Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-200931700-XI nr. 75

31 700 XI
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI) en van de begrotingsstaat van het Waddenfonds voor het jaar 2009

nr. 75
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 20 maart 2009

De vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer1 heeft op 4 maart 2009 overleg gevoerd met minister Cramer van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over:

– de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 18 december 2008 over de permanente bewoning van recreatiewoningen (2008Z09923);

– de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 30 januari 2009 over de antwoorden op vragen van de commissie VROM inzake recreatiewoningen (31 700-XI, nr. 70);

– de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 16 februari 2009 over de stand van zaken over de moties en toezeggingen VROM (31 700-XI, nr. 71).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

Voorzitter: Koopmans

Griffier: Lemaier

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De voorzitter: Ik open de vergadering. Ik heet het publiek, de minister van VROM en haar medewerkers van harte welkom. Elke fractie krijgt zes minuten spreektijd. De heer Van Leeuwen begint.

De heer Van Leeuwen (SP): Voorzitter. Eerst iets over de moties en toezeggingen. Vanochtend hebben wij tijdens de procedurevergadering uitgebreid gesproken over de stand van zaken met betrekking tot de toegang tot de planbureaus. Ik wrijf deze minister niet in dat dit niet opschiet, want dat ligt voor een groot deel bij haar collega van Binnenlandse Zaken, maar hoe gaat de minister haar toezegging waarmaken dat een en ander ook de jure snel wordt geregeld? Wat gaat zij doen om minister Ter Horst tot spoed te manen?

De vorige keer heeft de SP-fractie voorgesteld om de regering binnen een termijn van zes weken na aanneming van een motie of een gedane toezegging de Kamer schriftelijk te laten weten hoe deze uitgevoerd, respectievelijk gestand wordt gedaan. Dan zijn wij van veel gedoe af. Ik denk even aan het steeds vaker in de Kamer moeten vragen hoe de regering een motie denkt uit te voeren. Als die werkwijze wordt ingevoerd, kunnen wij ook snel bezien of een motie naar de wens van de Kamer wordt uitgevoerd. Dat levert veel tijdwinst op. Het laatste is zeker nodig, bijvoorbeeld als ik kijk naar de uitvoering van de motie-Poppe/Boelhouwer over de gegaste containers. Dat is een slecht voorbeeld van eigen interpretatie, uitstel en gedraai.

Als die werkwijze wordt gevolgd, zal dit overleg ook andersom plaatsvinden, omdat dan niet zozeer procedureel, maar vooral inhoudelijk duidelijk wordt wat de regering, c.q. de minister van plan is. De Kamer kan dan, indien nodig, ook inhoudelijk reageren en meewegen wat er in het debat is gezegd. Het wordt een beetje vervelend om er steeds op te moeten wijzen dat de Kamer het hoogste gezag is en dat wij hier niet zitten om spelletjes met het ministerie te spelen of met een kluitje het riet in te worden gestuurd. Het AWACS-dossier is daar ook een voorbeeld van. Dat bleek gisteren in het debat ook weer. Er zijn veel toezeggingen gedaan. Er komen weer brieven naar ons toe, maar dat roept de vraag op wat deze minister gaat doen om haar collega De Vries tot spoed te manen, zodat die 40 000 mensen nu eindelijk worden verlost van de overlast. Met de non-trade concerns schiet het ook niet zo op, maar dat is het stokpaardje van deze minister. Nu gaan stokpaardjes net zo snel, of in dit geval net zo traag als degene die erop zit. De staatssecretaris van Economische Zaken is wat dit betreft niet vooruit te branden. Dat moet de minister voor milieu en duurzaamheid aan het hart gaan. Hoe komt het dat dit maar duurt en duurt? Wat gaat zij eraan doen om deze kwestie in een stroomversnelling te krijgen?

Dan permanente bewoning. Ondanks de pogingen van de minister om een eind te maken aan het probleem van permanente bewoning en alles wat daarmee samenhangt, schiet het niet op. Als het zo doorgaat, vrees ik dat de woorden van de minister dat deze problematiek altijd in enige vorm en omvang zal blijven bestaan, bewaarheid worden. Deze kwestie kan wel eens van grote omvang blijken te zijn. Het wegpesten van langkampeerders en het ombouwen van campings tot bungalowparken gaat nog steeds door. Het blijkt een hele klus om daar tegenin te gaan, maar het is de langkampeerders op camping de Bonte Vlucht voorlopig gelukt, met behulp van talloze rechtszaken, een veelvuldig beroep op de Wet openbaarheid van bestuur en een bibob-procedure. De horecagelegenheid is gesloten vanwege het gedrag van de uitbaters. De firma Succesparken mag daar geen bungalows neerzetten. De naam «Succesparken» komt overigens vaker boven drijven. Is de minister bekend met dit bedrijf en is zij bereid om in het kader van «Mooi Nederland» onderzoek te doen naar de handel en wandel van Succesparken? Deze firma neemt voor een flink deel de ruimtelijke invulling van vaak kwetsbaar gebied voor zijn rekening, maar met het doorgaan met het oprichten van dit soort recreatieparken blijft een onaanvaardbare druk bestaan op het schaarse, open gebied en vervagen de grenzen tussen stad en landschap. Het aanbod van recreatiewoningen neemt dan ook toe en het probleem van tweederangsburgers, het handhaven, het gedogen, blijft in stand. Zie de vele advertenties op internet. Weet de minister inmiddels of de voorwaarde dat er alleen recreatiewoningen gebouwd mogen worden als het bestemmingsplan wonen toestaat, adequaat wordt nageleefd?

In een eerder overleg heeft de SP gepleit voor een eenduidig landelijk beleid. Dat dit hard nodig is, blijkt ook uit de verschillende interpretaties die provincies en gemeenten aan de vage afspraken geven. Met het oog op de toekomst betekent dit wat de SP betreft:

– een landelijk afgevaardigd verbod op het bouwen van chalet- en bungalowparken in het landelijk gebied, dus nationale landschappen, bufferzones en Natura 2000-gebieden;

– het garanderen van de rechtspositie van langkampeerders, zodat ze niet weggepest kunnen worden om bestaande campings om te bouwen tot bungalowparken. Hoe staat het overigens met de beantwoording van de schriftelijke vragen over De Paalhoeve die de SP-fractie half januari hierover gesteld heeft?;

– het opheffen van het onderscheid tussen een recreatiewoning en een reguliere woning daar waar geen bestemmingrecreatie geldt volgens het bestemmingsplan. Het laatste geldt ook voor de bestaande situatie. Indien dat niet mogelijk is, omdat het bestemmingsplan of de Woningwet het niet toestaat, moet er worden gehandhaafd in woord en daad of er moet een persoonsgebonden vrijstelling volgen. Graag op al deze punten een reactie van de minister.

