerd om gemeenten behulpzaam te zijn met het oprichten van lokale jeugdsportfondsen. Dat is in het verleden al een gouden formule gebleken. De slag die wij nu moeten maken, is dat juist partijen die meedoen in het platform ervoor gaan zorgen dat een en ander verder gestimuleerd wordt en op concreet niveau wordt uitgevoerd.

Verschillende sprekers hebben gevraagd naar de ambities in het beleidskader Sport, bewegen en onderwijs. De alliantie had als doelstelling om op 90% van de scholen een dagelijks sport- en beweegaanbod te realiseren. Gevraagd is waarom wij dit ambitieniveau in het beleidskader Sport, bewegen en onderwijs hebben verlaten. Dat hebben wij gedaan omdat de 90%-doel­stelling uit 2005 zonder nulmeting tot stand was gekomen. Uitgaande van wat wij nu weten, weten wij dat wij die doelstelling de komende jaren nooit gaan halen. Dan kan je wel blijven formuleren maar dat is dan wel buitengewoon frustrerend als je weet dat het niet reëel is om die doelstelling te hanteren. Daarom hebben wij ervoor gekozen om vast te houden aan de algemene doelstelling om de beweegnorm voor de jeugd te verhogen van 40% naar 50%. De ambitie om de jeugd aan het sporten en bewegen te krijgen, is er dus niet minder op geworden. De staatssecretarissen van OCW en ikzelf gaan dan ook onverminderd door om met landelijke en lokale partijen, zoals scholen, sportverenigingen, naschoolse opvang en buurtorganisaties, een dagelijks en doorlopend sport- en beweegaanbod te creëren. Dat doen wij via sporten op scholen maar ook via heleboel dingen eromheen. Ik noem de inzet van de combinatiefuncties, het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen en de investeringen in het mbo. De beweegnorm specifiek voor de jeugd tot 18 jaar is dagelijks 60 minuten. Dat kan natuurlijk door sport maar ook door andere vormen van beweging. Als voorbeeld noem ik het fietsen naar school in plaats van het met de auto gebracht worden. Dat heeft overigens nog een heleboel andere voordelen op gemeentelijk niveau.

Kortom, je moet het in samenhang zien met het beleid om bewegen en sporten niet alleen in de school, maar ook rond en buiten de school te stimuleren.

MevrouwLeijten(SP)

Fietsen naar school is volgens mij geen inspanning voor het ministerie van VWS. Wij kunnen het dus ook niet op uw conto schrijven als straks 10% meer jongeren met de fiets naar school gaat en daar dan ook nog een uur over doet. Mijn vraag richt zich vooral op de Alliantie School & Sport. Er is een breed platform opgezet en er is veel gestimuleerd. Hoe krijgt dat echter een vervolg?

De voorzitter:

Namens de CDA-fractie zou ik daar nog de vraag aan willen toevoegen hoe men een nulmeting kan vergeten. Zelfs bij schoolfruit wordt al een nulmeting gehouden alvorens men tot invoering ervan overgaat. Ik vind het echt heel raar dat men een nulmeting bij een megaproject als het onderhavige vergeet.

StaatssecretarisBussemaker

Tegen mevrouw Leijten zeg ik dat bewegen een norm is, dus ook fietsen naar school. Vanuit VWS is die norm voor de jeugd 60 minuten, zeven dagen per week, en voor volwassenen 30 minuten, matig tot intensief. Dat is ook waarom wij campagnes voeren. Via het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen proberen wij bewegen centraal te stellen. Dat kan ook door de trap te nemen in plaats van de lift. Dat kan dus ook door naar school te fietsen. Natuurlijk moeten gemeenten het op lokaal niveau zo organiseren dat het veilig genoeg is om naar school te fietsen. Het beleid van VWS is in samenhang met preventie en gezondheid gericht op bewegen van alle groepen: kinderen, volwassenen, chronisch zieken, ouderen, gehandicapten. Het gaat niet alleen om bewegen via sport, hoe belangrijk sport ook is.

De doelstellingen van de Alliantie School & Sport gaan over in het beleidskader Sport, Bewegen en Onderwijs. Wij willen een meer structurele benadering geven, waarover de heer Zijlstra ook sprak. De doelstelling van de alliantie was vooral om het onderwerp op de agenda te zetten, zonder er heel gericht concrete doelen of een structurele benadering aan te koppelen. Er is gezegd dat het nog te veel projecten zijn, maar de doelstelling van het beleidskader is om minder vanuit incidentele projecten te denken en om een meer structurele inbedding te geven aan de relatie tussen school en sport, maar goed, dat is nog in ontwikkeling.

De vraag over de nulmeting kan ik niet beantwoorden. Die doelstelling is in 2005 tot stand gekomen. Dat is de verantwoordelijkheid van de alliantie. Misschien kan ik er in tweede termijn op antwoorden. Dat heb ik niet paraat.

Mevrouw Leijten vroeg ook naar de verhouding tussen incidentele en structurele investeringen in sport en onderwijs. In het beleidskader Sport, Bewegen en Onderwijs, dat wij vooral zien als een aanvulling op andere investeringen, wordt een structurele impuls gegeven aan de combinatiefuncties en de talentontwikkeling. Verder wordt een extra impuls gegeven aan de mbo-sportcoördinatoren. Dat is een tijdelijke impuls die tot stand komt met cofinanciering van de roc's. Na drie jaar is er naar verwachting voldoende draagvlak bij de scholen zelf voor continuering. De komende jaren wordt het op deze wijze gefinancierd.

MevrouwLeijten(SP)

De heer Zijlstra heeft gevraagd of wij op de hoogte kunnen worden gehouden van de voortgang bij combinatiefuncties binnen de gemeenten. Ik ben ook heel benieuwd naar de voortgang op dit vlak. Ik zou het eeuwig zonde vinden als roc's worden gestimuleerd om dit te doen, maar dat het vervalt als deze incidentele gelden wegvallen. Ik noemde als probleem dat de ministeries voor Onderwijs en Sport een beetje heen en weer tikken. Onderwijs zegt dat het lumpsumfinanciering is, zodat men het niet kan opleggen. U zegt dat het een verantwoordelijkheid is van Onderwijs. Ik zou het goed vinden om in de gaten te houden of deze inzet, die ik toejuich, structureel kan worden ingebed.

StaatssecretarisBussemaker

Dat ben ik helemaal met u eens. De bedoeling van het beleidskader Sport, Bewegen en Onderwijs is om niet naar elkaar te verwijzen. Wij hebben met z'n drieën heel duidelijk de ambitie uitgesproken om de relatie tussen sport en onderwijs op structurele wijze te verbeteren. Ik zeg graag toe dat u bij voortgangsrapportages en bij de begroting inzicht krijgt in hoe het met het beleidskader verder gaat. Onze bedoeling is niet om naar elkaar te verwijzen, waarbij de een zegt dat VWS het moet doen en de ander OCW, maar om de handen ineen te slaan. Ik ben daar zeer gemotiveerd voor, net als mijn collega's. Ik ben graag bereid om hierover waar nodig samen met hen met u van gedachten te wisselen.

De fracties van de VVD en de PvdA hebben gevraagd naar de vakleerkrachten voor onderwijs en de leergangen bewegingsonderwijs bij de pabo. Ik ben het ermee eens dat er gelukkig vakleerkrachten zijn, want bewegingsonderwijs is een vak apart. Het OCW-beleid bepaalt wie bevoegd zijn. Bevoegd zijn de afgestudeerden van alo's en van pabo's met een aantekening en lerarenondersteuners op mbo-niveau, onder verantwoordelijkheid van de eerder genoemde afgestudeerden van alo's of pabo's. Voor afgestudeerden van de pabo's is een leergang ontwikkeld die deels postinitieel is. Deze leergang is onder andere ontwikkeld na aanneming van moties in de Tweede Kamer. Voor beginnende groepsleerkrachten bleek deze leergang te zwaar. Het gevolg was dat te weinig pabo-studenten de aantekening behaalden. Straks zijn dus te weinig mensen bevoegd om in de gymzaal te staan. Dan zou je in eigen vlees snijden. Vandaar dat besloten is de leergang te verlichten, waarbij overigens de kwaliteit gegarandeerd is en moet zijn. Dat zal ik nog een keer opnemen met OCW. Ik wijs er overigens op dat staatssecretaris Dijksma van OCW hierover twee keer dit jaar een debat heeft gevoerd met de Kamer. Dit lijkt mij de kortste lijn om scherp zicht te krijgen op dit thema. Wij blijven er vanuit VWS ook op letten dat de kwaliteit van de leergang hoe dan ook gegarandeerd blijft. Wij doen dat in goed overleg met OCW.

De heer Zijlstra noemde de maatschappelijke stages. Deze stages zijn er vooral voor bedoeld om leerlingen kennis te laten maken met het participeren binnen bepaalde sectoren. Die stages zijn er niet voor bedoeld om sectoren te verlichten bij het uitvoeren van werkzaamheden. Het zal dus ook niet betekenen dat veel maatschappelijke stagiaires bij het onderwijs ertoe kunnen bijdragen dat de professionals verlicht worden bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. Het kan er wel toe leiden dat de stagiaires geënthousiasmeerd worden om iets in die sector te doen. Collega Van Bijsterveldt en ik zeggen vanuit onze gecombineerde verantwoordelijkheid – zij voor maatschappelijke stages en ik voor vrijwilligerswerk – dat de maatschappelijke stagiaires van nu de vrijwilligers van de toekomst zijn. Dat kan dus ook voor de sportsector gelden, waar wij gelukkig nog heel erg veel vrijwilligers hebben. Overigens hebben veel jongeren die een maatschappelijke stage willen of moeten uitvoeren een voorkeur voor de sportsector. Het komt erop aan, dat goed te organiseren. Daarover heeft de Kamer veelvuldig overleg met collega Van Bijsterveldt.

De voorzitter:

Een van die vrijwilligers is de heer Zijlstra.

De heerZijlstra(VVD)

Dat klopt. Daarom ben ik ook zo sceptisch over hetgeen er staat. Het gaat om het kennismaken met de sector en daarvoor zijn inspanningen nodig. Als je maatschappelijke stagiaires daar zeven dagen neerzet, moeten die begeleid worden. Zij kunnen niet aan hun lot overgelaten worden. Dat is dus extra werk. De staatssecretaris schrijft letterlijk op: "omgekeerd leveren de maatschappelijke stages de sport extra handen op". Dat is helemaal niet zo, want de maatschappelijke stagiaires zijn in totaal slechts zeven dagen aanwezig en daarom kosten zij alleen maar tijd. Je bent even bezig om hen enigszins te laten zien wat er gebeurt. Voordat zij nut hebben, zijn zij weg. Dat komt omdat de maatschappelijke stage zo kort is geworden. Naar onze mening zullen sportverenigingen zich helemaal niet massaal aanmelden, zoals de staatssecretaris uitspreekt. Zij zitten nu al in de problemen met tijdsbestedingen en activiteiten. Dan gaat dit een extra last opleveren, en geen extra lust.

StaatssecretarisBussemaker

Ik ben dat slechts beperkt met de heer Zijlstra eens, want die maatschappelijke stagiaires kunnen misschien blijven als hun maatschappelijke stage is afgelopen. Dan worden zij de vrijwilliger van de toekomst. Daar kan een sportvereniging zeer veel belang bij hebben. Het geldt voor alle sectoren waar wij om vrijwilligers zitten te springen. Bij de sportsector valt dat gelukkig nog mee, want daar zijn nog steeds heel veel vrijwilligers. Daar moet wel een investering aan voorafgaan. Daar kunnen onderwijsinstellingen misschien bij ondersteunen, maar dat debat moet de Kamer echt voeren met collega Van Bijsterveldt. Zij heeft in het coalitieakkoord immers middelen gekregen om scholen te ondersteunen bij het organiseren van die maatschappelijke stages. Ik heb extra geld uitgetrokken om met name vraag en aanbod bij vrijwilligerswerk te bevorderen. Dat kan ook betrekking hebben op het aanleveren van maatschappelijke stageplekken. Er zijn nu al heel goede voorbeelden van scholen die met maatschappelijke stages werken, waar jongeren vrijwilligerswerk doen, zoals een groepje jongeren die bij de voetbalclub training geven en begeleiden. Soms krijgen zij daarvoor ook al studiepunten. Er zijn dus echt heel goede voorbeelden. Laten wij die vooral van onderop verder blijven ontwikkelen en dan zien waar er eventueel knelpunten zijn. Laten wij niet van bovenaf al zo terughoudend zijn, want dan komt het helemaal niet van de grond. Ik geloof erin dat hier de kracht van het toekomstig beleid in zit.

De heerZijlstra(VVD)

Wij worden het niet eens op dit punt, denk ik. Eén ding wil ik echter nog zeggen. Volgens mij is het opleggen van een maatschappelijke stage een voorbeeld van "iets van bovenaf opleggen".

StaatssecretarisBussemaker

Het is echter ook een voorbeeld van "iets van onderaf vormgeven". Het wordt daarom ook gedaan vanuit de aanbieders. Of het nu gaat om scholen, sport-, zorg- of natuurinstellingen, het kan op tal van terreinen zijn. Wij moeten het vooral aan hen laten om vraag en aanbod te matchen en ons er niet al te veel van bovenaf mee bemoeien.

Er zijn in het kader van breedtesport vragen gesteld over mensen met een beperking en sport, met name over welke concrete actie er wordt ondernomen. Zoals ik ook al in de brief heb aangegeven, loopt de aanpak van gehandicaptensport via twee sporen. Eén daarvan is het stimuleren van sport en bewegen in het speciaal onderwijs. In het speciaal onderwijs doen wij dat via de Special Heroes-projecten, gericht op het aanbieden van binnen- en naschoolse sport met als uiteindelijk doel het doorstromen naar de sportvereniging. Het is gericht op zowel kinderen met een visuele, auditieve of lichamelijke beperking als kinderen met stoornissen als ADHD en autisme. Daarnaast stimuleren wij dat zorginstellingen voor mensen met een verstandelijke beperking meer sportaanbod organiseren binnen de zorg en de dagvoorzieningen.

