nr. 16
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VERKEER EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 28 november 2008
Hierbij bied ik u mede namens de minister van Verkeer en Waterstaat het
onderzoeksrapport «Omvang BDU: beschikbare middelen
en ambities» aan.1 Hiermee ga ik
tevens in op het verzoek van de voorzitter van de vaste kamercommissie van
Verkeer en Waterstaat van 20 november jongstleden (kenmerk 31 700-XII)
om toezending van het rapport.
Het onderhavige onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie
van Verkeer en Waterstaat en vloeit voort uit de behandeling van de Nota Mobiliteit
en een gezamenlijke afspraak van Rijk, IPO, SKVV, VNG en de UVW in het Nationaal
Mobiliteitsberaad (NMB) van maart 2007.
In deze brief licht ik de achtergrond en de uitkomsten van het onderzoek
nader toe. Ook geef ik aan hoe Rijk, IPO, SKVV, VNG en UVW hiermee willen
omgaan.
Achtergrond onderzoek
In 2005 is een belangrijke stap gezet in de decentralisatie van het verkeer-
en vervoerbeleid met de inwerkingtreding van de Wet Brede Doel Uitkering (BDU)
verkeer en vervoer. Deze wet regelt de bijdrage van het rijk aan de financiering
van het decentrale verkeer- en vervoerbeleid en zorgt ervoor dat beslissen
en betalen in één hand worden gelegd. Daarmee beoogt de wet
een integrale afweging te bevorderen op die bestuurlijke niveaus waar de problemen
zich voordoen.
De decentrale overheden hebben de ruimte om zelf, binnen de grenzen van
het rijksbeleid, de beschikbare middelen in de BDU, het Provinciefonds, het
Gemeentefonds en de eigen middelen, keuzes te maken en prioriteiten te stellen.
Hierdoor kunnen zij bij de vertaling van de Nota Mobiliteit (NoMo) in de provinciale
en regionale verkeer en vervoerplannen optimaal inspelen op ontwikkelingen
in hun gebied en die maatregelen en projecten kiezen waarmee zo efficiënt
en effectief mogelijk de NoMo-doelstellingen kunnen worden gerealiseerd. Naast
de BDU zijn in het Provinciefonds middelen beschikbaar voor aanleg, beheer
en onderhoud van provinciale wegen en in het Gemeentefonds voor
beheer en onderhoud van lokale wegen. De decentrale overheden zetten ook eigen
middelen in voor de uitvoering van het decentrale verkeer- en vervoerbeleid
inclusief het openbaar vervoer.
Bij de totstandkoming van de BDU en de behandeling van de NoMo hebben
Rijk en decentrale overheden afgesproken dat gezamenlijk zou worden onderzocht
welke middelen nodig zijn voor het bereiken van de verkeer- en vervoerdoelstellingen
uit de NoMo. Het onderhavige onderzoek geeft een beeld hiervan.
Uitkomsten onderzoek en vervolg
De onderzoekers stellen dat er bij decentrale overheden een spanning bestaat
tussen de ambities en beschikbare middelen op het terrein van verkeer en vervoer.
In het onderzoek wordt dit als volgt geformuleerd: «Om de NoMo-doelstellingen te kunnen realiseren [dienen] de beschikbare
middelen in de periode 2009–2011 [...] te worden verhoogd
met € 550 miljoen per jaar. [...] Op de middellange (2012–2015)
en lange termijn (2016–2020) bedraagt het jaarlijkse bedrag dat extra
nodig is [...] respectievelijk € 650 miljoen [...]
en € 150 mln [...] per jaar.» De onderzoekers
tekenen daarbij aan dat de genoemde bedragen indicatief zijn en dat de maatregelen
die op lange termijn (moeten) worden uitgevoerd thans minder eenduidig zijn: «Veel maatregelen bevinden zich nog in de (pre-) verkenningsfase
zodat nog geen definitieve keuzes zijn gemaakt».
Tegenover deze bevindingen staat dat het Rijk in deze kabinetsperiode
in de MobiliteitsAanpak extra middelen uittrekt voor mobiliteitsprojecten.
De MobiliteitsAanpak geeft invulling aan een investeringspakket van ruim € 7
miljard, waarvan circa € 4 miljard aanvullend op de NoMo. Hierbij
gaat het om maatregelen gericht op wegen (€ 1,6 miljard) en openbaar
vervoer (€ 5,3 miljard) en om generieke maatregelen op het gebied
van fiets, mobiliteitsmanagement en reisinformatie (€ 200 miljoen).
Deze maatregelen komen deels ten gunste aan de regio’s (soms in cofinanciering).
De investeringen zijn aanvullend op de € 1,8 miljard uit het coalitieakkoord
voor mobiliteitsprojecten (Quick Wins wegen, aanpak van knooppunten en ZZL-gelden).
Rijk en decentrale overheden zullen in 2009 in MIRT- en andere bestuurlijke
overleggen afspraken maken over de inzet van de extra middelen. Dat gebeurt
gebiedsgericht waarbij ruimte is voor maatwerk en steeds zal worden gekeken
welke maatregelen en investeringen het beste bijdragen aan de realisatie van
de NoMo-doelstellingen.
Het NMB concludeert dat de uitkomsten van het onderzoek voor de korte
termijn geen reden zijn om de ambities en doelstellingen naar beneden bij
te stellen. Wel zullen de betrokken overheden explicietere keuzes en scherpere
afwegingen moeten maken.
Voor na deze kabinetsperiode is in het NMB van 6 november 2008 afgesproken
dat Rijk en decentrale overheden in overleg zullen bezien hoe de spanning
tussen strategische ambities en beschikbare middelen het beste kan worden
beheerst of verminderd. Het NMB onderkent dat dit in samenhang met een aantal
andere ontwikkelingen moet gebeuren. Daarbij gaat het om bredere discussies
over de relatie tussen Rijk en regio’s en de relatie tussen regio’s
onderling (evaluatie WGR+ regeling, evaluatie Wet BDU, advies commissie Lodders)
en over andere opgaven in het fysieke domein (denk aan de verstedelijkingsopgaven)
die om een gemeenschappelijke inzet vragen. Er is ook een relatie met gesprekken
die in een ander verband worden gevoerd over de bij de decentrale overheden
voor hun beleid beschikbare budgetten.
Rijk, IPO, SKVV, VNG en UVW hebben afgesproken om in het NMB van maart
2009 een plan van aanpak vast te stellen met de stappen die zullen worden
gezet om tot besluitvorming te komen door een volgend kabinet. Dit plan van
aanpak zal gedurende het proces steeds in samenhang worden bezien met de zojuist
genoemde ontwikkelingen.
Om een balans te vinden tussen de strategische ambities en beschikbare
middelen op het terrein van verkeer en vervoer slaan Rijk en decentrale overheden
de handen ineen. De inzet is daarbij onverminderd gericht op de realisatie
van de NoMo doelstellingen. Het NMB heeft er vertrouwen in dat dit mogelijk
is door in een gebiedsgerichte aanpak nog scherpere keuzes te maken bij de
inzet van maatregelen en middelen en tegelijkertijd aanvullend te investeren
in mobiliteitsprojecten (MobiliteitsAanpak).
De staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
J. C. Huizinga-Heringa