Vanwege de traagheid en de onduidelijkheid van het beleid doet zich bij de persoongebonden vrijstelling een probleem voor. Het is inmiddels vijf jaar na de overigens willekeurige datum van 31 oktober 2003. Het wordt zowel voor bewoners van recreatiewoningen als voor gemeenten steeds lastiger om met terugwerkende kracht het al dan niet in de praktijk handhaven te bewijzen. Wat is de stand van zaken nu? Zijn er nog steeds gemeenten die geen beleid voeren en zodoende bewoners op het verkeerde been zetten? Wat nu als iemand begin 2004 een recreatiewoning betrokken heeft en de gemeente verleden maand met handhaven is begonnen? Er was afgesproken dat gemeenten uiterlijk op 31 december 2004 duidelijkheid moesten verschaffen. Wat is daar van terechtgekomen en hoe verhoudt zich dat tot de cruciale datum van 31 oktober 2003? Graag een reactie van de minister.

Mevrouw Neppérus (VVD): Voorzitter. Ik begin met de moties en toezeggingen. Daarna zal ik spreken over de recreatiewoningen.

Ik heb het al vaker gezegd. Bij de begrotingsbehandeling 2008 is de motie Neppérus/Spies (31 200-XI, nr. 61) aangenomen. Daarin wordt de regering verzocht ervoor te zorgen dat in het kader van het Verpakkingenbesluit ondernemers met niet meer dan 15 000 kilogram verpakkingen worden vrijgesteld van de administratieve verplichtingen. Een half jaar later volgde de blije mededeling, onder andere in de Staatscourant, van minister Cramer en de staatssecretaris van Financiën dat het allemaal zou worden geregeld, maar sindsdien is het stil. De kwestie schijnt samen te gaan met andere regelingen die worden veranderd, maar het duurt nu wel erg lang. De betreffende ondernemers zitten nog steeds met de administratieve verplichtingen. Kijkend naar de lijst heb ik de indruk dat een en ander inmiddels geruisloos is afgevoerd, maar voor mij is de motie nog niet uitgevoerd. Ik zou willen dat er klaarheid komt.

Dan de toegang tot het planbureau. Dat is primair de verantwoordelijkheid van minister Ter Horst, maar wij hebben er al eerder met de minister van VROM over gesproken. Toen stelde de minister dat wij altijd toegang zouden hebben, maar de laatste stukken stellen mij niet echt tevreden. Het is heel vaag. Graag een reactie.

Dan de recreatiewoningen. Het dossier sleept zich voort, ondanks de inspanningen van deze minister, waarvoor mijn waardering. In het kader van nieuwbouw is iets een gewoon huis, een woning, of geen woning, maar tussenvormen in de zin van recreatiewoningen kunnen niet. Als sprake is van een woning, dan staat die in het bestemmingsplan met een woonbestemming, of het is geen woning. De minister wilde volgens mij ook die kant op. Wellicht kan zij dat bevestigen.

Dan de bestaande situatie. Er is veel ellende. De afgelopen weken hebben wij behoorlijk wat mailtjes gehad. Ook in de media in bepaalde provincies is er aardig veel aandacht aan besteed. In de ene provincie staan overigens veel meer van dit soort woningen dan in de andere. Een aantal jaren geleden is de motie-Veenendaal c.s., een partijgenoot, over deze kwestie aangenomen. Vorig jaar zijn op dit punt de motie-Neppérus/Vermeij en de motie-Vermeij aangenomen. Wij werken dus niet alleen samen aan initiatiefwetsvoorstellen met de PvdA-fractie, maar ook aan moties. In de motie-Neppérus/Vermeij staat duidelijk dat een gemeente kan legaliseren, maar dat dit geen verplichting is. Je kunt goede redenen hebben waarom je dat niet wilt, maar geef dan een gebruiksbeschikking af voor de huidige bewoner. Als je dat ook niet wilt, moet je duidelijk maken dat je dat in het verleden niet alleen op papier hebt uitgedragen, maar ook in werkelijkheid. Wij hebben hierover gesproken. Het lijkt allemaal heel duidelijk, maar ik haal uit de stukken dat de rechter zich een aantal keren heeft uitgesproken, ook in het kader van de motie-Veenendaal c.s. die op elementen vergelijkbaar is. De rechter vond dat al of niet handhaven wel meevallen, een beetje misschien, maar hij stelde dat het niet aan het Rijk was om dat te doen en ook niet aan de rechter, maar aan de gemeenten. Het Rijk moest zich hier dus niet mee bemoeien. Het was een kwestie voor de gemeenten. Nu werken wij in dit land wel met de trias politica, zeg ik ook als jurist, maar hier zit ook nog een andere kant aan, want de politiek wil een oplossing voor de overgangsproblematiek. Wat vindt de minister wat dat betreft van de brief van de Raad van State? De Kamer vindt dat in gevallen waarin niet wordt gelegaliseerd, met de gebruiksbeschikking moet worden gewerkt, tenzij een gemeente dat niet wil en kan aantonen dat er voor oktober 2003 al werd gehandhaafd. Wat vindt de minister hiervan? Er zijn nu gevallen waarin je kunt constateren dat de handhaving in het kader van 2003 niet duidelijk genoeg heeft plaatsgevonden of helemaal niet. Soms werd men zelfs hartelijk welkom geheten in de gemeente. Er zijn ook gevallen waarbij de rechter heeft aangegeven dat wij er niet over gaan.

Dan de motie-Vermeij. Sommige provincies hadden er behoefte aan om er een enorm beleid voor op te zetten, figuurlijk gesproken. Dan zei zo’n provincie dat het niet wilde of maar heel weinig. De motie-Vermeij is daar heel helder over. Wij hebben die ook van harte gesteund. Dat geldt voor veel fracties. Daarin wordt aangegeven dat wij daar niet aan moeten beginnen, maar dat gemeenten dat moeten doen en dat het, waar het mag, niet te beperkt moet worden gehouden. In Gelderland is vooruitgang geboekt, al kan men daar nog iets verder. Ik krijg nu signalen dat de provincie Overijssel in veel gevallen aangeeft tot een eigen beleid te komen, dat zij niet wil dat er recreatiewoningen komen en ook niet dat er een beschikking wordt afgegeven.

Mevrouw Vermeij (PvdA): Voorzitter. Het geldt niet voor alle onderwerpen, maar ik constateer dat wij ook zojuist bij de plenaire behandeling van de bestuurlijke lus goed hebben samengewerkt met de VVD. Dat geldt ook voor recreatiewoningen. Het kan dus. Het was een goed debat, ook met de heer De Wit, en zeer de moeite waard.

Ik wil het departement eerst complimenteren. Andere departementen kunnen een voorbeeld nemen aan VROM als het gaat om het bijhouden van de moties en de overzichten die wij daarvan krijgen, ook mede dankzij de griffie. Mijn fractie is in elk geval zeer tevreden over wat er is aangeleverd. Vooralsnog hebben wij geen verdere onderwerpen. Wij hebben in het verleden wel eens gesproken over het uitvoeren van «grote» moties. Ik refereer wat dat betreft aan de motie-Van Heugten, maar wij hebben al uitgebreid besproken hoe wij dat vorm kunnen geven.

Dan de recreatiewoningen. Ik kon als Kamerlid nooit bevroeden dat wij ongeveer vier keer per jaar in dit huis over recreatiewoningen zouden komen te spreken. Ik hoop, samen met de minister waarschijnlijk, dat wij die kwestie zo langzamerhand achter ons kunnen laten, maar ik weet dat niet zeker. Ik wil de minister een aantal zaken voorhouden.