Gehandicaptensport Nederland en NOC*NSF zijn samen met dit thema aan de slag gegaan. Zij hebben op mijn verzoek een plan opgesteld en dat is klaar. Het heeft mijn instemming gekregen en men kan nu aan de slag gaan met het uitvoeren ervan. Het heeft een aanjaag- en coördinatiefunctie om de gehandicaptensport zo goed mogelijk te organiseren. Het uitgangspunt daarbij is overigens dat het zoveel mogelijk binnen de gangbare trajecten moet plaatsvinden. Dat betekent dat die Special Heroes-projecten bij het speciaal onderwijs plaatsvinden, maar ook dat er combinatiefuncties naar het speciaal onderwijs gaan. Het streefdoel is dat er van de 2500 zo'n 100 naar het speciaal onderwijs gaan.

Het streefdoel van gehandicaptensport is ook het zoveel mogelijk organisatorisch integreren; de heer Blom verwees daarnaar. Die ontwikkeling is in Nederland buitengewoon succesvol. Inmiddels is bij 80% van de sportbonden sprake van integratie in de reguliere setting. Er zijn slechts vijf bonden waar die organisatorische integratie nog niet is voltooid: bij zwemmen, zeilen, schieten, bowlen en badminton. Overigens waren Nederland en de Verenigde Staten de enige landen die bij de Olympische en Paralympische Spelen een geïntegreerde aanpak hadden: wij hadden één olympisch paralympisch team. Ook dat geeft aan hoe goed en hoe hard die integratie loopt.

Bij sportparticipatie van mensen met een beperking, ook van degenen die hebben deelgenomen aan de Paralympische Spelen en die daar goede resultaten hebben behaald, gaat het voor een heel groot deel om mensen die pas op latere leeftijd gehandicapt zijn geraakt. Met name voor de vroeg gehandicapten is er veel minder stimulans om te sporten. De sociale omgeving speelt daarbij een belangrijke rol. Wij horen dat met name jonggehandicapten lang niet altijd door hun omgeving, bijvoorbeeld ouders, familie, verzorgers en zorginstel­lingen, gestimuleerd worden om te sporten. Ik denk dat daar nog een wereld te winnen is. Vandaar dat het speciaal onderwijs en het stimuleren binnen woon- en zorginstellingen van zo groot belang zijn. De redenering is nogal eens dat de mensen beschermd moeten worden. Dat leidt soms tot overbescherming. Als je wilt sporten, zal dat met vallen en opstaan gaan, ook voor gehandicapten. Dat vraagt ook om een andere manier van kijken. De sportcultuur en de zorgcultuur sluiten dus niet altijd goed op elkaar aan. Ik hoop dat de projecten waarmee wij nu bezig zijn, ertoe kunnen bijdragen dat die culturen dichter bij elkaar komen.

MevrouwLeijten(SP)

Ik had specifiek gevraagd naar het vervoer voor gehandicapte sporters. Komt de staatssecretaris daar nu op?

De voorzitter:

Daar is de staatssecretaris aan toe.

StaatssecretarisBussemaker

Dat zou mijn volgende zin zijn geweest. Het uitgangspunt is dat teamsporters met een handicap in 2009 niet in de kou komen te staan. Wij gaan met Gehandicaptensport Nederland, die de experimenten doet, na hoe wij het probleem van het vervoer op een goede manier kunnen oplossen. Ik zeg de Kamer toe dat ik ervoor zal zorgen dat er voor het eind van dit jaar een oplossing is voor het vervoer van teamsporters met een handicap. Wij moeten nog nagaan wat de beste manier is om dat te doen. Dit geldt overigens alleen voor teamsporters. Individuele sporters kunnen namelijk gebruikmaken van de reguliere Valysmiddelen.

MevrouwLeijten(SP)

Ik dank de staatssecretaris voor deze toezegging. Ik denk dat het heel belangrijk is om op korte termijn duidelijkheid te geven. Van ambitieuze sporters, de teamsporters die het doen, hoor ik namelijk dat zij daarover in hun rats zitten.

De voorzitter:

Dat heeft u al duidelijk verwoord in eerste termijn.

MevrouwLeijten(SP)

Mijn vraag is of dat zo snel mogelijk kan.

StaatssecretarisBussemaker

Dat kan zo snel mogelijk, in ieder geval voor het eind van dit jaar. Ik moet dat samen met de gehandicaptensport doen en wil op zoek gaan naar een manier die aansluit bij de wensen van de sporters en Gehandicaptensport Nederland.

Ik kom op het programma "Meedoen allochtone jeugd door sport". Verschillende leden hebben daarnaar verwezen, maar met name de heer Atsma deed dat. Ook dat programma loopt op schema en het verloopt goed. Negen bonden en elf gemeenten doen daaraan mee. Daarbij zijn ruim 500 sportverenigingen betrokken die meer dan 12.000 nieuwe jeugdleden hebben geworven. Bijna de helft daarvan, 5700 jeugdleden, zijn allochtoon. Het gemiddelde percentage allochtone jeugd, namelijk 26, is een mooi tussenresultaat. Dat is namelijk een kwart. Ook niet-westerse allochtone meisjes lieten een inhaalslag zien. Het percentage allochtone meisjes dat lid is van één van de vijfhonderd deelnemende sportverenigingen, is namelijk gestegen van 16 naar 21. Ik spreek zelf langzamerhand liever van het programma "Meedoen", omdat datgene wat sportbonden en gemeenten doen niet meer alleen is voorbehouden aan allochtone jeugd. Er wordt inclusief beleid gevoerd. School-, wijk- en jeugdzorgprojecten worden opgezet en alle kinderen profiteren daar tegelijk van. Overigens kunnen de jeugdzorgprojecten naar mijn idee worden beschouwd als een van de meest veelbelovende innovatieve manieren om sport met andere doelstellingen te combineren, namelijk de jeugdzorg. Daarvan gaat een enorme kracht uit. Jongeren met gedragsproblemen wordt door middel van sport soms weer perspectief geboden.

In het Actieplan Krachtwijken van WWI is sport ook opgenomen, alsmede in de laatste charters met gemeenten. Met lokale partners wordt daaraan verder invulling gegeven. Vanuit de sportsector zijn dat onder andere NOC*NSF, de KNVB, het NISB, de Johan Cruyff Foundation, de Richard Krajicek Foundation en het Jeugdsportfonds.

De heer Atsma verwees in dit verband ook naar het belang van allochtoon kader. In het kader van de programma's voor het stimuleren van allochtone vrouwelijke vrijwilligers – dat is ook onderdeel van het emancipatiebeleid – is er een programma voor het werven van 5000 vrouwelijke allochtone vrijwilligers. Dat gebeurt in het kader van het programma "Meedoen allochtone jeugd door sport". Met het oog op een grotere participatie door allochtone jeugd zijn er namelijk ook meer vrijwilligers nodig. Dat heeft de heer Atsma ook gezegd. De KNVB, de KNGU en de gemeenten Amsterdam en Arnhem gaan als eerste aan de slag met laagdrempelige vrijwilligersfuncties voor allochtone vrouwen met behulp van een eenvoudige instructie. Met die ervaring kunnen andere bonden en gemeenten verder gaan. De ministeries van VWS en OCW hebben daarvoor een budget van 300.000 voor de periode 2009 tot 2011. Het daarbij betrekken van de allochtone mannen, wordt de volgende slag. Het mag namelijk niet zo zijn dat straks alleen vrouwen allochtone jongens en meisjes ondersteunen. Wat mij betreft moeten dus ook mannen dat gaan doen. Dit past echter specifiek in het programma om maatschappelijke participatie van allochtone vrouwen te stimuleren. Naar mijn idee is dat een heel goed begin.

De heerBlom(PvdA)

Ik heb ook een opmerking gemaakt over het betrekken van allochtone ouders bij sportverenigingen. Daarmee doelde ik niet direct op vrijwilligerswerk maar op de betrokkenheid die in Nederland normaal aanvaard is op het moment dat je kinderen op een sportvereniging zitten. Die betekent dat je je zo af en toe inzet voor die sportvereniging. Kan daar een soort stimuleringsprogramma aan worden gekoppeld, kan er voorlichting over worden gegeven? Kortom, mijn verzoek is: kom eens met een plan.

StaatssecretarisBussemaker

Het probleem is dat dit vooral een verantwoordelijkheid van de bonden betreft. Er is een aantal voorbeelden, onder andere proeftuinen, waar goede resultaten zijn geboekt. Ik snap heel goed wat u zegt. Als sportende kinderen naar een wedstrijd elders moeten, kan het niet zo zijn dat steeds dezelfde ouders hen wegbrengen en dat de allochtone ouders zeggen: wij kennen deze verantwoordelijkheid niet dus wij doen niet mee. Ik zal bekijken of wij dit kunnen meenemen in de verdere ontwikkeling van Meedoen allochtone jeugd door sport, of in de vrijwilligersondersteuning. Ook dit soort werk valt daaronder. Ik heb geprobeerd om dit hier breed neer te zetten.

Verschillende woordvoerders hebben gevraagd hoe het sporten in de buurt en in de krachtwijken kan worden gestimuleerd. De sportdeelname in de krachtwijken blijft inderdaad achter, wat een grote zorg is. In vrijwel alle krachtwijken zijn de sportvoorzieningen beneden peil, soms zelfs geheel afwezig. Dan gaat het om sportaccommodaties, speelmogelijkheden in de openbare ruimte et cetera. Sport is opgenomen in het Actieplan Krachtwijken van vorig jaar, als doel en als middel. Uit de gemeentelijke wijkactieplannen en de charters die WWI heeft gesloten, blijkt dat er ruime aandacht is voor sport. Zo heeft iedere gemeente bijvoorbeeld aangegeven mee te werken aan de combinatiefuncties. Het bleek dat alle steden met krachtwijken waren vertegenwoordigd in de eerste tranche. Als de gemeente meefinan­ciert, zal er grote prioriteit worden gegeven aan de combinatiefuncties. De sleutel ligt natuurlijk wel – dat is ook de filosofie van collega Vogelaar – bij de bewoners, en daarmee ook bij de gemeenten en de lokale partners. Zij moeten het mogelijk maken.

Bij sportbeleid geldt hetzelfde wat algemeen geldt voor de gemeenten met deze wijken: zij hebben alle middelen in handen om succesvol beleid te maken. Naast de combinatiefuncties zijn er het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen, de BOS-regeling en uitkeringen van andere departementen zoals de armoede-impuls van SZW, Kinderen doen mee! Kortom, het ligt niet meer aan het ontbreken van faciliteiten; gemeenten moeten nu zelf actie ondernemen. Gemeenten zijn verantwoordelijk, maar via ondersteuning en het aanbieden van basisfuncties doen wij het nodige. In de krachtwijken is er heel veel aandacht voor sportfaciliteiten, niet alleen combinatiefuncties maar bijvoorbeeld ook trapveldjes. De Haagse Sporttuin, die de heer Blom noemde, is daarvan een goed voorbeeld. Ik ben daar toevallig met collega Vogelaar op werkbezoek geweest. Het is een fantastisch voorbeeld, waar men met een heel kleine ruimte een enorme impuls heeft gegeven aan de sport maar ook aan de wijk. Zo worden er bijvoorbeeld taalcursussen voor ouders gegeven. Kortom, dit is een initiatief dat navolging verdient.

Mevrouw Leijten vroeg naar het sporten voor ouderen in de buurt. Dat krijgt tot nu toe minder expliciet aandacht in de beleidsplannen, omdat veel ouderen wel hun weg vinden naar sport en bewegen. Lokale stimulering is bovendien een zaak van de gemeenten, afgestemd op de lokale samenstelling. Wel is er het NASB, het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen, dat de gemeenten ondersteunt en dan vooral de gemeenten met veel bewoners met een lage sociaaleconomische status. Daar is zo'n 38 mln. voor beschikbaar. Ook het NISB geeft inhoudelijke ondersteuning, die soms specifiek op ouderen is gericht.

Overigens zullen in Zeeland volgend jaar voor het eerst in Europa de Senior Games plaatsvinden. Ik hoop dat die een heel belangrijke impuls gaan geven aan bewegen en sporten door ouderen. Het is bekend dat Zeeland het centrum is van de wereld. Dat kan de heer Blom vast beamen. Vanuit daar zal de trend zich vast verspreiden naar de rest van het land.

Het onderdeel chronisch zieken doe ik samen met de minister van VWS. Hierbij gaat het vooral om de BeweegKuur, die vooralsnog is toegespitst op de grote groep mensen met risico op diabetes. Daarnaast loopt er een onderzoek om het een en ander verantwoord onder te brengen in het basispakket van de zorgverzekering.

MevrouwLeijten(SP)

Juist voor deze twee doelgroepen, namelijk ouderen en chronisch zieken, is het echt van belang dat faciliteiten om de hoek zitten, dus dichtbij. Niet alleen gaan veel sportvelden de wijk uit, maar ook zijn er voor deze groepen in buurten weinig locaties om te bewegen die laagdrempelig en bereikbaar zijn. De Senior Games zijn heel erg leuk, maar die zijn slechts voor een kleine groep senioren of ouderen bereikbaar, terwijl het voor ouderen ook heel belangrijk is om te sporten. Wil de staatssecretaris bekijken of zij samen met collega's in de buurt, dichtbij en laagdrempelig sport en beweging kan faciliteren?

StaatssecretarisBussemaker

Het aanbod is van belang, maar er moet ook een cultuur komen waarin ouderen blijven bewegen. Tijdens mijn bezoek aan China viel mij op dat er overal in de wijk beweegtoestellen staan voor ouderen. In Nederland staan alleen maar beweegtoestellen voor kinderen in de wijk, terwijl in China fantastische toestellen staan waar ouderen al kletsend met elkaar op straat bewegen. Daar heeft men echter ook een andere cultuur op het gebied van dingen collectief doen. Of zoiets geregeld kan worden wil ik dus best nog een keer bekijken. Ik weet dat er goede initiatieven zijn. De Wandelbond is bijvoorbeeld bezig met het uitzetten van wandelroutes bij verpleeg- en verzorgingshuizen, andere plekken waar bewegen wel eens wordt vergeten. En het NASB ontwikkelt op lokaal niveau wel degelijk activiteiten die specifiek gericht zijn op ouderen, maar ik ben graag bereid om dit thema nog een keer aan de orde te stellen bij gesprekken met gemeenten en het NASB. Over de noodzaak hiervan bestaat tussen mevrouw Leijten en mij geen verschil van mening. Ik wil echter niet ergens dure apparaten neerzetten, als ik niet zeker weet dat er van alles aan gedaan wordt dat er ook gebruik van wordt gemaakt. Dat moet dan weer op lokaal niveau gebeuren. Dus ook ik houd mij bezig met de vraag hoe wij ook ouderen in beweging kunnen krijgen en houden.

