Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-200931700-XI nr. 103

31 700 XI
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI) en van de begrotingsstaat van het Waddenfonds voor het jaar 2009

nr. 103
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 augustus 2009

Met deze brief wil ik u informeren over de uitkomsten van de Samenvattende Jaarrapportage 2007 van het Doelgroepbeleid Milieu en Industrie (DMI)1 (R081 204a), opgesteld door FO-Industrie in opdracht van VROM. Deze jaarrapportage geeft een overzicht van de ontwikkelingen van de industriële milieubelasting in Nederland.

In het kader van het DMI zijn er sinds 1992 met elf bedrijfstakken convenanten afgesloten. Op dit moment zijn nog negen convenanten actief. Deze bedrijfstakken zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor circa 90% van de door de industrie veroorzaakte milieubelasting in Nederland. Dit rapport biedt inzicht in de gezamenlijke inspanningen en milieuprestaties en identificeert de overgebleven knelpunten.

Om doelstellingen uit het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP) voor het jaar 2000 en 2010 te realiseren zijn per bedrijfstak in de convenanten Integrale Milieutaakstellingen (IMT’s) vastgelegd. De IMT’s voor het jaar 2010 hebben het karakter van inspanningsverplichtingen. Door middel van milieujaarverslagen (MJV’s) en bedrijfsmilieuplannen (BMP’s) wordt de voortgang per bedrijfstak gevolgd.

De Facilitaire Organisatie Industrie heeft dit voorjaar de jaarrapportage 2007 afgerond. Deze jaarrapportage beschrijft van de volgende zeven bedrijfstakken de voortgang met betrekking tot het realiseren van de IMT’s: basismetaalindustrie, chemische industrie, zuivelindustrie, papier- en kartonindustrie, textiel- en tapijtindustrie, olie- en gaswinningsindustrie en rubber- en kunststofverwerkende industrie.

Twee bedrijfstakken zijn in deze rapportage buiten beschouwing gelaten. De vele kleine en middelgrote bedrijven binnen de grafische industrie en verpakkingsdrukkerijen en de metaal- en elektrotechnische industrie werken niet met MJV’s en BMP’s. Daardoor zijn er geen met andere bedrijfstakken vergelijkbare gegevens over het jaar 2007 beschikbaar.

Samenvattend kan worden geconcludeerd dat er ten opzichte van het basisjaar 1985 aanzienlijke reducties van de milieubelasting zijn gerealiseerd. Op veel punten zijn de convenanten succesvol geweest. De jaarrapportage vergelijkt de emissiecijfers van 2007 met die van 2006 en het basisjaar 1985. Daarnaast worden ook relevante trends besproken.

Bij de meeste thema’s zijn vrijwel alle doelstellingen gerealiseerd of binnen bereik. Bij twee thema’s: «Verzuring» en «Verspreiding naar Lucht» zijn nog niet alle doelstellingen voor 2010 binnen bereik. Hieronder is per thema kort geschetst welke aanvullende stappen zullen worden ondernomen om deze inspanningsverplichting zo kort mogelijk na 2010 alsnog te bereiken.

Verandering van Klimaat: voor de ozonlaagaantastende stoffen zijn vier van de vijf doelstellingen gerealiseerd. In de periode 2000–2005 waren alle doelstellingen gerealiseerd. Sinds 2006 wordt echter de doelstelling voor tetrachloormethaan niet meer gerealiseerd. Deze overschrijding wordt door één bedrijf in de chemische industrie veroorzaakt. Door middel van procesmaatregelen worden hiervoor oplossingen gezocht.

Verzuring: de doelstelling voor VOS wordt al sinds 1999 gerealiseerd. De doelstelling voor NH3 bij de industrie wordt dit jaar voor het eerst gehaald. Voor de verzurende stoffen SO2 en NOx is de doelstelling van 90% reductie in 2007 nog niet gerealiseerd. Voor SO2 ligt de reductie al jaren rond de 77%. De problematiek van de SO2-uitstoot beperkt zich nu nog tot enkele bronnen in de basismetaalindustrie. De bedrijven en het bevoegd gezag zijn in overleg om afspraken te maken zodat de doelstelling alsnog gehaald kan worden. Voor NOx is er een verbetering te zien, van 57% reductie in 2002 tot 65% in 2007. Voor het reduceren van de NOx-emissies is inmiddels de handel in NOx-emissierechten ontwikkeld, waarmee de doelstelling binnen bereik wordt gebracht. Een bedrijfstakgerichte aanpak is dan ook inmiddels niet meer relevant. Daarnaast zal het Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties leiden tot een NOx-reductie in de industrie. In het kader van de realisatie van de NEC-richtlijn worden deze ontwikkelingen nauwlettend gevolgd.