Eerst iets over de motie-Neppérus/Vermeij en de vraag op welke wijze het onderscheid tussen woningen en recreatiewoningen in de wet- en regelgeving op termijn kan worden opgeheven. De minister geeft aan dat het onderzoek in een afrondende fase verkeert. De motie is echter bijna een jaar geleden ingediend, op een maand na. Kan de minister een voorschot geven op de uitkomsten van het onderzoek? Wij krijgen nog steeds veel bouwplannen voorgelegd, los van of die nu wel of niet van gemeenten komen, waarin de bouw van recreatiewoningen is opgenomen. Ik ben zo langzamerhand toe aan een onderscheid op dit punt, in die zin dat recreatiewoningen onder commercieel beheer moeten komen, hoewel liever niet in kwetsbare gebieden. Ik voel niet zoveel meer voor al die losse recreatiewoningen. Ik voorspel dat, gelet op al die bouwplannen, waarin recreatiewoningen zijn opgenomen, wij hier anders over vijf jaar weer zitten, omdat de gemeente bijvoorbeeld iets anders heeft bedoeld, of omdat wij uiteindelijk weer met permanente bewoning te maken krijgen. Ik krijg ook krantenknipsels opgestuurd. Ik zie nog steeds dat twee vakantiewoninkjes aan elkaar worden geknoopt en dat er mensen in blijven zitten, ook in het zuiden van het land. Ik zag een advertentie uit Limburg. Daar wordt ook nog steeds geadverteerd met recreatiewoningen die 365 dagen per jaar bewoonbaar zijn. Dat moeten wij toch niet willen. Daarom moeten wij van dat onderscheid af. Hoe ver wil de minister daarin meegaan?

Dan kom ik op de beantwoording van de minister over het schriftelijk overleg. De minister geeft aan dat het voor iedereen per 1 januari 2010 helder is, althans voor de oude gevallen. Wij hebben echter een motie ingediend waarin onderscheid wordt gemaakt ten aanzien van de manier waarop moet worden gehandhaafd, niet alleen op papier, maar daadwerkelijk. Ons bereiken berichten dat er naar die letter niet wordt gehandeld. Is de minister daarvan op de hoogte? Zo ja, wat kan zij daaraan doen?

Dan iets over de planbureaus. Wij waren zeer content met het overleg dat wij hierover met de minister van VROM hebben gevoerd. Dat was ook ongeveer een jaar geleden. Toen heeft zij aangegeven dat wij de toegang tot het Planbureau voor de Leefomgeving de facto vanaf dat moment zouden krijgen. Dit zou de jure worden geregeld. Wij hebben inmiddels ook overleg gehad met de collega van deze minister. Wil de minister van VROM hierover nogmaals contact opnemen met haar collega? Wij hebben namelijk nog steeds geen antwoord gekregen, in dezelfde heldere bewoordingen, van de minister van VROM.

De heer Van Heugten (CDA): Voorzitter. Een iets ander begin dan mijn buurvrouw. Wij hadden de vorige keer een eerste overzicht van de openstaande moties en toezeggingen. Dat was het onderhanden werk. Wij hebben het departement en de griffie een compliment gegeven voor het goede overzicht. Wij hebben toen wel geconstateerd dat dit wat lang was en dat er moest worden gestreefd naar het terugbrengen van het onderhanden werk tot ongeveer de helft. Dat is helaas niet gelukt. Het aantal openstaande toezeggingen is weliswaar met 10% afgenomen, maar het aantal openstaande moties is met maar liefst 50% toegenomen. Ik ben dus iets minder tevreden dan mijn buurvrouw over de feitelijke resultaten van het overzicht. Het blijft een goed overzicht, het blijft duidelijk en overzichtelijk voor de Kamer, met dank aan degenen die eraan hebben bijgedragen, maar het ontbreekt nog wat aan de inhoud. Ik heb soms het idee dat men zich er wat gemakkelijk van af wil maken. Een voorbeeld ter illustratie dat ik verder niet inhoudelijk wil uitdiepen. Over het beleid voor de buisleidingen vindt moeizaam overleg met de Gasunie plaats. De minister schreef de vorige keer wat de situatie was, dat zij ermee bezig was en dat zij verwachtte dat de Kamer in september 2008 nader zou worden geïnformeerd. In het nieuwe overzicht staat bijna letterlijk hetzelfde verhaal, alleen is de maand september 2008 veranderd in maart 2009. Dat moeten wij proberen te voorkomen. De minister moet duidelijk aangeven waarom er weer een half jaar is bijgekomen.

Er gaan ook dingen heel erg goed. Een aantal complimenten is wat dat betreft op zijn plaats. Ik wijs op de motie over de Himalaya Alert die de minister met enige tegenzin toch heeft uitgevoerd. Dat gebeurt inmiddels hartstikke goed. Ik heb zelfs begrepen dat er met deze expeditie een VROM-vlag meegaat. Ik geef mijn buurvrouw wat dat betreft gelijk. Wat goed gaat, mag ook wel eens gezegd worden.

Dan de roetfilters. Daarvoor kan nog 18 mln. aan subsidie worden gebruikt. De Kamer heeft de minister bij de begrotingsbehandeling per motie gevraagd om met dat geld aan de slag te gaan. De minister schrijft in de stukken dat zij wacht op het oordeel van de Europese Commissie over het verplicht stellen van een roetfilter voor personenauto’s en wellicht bestelauto’s. Wij hebben echter gelijk gekregen. In de uitspraak van het Hof staat kraakhelder dat wij die verplichting mogen invoeren. Dan moet de minister niet te braaf zijn. Dan moet zij de Europese Commissie niet vragen om dit te regelen. Waarom neemt de minister niet het voortouw, waarom regelt zij dit zelf niet? Dan zijn wij niet ongehoorzaam. Wij zijn dan gewoon daadkrachtiger dan wanneer wij braaf zouden wachten op het voorstel van de Europese Commissie. Wat vindt de minister daarvan?

Duurzaam inkopen. In het eerste kwartaal van 2009 zal de minister ons informeren over de voortgang met dit proces en de criteria, maar het speelt al wel een tijdje. Vooral in deze tijd is snel en goed inkopen door de overheid van groot belang. Daarom moeten de criteria snel worden uitgewerkt. Wil de minister er met klem op toezien dat een en ander feitelijk wordt geëffectueerd? Het moet niet alleen bij mooie onderzoeken blijven.

Af en toe blijven zaken heel lang liggen. Zo mis ik iets over asbest in het overzicht. Op een vraag van mevrouw Vietsch stelde de minister dat een onderzoek naar medicijnen in verband met asbest legitiem is en dat zij de ministers van VWS en van OCW zou vragen wat de mogelijkheden zijn om hier aan meer aandacht te besteden. Er wordt nu te weinig, eigenlijk nauwelijks aandacht besteed aan het oppakken van een onderzoek naar medicijnen in verband met asbest. Dit ontbreekt in het overzicht, al heeft een en ander elkaar misschien gekruist. Heeft de minister hier al werk van gemaakt?