De heer Zijlstra vroeg naar de relatie tussen een lage sociaaleconomische status en minder sport. Hij noemde zelf al een heleboel redenen, die daarbij inderdaad allemaal een rol spelen. Geld speelt een rol, vandaar dat wij het Jeugdsportfonds hebben. Verder noem ik de impuls vanuit SZW; geld mag nooit een rol spelen voor met name jongeren om niet te sporten. Ook de opleiding van de ouders speelt een rol. Vaak ontbreekt het voorbeeldgedrag van ouders, want zij sporten ook niet. Kennis van ouders van gezond beweeggedrag speelt ook een rol. Verder is er een correlatie met etniciteit. Zo zijn Marokkaanse jongetjes lang niet altijd dik, maar Marokkaanse meisjes hebben vaak nu al overgewicht. Dit vraagt om maatwerk. Wij constateren dat allochtonen nog steeds minder vaak lid zijn van een sportvereniging. Daarmee komen wij weer terug op het stimuleren van het meedoen van de allochtone jeugd. Ik denk dat wij daar goed mee bezig zijn. Ook een organisatie als de Stichting Meer dan Voetbal heeft met "Scoren voor Gezondheid" heel goede resultaten geboekt, door topvoetballers in te zetten om op scholen te vertellen hoe zij gekomen zijn waar zij zijn gekomen, en dat over te dragen via een contract dat zij met de jongeren sluiten. Daarbij zie je dus weer die combinatie van topsport en breedtesport. Er zijn dus tal van manieren om een oplossing te vinden.

De heerZijlstra(VVD)

Komen de oorzaken die u noemt uit een grondige analyse voort van onderliggende oorzaken, of denken wij gewoon met zijn allen dat dit de oorzaken zijn? De oorzaken klinken mij aannemelijk in de oren, maar weten wij zeker dat het zo is? Als het opleidingsniveau van de ouders – om maar een ervan te noemen – daarin heel belangrijk zou zijn, dan kun je heel veel dingen doen, maar aan het opleidingsniveau van de ouders verander je niets. Ik wil graag weten in hoeverre hier sprake is van evidence-based beleid.

StaatssecretarisBussemaker

Voor zover ik mij herinner is de Kamer daar uitgebreid over ingelicht in de preventie­brief van mijn collega Klink.

De heerZijlstra(VVD)

Daar staat dat niet in.

StaatssecretarisBussemaker

Volgens mij wel. Er lopen ook experimenten in overleg met WWI. De informatie die daarover beschikbaar is, is in die brief in ieder geval terug te vinden. Ik weet vrij zeker dat daaruit vooral blijkt dat het gaat om een combinatie van factoren. Dat maakt het ingewikkeld, omdat je dan niet heel precies kunt aangeven welk percentage door gebrekkige opleiding van de ouders komt en welk percentage door eetgewoontes et cetera. Je ziet echter in wijken en buurten met een lage sociaaleconomische structuur dat het door een combinatie van een en ander komt. Wij proberen daar zo goed mogelijk bij aan te sluiten, maar ik herhaal dat de kern van het beleid bij preventie zit, en daarvoor verwijs ik de Kamer toch naar de brieven van minister Klink.

De heerZijlstra(VVD)

Voordat wij elkaar verkeerd gaan begrijpen: het gaat mij om de vraag waar de argumenten vandaan komen. In de brief van minister Klink over allerlei gebieden staan ook dingen genoemd, maar voor mij blijft steeds onhelder hoe wij aan die zaken gekomen zijn. Is het gewoon dat wij met ons gezonde boerenverstand aan het redeneren zijn geslagen en denken: dit klinkt logisch? Of gaat het dieper? Het antwoord daarop staat niet in de brieven van minister Klink.

StaatssecretarisBussemaker

Dan weet ik niet of wij het over dezelfde brief hebben. Ik weet dat er tal van onderzoeken zijn waar wij bij aansluiten als het gaat over de sociaaleconomische structuur en de gezondheidsstructuur. Daar zijn al tal van onderzoeken naar gedaan, alleen worden die doorgaans niet alleen aan sportbeleid gekoppeld. Zij zijn veel algemener en worden terecht ook gekoppeld aan gezondheid, gezonde leefstijl, preventie, voeding et cetera. Ik heb die brief niet bij mij, maar ik weet zeker dat daarin uitgebreid geïnformeerd werd.

De voorzitter:

Ik stel voor dat iedereen even nakijkt of die informatie in de preventiebrief staat. Is dat niet het geval, dan hebt u allen gelegenheid om daarop bij de begrotingsbehandeling terug te komen.

StaatssecretarisBussemaker

De heer Atsma vroeg naar de meerwaarde van sport voor werknemers. Dat sporten van belang is voor werknemers ben ik met u eens. Ik weet niet of wij daar nog meer onderzoek voor nodig hebben, want uit RIVM/TNO-onderzoek uit 2005 bleek al dat sport en bewegen de kosten van de gezondheidszorg doet dalen. De Universiteit Utrecht en TNO hebben aangetoond dat ziekteverzuim daalt bij intensieve sportbeoefening. Vooral de voorlichting aan werkgevers blijft van belang. Dat geldt ook voor individuele sporters via het NASB. Ik vind het dan ook heel belangrijk dat werkgevers betrokken zijn bij het olympisch plan. Dat zijn zij ook, zij zitten in het platform over het olympisch plan. Het gaat er niet alleen om dat het bedrijfsleven moet investeren in sport. Het moet ook een gezonde beweegcultuur stimuleren bij de werknemers.

Dan kom ik bij topsport. Ik begin met topsport en studie. Top- en breedtesport hangen nauw samen. Om topsporter te worden, heb je goede breedtesport nodig, zodat talenten zich kunnen ontwikkelen. Het is van groot belang om de afstemming van studie en topsport verder vorm te geven. Er is onderzoek gedaan om nader inzicht te krijgen in de relatie tussen topsport en studie. Daar vallen dan ook de LOOT-scholen onder. De algemene conclusie uit dat onderzoek is dat wet- en regelgeving geen belemmeringen opleveren. Scholen kunnen goed de bestaande ruimte benutten bij het bieden van faciliteiten maar daarbij is nog wel verbetering mogelijk. Ten slotte worden betrokken partijen opgeroepen om voorstellen voor verbetering te realiseren.

Het sluitstuk van de begeleiding is de ontwikkeling van enkele centra voor topsport en onderwijs, waar wonen, leren en trainen optimaal worden gecombineerd. In de brief die de Kamer heeft ontvangen, staat dat in de komende drie jaar steun wordt gegeven aan een pilot voor vier tot vijf locaties. Ondertussen zijn vier locaties bekend. Dat zijn Heerenveen, Amsterdam, Arnhem – dat is Papendal – en Eindhoven. Het gaat daarbij om faciliteiten voor echte toptalenten die de potentie hebben om de top te bereiken, en om meerdere takken van sport per locatie. NOC*NSF is daarbij nauw betrokken met een adviserende rol. Het ministerie van VWS steunt niet zozeer de bouw van accommodaties, als wel de ontwik­keling van het concept, de aanjaagfunctie en dergelijke.

In verband met topsport en studie vroeg de heer Atsma wat de overheid zelf doet voor werknemers, waarbij hij verwees naar Defensie. Defensie doet daarvoor heel goed werk. Gelukkig zijn er ook andere werkgevers die belangstelling hebben om dat binnen het Rijk voor andere sectoren te doen. De politie is al actief; OCW heeft interesse. Ik wil met mijn collega van BZK gaan bespreken of wij voor andere groepen medewerkers, bijvoorbeeld de rijksambtenaren die bij departementen werken, of bijvoorbeeld ook medewerkers van Rijkswaterstaat, iets kunnen ontwikkelen wat vergelijkbaar is met wat al bij Defensie gebeurt, ook omdat dat een belangrijk aanknopingspunt kan zijn het voor het oplossen van tekorten die bij verschillende sectoren bestaan.

De heerBlom(PvdA)

De staatssecretaris zegt dat de combinatie van topsport en studie goed geregeld is. Er zijn twee groepen die daarbuiten vallen. De eerste groep bestaat uit talenten die op internationaal niveau presteren en meer dan twintig uur per week trainen. Daarnaast is er een groep van talenten die op internationaal niveau presteren en veel in het buitenland verblijven. Daarbij moeten wij bijvoorbeeld denken aan skiërs – skiën gaat immers in Nederland wat lastig – en schaatsers. Zijn er plannen om die groepen te helpen om via een elektronische leeromgeving en onder begeleiding van een coach een studie te volgen? Dat kan op dit moment nog niet. Daarvoor zijn nog afspraken nodig bij OCW. Is de staatssecretaris bereid om eens met haar collega van OCW over deze twee probleemgroepen een middagje te bomen?

StaatssecretarisBussemaker

Dan wil ik even weten of ik de heer Blom goed begrijp. Gaat het met name om studenten van LOOT-scholen of om sporters die al verder in hun carrière zijn?

De heerBlom(PvdA)

Ik bedoel topsporters, jonge sporters, talenten, voornamelijk gekoppeld aan het mbo. Als je op een LOOT-school zit, dan zit je op een locatie. Het aardige van deze twee groepen is nu net dat zij niet langdurig op één locatie kunnen zitten, om de doodeenvoudige reden dat je om te snowboarden of te skiën in Oostenrijk, Zwitserland of Frankrijk zit. Dan is het wat lastig om naar Eindhoven naar een LOOT-school te gaan. In zo'n geval zijn er mogelijkheden via een elektronische leerweg. Dat is op dit moment nog niet geaccordeerd bij OCW. Voor die twee groepen, de groep die regelmatig in het buitenland zit en de topsporters die meer dan twintig uur in de week moeten trainen, zou ik graag onderzocht willen hebben of via de methode van de elektronische leerweg een uitzonderingspositie kan worden gecreëerd.

StaatssecretarisBussemaker

Ik zeg graag toe dat ik dat met mijn collega's van OCW bespreek.

De heerBlom(PvdA)

Daarvoor dank ik u hartelijk, mede namens mijn collega.

StaatssecretarisBussemaker

Dan is de vraag gesteld waarom er geen LOOT-school in Zeeland is. Ook dat zal ik met OCW bespreken. Ik weet niet waarom er geen LOOT-school in Zeeland is. Een loodsopleiding zullen ze daar vast wel hebben, inderdaad, mijnheer Blom. Misschien kunnen ze dat creatief combineren. Ik wil wel nagaan waarom dat is en of er vervolgstappen mogelijk zijn. Dat zullen wij aan de hand van de feiten en de mogelijkheden moeten bekijken. De spreiding speelt daarbij natuurlijk een rol. Ook gelijke kansen zijn belangrijk om mee te nemen. Dat moet ik eerst uitzoeken.

De heer Atsma had het in het kader van topsport ook over de talentencoaches. Natuurlijk hebben de talenten coaches nodig. Wij hebben daarom een specifiek programma voor coaches. In 2007 is een pilot opgericht om die directe begeleiding te optimaliseren en ervaring op te doen. Deze pilot is dit jaar uitgebreid tot in totaal twintig fte bij twaalf sportbonden. De pilot loopt tot 2011. Daarna moet duidelijk zijn wat de meerwaarde is van deze aanpak met talentcoaches.

De heer Atsma heeft gevraagd naar talentherkenning, mede naar aanleiding van het rapport van de Algemene Rekenkamer. Hij vroeg of de overheid hier niet meer aan moet doen. Ik heb in reactie op het rapport van de Algemene Rekenkamer niet toegezegd dat VWS meer gaat doen aan talentherkenning. De bonden hebben hiervoor echt de verantwoordelijkheid. Zij weten de mensen ook te vinden. Dit is het fijnmazige systeem van de bijna 30.000 sportverenigingen die de heer Atsma noemde. Op die verenigingen kunnen talenten zitten die de sportverenigingen kunnen herkennen. Daarvoor is geen apart systeem van de overheid nodig. Het rapport van de Algemene Rekenkamer steunt vooral reeds ingezet beleid voor talentontwikkeling. Dit doen wij ook door middel van het ondersteunen van de CTO's, de Olympische netwerken, stipendia et cetera. Kortom, volgens mij zijn wij daarmee al voortvarend bezig.

Ik kom bij een aantal vragen die gesteld zijn in het kader van sportiviteit en respect. Ik begin even met de heer Blom, die naar de SIRE-campagne verwees. Deze campagne is mij uit het hart gegrepen. Het is vreselijk om te zien, niet alleen wat door jongeren of sporters op het veld gebeurt, maar ook wat de bijdrage van ouders is. Deze bijdrage is veel erger. Er zijn veel bonden die zich bewust zijn van de ernst van deze problematiek. Wij hebben opnieuw onderzoek laten doen door het Sociaal en Cultureel Planbureau. Dat heeft vorig jaar het rapport "Een gele kaart voor de sport" uitgegeven. Daarna heeft het Sociaal en Cultureel Planbureau een vervolgonder­zoek gedaan en het rapport "Weinig over de schreef" uitgegeven. Daaruit blijkt dat het eigenlijk meevalt. De algemene conclusie is dat het ongewenste gedrag in de sport meevalt, maar dat dit niet mag betekenen dat er verder niets mee gedaan hoeft te worden.

Ik blijf de sportwereld daarom ook oproepen en zal dit bij elke gelegenheid weer doen, om de eigen verantwoordelijkheid op te pakken en met initiatieven te komen. Ik weet dat er goede voorbeelden van zijn. De hockeybond is heel erg actief bij de bestrijding van ongewenst gedrag en heeft daarvoor veel materiaal ontwikkeld. Ook de KNVB is daarin actief. De voorzitter van de KNVB heeft bij de publicatie van het SCP-rapport nog eens uitgedragen dat hij veel belang hecht aan het optreden tegen dit soort gedrag. Wij moeten wel iets doen. Gelukkig zijn wij in Nederland nog niet zo ver als in Engeland, waar onlangs het jeugdvoetbal stilgelegd is. Het liep daar zo de spuigaten uit dat men helemaal niet meer wist hoe men voetbalwedstrijden voor jongeren moest organiseren. Het betekent wel dat wij veel werk te verzetten hebben. Dit moet samen met bonden gebeuren. Ik vind dit thema heel belangrijk. Ik zal dit bij gelegenheden steeds aan de orde stellen, bijvoorbeeld op de Dag van Respect. Ik ga samen met de rugbybond naar scholen toe om jongeren te leren dat ook rugbyspelers zeer gedisciplineerd zijn. Het is dus niet een kwestie van erop inhakken, maar ook daar moeten de regels van sportiviteit en respect worden gehanteerd.

