Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-200931700-XI nr. 87

31 700 XI
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI) en van de begrotingsstaat van het Waddenfonds voor het jaar 2009

nr. 87
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 juni 2009

Naar aanleiding van het algemeen overleg dat op 3 juni jl. heeft plaatsgevonden met de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer stuur ik u deze brief. Door middel van deze brief wil ik u informeren over vier punten. Ten eerste over het verschil tussen programma’s en projecten. Ten tweede over de criteria waaraan ingediende projectvoorstellen zullen worden getoetst in de SMOM. Ten derde over de middelen die vrij zullen vallen door het afschaffen van programmasubsidies. Tot slot informeer ik u over de mogelijkheden voor het uitvoeren van onderzoek door universiteiten en overige kennisinstituten ten behoeve van maatschappelijke organisaties.

Verschil tussen programma’s en projecten

Voor het afschaffen van programmasubsidies was het onderscheid tussen programma’s en projecten als volgt te omschrijven:

Een project bestaat uit een samenstel van activiteiten die gericht zijn op het behalen van een vooraf bepaald doel. Een project is eenmalig van karakter en meestal kortdurend, in de SMOM bij voorkeur een jaar en maximaal drie jaar. Een SMOM-programma is doorgaans strategisch van karakter, in de zin dat de korte en lange termijn doelen ervan duidelijk zijn, heeft een meerjarige doelstelling en de uitwerking ervan is in het programmavoorstel enigszins globaal. Een programma loopt in de regel drie jaar (dat is bij SMOM ook de maximale looptijd) en beschrijft op hoofdlijnen waar de organisatie zich binnen het programma op gaat richten. Hierdoor kennen SMOM-programma’s veelal een dynamische en flexibele invulling. Jaarlijks wordt een programma aan de hand van voortschrijdend inzicht geconcretiseerd door de organisatie in een (door SenterNovem te beoordelen) werkprogramma.1

Criteria die worden gehanteerd bij de beoordeling van projectaanvragen in de SMOM

De SMOM is een tenderregeling: ieder jaar besluit de minister van VROM of er dat jaar een tender wordt uitgeschreven en hoe hoog het beschikbare budget is. Alle aanvragen moeten voor 1 september binnen zijn. Er is een aantal «harde» criteria waaraan moet worden voldaan om überhaupt in aanmerking te kunnen komen voor subsidie:

• de aanvrager dient een rechtspersoon te zijn zonder winstoogmerk, geen overheidsorganisatie, met een doelstelling die zich richt op maatschappelijke behoefte en vraagstukken;

• het moet gaan om een project: projecten hebben een eenmalig karakter en duren 1 tot 2 jaar (maximaal 3), zijn concreet uitgewerkt en hebben een specifieke focus;

• het project moet zich richten op milieu en duurzame ontwikkeling;

• projecten dienen een nationaal of internationaal belang te hebben.

Vervolgens worden alle projectvoorstellen die aan de harde criteria voldoen, beoordeeld aan de hand van een aantal nadere beoordelingscriteria. Hoe beter een voorstel «scoort» op de totale set van deze criteria, hoe hoger het voorstel gerangschikt wordt ten opzichte van andere subsidieaanvragen. Een projectvoorstel hoeftdus niet op alle beoordelingscriteria goed te scoren. Het betreft de criteria:

a. de mate van innovatie;

b. de oplossingsgerichtheid;

c. de betrokkenheid van burgers, lokale organisaties en andere maatschappelijke actoren;

d. de doelmatigheid;

e. de mate van voorbeeldwerking;

f. de efficiëntie;

g. de slaagkans van het project.

Vooral de criteria onder a, b en c wegen daarbij zwaar. Wat ik precies versta onder de beoordelingscriteria wordt nader omschreven in de toelichting bij de regeling.