Dan de toezeggingen op het gebied van ruimte. Wij hebben gevraagd naar een mogelijke aanpassing van de Huisvestingswet om gebieden die te maken hebben met beperkte woningbouw en restricties op dat punt, bijvoorbeeld gebieden met migratiesaldo nul, voorrang te kunnen laten geven aan de eigen bewoners, de eigen bevolking. De minister zou daarmee aan de slag gaan. Wij zouden daarover worden geïnformeerd. Dat gebeurt voor juni 2009, maar tegen die tijd zou de wet al kunnen zijn aangepast. Ik zou graag zien dat de minister op korte termijn bekijkt of het kan en wat zij gaat doen. Dan kunnen wij de mogelijk aangepaste Huisvestingswet in juni 2009 in de Kamer behandelen.

De MKBA-procedures voor ruimtelijke projecten. De Kamer wordt zo snel mogelijk geïnformeerd over de uitkomsten van de onderzoeken van de planbureaus. Wij zullen de diverse studies ook ontvangen, maar wanneer krijgen wij een en ander? In het kader van de uitwerking van de motie-Van Heugten en een aantal andere zaken zijn wij namelijk heel benieuwd hoe het daarmee staat. Wij willen op tijd, dus voor de Voorjaarsnota, zicht hebben op een en ander, in die zin dat het instrument goed functioneert en adequaat kan worden toegepast.

Dan nog iets over recreatiewoningen. Hieruit blijkt dat ruimtelijke ordening toch heel lastig is. Het te weeg brengen van een verandering vergt lange adem, consequent beleid en maatwerk, met behulp van een gereedschapskist. Wij hebben er met zijn allen voor gezorgd, via moties en allerlei aanpassingen, dat die gereedschapskist voor dat maatwerk er is gekomen. De minister gaat zich ervoor inzetten dat de lopende gevallen voor 1 januari 2010 duidelijkheid hebben gekregen, door middel van een persoonsgebonden beschikking of door legitimatie of handhaving. Afgelopen jaar hebben wij het in Gelderland meegemaakt, maar nu blijkt dat wellicht ook in andere provincies een extra inspanning van de minister is vereist in de zin van het de vinger aan de pols houden, zodat iedereen per 1 januari 2010 daadwerkelijk duidelijkheid heeft, met behulp van maatwerk en allerlei instrumenten. Is de minister daartoe bereid? Zijn de acties die zij daarnaast nog moet plegen, zoals het onderzoek naar het laten vervallen van het onderscheid tussen recreatiewoningen en gewone woningen, dit jaar op tijd gereed, zodat wij dit langslepende dossier eindelijk tot een goed eind kunnen brengen?

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Antwoord van de minister

De voorzitter: Ik stel voor dat de minister de beantwoording in twee blokken doet, eerst iets over de motie en daarna over de recreatiewoningen.

Minister Cramer: Voorzitter. Ik was van plan om dezelfde indeling voor te stellen. Eerst de moties en dan het onderwerp van de recreatiewoningen.

De heer van Leeuwen, mevrouw Neppérus en mevrouw Vermeij hebben een vraag gesteld over de toegang tot de planbureaus. Wij hebben daar eerder over gesproken. De minister van BZK heeft de Kamer per brief gemeld dat het kabinet in beginsel positief staat tegenover haar wens: toegang tot de planbureaus. De toegang van de Kamer tot de planbureaus is een van de aspecten van de eenduidige juridische en financiële grondslag van de planbureaus, aangekondigd in de Nota Vernieuwing Rijksdienst. Het kabinet streeft ernaar om dit pakket voor 1 april 2009 aan de Kamer aan te bieden. Dat is de stand van zaken op dit moment. Meer kan ik er vanuit mijn positie niet over zeggen.

De heer Van Leeuwen (SP): Ik wil de minister toch nog even herinneren aan haar vrij pertinente uitspraak dat de facto sprake is van toegang en dat zij dit de jure gaat regelen. Nu zegt zij dat het kabinet daar in beginsel positief tegenover staat. Dat is wel iets anders dan dat het de jure wordt geregeld.

Minister Cramer: Ik heb daarover eerder uitspraken gedaan. Deze hadden ook betrekking op de overgangsperiode. Ik heb heel nadrukkelijk gezegd dat afhankelijk van de uiteindelijke brief van de minister van BZK er overall besluitvorming zou plaatsvinden ten aanzien van de toegang tot de planbureaus.

De heer Van Heugten (CDA): De minister zegt dat zij er in beginsel positief tegenover staat en dat de regering voor 1 april met een voorstel komt. Mijn vraag is of het, gelet op dat in beginsel en het eindresultaat, ook nog anders kan.

De voorzitter: En in de wetenschap dat er een motie ligt.

Minister Cramer: Ik wil daar nu niet op antwoorden. Dit is de stand van zaken wat betreft de rapportage naar de Kamer. Wij komen daar zeker binnenkort op terug, uiterlijk 1 april.

Mevrouw Vermeij (PvdA): Ik heb goed geluisterd naar de minister. De minister heeft ook goed naar ons geluisterd. In de brief wordt gesproken over directe toegang tot de planbureaus. Dat is nog iets anders dan gewoon toegang tot de planbureaus. Kan de minister haar collega van BZK nog eens nadrukkelijk wijzen op deze Kamerbrede wens, ook naar aanleiding van dit debat? Wij zijn wat ongelukkig met de frases die zijn gebruikt met betrekking tot de toezegging aan ons en de motie die reeds is ingediend.

Minister Cramer: De Kamer kan ervan op aan dat haar wens bekend is bij het kabinet en dat daarmee wel degelijk serieus rekening wordt gehouden. Zij zal later worden geïnformeerd over de uitkomst.

De heer Van Leeuwen stelde een vraag over het Airborne Warning and Control System (AWACS). Hij weet dat dit onderwerp ook mij zeer aan het hart gaat. Gisteren is daarover een VAO gehouden. Collega De Vries heeft de Kamer toen meegedeeld wat de stand van zaken is op het punt van de reductie van vliegbewegingen. Meer kan ik daarover op dit moment niet zeggen.

De heer Van Leeuwen vroeg wanneer het kabinet komt met haar standpunt over de non-trade concerns. Het kabinet heeft afgelopen zomer naar aanleiding van het WRR-advies een algemene brief gestuurd over de internationale handel en de globalisering. Er is inderdaad vertraging opgetreden, ook wat betreft de verdere invulling van de aanpak van de non-trade concerns. Staatssecretaris Heemskerk van EZ is als het ware de trekker en voert over deze kwestie ook overleg in Brussel. Dat vergt meer tijd dan ook wat ons betreft wenselijk is. Verschillende versies van stukken hebben tevens mijn bureau bereikt. Het is een kwestie van voortdurend pendelen tussen Brussel en het Nederlandse kabinet met als doel om uiteindelijk een brief aan de Kamer voor te leggen. Gelukkig is de afronding in zicht. Ik heb inmiddels versies gezien die zo goed als gereed zijn, maar kan de exacte datum waarop de definitieve versie gereed zal zijn nog niet noemen. Wel kan ik melden dat dit niet lang meer zal duren. Het gaat om weken en dus niet om maanden. Als de Kamer de exacte datum wil vernemen, moet ik een en ander terugkoppelen naar de staatssecretaris van EZ.

Mevrouw Neppérus vroeg naar de uitvoering van de motie-Neppérus/Spies over het verpakkingenbesluit. De Kamer en het kabinet zijn een lijst overeengekomen. Daaraan heeft mevrouw Neppérus gerefereerd. Op 30 maart 2009 staat een notaoverleg gepland over het Afvalbeheersplan. Ik geef er de voorkeur aan om op dat moment op de uitvoering van die motie terug te komen.