De heerBlom(PvdA)

Ik ben zowel oud-voetballer als oud-rugbyer. Er is een groot verschil tussen voetbal en rugby. Dit zou ik ook de ouders die langs de zijlijn staan wel eens willen meegeven. Bij rugby respecteert iedereen de beslissing van de scheidsrechter. Deze heeft namelijk rechtstreeks met de veiligheid van de spelers te maken. Ik zou graag willen dat ouders langs de zijlijn bij hun eigen kinderen datzelfde respect met dezelfde reden in acht nemen. Volgens mij zijn wij dan voor een deel van een heel groot probleem af.

StaatssecretarisBussemaker

Ik ben het geheel met de heer Blom eens. Rugby kan alleen maar worden gespeeld met heel duidelijke spelregels en gezag voor de scheidsrechter omwille van de eigen veiligheid. Ook op andere terreinen geven wij vorm aan sportiviteit en respect. Een ander belangrijk thema vind ik homo-eman­cipatie in de sport. In de kabinetsnota van minister Plasterk, Gewoon homo zijn, is dit al aangekaart. Dit jaar is samen met de stichting Homosport Nederland begonnen met de uitvoering van maatregelen die in de homonota zijn genoemd. Volgend jaar wordt besloten of stichting Homosport Nederland dit ook voor de komende jaren zal blijven doen. Daarnaast wordt eind dit jaar een gay & straight sportalliantie opgericht.

In dit kader is ook de bestrijding van seksuele intimidatie van groot belang. De preventieve maatregelen van NOC*NSF en sportbonden blijken het probleem niet uit de wereld te hebben geholpen. Daarom ondersteun ik de ontwikkeling van een registratiesysteem – een zwarte lijst van plegers – de ontwikkeling van onderwijsmodules voor opleidingen sportkader en de invoering van de plicht voor vrijwilligers een verklaring omtrent gedrag te kunnen overleggen. Ik doe dat samen met Justitie en ik heb daarvoor € 300.000 uitgetrokken.

De NSA wordt zeer nadrukkelijk betrokken bij projecten over sportiviteit en respect – diverse Kamerleden hebben al gezegd dat de NSA daar een belangrijke rol kan vervullen – bijvoorbeeld de aanpak van verbale agressie en de verdere ontwikkeling van gedragscodes en huisregels bij verenigingen. Op die wijze wordt de NSA nu op projectbasis ondersteund. Ik heb kennisgenomen van het amendement dat de Kamer wil indienen; ik heb begrepen dat het nog niet is ingediend.

De heerBlom(PvdA)

Wij willen dat indienen.

De voorzitter:

Op het moment dat dit amendement hier is gepresenteerd, is het volgens mij ook ingediend; het is zelfs aan de staatssecretaris overhandigd.

De heerBlom(PvdA)

Officieel moet dat dan via de griffie gebeuren, maar goed...

De voorzitter:

Het verzoek aan de staatssecretaris is zeer uitdrukkelijk om op de inhoud van het voorliggende amendement te reageren.

StaatssecretarisBussemaker

Voorzitter. Ik zit een beetje met het amendement in mijn maag. Het is niet zo dat ik de NSA niet wil ondersteunen. Ik weet dat er een voorgeschiedenis is, ook in deze Kamer, dat er een relatie ligt met de kansspelen en dat de Kamer op basis van goede argumenten zegt dat het met de kansspelen nog steeds niet rond is en dat ik dus moet zorgen dat er nog geld komt. Het is mij niet helemaal duidelijk of ik dit verzoek nu moet beschouwen als een structurele subsidie of niet; in letterlijke zin kan het amendement natuurlijk alleen voor volgend jaar gelden. Ik heb er problemen mee om een instellingssubsidie elk jaar opnieuw te geven, want feitelijk wordt het dan een structurele subsidie.

De vraag is ook of het nu nodig is om de NSA nog eens apart te subsidiëren. Wij hebben vorig jaar gezegd – ook toen heeft de Kamer een amendement ingediend – dat wij ervoor zouden zorgen dat de NSA in aanmerking zou komen voor meerjarige productsubsidies bij de uitvoering van het sportbeleid, zoals bij sportiviteit en respect, bij homosport en bij ontwikkelingssamenwerking; daarover heb ik ook een gesprek gevoerd met de NSA, waarin ik heb gezegd dat ik mij hardmaak en hard te zullen maken dat ook de samenwerking met het NISB en met NOC*NSF meer tot de mogelijkheden gaat behoren. NSA en NOC*NSF zijn thans met elkaar in overleg voor continuering van de bijdrage vanuit de lottogelden.

De NSA is samen met NOC*NSF en NSIB al bij een aantal projecten betrokken. De NSA krijgt € 250.000 voor het onderdeel sportiviteit en respect, samen met NOC*NSF, € 250.000 voor het onderdeel sport en ontwikkelingssamenwerking, samen met NOC*NSF, € 100.000 voor het onderdeel homo-emancipatie, samen met Homosport Nederland en € 200.000 voor de spin-off meedoen allochtonen en ouderen, samen met het NISB. Dat is dus hetgeen ik reeds doe en ik ben bereid daarboven op nog één keer een bedrag van € 200.000 aan de NSA te geven voor het eenwordingsproces van de drie koepels, NKS, NCS en NCSU, zodat deze opgaan in de NSA en onderdeel vormen van één werkorgani­satie.

Bij elkaar opgeteld vormen al deze bedragen precies het bedrag van 1 mln. voor de NSA waar de Kamer om vraagt. Als de Kamer nu echter dit amendement indient, laat ik mijn aanpak los, want het is van tweeën één; ik ga niet de NSA voor 2 mln. financieren. Ik geef de Kamer dus in overweging mijn toezegging om € 200.000 voor de realisering van de gezamenlijke werkorganisaties van de levensbeschouwelijke koepels te willen reserveren, hierbij te betrekken, ook omdat de kansspelwetgeving nog niet rond is. Daarnaast moeten wij toch vooral verder gaan met de gezamenlijke samenwerking tussen NOC*NSF, de NSA en het NISB op basis van meerjarige projectsubsidies. Wij houden anders tot in lengte van jaren naast elkaar werkende organisaties. Ik wil dat de inhoud vooropstaat en dat daarbij de organisaties betrokken zijn die dat goed kunnen. De NSA is er daar één van. De Kamer mag mij eraan houden dat ik NOC*NSF eraan houd dat zij het samen met de NSA moet doen. Als de heer Atsma vasthoudt aan zijn amendement, dan zeg ik: dat geld is voor de NSA. In dat geval let ik alleen op of het subsidietechnisch goed geregeld is en zal ik mij er verder niet mee bemoeien.

De voorzitter:

Dat klinkt goed, want de zorg die achter het amendement schuilgaat, is dat de grote koepel geen enkele boodschap heeft aan deze organisaties. Zo is het twee jaar geleden ook door de Kamer neergelegd en is het in een reeks van jaren verwoord door de collega's Rijpstra, Middel en Verbeet. Ik begrijp dat u niets dubbelop wilt doen. Dat is ook niet nodig. En als u zegt dat het miljoen geoormerkt is voor projecten, dan denk ik dat iedereen daar alle begrip voor heeft. Wij kunnen daar gemakkelijk uit komen. Voor ons is het lastig om te oordelen in hoeverre er € 200.000 bijkomt voor een van bovenaf opgedragen fusie. Wij moeten hier niet zover gaan dat wij zeggen: dat is prima, regel dat maar. Wij gaan niet over de fusie van drie organisaties. Dat doen zij zelf. Als zij daarvoor op enigerlei moment de overheid nodig hebben, dan trekken zij wel aan de bel. Het amendement is formeel ook nog niet ingediend. Het is dus goed dat u deze afweging bij ons neerlegt. Wij zullen de komende week overleggen en verkennen wat het verstandigst is. Mijn inschatting is dat de garantie voor 1 mln. aan projectsubsidies al heel royaal is.

StaatssecretarisBussemaker

Wat ik zojuist heb opgesomd, is samen € 800.000. Daarbovenop is € 200.000 beschikbaar om te komen tot één gezamenlijke werkorganisatie. Dat geld is niet voor een fusie. Er moet ook niet meer geld dan nodig is naar werkorganisaties en instellingen gaan. Ik probeer maximale druk uit te oefenen om organisaties te laten samenwerken en om zo veel mogelijk middelen te laten terechtkomen bij inhoudelijke thema's, zoals sport en ontwikkelingssamenwerking, sport en respect, en homo-emancipatie en sport.

De voorzitter:

Die samenwerking is binnen die drie koepelorganisaties geen punt van discussie. Dat zullen zij graag doen. Wij moeten ons er echter wel bewust van zijn dat men niet volstrekt afhankelijk wil worden van de "goedheid" van NOC*NSF. Dat was in het verleden oorzaak van discussie. Het mag duidelijk zijn hoe NOC*NSF tegenover deze organisaties en de NSA stond: zij had er geen enkele boodschap aan.

De heerBlom(PvdA)

Dat was inderdaad de achterliggende argumentatie. De projectsubsidie loopt af. Om weer subsidie te krijgen, moeten opnieuw projecten worden opgestart. Dat lijkt mij vrij logisch, want daar is de subsidie voor. Daarnaast zitten wij hier natuurlijk niet op de markt. Als een Kamerfractie een amendement indient ter grootte van 1 mln., dan kan de staatssecretaris niet zeggen dat zij alle andere subsidies terugtrekt als het aangenomen wordt. Anders zeg ik op mijn beurt: dan maak ik er 2 mln. van. Zo gaan wij niet met elkaar om. Collega Atsma en ik zullen heel goed naar het amendement kijken en in overleg treden met de desbetreffende partners. Daarna zal de staatssecretaris wel merken of het amendement wordt ingediend of niet.

De heerZijlstra(VVD)

Ik heb even een procedureel punt. Kunnen wij afspreken dat het amendement sowieso wordt ingediend? Het lijkt mij onhandig als wij over een jaar in de Handelingen lezen over een amendement dat nooit is ingediend. Wij zien het wel weer als de heer Blom zijn amendement meteen weer intrekt.

De heerBlom(PvdA)

Ik denk dat daarvoor één telefoontje naar de griffie voldoende is.

De voorzitter:

Dat is dus afgesproken. De staatssecretaris hoort van de indieners op welke wijze erop wordt teruggekomen. De heer Zijlstra krijgt meteen de reactie dat het amendement nu formeel wordt ingediend.

StaatssecretarisBussemaker

Ik ben graag bereid om de Kamer in de komende weken van informatie te voorzien of om te overleggen met de indieners over de vraag hoe wij het doel het best kunnen bereiken. Vervolgens wil ik bekijken hoe wij zo veel mogelijk van de beschikbare middelen kunnen laten terechtkomen bij de projecten waar het om gaat, en niet bij instellingen. Daarom was mijn boodschap dat als er om nog een miljoen extra zou worden gevraagd, dit geld er van de andere kant zou worden afgehaald. Ik wil dat het geld zo veel mogelijk terechtkomt bij de projecten, en niet dat het wordt ingezet op basis van koepelstructuren. Volgens mij is dat over en weer duidelijk met elkaar uitgewisseld.

De heer Atsma heeft mij een vraag gesteld over de verwikkelingen rond NOC*NSF. Ik ben niet betrokken bij de personele problematiek. Dat is een verantwoordelijkheid van NOC*NSF. Het lijkt mij ook niet goed dat ik mij daar verder in meng. Ik kan verder weinig met de brief die ik daarover heb gekregen. De heer Atsma verwees nog naar het rapport van de Algemene Rekenkamer. In dat rapport staat een heel mooie formulering over de samenwerking: van subtiel naar robuust. De Algemene Rekenkamer vindt dat de samenwerking tussen VWS en NOC*NSF robuuster moet worden. Ik ben graag bereid om daaraan te werken. Die samenwerking is overigens heel goed.

Er was een vraag van de VVD-fractie over vrouwen en talenten bij het dammen. Ik ga daarover spreken met de Koninklijke Nederlandse Dambond, want de Kamer begrijpt dat ik mij niet twee keer laat zeggen dat daar alleen talenten onder mannen worden geworven. Ik ga even uitzoeken hoe dat zit.

De fracties van de PvdA en van het CDA hebben vragen gesteld over een nationale raad voor het sportbeleid c.q. een sportautoriteit. Door mijn voorgangsters is al aan gegeven dat zij niets zien in een sportautoriteit die de middelen van de rijksoverheid verdeelt. Ik denk dat wij deze middelen nu eigenlijk wel goed verdelen. Ik heb net al aangegeven dat de samenwerking met NOC*NSF goed is. Ik zie niet zoveel meerwaarde in een sportautoriteit. Daardoor zou er weer geld gaan naar besturen en structuren. Volgens mij hebben wij er daarvan echt genoeg in Nederland. Laten wij er vooral voor zorgen dat het geld terechtkomt waar het terecht moet komen, namelijk daar waar de Kamer veel aandacht voor heeft gevraagd: bij de wijken, bij de sportverenigingen, bij de sporters zelf en niet bij de mensen die vergaderen. Althans, wij moeten ernaar streven dat het geld zo min mogelijk daar terechtkomt.

De heer Atsma vroeg nog naar de ANBI-status van sportverenigingen. Ik denk dat de eerste stap is gezet door het vrijstellen van legaten en schenkingen in het Belastingplan. De Kamer zal daarover nog met de staatssecretaris van Financiën komen te spreken. Ik ben blij met die steun. In algemene zin staat het maatschappelijk nut van sportverenigingen buiten kijf. Daarmee begon ik mijn verhaal. De vraag is hoe je dat goed kunt reglementeren. Dan stuiten wij op een uitspraak van de Hoge Raad dat sportverenigingen geen ANBI-status kunnen krijgen, omdat zij juridisch gezien primair de belangen van leden dienen. Daar ligt een probleem waaraan niet zomaar kan worden voorbijgegaan. Ik ga ervan uit dat dit punt terugkomt, want het maakt deel uit van het Belastingplan. Bij de bespreking daarvan hoort het dus thuis.