Het beschikbare budget bepaalt welke voorstellen subsidie krijgen en dus «boven de streep» eindigen. In voorgaande jaren kreeg ca. 2/3 van de aanvragen geen subsidie toegekend. Ik vind het wenselijk dat er voldoende diversiteit is onder de toegekende projecten. Op grond van een evenwichtige spreiding over verschillende subsidieaanvragers, thema’s en doelgroepen kan ik besluiten om een aantal projecten dat «boven de streep» is geëindigd geen of slechts gedeeltelijk te subsidiëren. Dit geeft dan ruimte om aan andere projecten die anders geen subsidie zouden ontvangen, wel subsidie te verlenen, zodat er voldoende diversiteit wordt bereikt. Het streven naar diversiteit staat expliciet in de toelichting van de regeling. De achtereenvolgende bewindslieden hebben daar actief invulling aan gegeven. Dit was sedert de instelling van de SMOM de gang van zaken en dat blijft zo.

Vrijgevallen middelen door afschaffen programmasubsidies

De middelen die vrijvallen door het afschaffen van programmasubsidies blijven beschikbaar voor maatschappelijke organisaties. Een deel hiervan blijft in het SMOM kader beschikbaar. Door het wegvallen van de programmasubsidies is er vanaf 2010 3 miljoen euro beschikbaar om buiten de SMOM-tender om in te kunnen gaan op wat er aan actuele ontwikkelingen plaatsvindt en initiatieven die maatschappelijke organisaties op dit punt willen ontplooien. Het kan daarbij gaan om verschillende typen projecten. Ik denk als eerste aan projecten die direct ingaan op wat opeens in de publieke belangstelling staat, zoals de energieverslindende terrasverwarmers of aan projecten die direct gekoppeld zijn aan een momentum dat niet van tevoren was voorzien en in de tender mee had kunnen doen, zoals de komst van Al Gore naar Nederland. Daarnaast denk ik bijvoorbeeld aan projecten die gericht zijn op de inbreng van milieu(duurzaamheids)belangen bij relevante maatschappelijke issues op het terrein van ruimtelijke ordening en milieu, indien daar niet op een andere wijze in kan worden voorzien en die kortstondig van aard zijn.

De aanvragen worden beoordeeld aan de hand van dezelfde criteria als in de SMOM. Ik laat dat door SenterNovem doen, waarna ik op basis van een beleidsadvies uit het ministerie een besluit neem. Belangrijk onderscheid met projecten die via de SMOM worden toegekend is dat deze incidentele projecten kunnen inspelen op actuele ontwikkelingen, dat ze kortdurend zijn en van enige omvang. Deze zogenoemde incidentele subsidies kan ik naast de subsidies op grond van de SMOM-regeling verstrekken op basis van artikel 3, tweede lid, van het Besluit milieusubsidies. In het Besluit milieusubsidies wordt ook een kader geregeld voor dit soort subsidies wat betreft de verplichtingen van de subsidieontvanger, het procedureverloop van de aanvraag en verstrekking van de subsidie, waaronder eisen die aan de aanvraag worden gesteld, en de verantwoording van het bestede geld. Overigens is dat kader ook op de subsidies op basis van de SMOM-regeling van toepassing.

Ik heb u toegezegd om nadere details over de organisatorische vormgeving van bovengenoemde regeling in september naar uw Kamer te sturen.

Onderzoek ten behoeve van maatschappelijke organisaties door universiteiten en andere kennisinstituten

De tekst van de regeling merkt «aan derde verschuldigde kosten ter zake van door hen verleende diensten» aan als subsidiabele kosten. Maatschappelijke organisaties kunnen dus projectvoorstellen indienen waarvan onderzoek door derden onderdeel uitmaakt. Via deze weg kunnen maatschappelijke organisaties opdrachten verstrekken aan universiteiten en andere kennisinstituten voor het doen van onderzoek, waarbij de kosten betaald worden uit (SMOM-)subsidie en dus niet uit eigen middelen. Deze projectvoorstellen worden natuurlijk wel beoordeeld aan de hand van alle genoemde beoordelingscriteria.

Uit uw Kamer kwam de suggestie daarnaast directer middelen ter beschikking te stellen. Een mogelijkheid zou zijn kennisvouchers ter beschikking te stellen, die door maatschappelijke organisaties ingezet kunnen worden. Ik zeg toe de mogelijkheden hiertoe te onderzoeken en daarbij ook de door het ministerie van EZ gehanteerde systeem van kennisvouchers voor het bedrijfsleven te betrekken.

Ik vertrouw erop dat ik u hiermee voldoende heb geïnformeerd.

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.