Mevrouw Neppérus (VVD): Wij spreken nu over de uitvoering van moties. Het overleg waarop de minister doelt, staat ook in mijn agenda. De motie waarop ik doel, is echter aangenomen in december 2007. Ik vind het dan ook teleurstellend om vast te stellen dat ik moet wachten tot het volgende overleg dat op 30 maart zal plaatsvinden met in mijn achterhoofd dat die ondernemers tussentijds voortdurend met die verplichtingen te maken hebben. Ik pleit ervoor om moties die door een ruime meerderheid van de Kamer zijn aangenomen, sneller uit te voeren.

Minister Cramer: Mevrouw Neppérus heeft natuurlijk gelijk als zij zegt dat moties zo snel mogelijk moeten worden uitgevoerd. Wij willen ook zo snel mogelijk handelen, maar soms is dat niet mogelijk omdat er heel veel tijd nodig is om zaken uit te zoeken. Wij willen die moties immers goed uitvoeren. Ook in dit geval geldt dat het eind in zicht is. Wij zullen de Kamer binnenkort informeren over de wijze waarop deze motie is uitgevoerd.

De voorzitter: Zal dat voor de behandeling van het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) gebeuren?

Minister Cramer; Mocht een en ander nog niet helemaal afgerond zijn, dan zal de Kamer in ieder geval voor de behandeling van het LAP geïnformeerd worden over de redenen die ten grondslag liggen aan het feit dat die motie nog niet is uitgevoerd. De Kamer zal dan tevens vernemen wanneer zij wel een resultaat kan verwachten.

Mevrouw Vermeij, de heer Van Heugten en andere leden maakten een aantal positieve opmerkingen over de stand van zaken ten aanzien van moties en toezeggingen. Daarmee ben ik blij. Zij vroegen zich echter wel af waarom bepaalde moties niet sneller zijn uitgevoerd en pleitten voor tempo. Dat begrijp ik en de leden kunnen ervan op aan dat ook ik voorstander ben van het maken van tempo. In antwoord op de vraag van mevrouw Neppérus heb ik echter al gezegd dat het soms niet mogelijk is om sneller te handelen, al zouden wij willen. De leden vroegen zich ook af waarom er in sommige gevallen alleen een datum is veranderd. Ik weet dat bijvoorbeeld voor het buisleidingenbeleid de termijnen zijn verlengd, omdat het complexer bleek om de zaak te regelen dan aanvankelijk werd gedacht. Dat is niet anders. Er moet immers worden overlegd met andere partijen in Den Haag en in de rest van het land. Daardoor treedt er al snel een paar maanden vertraging op. Dat is vervelend. Ik deel wat dat betreft de zorg van de leden en zal ervoor zorgen dat er tempo wordt gemaakt.

De heer Van Heugten vroeg naar de maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) en ruimtelijke projecten. Hij weet dat wij bij de ruimtelijke projecten soms problemen hebben met de uitleg van de MKBA’s. Dit voorjaar komt daarover zeker uitsluitsel. Op dit moment houden de onderraden zich daarmee bezig. Wij zullen ervoor zorgen dat het antwoord op de vraag van de heer Van Heugten hem zo spoedig mogelijk bereikt.

Vervolgens vroeg de heer Van Heugten waarom wij de subsidie voor de roetfilters aanhouden. Wij hebben immers gelijk gekregen van het Europese Hof. Dat is inderdaad een succes waarmee ik heel blij ben. De mening van de rechter is dat de Europese Commissie niet goed op de argumenten is ingegaan die Nederland aandroeg. Zij krijgt nu een kans om dat alsnog te doen. Het is dus geen gelopen race. Specifiek tegen mevrouw Vermeij zeg ik dat er in Brussel al een soort bestuurlijke lus bestaat, wat inhoudt dat een en ander weer teruggaat en dat wij daarop moeten wachten in plaats van dat wij voortvarend aan de slag gaan en blijkt dat een en ander toch weer anders uitpakt.

Verder vroeg de heer Van Heugten hoe het gaat met het duurzaam inkopen. Ik kan hem zeggen dat de vaart er behoorlijk in zit. Wij lopen goed op schema. Naar verwachting zullen de criteria voor de tachtig productgroepen in maart gereed zijn. Ik houd overigens een slag om de arm voor enkele groepen die te maken hebben met de weg- en waterbouw. Ons streven is erop gericht om in maart alles gereed te hebben. De verwachting is dat wij in april een voortgangsrapportage aan de Kamer kunnen voorleggen. Ik wil zeker de vaart in dit dossier houden en dat geldt niet alleen voor de analyses. De analyses vallen onder de eerste stap. De volgende stap is het snel implementeren van al die productgroepen. Het doel is immers om in 2010 volledig duurzaam in te kopen. Implementeren hoort daar dus ook bij.

De heer Van Heugten CDA): Ik ben blij met het antwoord van de minister. Toch wijs ik er nogmaals op dat ook lagere overheden bezig zijn om, mede met het oog op de kredietcrisis en de economische recessie, na te gaan of zij eerder kunnen investeren of aankopen kunnen doen. Als je op het gebied van duurzaam inkopen ooit een geweldige slag wilt slaan, moet je ook nu voor een zo groot mogelijke duurzaamheid zorgen. Naar mijn idee is dat een extra reden om er vaart achter te zetten en de zaken snel te implementeren.

Minister Cramer: Ik ben het volledig met de heer Van Heugten eens.

De heer Van Heugten vroeg verder naar de relatie tussen asbest en medicijnen. Wij hebben wat dat betreft een toezegging gedaan. Aangezien een en ander na 1 januari speelt en dus niet op de lijst staat, zou ik formeel kunnen zeggen dat dit punt nu niet aan de orde is. Dat vind ik echter flauw. Daarom zeg ik dat ik over dit punt al gesprekken met mijn collega’s voer en dat de Kamer naar verwachting binnen een maand over de stand van zaken kan worden geïnformeerd.

De laatste vraag van de heer Van Heugten over de uitvoering van de moties en de toezeggingen, heeft betrekking op de aanpassing van de Huisvestingswet inzake woningbouw: eigen inwoners. Ook die vraag zal ik zo spoedig mogelijk beantwoorden. De heer Van Heugten uitte zijn ontevredenheid over de datum van 1 juni. Ik zeg toe dat de Kamer vóór 1 april een reactie krijgt. Die planning houdt uiteraard ook in dat wij aangeven wat wij dan gaan doen. Direct daarna kan de wet dus gewijzigd worden.

Ik kom op de recreatiewoningen. Aangezien het beleid bij de Kamerleden bekend is, zal ik niet herhalen wat dat inhoudt. Ik zeg nogmaals nadrukkelijk dat ik met hen van mening ben dat het belangrijk is om eindelijk een streep te trekken onder dit onderwerp en dat het dus goed zou zijn als daarover na dit overleg niet meer werd gesproken. Iedereen die nu in die recreatiewoningen woont of daarin tijdelijk verblijft, dient vóór 1 januari 2010 duidelijkheid te krijgen. Er is mij veel aan gelegen dat niet alleen het Rijk die duidelijkheid geeft, maar ook de gemeenten. De leden hebben gevraagd of wij op schema liggen en of een en ander conform de wensen in de moties is uitgevoerd. Die vragen zal ik nu beantwoorden.