De heer Atsma heeft gevraagd naar de moties die de heer De Vries vorig jaar heeft ingediend. In mijn brief van 4 juli heb ik daaraan al aandacht besteed. Het ging over de motie over werving en behoud van sportkader en over de motie over het terugdringen van beleefde administratieve lasten. In overleg met NOC*NSF komt er een plan van aanpak. De kern daarvan zal zijn dat er in overleg met de sportsector concrete oplossingen zullen worden voorgesteld die voor de sport het meeste rendement kunnen opleveren. Wij zoeken daar dus naar administratieve lastenvermindering die echt gevoeld wordt en niet naar formele administratieve lastenvermindering. Dat heeft inderdaad enige vertraging opgelopen, mede door de drukke sportzomer. Ik zal erop toezien dat u er bij de tussenrapportage uitgebreid over wordt geïnformeerd.

De voorzitter:

De CDA-fractie vindt het raar dat juist vanuit de sport die twee punten als knelpunt worden aangedragen. Als het gaat om de invulling en de vertaalslag blijft het stil. Dat stelt ons eigenlijk ook een beetje teleur.

StaatssecretarisBussemaker

Ik heb het begrepen en ik zorg dat het terugkomt bij de tussenrapportage.

De heerZijlstra(VVD)

Ik liet nog even de ANBI-zinsnede van de staatssecretaris bezinken. De rechterlijke uitspraak waaraan zij refereert ging toch over een sportvereniging die via de rechter aanspraak wilde maken op een ANBI-status, daar waar het niet het geval was? Die vereniging wilde via de rechter haar gelijk halen. Daar heeft de rechter toen uitspraak over gedaan. Als de Tweede Kamer en de regering als wetgever sportverenigingen onder de ANBI-status brengen, vallen zij onder de ANBI-status. Dat staat toch geheel los van welke rechterlijke uitspraak dan ook? Kan de staatssecretaris nog eens ingaan op het feit dat zij in haar betoog en in haar stukken het algemeen nut niet bestrijdt maar het zelfs benadrukt? Waarom wenst dit kabinet het dan niet via de staatssecretaris van Financiën onder de ANBI-regeling te brengen? Wat is daarvan dan de oorzaak? Dat is naar mijn mening namelijk niet die rechterlijke uitspraak.

StaatssecretarisBussemaker

Dat is echt een debat dat de heer Zijlstra met de staatssecretaris van Financiën moet voeren. Het is een onderdeel van het Belastingplan en het heeft te maken met ingewikkelde juridische afwegingen die daar gelden. Daar geldt eigenlijk hetzelfde voor als voor bestemmingsplannen: hij moet dat met de betrokken bewindspersoon bespreken bij het Belastingplan 2009. Daar is de stap gezet dat er vrijstelling komt van legaten en schenkingen als die aan sportverenigingen worden geschonken. Dat is grote winst, een belangrijke stap vooruit. Voor alles wat de heer Zijlstra meer wil, zal hij de afweging daar moeten maken, met de juridische aspecten die een rol spelen bij de bepaling welk soort organisaties een ANBI-status kunnen hebben. Ik heb het over iets heel anders gehad. Ik heb het gehad over de maatschappelijke betekenis van sport, namelijk dat sport een aantal maatschappelijke doelen dichterbij kan brengen. Ik zal daarom nooit zeggen dat sport geen maatschappelijke betekenis heeft.

Ik kom bij de FBK-games. Ik wil er op wijzen dat wij van de topsportevenementen in principe alleen EK's, WK's en olympische kwalificatietoernooien ondersteunen. De FBK-games voldoen niet aan die criteria. Desalniettemin hebben wij dit evenement op basis van mijn discretionaire bevoegdheid al een aantal jaren ondersteund. Van 2004 tot en met 2008 is aan dit evenement subsidie verleend, met als uitgangspunt dat het daarna op eigen benen kan staan. Op deze wijze heb ik de organisatie in de gelegenheid gesteld om additionele financiële middelen te vinden buiten de rijksoverheidssubsidie. Vooralsnog ga ik er nog van uit dat de FBK-games vanaf 2009 over voldoende subsidiëring van commerciële partners of anderszins beschikken, opdat financiering van de rijksoverheid niet meer nodig is. Ik heb nog geen signalen gehad dat het niet zo zou zijn. Het zou best kunnen dat er in het kader van het toekomstige evenementenbeleid aandacht komt voor jaarlijks terugkerende evenementen. Maar ik vind het nu veel te snel om voor de FBK-games alsnog een uitzondering te maken, na de jaren waarin zij al subsidie hebben gehad. Zij moeten eerst alles doen om op eigen kracht naar middelen te zoeken.

De heerBlom(PvdA)

In tegenstelling tot u heb ik die berichten wel gehad, wat alles te maken heeft met de situatie waarin wij internationaal zitten als het gaat om financiële crises en al dat soort zaken, wat natuurlijk een rechtstreeks uitvloeisel heeft in sportsponsoring. Ik zal dat amendement toch indienen.

StaatssecretarisBussemaker

Dan moet ik u waarschuwen: het lijkt mij niet wenselijk dat je op basis van ad-hocbesluiten vanuit de Kamer evenementen gaat ondersteunen. Natuurlijk, gezien de internationale crisis zijn er nog wel meer sponsors die terughoudend zijn of worden. Ik zou u toch dringend willen meegeven om de afweging te laten bij het beleid dat mijn departement hierover voert. Als de organisatie zeer gefundeerde argumenten heeft, kan zij zich bij ons melden. Wellicht is er dan een moment om te zeggen: dit is zo'n uitzonderlijke situatie dat wij het wel gaan doen. Maar dan wil ik de afweging maken voor alle sponsors die niet zijn gevonden vanwege de kredietcrisis. Dan wil ik nu dus niet vooruitlopen op één evenement. Mocht het zo zijn dat de internationale kredietcrisis gevolgen heeft voor het organiseren van belangrijke internationale sportevenementen in Nederland, dan is dat zeker iets wat mijn aandacht heeft.

De heerBlom(PvdA)

Bij de FBK-games is volgens mij echter toch wat bijzonders aan de hand. Het is een uniek gebeuren in Nederland, ook nog eens op een plek in Nederland die over het algemeen niet zo erg rijkelijk bevoorrecht is om evenementen te organiseren. Dat neemt niet weg dat ik blij ben met uw toezegging om na te gaan welke invloed de internationale kredietcrisis heeft op het organiseren van grote evenementen. Je kunt dan denken aan de Rotterdam Marathon en de Amsterdam Marathon. Ik moet de heer Zijlstra gelijk geven, in die zin dat op het moment dat ik een amendement hier ter sprake breng, ik dat ook moet indienen, omdat wij anders straks niet meer weten wat er aan de hand is. Ik heb nog wel even de tijd om er naar te kijken. Het amendement wordt in ieder geval ingediend. Wat ik er vervolgens mee ga doen, zal ik op korte termijn laten weten.

StaatssecretarisBussemaker

Ik zou de indiening van dat amendement ten zeerste willen ontraden. Ik vind ook dat de heer Blom het de organisatie wel erg gemakkelijk maakt. Die hoeft dan namelijk niet meer zo nodig. Juist waar het gaat om een deel van het land waar over het algemeen niet zo veel grote evenementen zijn, kan een provincie misschien ook bijspringen, kunnen gemeenten een rol spelen en kunnen sponsors uit die regio iets doen. Om dan, zoals de heer Blom doet, te zeggen van "gaat u maar naar VWS, want die dokt wel", vind ik toch wat te gemakkelijk. Ik vind dat zo'n organisatie er alles aan moet doen om de financiering zelf rond te krijgen. Mocht op een gegeven moment blijken dat vanwege invloeden buiten haar om, er een probleem is waardoor het evenement net niet lijkt te kunnen doorgaan, dan ben ik bereid daarover te praten. Maar wat de heer Blom nu voorstelt, vind ik echt de omgekeerde weg.

De heerBlom(PvdA)

Dan zouden wij er ook een garantieregeling van kunnen maken. Ik kan mijn amendement natuurlijk ook altijd nog wijzigen. Het beoogt nu een bedrag van 10% van de totale organisatiekosten door VWS te laten bijdragen. Dat betekent dat de organisatie de overige 90% echt zelf moet zien binnen te halen. Voor die 10% wil ik in ieder geval wel de garantie hebben. Ik wil het namelijk niet op mijn geweten hebben dat vanwege een dekkingstekort van 10% een dergelijk belangrijk internationaal evenement niet zal doorgaan. Overigens is het wel zo dat de afgelopen vijf jaar een veelvoud van het bedrag dat ik voorstel in mijn amendement, beschikbaar is gesteld aan dezelfde organisatie. Nu zitten wij, hangende de organisatie, nog met een klein probleem, en dat wil ik oplossen. Ik wil overigens best met de staatssecretaris meedenken om het amendement op een dusdanige manier te wijzigen dat in ieder geval de organisatie niet gaat denken dat zij niets meer hoeft te doen omdat de centen toch al binnen zijn.

StaatssecretarisBussemaker

Laat de organisatie dan eerst maar bij mij komen om concreet aan te geven waar het probleem zit. Dat heeft zij tot nu toe namelijk nog niet gedaan. Ik snap ook wel dat zij bij u komt, maar ik wil niet dat wij straks ten aanzien van evenementen hetzelfde krijgen als wat in een zaal hiernaast bij cultuur gebeurt. Met wat u nu doet, schept u in feite een precedent. Dan willen uw collega's namelijk wellicht ook nog wel wat doen voor regio's of sporten die zij belangrijk vinden. Voordat wij het in de gaten hebben, zijn wij hier bezig met allemaal eigen evenementen. En dan gaat het echt niet goed met het olympisch plan. Dat zal dan in duigen vallen vanwege allerlei incidentele afwegingen.

De heerBlom(PvdA)

Ik begrijp uw politieke reactie, maar deze is natuurlijk zwaar overtrokken. Zo nauw moeten wij het niet nemen. Het gaat erom dat er een internationaal uniek evenement is, dat op geen enkele manier zijn evenknie kent in de Nederlandse sportcultuur. Dat evenement wil ik behouden voor een luttel bedrag: 10% van de organisatiekosten. De afgelopen vijf jaar hebben wij een veelvoud van dat bedrag overgemaakt. Dan is er ook zoiets ontstaan als een rechtspositie van zo'n evenement ten opzichte van de overheid. Het enige wat ik wil, is dat waarborgen. Dan moet u niet met grote woorden aankomen dat een olympisch plan in duigen valt. Als voor 2,5 ton een olympisch plan in duigen valt, hebben wij geen plan.

StaatssecretarisBussemaker

Ik doe nog een poging. De heer Blom zegt dat het 10% van de begroting moet zijn. Ik vind dat echt onverantwoord. Zolang wij geen concrete gegevens hebben dat er een knelpunt is, is dit een open uitnodiging aan de organisatie om de begroting op te hogen, want die 10% krijgt zij toch wel. Nogmaals, ik ben bij de Fanny Blankers-Koen Games geweest, die zijn fantastisch en hebben een enorme uitstraling. Zij zijn heel belangrijk. Het is een enorm mooi sportevenement, ook voor de familie, buurt en regio. Er komen talloze sponsors op af. Ik zou eerst een deugdelijk financieringsplan willen zien. Als er gaten zijn, ben ik altijd bereid om daarnaar te kijken, maar ik doe geen garantie vooraf.

Naar aanleiding van het Olympisch Plan 2028 zijn ook vragen gesteld over evenementen. Door NOC*NSF wordt in nauw overleg met de rijksoverheid en de sociale partners gewerkt aan een plan van aanpak. De doelstelling is om er allereerst voor te zorgen dat het sportklimaat in Nederland wordt verbeterd en versterkt. Er wordt pas in 2016 besloten of een bid wordt uitgebracht, dus wij zijn nog lang niet zo ver. Dat kan alleen als wij in staat zijn om in 2016 een breed sportklimaat te creëren, vandaar het belang van breedtesport en excelleren op alle niveaus. Sport en bewegen moeten integraal onderdeel zijn van een eventueel olympisch plan. Ook in het geval dat het bid niet doorgaat of wanneer wij wel een bid uitbrengen, maar zonder succes, moet elke stap maatschappelijk gezien in zichzelf uitbetaald worden. Gelukkig zegt NOC*NSF dat ook steeds. Daarom moeten wij niet beginnen met nadenken over het grootste stadion dat je nodig hebt, maar met het creëren van een generatie die sportminded is, die van sport houdt en die op alle niveaus aan het sporten is. De generatie die nu geboren wordt of op de basisschool zit, is de generatie die het in 2028 moet waarmaken, dus daar moet je nu mee beginnen.

Van belang is dat het olympisch plan alleen kan slagen als een relatie wordt gelegd met andere beleidsterreinen. Sport en onderwijs zijn het belangrijkst voor het sportklimaat, maar het gaat ook om ruimte, economie, infrastructuur en gezondheid. Gelukkig wordt er heel goed aan meegewerkt. Ik ben echt blij met de inzet van collega's om daaraan te werken, bijvoorbeeld met de collega van VROM voor schetsen voor de ruimte. Verkeer en Waterstaat doet ook mee, evenals Economische Zaken.

