nr. 139
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 april 2009
Met deze brief wil ik u informeren over de evaluatie van het Dierentuinenbesluit
en de beleidsmaatregelen naar aanleiding van dit onderzoek. De evaluatie is
bijgevoegd.1
De aanleiding voor de evaluatie van het Dierentuinenbesluit dat op 26 juli
2002 van kracht is geworden, is tweeledig. Ten eerste is het gebruikelijk
om regelgeving periodiek te evalueren. Ten tweede strekt de evaluatie tot
uitvoering van de motie van het lid Ouwehand (Kamerstukken vergaderjaar 2006–2007,
30 800 XIV, nr. 121). Deze motie verzoekt de regering om het Dierentuinenbesluit
te evalueren, met daarbij aandacht voor de functie, de huisvestingseisen en
het fok- en transactiebeleid van dierentuinen.
Het Dierentuinenbesluit dient ter implementatie van de EU-Dierentuinenrichtlijn.
Tevens is de Vrijstellingsregeling dierenwelzijn van kracht die voorkomt dat
niet alle kinderboerderijen en instellingen, zoals restaurants met enkele
beschermde diersoorten, vergunningplichtig zijn. Ook de opvangcentra die dieren
voor een beperkte duur opvangen, worden door de Vrijstellingsregeling dierenwelzijn
uitgesloten van vergunningplicht.
De evaluatie
Het evaluatieonderzoek is uitgevoerd door het bureau Research voor Beleid
(RvB).
Een klankbordgroep met vertegenwoordigers van de diverse organisaties
heeft inspraak gehad bij de opzet van het onderzoek en de aanbevelingen en
conclusies van het onderzoek. In de klankbordgroep zaten vertegenwoordigers
van de Nederlandse Vereniging van Dierentuinen (grote dierentuinen), de Vereniging
Dier en Park (kleinere dierentuinen), de Vereniging voor Opvang van Niet Gedomesticeerde
Dieren en de Dierenbescherming.
RvB heeft onderzoek gedaan naar:
1. het functioneren van de uitvoering van het besluit;
2. de bruikbaarheid van de voorschriften in het besluit ten aanzien van
welzijn, educatieve programma’s en het fok- en transactiebeleid om de
doelstellingen van het besluit te halen;
3. de administratieve lasten voor de dierentuinen en voor de overheid.
De resultaten geven een globaal beeld hiervan.
Onderzoeksconclusie
De algemene conclusie die ik uit dit evaluatierapport trek, is dat het
besluit zijn werk doet. Het bureau constateert dat het welzijnsniveau in dierentuinen
redelijk tot goed is en dat het kwaliteitsniveau van vooral de kleinere dierentuinen
is verbeterd sinds het van kracht worden van het Dierentuinenbesluit. Ik zie
in het evaluatierapport bevestigd dat de keuze voor doelvoorschriften in het
Dierentuinenbesluit een goede keuze is geweest, omdat deze open normen de
dierentuinen volgens de onderzoekers uitdagen tot het creëren van een
optimale situatie. Het zijn in de eerste plaats de dierentuinen zelf die dit
niveau van dierenwelzijn hebben gerealiseerd. De bevindingen van de Visitatiecommissie
zijn voor een aantal dierentuinen een grote steun daarbij geweest. De administratieve
lasten zijn redelijk in lijn met de inschatting vooraf. RvB komt tot de conclusie
dat er behoefte is aan een aantal verbeteringen en doet daar een aantal aanbevelingen
voor die zijn beschreven op bladzijde 17 en 18.
Beleidsmaatregelen
De gedane aanbevelingen in het rapport volg ik grotendeels op en daartoe
zet ik de volgende acties in gang.
De onderzoekers geven aan dat de Visitatiecommissie zichtbaarder zou moeten
maken hoe aan de tamelijk open bepalingen van het Dierentuinenbesluit uitvoering
wordt gegeven; de transparantie over de uitvoering van de open normen kan
bijdragen aan een groter draagvlak voor de beslissingen van de Visitatiecommissie.
Daarnaast kan transparantie over de uitvoering van de doelvoorschriften een
belangrijke impuls zijn om het welzijnsniveau nog verder te verhogen. Op basis
van de huidige rapportages van de Visitatiecommissie zouden onder andere voorbeelden
van een goede uitvoering van de doelvoorschriften kenbaar kunnen worden gemaakt,
bijvoorbeeld door middel van publicatie op een website. Een gedetailleerde
invulling van de open normen, zoals in het rapport suggereert, gaat mij echter
te ver omdat dit in de praktijk zal leiden tot het vervangen van de open normen
door minimumvoorschriften, hetgeen de innovatie zou kunnen belemmeren.
Bepaalde opvangcentra vallen onder het dierentuinenbesluit gezien hun
activiteiten (openstelling, meer dan tien diersoorten in de collectie, permanente
aanwezigheid van dieren). Opvangcentra hebben echter een ander doel dan dierentuinen,
waardoor de bepalingen van het Dierentuinenbesluit niet altijd goed aansluiten
bij de functie die deze centra hebben. Met de opvangcentra zal ik bekijken
welke regels als knellend worden ervaren en welke mogelijkheden er zijn op
dit op te lossen. Het welzijn van dieren dient voorop te blijven staan.
Bij de aanpassing van de huidige uitvoeringsregelgeving aan de Wet Dieren
zal de werking van het Dierentuinenbesluit op enkele punten worden verbeterd.
De aanbeveling om de vrijstelling voor inrichtingen die nu vallen onder de
Vrijstellingsregeling dierenwelzijn te integreren in het Dierentuinenbesluit,
zal in dit licht worden bezien.
Daarnaast zal het beleidsprotocol van dierentuinen worden uitgebreid met
het doel van het fokprogramma en het doel van het educatieve programma. Tot
slot zal de bepaling betreffende kleine veranderingen binnen een dierentuin
in overeenstemming worden gebracht met de praktijk en vergunningvoorwaarde.
Over de controle kan ik het volgende mededelen. Nu de dierentuinen na
het verlenen van de vergunning zijn gecontroleerd op de specifieke vergunningvoorwaarden,
zijn Dienst Regelingen en de AID begonnen met controles in het kader van het
regulier toezicht. De AID controleert aan de hand van concrete opdrachten.
Op korte termijn zullen ook de inrichtingen die wel vergunning hebben aangevraagd,
maar geen vergunning hebben gekregen, worden gecontroleerd door de AID om
te bezien of zich hier welzijnsproblemen voordoen. Daarnaast zal ik de AID
opdracht geven om de ogen en oren goed open te houden om vergunningplichtige
inrichtingen zonder vergunning te detecteren.
Het Dierentuinenbesluit geeft dierentuinen bij de invulling van de educatie-
en informatieverplichtingen veel vrijheid. Het onderzoek laat zien dat de
bewustwording op deze gebieden is toegenomen bij de dierentuinen. Door het
opnemen van het doel van het educatieve programma in het beleidsprotocol van
dierentuinen zal die bewustwording verder toenemen.
Samenvattend stel ik vast dat de Nederlandse dierentuinen overwegend voldoen
aan de doelen van het Dierentuinenbesluit. Het welzijnsniveau van de dieren
is redelijk tot goed. Op basis van de aanbevelingen zal ik nog enkele verbeteringen
doorvoeren.
De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
G. Verburg