De heer Van Leeuwen vroeg hoe het staat met het beleid van gemeenten over de recreatiewoningen. Met uitzondering van zes gemeenten, hebben alle gemeenten hun beleidskeuze gemaakt. Zij voeren dat beleid nu uit. Uit de opgaven van die zes gemeenten blijkt dat zij in beperkte mate te maken hebben met onrechtmatige bewoning. Voor de zomer ontvangt de Kamer een voortgangsrapportage waarin de meest recente gegevens van de gemeenten zijn verwerkt. In 17% van de gevallen was sprake van onrechtmatige bewoning van recreatiewoningen. Dat is inmiddels al teruggebracht naar 8%. Dat percentage moet worden teruggebracht naar nul. De helft van de procedures, waarvan ruim 80% is gericht op voortzetting van de bewoning, is afgerond. De meeste gemeenten hebben het vertrouwen dat zij de rest vóór 1 januari 2010 kunnen afronden. Ik zal ervoor zorgen dat ik hierbij nauw betrokken blijf en dat die deadline gehaald wordt.

De voorzitter: Ik zie dat de heer Van Leeuwen de minister wil interrumperen, maar stel voor dat de minister eerst alle vragen beantwoordt.

Minister Cramer: Ja, want de heer Van Leeuwen heeft nog meer vragen gesteld die ik moet beantwoorden. In relatie tot zijn opmerking over het bouwen van recreatiewoningen en het bestemmingsplan zeg ik dat alle ruimtelijke plannen worden getoetst door de VROM-inspectie.

Er wordt gewerkt aan de beantwoording van de vragen van Kamerleden van 15 februari jl. over camping De Paalhoeve. Die antwoorden zijn er nog niet, omdat daarover afstemming nodig is met het ministerie van BZK en dat van LNV.

Regelmatig word ik aangesproken op het punt van de rechtsbescherming van verblijfsrecreanten. Veelal zijn het langkampeerders. Dit onderwerp maakt geen deel uit van dit dossier. Het gaat hier overigens over permanente bewoning van recreatiewoningen en nieuwbouwlocaties voor die woningen. Om de vragen van de heer Van Leeuwen te kunnen beantwoorden, is er daarom contact gezocht met het ministerie van LNV. Naar verwachting krijgt hij binnenkort antwoord van mijn collega van LNV.

Gevraagd is of ik bekend ben met de firma Succesparken. Ik moet eerlijk zeggen dat ik die firma niet ken. Er is een beperkt aantal van dit soort bedrijven. Daarnaar hebben wij nog geen onderzoek gedaan, dus ik moet het antwoord op de vraag over die firma schuldig blijven.

Mevrouw Neppérus vroeg naar de provincies, het aanvullend beleid en wat er precies gebeurt. Zij zei dat een en ander immers aan gemeenten moet worden overgelaten en dat de provincie Overijssel ook weer met initiatieven lijkt te komen. Eerlijk gezegd, heb ik daarover niets gehoord. Ik kan dus alleen nota nemen van de opmerkingen van mevrouw Neppérus en zo nodig actie ondernemen.

Mevrouw Neppérus vroeg mijn oordeel over de rechterlijke uitspraken inzake de handhaving van het beleid over recreatiewoningen. Ik heb eerder gezegd dat het niet aan mij is om een oordeel te vellen over rechterlijke uitspraken. Mevrouw Neppérus merkte in de hoedanigheid van jurist terecht op dat wij uitgaan van de trias politica. Dat houdt in dat wij duidelijk een verantwoordelijkheidsverdeling zijn overeengekomen. De uitspraken van de rechter sluiten wel aan bij de vaste jurisprudentie over handhaving. Uit de jurisprudentie daarover valt op te maken dat gemeenten ook na jaren bevoegd blijven om dat te doen, tenzij zij expliciet hebben aangegeven dat zij niet zullen handhaven.

Mevrouw Vermeij en de heer Van Heugten vroegen hoe het staat met het opheffen van het onderscheid tussen gewone woningen en recreatiewoningen. Enige tijd geleden heb ik daarover een toezegging gedaan en ik geef de leden gelijk dat het lang heeft geduurd. Het antwoord is er nog steeds niet, maar gelukkig is ook dit onderzoek in de afrondende fase terechtgekomen. Dat onderzoek dient de positieve en de negatieve effecten inzichtelijk te maken van het op termijn opheffen van dat onderscheid. Een groot aantal belanghebbenden is geraadpleegd. Het betreft gemeenten, provincies, de Belangenvereniging Vrij Wonen (BVVW), projectontwikkelaars, parkeigenaren enz. Er zijn interviews gehouden, alsmede rondetafelbijeenkomsten en er is een vergelijkende analyse gemaakt op basis van relevante wet- en regelgeving. Dit alles geeft aan dat wij ons serieus hebben ingezet om de vraag van mevrouw Vermeij en de heer Van Heugten te beantwoorden. Het conceptrapport wordt voorbereid en de Kamer zal de definitieve versie naar verwachting in juni ontvangen. Vooraf wordt het ter toetsing voorgelegd aan vijftig belanghebbenden.

De heer Van Heugten en mevrouw Neppérus vroegen of er extra inspanningen nodig zijn ten aanzien van de provincies. Ik heb al gezegd dat mij niet bekend is dat de provincie Overijssel misschien met initiatieven zal komen. Ik zeg nogmaals dat het van groot belang is om de vinger aan de pols te houden met in het achterhoofd dat de deadline, 1 januari 2010, wordt gehaald. Dat hebben de heer Van Heugten en mevrouw Neppérus ook gezegd.

Mevrouw Vermeij vroeg hoe wij ervoor zorgen dat de handhaving wordt gewaarborgd. Wij zijn niet in de positie om een en ander te handhaven. Dat is de taak van de gemeenten. Wij zijn echter wel in de positie om te zorgen voor een adequate uitvoering van gemeentelijk beleid. Als er onenigheid is, zijn wij toch gehouden aan de rechterlijke uitspraken van de bevoegde instanties.

Nadere gedachtewisseling

De heer Van Leeuwen (SP): Voorzitter. De minister zei dat het onderwerp langkampeerders niet tot dit dossier behoort. Als wij spreken over ruimtelijke ordening en zien dat campings veranderen in bungalow-/chaletparken, heeft de minister daarmee wel degelijk te maken. Daar zit de firma Succesparken tussen. Het verbaast mij overigens dat de minister nog nooit van die firma heeft gehoord. Is de minister bereid om te onderzoeken hoe een en ander in elkaar zit? Het is immers een kwestie voor ruimtelijke ordening. Als langkampeerders niet het recht hebben om te blijven kamperen en van de camping gebonjourd worden, is ombouwen naar een recreatiepark de volgende stap. Het is dus een kwestie voor ruimtelijke ordening.

De minister zei dat de plannen getoetst worden door de VROM-inspectie. Ik begrijp daaruit dat, overal waar recreatiewoningen gebouwd worden – als een en ander niet in de commerciële exploitatie zit – getoetst wordt of het bestemmingsplan de functie wonen toestaat. Is dat correct?