Een delegatie van het kabinet, te weten de minister-president, ik zelf en een aantal andere bewindslieden, heeft deze zomer uitgebreid gesproken met NOC*NSF. Alle departementen zijn zeer bereid mee te denken over het vervolg van het olympisch plan. Onder leiding van de sg van VWS wordt al enige tijd een sg-beraad gevoerd, om de regie te voeren en afstemming te creëren tussen alle departementen. Dat zal ertoe leiden dat ik begin volgend jaar een plan zal bespreken in het kabinet over of en hoe wij de komende jaren verder gaan met het ontwikkelen van het olympisch plan. Wij zullen dan dus niet bespreken of wij een bid gaan uitbrengen. Wij doen dat pas in 2016. Wij bekijken dus of wij verder gaan met het ontwikkelen van het plan en wat dat dan betekent. Een van de onderdelen is de vraag of en hoe je een garantiefonds kunt opstellen voor grote sportevenementen. Je wilt immers de Olympische Spelen binnenhalen. Dan zul je ook de komende jaren een aantal belangrijke sportevenementen moeten organiseren. Dat kan VWS niet alleen. Wij hebben wel een budget voor sportevenementen, maar het idee van het organiseren van de Olympische Spelen gaat mijn beleidsruimte en beschikbare financiële middelen ver te boven. Dus wil je meer, dan zal dat echt een breder, door het kabinet gedragen besluit moeten zijn. Daarin kan zo'n garantiefonds een rol spelen. Ik vind het nu dus te vroeg om daarover te oordelen, maar ik zeg de Kamer toe dat dit vanzelfsprekend meegenomen wordt in het kabinetsstandpunt dat zij begin volgend jaar kan verwachten over de wijze waarop wij samen met NOC*NSF al dan niet verder gaan.

Er vindt overigens ook al een aantal belangrijke evenementen in Nederland plaats. Ik noem de Seniorgames, de start van de Vuelta, het WK judo, het WK veldrijden en het EK schaatsen in 2009. In 2010 zijn er het WK zwemmen voor gehandicapten, het WK turnen en het begin van de Tour de France. Of de Tour de France nu in Utrecht of Rotterdam begint, het wordt in elk geval Nederland. Zoals bekend, heeft Utrecht de voorkeur van de wielerbond en het ministerie. In 2011 komen het WK baanwielrennen en het WK tafeltennis. Kortom, er zijn best heel grote evenementen die de komende jaren naar Nederland worden gehaald.

Ik ben het met mevrouw Leijten eens dat deze evenementen een Nederlandse gebeurtenis moeten zijn. Dit geldt ook voor de voorbereiding van het olympisch plan. De burgemeesters van de G4 zijn samen met de werkgevers en de vakbonden betrokken bij het plan van aanpak olympisch plan. Voor zover ik weet, zijn de burgemeesters van de G4 zich ervan bewust dat het onze gezamenlijke ambities geen goed doet door nu de discussie te beginnen in welke stad dat moet zijn. Dat laat onverlet dat elke stad zelf middelen heeft om promotiemateriaal te ontwikkelen. Dat is een besluit dat de gemeente neemt en niet ik. Ik laat echter geen moment voorbijgaan om gemeenten erop te wijzen dat wij bij de organisatie van de Olympische Spelen echt iedereen nodig hebben. Heel Nederland is nog kleiner dan Peking alleen! Tijdens de Olympische Spelen in China waren de paardenwedstrijden in Hongkong. Die wedstrijden bij de Olympische Spelen in Nederland zouden dan in Spanje of Griekenland zijn. Het is helemaal niet de vraag in welke stad dat moet plaatsvinden, het is de vraag hoe je zoiets voor elkaar krijgt.

Een mooie stap in de ontwikkeling van het olympisch plan is natuurlijk ook het voorstel WK voetbal 2018. Dat is ook onderdeel van een stapsgewijze ontwikkeling en ook daar zit een economische impuls achter. Duitsland heeft het economisch inderdaad goed gedaan. Sommige landen doen mee met een bid op de Olympische Spelen omdat het hun economie helpt, ook al weten zij dat zij geen kans maken. Kortom, landen maken daarin verschillende afwegingen. In Peking heb ik overleg gehad met mijn Belgische collega's. België had toen nog geen medailles, dus het kon alleen nog maar uitkijken naar het WK voetbal als gezamenlijke ambitie met Nederland en de FIFA. Er wordt de komende tijd verder aan gewerkt om te kijken of wij het WK ook definitief willen gaan organiseren.

De heerZijlstra(VVD)

De staatssecretaris geeft terecht aan dat in het olympisch plan een en ander stapje voor stapje gaat. Elke stap moet zichzelf terugverdienen. Er moeten de komende tijd bepaalde besluiten worden genomen die impact hebben op bijvoorbeeld een WK voetbal. Ik noem maar wat: Feyenoord. Die voetbalclub is aan het kijken naar een nieuw stadion. Het is dan best handig om te weten of wij voor het WK gaan of niet. Dat moet de komende tijd wel degelijk tot uitdrukking komen. Hoe gaat de staatssecretaris dat meenemen?

De voorzitter:

Staatssecretaris, hoe neemt u een nieuw stadion voor Feyenoord mee?

StaatssecretarisBussemaker

Voorzitter. Kon ik dat maar meenemen!

Het besluit over een volgende stap naar het olympisch plan nemen wij begin volgend jaar. Over het WK Voetbal zijn wij druk in gesprek met de voetbalbond en met de Belgen. Volgens mij gaan wij dat besluit medio 2009 nemen. Het moet wel een verantwoord besluit zijn. Beide landen hebben vorig jaar € 500.000 uitgetrokken voor een haalbaarheidsstudie. Bij dit soort belangrijke besluiten moet je geen overhaaste beslissingen nemen. Feyenoord moet toch maar even wachten met dat stadion; het is niet anders.

De voorzitter:

Ik stel voor dat de staatssecretaris nu tot een afronding komt. Zij wil om 16.30 uur dit pand verlaten en sommigen van ons willen dat ook.

StaatssecretarisBussemaker

Laat ik wat Europa betreft vooropstellen dat het Nederlandse kabinet zich zorgen maakt over de invloed van Europees beleid op de sportwereld, meer in het bijzonder de voetbalwereld. De discussie wordt heel erg rond het voetbal gevoerd, maar ik zeg op voorhand dat het daar niet alleen om gaat. Het gaat om tal van andere sportbonden waar dezelfde problematiek speelt. De centrale vraag is: hoe kun je de specificiteit van de sport behouden? De heer Blom zei al dat sport geen markt is, maar onderdeel van het nationaal erfgoed en de nationale identiteit. Dat moet vooral zo blijven. Sport moet iets zijn waarin je je wilt herkennen. Het gaat met name om de jeugdopleidingen en de lokale binding met de sport. De reden waarom deze discussie op gang is gekomen is dat, als wij niets zouden doen, Europa zich wel zou gaan bemoeien met de sport. Tegen mevrouw Leijten zeg ik dat het eigenlijk geen vraag is of Europa zich wel of niet mag bemoeien met de sport; als wij niets doen gaat Europa zich bemoeien met de sport. Dat hebben wij gezien met het Bosman-arrest. Als wij er geen afspraken over maken, zal het Europese Hof van Justitie, weliswaar binnen de regels over mededinging en interne markt, gaandeweg uitspraken doen die wij misschien niet willen. Het is mijn zorg, uw zorg en de zorg van collega Timmermans om het belang van de autonomie van de sport voorop te zetten. Het doel is om de sport niet meegezogen te laten worden in interne marktregels, aandacht te houden voor de specificiteit van de sport en daarbinnen te bekijken hoe je jeugdopleidingen en lokale binding met de sport kunt blijven organiseren. Over dat doel kan geen misverstand bestaan.

Vervolgens is de vraag wat een goede manier is om dat te regelen. Moet je dat bijvoorbeeld met de 6+5-regel doen, met de homegrown player rule of zijn er nog andere alternatieven? Nederland en Frankrijk hebben vorig jaar ingezet op erkenning van het probleem van de jeugdopleidingen en het belang van erkennen van de specificiteit van de sport. Ik ben blij dat Frankrijk als voorzitter van de Europese Unie hierover aan het eind van het jaar besluiten wil nemen. Naar mijn idee is het ook zeer noodzakelijk, want als wij nog lang wachten nemen straks anderen die besluiten voor ons, bijvoorbeeld het Europese Hof van Justitie. De Franse collega's zijn daar met ons zeer van doordrongen. Ik heb in Peking overleg gehad met mijn Franse collega. Binnenkort is er een bijeenkomst van sportdirecteuren. Ik ga zelf eind november naar de sportministersraad, omdat ik dit thema daar absoluut wil agenderen. Ik heb vorige week overleg gehad met collega Timmermans over hoe wij beiden binnen onze eigen verantwoordelijkheden dit thema zo goed mogelijk op de agenda kunnen krijgen.

Een ingewikkeld onderdeel hiervan is dat de 6+5-regel volgens de Europese Commissie strijdig is met het uitgangspunt van vrij verkeer. De homegrown player rule is dat niet. De vraag is alleen of die regel voldoende is om je doel te bereiken en of je daar aanvullende eisen aan kunt stellen. Ik ben zeer bereid om nog naar aanvullende eisen te kijken. Ik geloof dat de vergelijking met Frankrijk niet helemaal op gaat. Dat heb ik even laten uitzoeken, maar dat wordt zo technisch dat ik dat hier maar even buiten beschouwing laat. Ik weet ook dat de Duitse collega's intussen bekijken of je binnen de 6+5-regel een uitweg kunt vinden om die niet strijdig te laten zijn met de regels van de Europese Commissie. Daar ben ik zeer benieuwd naar. Kortom, aan ons zal het niet liggen, maar er moet wel iets gebeuren. Het ingewikkelde is dat Nederland niet alleen een standpunt kan bepalen; wij moeten dat samen met anderen doen. Wat mij betreft, zal dat dus gaan over "6+5" als dat kan, met een aantal aanvullingen, of gaan wij bekijken of de homegrown player rule kan worden aangescherpt om tot een oplossing te komen. Overigens zijn wij daarover nog niet uitgepraat, want op 20 november aanstaande vindt daarover een overleg plaats ter voorbereiding van de Informele Raad. Ik hoop dat ik tegen die tijd meer informatie heb.

De voorzitter:

De heer Blom is daarover ook nog niet uitgepraat.

De heerBlom(PvdA)

Ik ben heel blij met de reactie van de staatssecretaris, want volgens mij is dat de maximale inzet die mogelijk is op het moment dat er een overleg plaatsvindt in Europees verband. De nuchterheid van de staatssecretaris en zeker het feit dat de Kamerleden de opvatting delen dat het oplossen van dit probleem opportuun is, doen mij buitengewoon veel genoegen. Ik dank de staatssecretaris nogmaals voor haar inzet.

StaatssecretarisBussemaker

Ik hoop dat mijn inzet dat oplevert wat de Kamer en ik willen. Dat kan ik op voorhand namelijk niet garanderen. Ik kan de Kamer wel beloven dat ik mij maximaal zal inzetten. Staatssecretaris Timmermans voor Europese Zaken en ik trekken wat dit betreft intensief samen op. Voor ons beiden is het een belangrijke prioriteit.

Ik kom op het SCORE-project in Zuid-Afrika. De heer Atsma heeft mij gevraagd om daaraan aandacht te besteden met het oog op het WK van 2010 in het kader van sport en ontwikkelingssamenwerking. Nu de discussies over Beijing geluwd ofwel afgerond zijn – ik doel dan niet op de discussies over de mensenrechten maar over die inzake sport – zal ik mijn aandacht verleggen naar Zuid-Afrika. Daar loopt al een intensief programma. De Nederlandse ambassade in Zuid-Afrika en NOC*NSF voeren overleg over de ondersteuning van diverse organisaties, waaronder SCORE. Dat gebeurt ook in nauw overleg met de Zuid-Afrikaanse overheid en de legacy-commissie van het organisatiecomité van het WK 2010. Voor zover ik dat nu kan overzien, lijkt het erop dat de activiteiten van SCORE en die van andere organisaties goed in het activiteitenschema van sport en ontwikkelingssamenwerking passen. Ik zal NOC*NSF melden dat ik graag met de organisatie SCORE blijf samenwerken, mede gezien de betrokkenheid van zo veel Nederlandse vrijwilligers van het CIOS en ALO's.

De heerAtsma(CDA)

Mede namens de heer Waalkens en mevrouw Van Miltenburg dank ik de staatssecretaris voor haar antwoord op dat punt. Die twee collega's hebben namelijk ook in Zuid-Afrika kennisgenomen van de projecten in de townships waarbij Hans Vonk en anderen direct betrokken waren.

De voorzitter:

Wij hebben nog ongeveer drie kwartier. De staatssecretaris heeft de vragen uitvoerig beantwoord en is ingegaan op de interrupties. De toezeggingen zijn uiteraard terug te vinden in het stenogram. Het heeft daarom geen zin om die te herhalen. Toch zal ik er enkele opsommen.

  • - Er zal een rapportage komen over de combibanen.

  • - Er zal overleg worden gevoerd met de VNG over de vrijwilligersverzekering en op korte termijn zullen daarvoor voorstellen worden gedaan.

  • - Met de VSG, de VNG en het ministerie van VROM zal onder andere worden gesproken over de problematiek van de binnensteden en de sportvoorzieningen in de wijken.

  • - Er komt een rapportage over de voortgang van de beleidsnota Sport en onderwijs.

  • - Voor het eind van het jaar zal worden aangegeven hoe het gehandicaptenvervoer voor teams kan worden gegarandeerd.

  • - De staatssecretaris zal het nodige ondernemen voor sporttalenten die op afstand moeten studeren in de vorm van de elektronische leerweg.

MevrouwLeijten(SP)

Voorzitter. Allereerst, ik ben erg blij dat er voor het einde van het jaar duidelijkheid komt over de reisvoorziening voor gehandicaptensport in teamverband. Dat zal onrust wegnemen. Ik hoop het snel te zien, maar ik neem aan dat het ook snel komt.

Ik ben ook erg blij met de samenwerking van OCW en VWS bij sport op school. In eerste termijn heb ik echter al gevraagd: wie kan ik erop aanspreken? Is dat deze staatssecretaris, staatssecretaris Dijksma of staatssecretaris Van Bijsterveldt? Het is mij een lief ding waard om dat te weten.

De combinatiefuncties lijken voor alles een oplossing te moeten bieden. Vorig jaar heb ik gezegd dat ze van mij het voordeel van de twijfel krijgen en dat geldt nog steeds. Het is echter wel grappig dat ze eigenlijk het antwoord zijn op alles. Als dat daadwerkelijk zo is, gaat het om de kip met de gouden eieren. Het is goed om te zien wat ervan komt en hoe het verder gaat in de gemeenten.

Ik heb de staatssecretaris gevraagd om een actieplan voor buurtsport voor ouderen. Daarover wil ik toch graag een motie indienen. Misschien vindt de staatssecretaris die overbodig, omdat zij de vraag deelt: hoe krijgen wij ze meer aan het bewegen? Ik wil op dit punt een steuntje in de rug geven, zodat er voor deze doelgroep iets komt in de buurt, dichtbij.