Verspreiding naar Lucht: de gezamenlijke doelstellingen zijn voor een groot deel van de stoffen gerealiseerd (18 van de 31 stoffen); dit is al enkele jaren het geval. Voor de stoffen cadmium, chroom, fluoriden en lood (die grotendeels vrijkomen in de basismetaalindustrie), dienen nog serieuze inspanningen te worden verricht. De industrie is voor deze stoffen verantwoordelijk voor meer dan 50% van de landelijke emissies. Voor cadmium en lood zijn in 2007 wel aanzienlijke verbeteringen gerealiseerd ten opzichte van 2006. Net als bij de SO2-emissies betreft het bij de resterende probleemstoffen nog een beperkt aantal puntbronnen, waarbij het aan het bevoegd gezag en de bedrijven is om, met ondersteuning door het Rijk, hierover nadere afspraken te maken. Dit zal in het kader van Samenwerken op Maat (SOM) verdere invulling krijgen.

Verspreiding naar Water: de gezamenlijke doelstellingen voor vrijwel alle stoffen zijn in 2007 gerealiseerd. De afgelopen jaren waren alle doelstellingen binnen dit thema gehaald. In 2007 is voor het eerst de IMT voor trichlooretheen niet gerealiseerd. De verwachting is dat deze IMT in 2010 wel wordt gerealiseerd en dat daarmee alle IMT’s binnen dit thema worden gerealiseerd.

Vermesting: de doelstellingen zijn in 2007 voor alle stoffen gerealiseerd; dit is al sinds 2000 het geval.

Verwijdering: in de convenanten zijn per bedrijfstak verschillende kwantitatieve doelstellingen voor vermindering van de hoeveelheid afval en meer nuttige toepassing van afvalstromen opgenomen (er is geen overkoepelende kwantitatieve doelstelling voor alle bedrijfstakken gezamenlijk). Deze doelen zijn over het algemeen gehaald. De totale hoeveelheid afval van de doelgroep industrie is ten opzichte van 1985 gereduceerd met 8% en het percentage van de nuttige toepassing is toegenomen van 73% in 1985 naar 78% in 2007.

Verstoring: onder dit thema vallen geur- en geluidshinder en externe veiligheid. Het merendeel van de maatregelen tegen geluid- en geurhinder naar aanleiding van klachten is uitgevoerd. Voor het thema Externe Veiligheid geldt dat bijna alle bedrijven binnen de doelgroep industrie (95%) aan de CPR-richtlijnen voldoen en het overgrote deel van de bedrijven (91%) aan de PGS-richtlijnen voldoet. Dat geen 100% wordt behaald, valt te verklaren uit het feit dat het richtlijnen betreft waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken. Van de BRZO-bedrijven geeft 95% aan over een afgerond preventiebeleid en veiligheidsbeheerssysteem te beschikken. Iets meer dan driekwart van deze bedrijven geeft aan over een goedgekeurd veiligheidsrapport te beschikken.

Verdroging: op het onderwerp verdroging zijn geen kwantitatieve doelen geformuleerd; er vindt wel monitoring van het grondwaterverbruik plaats. Het totale verbruik van grondwater is sinds het basisjaar (1985) jaarlijks afgenomen. Het totale verbruik is in 2007 met 50% afgenomen ten opzichte van het basisjaar.

Het is de verwachting dat deze trend kan worden gecontinueerd.

Het percentage van de tijdig ingediende modules van de MJV’s bedraagt circa 68%. Van de tijdig ingediende verslagen zijn er 81% tijdig beoordeeld door het bevoegd gezag. Dat beeld is de afgelopen jaren nagenoeg ongewijzigd gebleven. Inmiddels rapporteert een groot deel van de convenantsbedrijven in het kader van de EG-verordening PRTR, waardoor de milieurapportage voor meer bedrijven een wettelijke status heeft gekregen en ook andere doelen dient dan de monitoring van de milieuconvenanten. Ook de beoordeling is nu een wettelijke taak geworden. In het kader van de implementatie van de EG-verordening PRTR wordt fors ingezet op communicatie en zal waar nodig de VROM-Inspectie worden ingezet om toe te zien op een goede uitvoering door bevoegde instanties.

Tot slot kan ik u berichten dat op dit moment met de convenantspartners overleg plaatsvindt over een doelmatige opvolging van de grotendeels succesvolle convenantsperiode in het kader van het DMI. Het vervolg zal het zogenoemde Samenwerken op Maat zijn. De planning is om deze nieuwe samenwerkingsvorm met betrokken bedrijfstakken van de Nederlandse industrie vanaf 2010 van start te laten gaan. Daarbij zal gebruik worden gemaakt van de opgedane ervaringen van het doelgroepbeleid. Over de inrichting van dit vervolg zal ik u eind dit jaar nader informeren.

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.