Minister Cramer: Ja.

De heer Van Leeuwen (SP): Goed, dan is dat duidelijk.

Ik vroeg naar die cruciale datum. Ik wil die nu niet ter discussie stellen, maar 31 december 2004 was de uiterste datum waarop gemeenten duidelijkheid moesten geven over hun beleid. In januari 2010 zijn wij vijf jaar verder. In de tussentijd is er uiteraard wel iets veranderd. De minister is daarop niet ingegaan, maar het heeft wel daarmee te maken. Wij hebben vijf jaar uitstel gehad en spreken nog steeds over de afspraken van toen. Dat moet voor de minister toch ook aanleiding zijn om nu wel te kunnen garanderen dat alles goed is? Ik blijf erbij en meen serieus dat wij dit soort overleggen tot in den treuren kunnen voeren, ondanks dat wij dat niet willen.

Mevrouw Neppérus (VVD): Voorzitter. Ik ben blij met de toezegging van de minister dat er voor eind maart meer duidelijkheid komt over de motie die betrekking heeft op de verpakkingsbelasting.

Ik kom op de recreatiewoningen. Het duurt mij te lang voordat er duidelijkheid komt over het afzien van dat onderscheid tussen woningen en recreatiewoningen.

Ik maak mij echt zorgen over de overgangssituatie. In de motie-Neppérus/Vermeij staat dat, als er ten aanzien van die woningen vóór oktober 2003 niet aantoonbaar is gehandhaafd, wij iets moeten doen. Uit de rechterlijke uitspraken maak ik op dat men zegt dat het er allemaal niet zo toe doet en dat het Rijk er niet over gaat. Als de gemeente alsnog wil handhaven, is dat volgens de rechter leidend. Uiteraard is het aan de rechter om die uitspraak te doen. De motie kan dus niet worden uitgevoerd, omdat de rechter er als het ware dwars doorheen gaat. Ik kon dat op grond van een aantal rechterlijke uitspraken vaststellen, maar kan die niet veranderen. De regelgever heeft echter wel het recht om te zeggen dat zij de regelgeving gaat veranderen. Dat gebeurt wel vaker. Graag wil ik een reactie van de minister hierop. Er ligt al een initiatiefwetsvoorstel voor, maar ik leg dit graag bij de minister neer.

Mevrouw Vermeij (PvdA): Het nadeel van het initiatiefwetsvoorstel is dat wij weer een paar jaar bezig zijn.

Mevrouw Neppérus (VVD): Wij moeten eerst bijkomen.

Mevrouw Vermeij (PvdA): Ja, eerst bijkomen. De rechter heeft inderdaad uitspraken gedaan die niet in lijn liggen met de moties die de Kamer heeft aangenomen. Hoe wenst de minister daarmee om te gaan?

Begrijp ik goed dat het gevraagde onderzoek naar het opheffen van het onderscheid in juni aan de Kamer zal worden voorgelegd, omdat eerst belanghebbenden dat moeten inzien? Ik ga er overigens wel van uit dat de minister op grond van dat onderzoek een conclusie trekt. In de motie staat immers dat de regering wordt verzocht om te onderzoeken of en op welke wijze het onderscheid tussen woningen en recreatiewoningen zal worden gemaakt. Alleen een overzicht van de voor- en de nadelen zou dus onvoldoende zijn. Ik zie al dat de minister geruststellend knikt.

De heer Van Heugten (CDA): Voorzitter. Het gaat vlot vandaag. De vragen die ik heb over de recreatiewoningen hoef ik niet te stellen, want dat hebben mijn voorgangers al gedaan. Mij rest niets anders dan te zeggen dat wij steeds kritisch zullen nagaan of in elke voortgangsrapportage daadwerkelijk staat wat de voortgang is en of er een verklaring wordt gegeven in het geval dat er geen voortgang wordt geboekt. Wij verwachten over een halfjaar weer een overzicht van moties en toezeggingen en zullen daar dus op letten.

Minister Cramer: Voorzitter. Ik dank de leden voor de vragen en opmerkingen in tweede termijn.

De heer Van Leeuwen stelde een vraag over de firma Succesparken. Ik zeg geen onderzoek toe, maar wel een antwoord. Ik zal met mijn collega van LNV overleggen. In het kader van de knip op de portemonnee wil ik namelijk nagaan of een onderzoek nodig is, of dat het mogelijk is om op grond van een aantal gesprekken tot een antwoord te komen. Ik wil dus voorkomen dat wij veel geld aan onderzoek uitgeven.

De heer Van Leeuwen zei dat 31 december 2004 de deadline zou zijn en dat het inmiddels vijf jaar later is. Hij weet dat ik sinds mijn aantreden als minister druk bezig ben met het oplossen van de problemen. Dat doe ik overigens ook in samenwerking met de Kamer, want ik deel haar belang en wil haar moties snel uitvoeren met als doel om de deadline te halen en alle problemen op te lossen. Daarbij zal die AMvB ook een heel belangrijke rol spelen. Die zal een houvast moeten bieden en ervoor moeten zorgen dat wij er een streep onder kunnen zetten.

Mevrouw Neppérus maakt zich nogal zorgen over die overgangssituatie. Zij sprak over rechterlijke uitspraken daarover. Het is inderdaad uit staatsrechtelijk oogpunt juist dat de wetgever dan kan optreden, maar op een gegeven moment is het schluss en gaan wij een en ander uitvoeren in overeenstemming met de uitspraak van de rechter. Anders blijven wij immers aan de gang. Om het niet nog langer te laten voortduren, is het mijns inziens van groot belang om voortvarend op te treden. Slechts bij grote uitzondering zullen er conflicten zijn. Niet iedereen die geen gelijk heeft gekregen, zal dus plotseling naar de rechter gaan om weer te procederen. In die situatie zou ik ook niet terecht willen komen. Ik zeg nogmaals dat die wet die wij gaan opstellen, er ook niet voor niets komt. Die moet houvast bieden. Mevrouw Vermeij vroeg hoe wij met die motie omgaan. In antwoord op die vraag zeg ik dat wij ervoor zullen zorgen dat wij een en ander ook in de overgangssituatie zo helder mogelijk uitleggen, maar dat ik niet in het spoor van de rechter zal treden.

Mevrouw Neppérus (VVD): Ik neem er kennis van dat de minister toch niet zal doen wat ik vraag. De Kamer heeft een uitspraak gedaan en de minister heeft zich daarbij aangesloten. Zij heeft gezegd dat zij die motie zal uitvoeren. Het is het recht van de rechter om te zeggen dat het Rijk daar niet over gaat, maar ik vind het merkwaardig dat de minister daarmee genoegen neemt. Als Kamerlid zal ik mij dus beraden op wat ik kan doen.

Minister Cramer: Ik zei wel heel nadrukkelijk dat er in uitzonderlijke gevallen situaties zullen zijn die leiden tot datgene wat de Kamer naar voren brengt. In het uitzonderlijke geval dat een gemeente geen gedoogbeschikkingen geeft of ontheffingen verleent, terwijl die gemeente wel overduidelijk onder de motie valt, zal de VROM-inspectie haar natuurlijk wel benaderen. Zij zal er dan op wijzen dat dit niet in overeenstemming is met de wens van de Kamer en evenmin met de ministeriële oproep aan de gemeente. Die rol vervul ik dus wel. Mevrouw Neppérus doelt ook op situaties waarin sprake kan zijn van onenigheid, maar daarover moet op een gegeven moment duidelijkheid komen.