De voorzitter:

Gezien het aantal hier aanwezige Kamerleden, hebt u wellicht meegekregen dat het verstandig is om de motie ook door niet hier aanwezige collega's te laten ondertekenen, zodat er voldoende steun is voor het indienen.

MevrouwLeijten(SP)

Voorzitter, dat heb ik geregeld.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering, een Actieplan Buurtsport te ontwikkelen voor ouderen en chronisch zieken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Leijten en Langkamp. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 15 (31700-XVI).

MevrouwLeijten(SP)

De 6+5-regel van de FIFA staat symbool voor de discussie die wij hier voeren. Het geldt namelijk niet alleen voor het voetbal maar breder. Het is goed dat de staatssecretaris beziet hoe die bijzondere positie wordt beschermd. Ik hoop dat er voor het algemeen overleg een duidelijk overzicht is. Waar staat het kabinet hierin en hebben wij medestanders? Wellicht steunen de Fransen en Duitsers en komen er nieuwe initiatieven. In november bespreken wij dan hoe het verder moet.

Als er een plan is om de Olympische Spelen naar Nederland te halen, zouden wij graag zien dat daarin wordt opgenomen dat de basisinfrastructuur van de sport op dit moment niet meer afhankelijk is van de lotto- en totogelden. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat de basisinfrastructuur van de sport essentieel is voor maatschappelijke sportbeoefening en de ontwikkeling van talenten bij sporters;

constaterende dat sportbonden en verenigingen niet afhankelijk moeten zijn van de lotto(- en toto)gelden om de basisinfrastructuur te garanderen en veilig te stellen;

verzoekt de regering, het lottodeel van de basisinfra­structuur van de sport in het Olympisch Plan 2028 in de begroting op te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Leijten en Langkamp. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 16 (31700-XVI).

MevrouwLeijten(SP)

Wij zullen zien wat er met deze motie gebeurt bij de stemming. Als het plan er is, zouden wij graag een overzicht zien van de kosten van de organisatie, maar ook van de voorbereiding daarvan in de aanloop naar het bid in 2016 of mogelijk later.

De staatssecretaris zit met de G4 aan tafel en zegt: wij doen het als Nederland. Ik heb opgesomd wat Amsterdam uitgeeft aan promotie- en concurrentiegelden. Het gaat om bijna 4 mln. in twee jaar. Ook de provincie Flevoland is flink bezig. In Den Haag en Rotterdam gaat het om kleinere bedragen dan in Amsterdam, maar ook daar wordt geld uitgegeven. Ik doe een oproep aan de staatssecretaris om gemeenten en provincies iets stelliger op het hart te drukken om niet met elkaar de onderlinge concurrentie aan te gaan, en niet geld dat heel goed voor sport aangewend kan worden over de balk te smijten. Vandaar dat ik de volgende motie indien.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat meerdere gemeenten en provincies promotiegelden vrijmaken voor onderlinge concurrentie in het kader van de Olympische Spelen 2028;

van mening dat bij een eventuele beslissing, de Olympische Spelen te gaan organiseren er een eenduidig overheidsbudget moet worden ingezet;

verzoekt de regering, de gemeenten en provincies te verzoeken de activiteiten te staken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Leijten en Van Raak. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 17 (31700-XVI).

De heerAtsma(CDA)

Vindt mevrouw Leijten dat, los van de Olympische Spelen, onderlinge concurrentie tussen bijvoorbeeld Utrecht en Rotterdam in algemene zin wel mag?

MevrouwLeijten(SP)

Wij staan nu voor de vraag of wij de Olympische Spelen gaan organiseren. NOC*NSF ontwikkelt een plan. Wij constateren dat dit hele idee nu al een vliegwiel is voor gemeenten en ministeries om in dat kader al van alles te gaan doen. Aan de ene kant kun je zeggen: dat is goed. Aan de andere kun je ook zeggen: dat is een gevaar. Wij vinden het in dit geval gewoon zonde dat er nu al geld bij gemeenten en provincies weglekt naar dingen die mogelijk nergens toe leiden. Ik wil dat de staatssecretaris dit betrekt bij het plan dat zij nog gaat maken, en bij de besprekingen met het kabinet. Laat men niet te ver voor de troepen uitlopen, waardoor belastinggeld over de balk wordt gegooid.

De voorzitter: Blom

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Atsma.

De heerAtsma(CDA)

Voorzitter. De CDA-fractie dankt de staatssecretaris voor haar uitvoerige en gedegen beantwoording. Zij is inhoudelijk op tal van zaken diep ingegaan. De CDA-fractie heeft geen behoefte om op alle punten en komma's terug te komen. Overigens zijn er nogal wat onderwerpen besproken die later in een ander verband ongetwijfeld weer aan de orde komen.

In de eerste termijn heb ik gepleit voor het "afronden" van het netwerk van LOOT-scholen. De staatssecretaris heeft aangegeven dat zij het feit dat er nog geen LOOT-school in Zeeland is, bij haar collega's aan de orde wil stellen. Ik wil dat iets stelliger naar voren brengen, en daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat sporttalenten de gelegenheid moeten krijgen om sport en studie te combineren;

stelt vast dat er in Nederland inmiddels 27 zogenaamde LOOT-scholen zijn gerealiseerd;

stelt vast dat verzoeken om ook in de provincie Zeeland een LOOT-school op te zetten zijn afgewezen;

verzoekt de regering, initiatieven vanuit het onderwijs en de sport in Zeeland om te komen tot een LOOT-school te steunen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Atsma en Koppejan. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 18 (31700-XVI).

De heerAtsma(CDA)

Voorzitter. Mijn volgende motie heeft betrekking op een van de eerste punten die ik noemde. In het rapport van de Algemene Rekenkamer staat dat talenterkenning en talentontwikkeling nog wel een plusje zouden mogen krijgen. Wat ons betreft zou het niet alleen voor het Ministerie van Defensie aan de orde moeten zijn om met een eigen topsportselectie te komen, maar zouden alle ministeries die ambitie moeten verwoorden. Ook op dit punt geldt dat de staatssecretaris weliswaar voorzichtig positief heeft gereageerd in de zin dat zij de intentie hiervan begrijpt en ondersteunt, maar de CDA-fractie zou graag een tandje willen bijzetten. Daarom leg ik volgende motie aan de collega's voor.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het kabinet de ambitie ondersteunt om met de Nederlandse topsport(ers) wereldwijd een plaats in de "top tien" na te streven;

overwegende dat de positie van sporttalenten en topsporters extra aandacht verdient;

overwegende dat topsporters vaak een voorbeeldfunctie en ambassadeursrol vervullen;

stelt vast dat het Ministerie van Defensie een programma heeft ontwikkeld voor sporttalenten en topsporters, waardoor een sportcarrière met een maatschappelijke functie kan worden gecombineerd;

verzoekt de regering, voor alle ministeries de haalbaarheid van een dergelijk programma met topsportselecties te onderzoeken en uit te werken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Atsma en Jan de Vries. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 19 (31700-XVI).

De heerAtsma(CDA)

Ten slotte kom ik op de discussie die collega Blom over het wel of niet ondersteunen van de FBK-Games heeft aangekaart. De CDA-fractie kan hem heel goed begrijpen, maar heeft tegelijkertijd ook begrip voor wat de staatssecretaris naar voren brengt. Als je te snel ja zegt tegen een verzoek, dan schept dat een precedent. Nu weet ik ook wel dat, kijkend naar recente overnames, op dit moment in Rotterdam een door de overheid waarschijnlijk mede mogelijk gemaakt indoor tennistoernooi plaatsvindt. Daarvan is de ondersteuning nog nadrukkelijker aan de orde, maar ik weet niet of dat nu het beste voorbeeld is. Waar het om gaat is dat er natuurlijk een bredere afweging wordt gemaakt rondom de vraag welke evenementen je ondersteunt. Deze dienen te passen binnen de ambitie die Nederland heeft, die NOC*NSF heeft, die wij samen hebben, om te komen tot iets groots op lange termijn. Dat type evenementen moet je ondersteunen. Het zou heel goed kunnen zijn dat op enig moment de FBK-Games aan de criteria voldoen, maar dat moet je van geval tot geval bezien.

Daarom vinden wij ook dat het goed is dat het ministerie heel heldere criteria formuleert waar je aan zou moeten voldoen, want als het inderdaad het enige atletiekevene­ment van dit formaat in Nederland is en wij hebben geen wereld- of geen Europese kampioenschappen atletiek in huis, dan zou je je daar inderdaad iets bij voor kunnen stellen. Dat zou dan echter een nadere afweging moeten zijn van de staatssecretaris. Dat vinden wij een belangrijk element. Het andere belangrijke element is dat wij het budget dat er op dit moment nog is voor de ondersteuning van dit type evenementen – wereldkampioenschappen, Europese kampioenschappen, olympische kwalificatietoernooien en incidenteel andere grote evenementen – onvoldoende vinden. Het is te laag. Wij zouden middels de volgende motie de staatssecretaris willen oproepen om daaraan iets te doen. Ik hoop daarmee ook de vraag van collega Blom te kunnen ondervangen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Nederland zich kandidaat wil stellen voor de organisatie van Olympische Spelen en Paralympics;

overwegende dat behalve de georganiseerde sport en het Rijk ook andere overheden en het bedrijfsleven positief reageren op de plannen;

overwegende dat het organiseren van aansprekende internationale sportevenementen van groot belang is om binnen het IOC draagvlak te creëren voor de Nederlandse kandidatuur;

verzoekt de regering, met alle betrokkenen een stimule­ringsregeling voor het verwerven en organiseren van internationale sportevenementen uit te werken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Atsma en Jan de Vries. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 20 (31700-XVI).

De voorzitter: Atsma

De heerZijlstra(VVD)

Voorzitter. De beantwoording van de staatssecretaris is reden voor ons om drie moties die wij hadden voorbereid, niet in te dienen. Dat lijkt mij ook wel handig, voordat wij weer zo'n brij gaan produceren met zijn allen. Om positief te eindigen, begin ik met het kritiekpunt. Dat betreft de ANBI-regeling en dergelijke, zeg ik maar. Natuurlijk wordt dit aangekaart bij het Belastingplan. Laat dat helder zijn. Uiteindelijk is daar het besluitmoment. De VVD-fractie vindt echter dat de staatssecretaris, die in haar stuk en ook hier in de Kamer helder en naar onze mening zeer terecht aangeeft, hoe veel maatschappelijk belang het sportwezen vertegenwoordigt, te gemakkelijk zegt: het is nog niet opgenomen bij de ANBI-regeling en als u dat anders wilt, moet u bij de staatssecretaris van Financiën zijn. De staatssecretaris heeft een beleidsverantwoordelijkheid voor de sport. Zij heeft dat pleidooi zelf neergezet. Dan moet zij als bewindspersoon tegenover haar collega, en moet het kabinet in zijn geheel zich daarvoor hard maken. Ik vind het te gemakkelijk om te zeggen dat wij daarvoor bij het Belastingplan moeten zijn. Daarbij zullen wij dit aan de orde stellen, maar ik vind het wel de gemakkelijke weg gezien de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris.

Wij zijn blij met het stimuleringsfonds of waarborgfonds. Ik zag geen noodzaak meer om daarover een motie in te dienen, ten eerste vanwege de toezegging van de heer Balkenende en ten tweede omdat de staatssecretaris vandaag helder heeft aangegeven daar positief tegenover te staan, maar dat wel te willen zien in het licht van de Olympische Spelen 2028. Zij zou daarop aan het begin van het komende jaar terugkomen, zei zij. Dat wachten wij af. Wij zullen voor de CDA-motie stemmen, hoe overbodig die ook is.

Wij zijn blij met de opstelling van de staatssecretaris inzake de Fanny Blankers-Koen Games. Ik zou inderdaad graag willen voorkomen dat wij hier een soort cultuurmanifestatie krijgen, zoals de staatssecretaris zelf al aangaf, een hele batterij clubs die voorbijkomt om eenmalig weer hun subsidie veilig te stellen. Als het is als opmaat naar bijvoorbeeld een EK of een WK atletiek, dan vind ik dat andere criteria gelden. Het kan echter niet zo zijn dat wij structureel dit soort zaken subsidiëren omdat men de begroting niet rond krijgt. Ons stimule­ringsfonds, laat ik dat nog even helder zeggen, is wel een ander dan dat waarover de heer Blom het had. Hij zei: als er een tekort is, geven wij een waarborg en gaan wij het tekort bijplussen. Dat is volgens ons de verkeerde methode. Het stimuleringsfonds zoals de heer Balkenende en de staatssecretaris dat hebben toegezegd, en waarover volgens mij ook de heer Atsma spreekt, houdt in dat wij een pot geld hebben die wij als onderpand kunnen gebruiken om de bids binnen te halen. Dat is wat ons betreft het doel van dat fonds.

Wij wachten de reactie van de staatssecretaris met NOC*NSF op het Olympisch Plan 2028 af, en tegen de zomer haar reactie op WK voetbal 2018. Dat zijn majeure operaties, met zeer veel kansen. Wij zijn zeer nieuwsgierig naar de uitwerking daarvan. Voor de rest dank ik de staatssecretaris voor de zeer uitgebreide en zeer adequate beantwoording.

De heerBlom(PvdA)

Voorzitter. Ook ik dank de staatssecretaris voor haar uitvoerige en soms bevlogen beantwoording. Die doet mij bijzonder veel genoegen. Dit heeft ertoe geleid dat ook de PvdA-fractie op dit moment geen moties heeft. Wij vinden dat de beantwoording echt duidelijk is geweest. Voor ons is het vrij overbodig om moties in te dienen.