De heer Van Leeuwen (SP): Ik ga kort hierop door, ook op de rol van de inspectie daarbij. Wij hebben duidelijke afspraken gemaakt. In eerste termijn heb ik al gezegd dat dit ruimte laat voor interpretatie door de andere overheden. Dat zie je ook aan de wijze waarop Overijssel en Gelderland daarmee omgaan. Als de VROM-inspectie tegen een gemeente zegt dat dit het beleid is en dat datgene wat zij doet niet kan, als laatstgenoemde desondanks daarmee doorgaat en zegt dat zij naar de rechter gaat, staan de Kamer en de regering dan buiten spel?

Minister Cramer: De VROM-inspectie heeft wel degelijk een rol, namelijk het aan de kaak stellen van dit soort situaties. Het is dan niet een kwestie van een beetje praten en niets doen. De heer Van Leeuwen heeft gelijk dat er dan moet worden opgetreden. Laat ik duidelijk stellen dat hij situaties schetst die slechts in uitzonderlijke gevallen voorkomen. Die zijn dus meer uitzondering dan regel. In veel gevallen gaat het wel goed. De Kamer beschikt over informatie waaruit blijkt waar het niet goed gaat. De VROM-inspectie zal er zeker op toezien dat het bij die gemeenten in het vervolg wel goed gebeurt.

De heer Van Leeuwen (SP): Er komt een moment, ongeacht brieven, moties en het werk van de VROM-inspectie, dat een gemeente gewoon kan zeggen: «Bekijk het maar. Zoek het maar uit. Wij zien elkaar wel voor de rechter.» Die mogelijkheid blijft altijd open. De SP-fractie heeft steeds gepleit voor eenduidige landelijke wetgeving om dat te voorkomen.

Minister Cramer: Natuurlijk kan er onenigheid zijn, maar daarvoor hebben wij de rechter. Wij hebben niet voor niets met nadruk gezegd dat er wetgeving moet komen waarop wij ons kunnen beroepen. Ik trek het even door naar een heleboel andere situaties waarvoor geldt dat wij op een gelijksoortige manier handelen. Dit is geen uitzondering op de wijze waarop wij in dit land omgaan met naleving van wetgeving, het niet nakomen van afspraken en het inschakelen van de rechter.

Mevrouw Neppérus (VVD): De minister spreekt nu wel over wetgeving. Als de VROM-inspectie gemeenten heeft benaderd waarvoor geldt dat duidelijk is dat daar geen handhavingsbeleid is gevoerd en er twijfels zijn, kan ik mij voorstellen dat dit wordt geregeld. Je kunt immers nagaan of er in die gemeenten geen handhavingsbeleid was.

Minister Cramer: Als ik op de woorden van mevrouw Neppérus reageer, val ik in herhaling.

Mevrouw Vermeij vroeg of wij op grond van het onderzoek over het onderscheid tussen gewone woningen en recreatiewoningen conclusies trekken, of dat wij alleen voor- en nadelen op een rijtje zetten. Natuurlijk moeten wij dan conclusies trekken.

De heer Van Leeuwen merkte op dat hij kritisch zal blijven opletten of er, als data veranderen, werkelijk voortgang wordt geboekt. Ik vind dat hij een punt heeft. Als er een datum wordt gewijzigd, zullen wij daarvoor een duidelijke verklaring geven. Zodoende kunnen wij voorkomen dat de Kamer denkt dat wij niets hebben gedaan en de uitvoering steeds opschorten.

Mevrouw Vermeij (PvdA): Er bestaat bij mij toch enige onduidelijkheid. De minister heeft een paar keer gezegd dat zij een en ander wettelijk, per AMvB, zal regelen. Misschien heb ik iets gemist? Zal zij van rechtswege gedoogbeschikkingen ...? Is dat onderdeel van de AMvB Ruimte?

Minister Cramer: Ik liet de Kamer weten dat die regeling beoogt om op een zo kort mogelijke termijn duidelijk te maken of de bewoners die eerder dan of op 31 oktober 2003 en sindsdien onafgebroken en onrechtmatig in een recreatiewoning wonen, mogen blijven of dat zij die woning moeten verlaten. Voor ieder individu moeten de gemeenten het besluit bekend hebben gemaakt. Dat kan inhouden het omzetten van de bestemming recreatie naar de bestemming wonen, het verlenen van een persoonsgebonden gedoogbeschikking, een ontheffing, of handhaving van het bestemmingsplanverbod op wonen in een recreatiewoning. Bij inwerkingtreding van de regeling, dient die duidelijkheid dus verschaft te zijn. Ik streef ernaar dat dit alles op 1 januari 2010 is geregeld. Indien die duidelijkheid dan niet is gegeven, krijgt de bewoner die aantoonbaar tot de genoemde groep behoort, ontheffing van het bestemmingsplanverbod op wonen in een recreatiewoning.

Toezeggingen

– De minister zegt toe de Kamer, voorafgaand aan het notaoverleg over het LAP, te informeren indien de motie Neppérus inzake de verpakkingsbelasting nog niet is uitgevoerd.

– Het eindrapport inzake het opheffen van het onderscheid tussen woningen en recreatiewoningen wordt voorzien van een conclusie van de minister in juni 2009 naar de Kamer gestuurd.

– Voor het zomerreces 2009 ontvangt de Kamer een voortgangsrapportage over het beleid van gemeenten met betrekking tot recreatiewoningen waarin de meest recente gegevens van de gemeenten zijn verwerkt.

– De minister van VROM zegt toe de Kamer, na overleg met de minister van LNV, schriftelijk te informeren naar aanleiding van de vraag over de firma «Succesparken».

De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Koopmans

De griffier van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Van der Leeden


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van Gent (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Poppe (SP), Snijder-Hazelhoff (VVD), ondervoorzitter, Depla (PvdA), Van Bochove (CDA), Koopmans (CDA), voorzitter, Spies (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Vietsch (CDA), Aptroot (VVD), Samsom (PvdA), Boelhouwer (PvdA), Roefs (PvdA), Neppérus (VVD), Van Leeuwen (SP), Jansen (SP), Van der Burg (VVD), Van Heugten (CDA), Vermeij (PvdA), Madlener (PVV), Ouwehand (PvdD), Bilder (CDA) en Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie).

Plv. leden: Vendrik (GroenLinks), Van der Vlies (SGP), Polderman (SP), Remkes (VVD), Jacobi (PvdA), Hessels (CDA), Koppejan (CDA), Ormel (CDA), Koşer Kaya (D66), Leijten (SP), Schreijer-Pierik (CDA), De Krom (VVD), Timmer (PvdA), Waalkens (PvdA), Vos (PvdA), Zijlstra (VVD), Langkamp (SP), Gerkens (SP), Van Beek (VVD), Schermers (CDA), Besselink (PvdA), Agema (PVV), Thieme (PvdD), Vietsch (CDA) en Ortega-Martijn (ChristenUnie).