Tot slot zou ik tegen de coördinerend staatssecretaris van Sport hetzelfde willen zeggen als wat ik ook wel eens tegen de staatssecretaris van Europese Zaken zeg. Europa moet niet voornamelijk in het hoofd zitten van de staatssecretaris van Europese Zaken, maar in het hoofd van alle ministers. Volgens mij gaat voor Sport precies hetzelfde op.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

StaatssecretarisBussemaker

Voorzitter. Ik ga vooral in op de moties, maar maak nog een paar andere opmerkingen. Mevrouw Leijten vroeg zich af wie zij moest aanspreken, OCW of VWS. Ik zou zeggen: het kabinet, beide ministeries dus. Ik ben graag bereid om hier samen met mijn collega's te komen. De meerwaarde van het programma is namelijk dat wij niet doorverwijzen. Wij zijn aanspreekbaar op het hele programma. Daarom zal ik een motie ook meenemen, in plaats van de indiener ervan aan te raden deze motie bij de bespreking van de onderwijsbegroting in te dienen. Ik ga dit met mijn collega's bespreken, maar heb niet op alle onderdelen de informatie voorhanden. Wij spreken vanuit het kabinet en zijn daarop aanspreekbaar.

De heer Zijlstra heeft een opmerking gemaakt over de FBK-Games. Een opmaat naar een EK of een WK atletiek is echt wat anders dan een incidentele subsidie. Volgens mij hebben wij daar genoeg over gezegd.

Ik heb een onderscheid gemaakt, om de maatschappelijke betekenis van sport te benadrukken. Ik zal dit blijven doen. Bij de vraag over ANBI gaat het echter om de juridische betekenis van een vereniging met maatschappelijk nut. Dit kun je niet een-op-een op elkaar plaatsen. De staatssecretaris van Financiën heeft namelijk te maken met de juridische afbakening. De heer Zijlstra moet toch ook blij zijn met de stap die gezet is in het Belastingplan, die in de richting komt van de positie van de heer Zijlstra met betrekking tot schenkingen, legaten en dergelijke.

Ik voel mij verplicht, na alle complimenten van de heer Blom, om hard werk te maken van het Europees sportbeleid. Maar dit zou ik toch al doen. Wij spreken elkaar de komende tijd hierover nog nader.

Ik ontraad het aannemen van de motie-Leijten over een actieplan voor buurtsport. Ik vind deze motie echt overbodig. In het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen is hierin al voorzien. Ik ben het met mevrouw Leijten eens dat ouderen een belangrijke plek moeten krijgen in het sportbeleid. Ik ben ook bereid om dit nog een keer te bespreken met het NISB en de VNG. De doelstelling van het NISB is laagdrempelige methodieken te ontwikkelen voor de bewegingsstimulering in de wijk-, woon-, zorg- of schoolomgeving, toegespitst op specifieke groepen. Ouderen vormen een van de groepen en vormen een van de aandachtsgebieden in de communicatiestrategie. Voor het jaar 2008 vormen zij zelfs de hoofddoelgroep.

Van drie van de vijf settings van het NASB, sport, wijk en zorg, worden methodieken en gericht sportaanbod aangeboden, waarvan ouderen kunnen profiteren. Er wordt samengewerkt met gezondheidsinstellingen en zorgverzekeraars die zijn toegespitst op deze doelgroep. Twee van de vijftien proefprojecten voor de modernisering van de sportvereniging zijn expliciet gericht op ouderen. Ook wordt in het jaarprogramma van het NISB specifieke aandacht besteed aan bewegen voor ouderen. Ik ben graag bereid om hieraan verder vorm te geven en ervoor te zorgen dat de aandacht voor ouderen de komende tijd blijft bestaan, maar het lijkt mij dat het vooral een kwestie van veel papier wordt als wij hiervan een apart actieplan maken. Dit is echt goed geborgd in wat wij al hebben.

In de andere motie-Leijten wordt gevraagd om gemeenten en provincies te verzoeken de activiteiten te staken die bij gemeenten en provincies promotiegelden vrijmaken voor onderlinge concurrentie. Ik ontraad het aannemen van deze motie. Ik vind het wenselijk dat tussen steden en provincies afstemming komt, maar ik kan hun niets voorschrijven. Ik zal geen gelegenheid laten voorbijgaan om aan te geven dat ik het wenselijk acht dat wij dit als één partner doen, vanuit Nederland en dat wij elkaar niet gaan beconcurreren. Ik kan echter geen onderscheid maken. Promotiemateriaal voor een gemeente kan ook gericht zijn op bijvoorbeeld internationale organisaties en op plaatselijke sponsoren. Ik heb al gezegd dat ik wil dat wij samenwerken, ook bij het binnenhalen van grote evenementen, opdat steden elkaar niet beconcurreren. Sterker nog, ik zou het liefst willen dat steden nu al een profiel kiezen en daarop inzetten, zodat zij elkaar versterken in plaats van elkaar te beconcurreren. Dan is er ook niks mis mee dat men vanuit de eigen stad daarvoor promotiegelden vrijmaakt, bijvoorbeeld om een EK, een WK of wat al niet meer binnen te halen.

MevrouwLeijten(SP)

Ik blijf het heel erg raar vinden dat als wij nog geen besluit hebben genomen over de Olympische Spelen, als het plan er nog niet ligt en als u het nog niet hebt besproken, er ondertussen best wel veel geld wordt uitgegeven. Afgelopen zomer is er behoorlijk veel ophef en irritatie ontstaan over die vele ambtenaren, wethouders en gedeputeerden die lekker op kosten van de belastingbetaler naar Peking vlogen om daar te netwerken, alsof dat niet in Nederland kan worden gedaan.

Dat kan wel degelijk het draagvlak voor Olympische Spelen in Nederland ondermijnen en daarom heb ik mijn motie ingediend. Ik snap ook wel de symbolische waarde ervan, maar misschien moet ik mij dan tot mijn collega's richten. Natuurlijk kunnen steden iets doen ter promotie van hun stad en sportactiviteiten, zoals de Amsterdam Marathon of de Rotterdam Marathon; dat is allemaal prima. Het gaat nu echter specifiek over de Olympische Spelen en ik vind het echt zorgelijk dat die activiteiten plaatsvinden; blijkbaar bakenen steden en provincies nu al terrein af, terwijl wij nog niet eens het besluit hebben genomen. Hierdoor kunnen mensen uiteindelijk geïrriteerd raken, wat ik mij heel goed kan voorstellen. Er worden allerlei zaken aan de Olympische Spelen opgehangen die er niet bij horen.

StaatssecretarisBussemaker

Ik ken geen promotiemiddelen die uitsluitend gericht zijn op het binnenhalen van de Olympische Spelen in een stad in Nederland in 2028. Ik ken veel promotiemateriaal van steden die zich profileren als sportstad; daar is niks mis mee. Ik heb ook niets tegen promotiemateriaal gericht op het binnenhalen van specifieke evenementen; graag zelfs, zeker als men het afstemt met andere steden. Ik had geen zeggenschap over delegaties naar Peking. Ik kan alleen zeggen dat de delegatie die vanuit het Rijk naar Peking is gegaan, beperkt was en dat andere delegaties – u kunt daarvan vinden wat u wilt, maar dan moet u dat op gemeentelijk of provinciaal niveau aan de orde stellen – niet gericht waren op het elkaar beconcurreren bij het binnenhalen van de Spelen in 2028. Ik vermoed dat het vooral ging om kennis op te doen over hoe het nu precies gaat met grote sportevenementen, wat daarvan de consequenties zijn voor een stad; dat hoeft niet alleen bij de Olympische Spelen te gebeuren, maar kan ook ter gelegenheid van een ander groot evenement zijn. Ik ontraad dus aanvaarding van deze motie.

Ik ontraad tevens aanvaarding van de motie-Leijten/Langkamp op stuk nr. 16. Ik heb al aangegeven dat wij in de toekomst nog niet van de kansspelen af zijn; die verantwoordelijkheid ligt bij het ministerie van Justitie. Ik zie in mijn begroting ook niet zomaar middelen om van de ene op de andere dag de basisinfrastructuur voor de sport te financieren. Ik denk dat het ook niet nodig is als de financiën op verantwoorde wijze elders, zoals gangbaar, geregeld kunnen worden.

De heerZijlstra(VVD)

Ik begrijp van u dat in de motie feitelijk een ongedekte cheque wordt gevraagd, omdat je de infrastructuur die nu uit de lottogelden wordt betaald, uit de rijksbegroting zou moeten betalen. Via u wil ik dan graag dat de SP-fractie aangeeft hoe de dekking eruit zou moeten zien. Het is een interessante gedachte, maar de dekking is dan ook wel erg belangrijk.

MevrouwLeijten(SP)

Voorzitter. Dit is een vraag aan mij via de staatssecretaris. De staatssecretaris gaat het volgend jaar, in 2009, het olympisch plan bespreken in het kabinet. Er zijn allerlei ministeries voor ik weet niet hoeveel miljarden bezig met wegen, accommodaties, stadions en noem maar op.

Ik vraag om niet eens zo'n groot bedrag. Mijn advies is dit mee te nemen. Als de staatssecretaris zegt "wij willen een goed sportklimaat en wij willen op alle terreinen en op alle niveaus excelleren", dan moet de overheid toch wel minimaal deze onzekere financiering van de basisinfrastructuur voor haar rekening nemen?

De voorzitter:

Kunt u de concrete vraag van de heer Zijlstra beantwoorden?

MevrouwLeijten(SP)

Het gaat niet over 2009.

De voorzitter:

Dat is helder. De staatssecretaris vervolgt haar betoog.

StaatssecretarisBussemaker

Ik heb al gezegd dat de basisinfrastructuur van eminent belang is voor het creëren van een sportklimaat in 2016. Zonder die basisstructuur komen wij nooit toe aan het bouwen van grote stadions. Wij moeten daar beginnen. De vraag is alleen hoe wij dat doen, uitgaande van de middelen die wij nu hebben. Ik heb gezegd dat het ministerie van Justitie plannen heeft liggen voor kansspelen. Het lijkt mij wenselijk dat wij daarnaar kijken met de kanttekeningen die ik heb gemaakt: het moet gaan om voldoende middelen en een vast percentage en het mag in ieder geval niet leiden tot een verslechtering van wat wij al hebben. Wij moeten het met elkaar hebben over hoe wij die middelen bij elkaar krijgen.

De heer Atsma verzoekt de regering in zijn motie op stuk nr. 18 om initiatieven vanuit het onderwijs en de sport in Zeeland om te komen tot een LOOT-school, te steunen. Ik ontraad het aannemen van deze motie. Ik ben wel bereid om een en ander met mijn collega's van OCW te bespreken, maar dan wil ik eerst de feiten onderzoeken: om hoeveel mensen gaat het, is er kans op een volwaar­dig bestaan en hoe verhoudt het zich tot de andere LOOT-scholen? Daarna zal ik de Kamer informeren over de feiten. Het is nu echter te vroeg om zonder die kennis een besluit te nemen.

In zijn motie op stuk nr. 19 verzoekt de heer Atsma de regering om voor alle ministeries de haalbaarheid van een dergelijk programma met topsportselecties te onderzoeken en uit te werken, analoog aan een programma van het ministerie van Defensie. Ik heb al gezegd dat ik hierover in overleg ben met BZK, dat BZK al goed werk doet als het gaat om de politie en dat OCW belangstelling heeft. Ik hoop dat BZK te motiveren valt om het voor andere departementen te regelen. Ik beschouw deze motie als steun voor het beleid.

MevrouwLeijten(SP)

Ik wil even iets opmerken, want dit irriteert mij. U zegt dat dit steun is voor het beleid. U geeft daarom geen advies. Bij mijn eerste motie zei u dat ook, maar toen zei u dat u het aannemen ervan ontraad. Dat is jammer.

StaatssecretarisBussemaker

Dat is omdat u daarin vraagt om een actieplan.

MevrouwLeijten(SP)

In de motie van de heer Atsma wordt om een programma gevraagd. Ik vind het best om het woord "actieplan" te veranderen in het woord "programma".

StaatssecretarisBussemaker

Het verschil is dat u mij vraagt om een Actieplan Buurtsport te ontwikkelen. Dat is er echter al. Dat is het NASB. Ik heb toegezegd dat ik bereid ben om in het kader van het NASB met het NISB, de VNG en andere deelnemende partijen aandacht voor ouderen te blijven vragen, ook nadat ik u had verteld wat er al voor 2008 in dat plan staat. Ik wil alleen geen nieuw plan, een plan op een plan, schrijven. De heer Atsma vraagt mij om een stimuleringsregeling en ik ben op dit moment bezig met de ontwikkeling van zo'n regeling. Dat wordt dus geen nieuw stuk. Ik heb het aannemen van de motie van de heer Atsma over de LOOT-school overigens ontraden.

Ik ontraad zijn motie op stuk nr. 20 ook. Daarin verzoekt hij de regering, te komen tot een stimuleringsregeling voor het verwerven en organiseren van internationale sportevenementen. Ik vind die motie voorbarig. Het thema speelt een rol bij het olympisch plan. Als ik het vervolg met al mijn collega's rijksbreed in het kabinet heb besproken, krijgt de Kamer daarover een brief. Ik heb al aangegeven dat wij daarin zullen terugkomen met een standpunt over een stimuleringsregeling. Het is te vroeg om nu al te zeggen dat wij dat moeten verwerven en organiseren.

De voorzitter:

Ik stel vast dat de staatssecretaris alle vragen heeft beantwoord en op alle moties is ingegaan.

Wij zullen op een nader te bepalen moment over de ingediende moties stemmen. Over de begroting zal medio december worden gestemd.

Sluiting 16.18 uur.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Kant (SP), Snijder-Hazelhoff (VVD), Ferrier (CDA), ondervoorzitter, Joldersma (CDA), Jan de Vries (CDA), Smeets (PvdA), voorzitter, Van Miltenburg (VVD), Schippers (VVD), Smilde (CDA), Koşer Kaya (D66), Willemse-van der Ploeg (CDA), Van der Veen (PvdA), Schermers (CDA), Van Gerven (SP), Wolbert (PvdA), Heerts (PvdA), Zijlstra (VVD), Ouwehand (PvdD), Agema (PVV), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie) en Sap (GroenLinks).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Van Velzen (SP), Neppérus (VVD), Atsma (CDA), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Ormel (CDA), Van Dijken (PvdA), Verdonk (Verdonk), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Vietsch (CDA), Van der Ham (D66), Uitslag (CDA), Gill'ard (PvdA), Omtzigt (CDA), Langkamp (SP), Vermeij (PvdA), Arib (PvdA), Kamp (VVD), Thieme (PvdD), Bosma (PVV), Luijben (SP), Tichelaar (PvdA), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Halsema (GroenLinks) en De Wit (SP).