Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-200931700-VI nr. 115

31 700 VI
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2009

nr. 115
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 6 april 2009

De vaste commissie voor Justitie1 heeft op 19 maart 2009 overleg gevoerd met minister Hirsch Ballin van Justitie over:

– de brief van de minister van Justitie d.d. 20 januari 2009 over het onderzoek zoekgeraakt strafdossier Amsterdam (31 700 VI, nr. 100).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

Voorzitter: De Pater-van der Meer Griffier: Nava

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Teeven (VVD): Voorzitter. De VVD-fractie is er blij mee dat rapporteur Steenhuis in alle openheid zijn onderzoek heeft kunnen doen en dat aan dit onderzoek ook alle medewerking is verleend door de medewerkers van het ressortsparket, de advocatuur en andere betrokkenen onder wie de officier in eerste aanleg. Procureur-generaal Steenhuis geeft aan dat de procedure bij een zuiver OM-appel kraakhelder is. Denkt de minister van Justitie dat dit soort fouten, waarvan het rapport uitgebreid melding maakt, in de toekomst kan worden voorkomen? Fouten kunnen natuurlijk nooit helemaal voorkomen worden – de minister schrijft in zijn brief over een bedrijfsongeval – maar als je de 18 pagina’s van het rapport doorleest, krijg je toch een beetje de indruk dat er sprake is geweest van een opeenstapeling van fouten en van hier en daar een bijzondere taakopvatting.

Rapporteur Steenhuis doet op pagina 6 van zijn rapport een merkwaardige constatering. De contactadvocaat-generaal van Amsterdam Centrum ontving een kopiestuk van de zaaksofficier in eerste aanleg, maar doet daar vervolgens niets mee. Haar vertrek bij het ressortsparket, aldus Steenhuis, zou de verklaring zijn dat er uiteindelijk inhoudelijk niets met de stukken is gebeurd. Ik hoop dat ik het niet zo moet begrijpen dat de bedrijfsvoering al te zeer is opgehangen aan één persoon. Ik denk dat de minister van Justitie dat met mij eens is, maar ik hoor hem hier dit graag bevestigen. Als het vertrek van personen ertoe leidt dat er niets meer gebeurt met strafdossiers dan hebben wij wel een buitengewoon trieste strafrechtspleging. Ik hoor mevrouw Van Toorenburg mij nu vragen wat er is gebeurd met de dossiers die ikzelf destijds heb behandeld. Ik kan haar zeggen dat ik aanstaande maandag bij het Hof terug moet komen voor een hoger beroep.

Er verschijnen koppen in de krant als aanklagers blunderen met een zoekgeraakt strafdossier. Ik verwijs naar de Volkskrant van 20 januari. De minister van Justitie spreekt van een bedrijfsongeval zonder dat sprake is van opzet. Ik zou wat dat laatste betreft tegen de minister willen zeggen: dat zou er nog bij moeten komen! Als het opzet zou zijn, dan zouden wij echt een groot probleem hebben bij het Openbaar Ministerie. Een belangrijke bevinding is het gebrek aan urgentie en communicatie. Het rapport lezend, kan je constateren dat eigenlijk niemand zich verantwoordelijk voelt voor een strafdossier. Verwacht de minister van Justitie dat het eigenaarschap van een dossier in ere wordt hersteld, ook in de tweede lijn van het OM en, zo ja, zal dat een aantal van de problemen oplossen?

Mijn fractie vindt het zorgwekkend dat er eigenlijk niet is nagedacht over het herstel van gemaakte fouten en over het inlichten van slachtoffers van de overval op Jimmy Woo. Rapporteur Steenhuis doet die constatering. Er wordt wel heel veel gepraat over het voorlichten van de zittende magistratuur en er wordt wel heel erg intern gedacht in de ivoren toren van het ressortsparket in Amsterdam, maar er is eigenlijk niet gedacht over het inlichten van slachtoffers. Het is ook jammer dat collega De Roon van de Partij voor de Vrijheid vooralsnog niet aanwezig is bij dit algemeen overleg. Hij is afkomstig van het ressortsparket van Amsterdam. Dus hij had uit eigen bevinding en eigen waarneming wellicht nog een zinvolle bijdrage kunnen leveren. Denkt de minister dat het onderdeel is van de cultuur van het ressortsparket in Amsterdam dat het inlichten van slachtoffers niet gebeurt? Of moeten wij het meer zo zien dat de procedures in dezen niet zijn gevolgd? De minister signaleert terecht een aantal knelpunten. Wat zijn de concrete maatregelen die nodig zijn om de cultuur van de organisatie van het ressortsparket aan te passen? Steenhuis constateert een cultuur van niet voldoende alert zijn om gemaakte fouten te herstellen. Dat komt naar voren bij de zoekactie en het inlichten van de slachtoffers. Het is ook bijzonder om in het rapport te moeten lezen dat de eigen persadvocaat-generaal niet wordt geïnformeerd over wat er allemaal misgaat in de procedure. Dit alles leidt toch tot de situatie waarin het ressortsparket overvallen wordt op het moment dat een journalist van het Parool in de zaal zit die alles gaat beschrijven. Eigenlijk loopt vanaf dat moment het Openbaar Ministerie achter de feiten aan en ook de minister een beetje. Ik verwijs naar het mondelinge vragenuur waarover wij ter zake enige informatie hebben gewisseld. Wat vindt de minister ervan dat men bij het ressortsparket Amsterdam blijkbaar niet voldoende alert is op publicitaire risico’s en zorgen rond maatschappelijke ontwikkelingen?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Mevrouw de voorzitter. Met bepaalde termen moet je altijd wat voorzichtig zijn maar vandaag kunnen wij toch duidelijk spreken van een opeenstapeling van blunders. Gevolg is dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is verklaard op eigen verzoek in een heel ernstige strafzaak, een gewapende overval die zeer traumatisch is geweest voor een aantal slachtoffers. Het wordt gekwalificeerd als een bedrijfsongeval omdat het oordeel luidt dat er geen opzet in het spel was, maar dat is eigenlijk een understatement. Er was op dat ressortsparket een totaal gebrek aan urgentie en communicatie. Er was geen werkelijke dossiereigenaar en het zoekraken van het dossier kreeg niet de aandacht die het verdiende. Er is onvoldoende getracht een schaduwdossier te vormen. Nadat het oorspronkelijke dossier was zoekgeraakt, blijkt het vorderen van niet-ontvankelijkheid uiteindelijk onontkoombaar.

Inmiddels hebben mensen hun verantwoordelijkheid genomen. De hoofdverantwoordelijke is afgetreden, maar als je het dossier en het rapport van Steenhuis leest, dan wordt wat mijn fractie betreft wel heel erg gekeken naar de structuren. De stukken lezend vragen wij ons ook af waar het nog om houding gaat. Iemand zet een doos bij een ander op de kamer. De desbetreffende persoon laat die doos daar staan totdat die zich gaat afvragen wat er eigenlijk in zou zitten. Dan heb ik zoiets van: wij werken hier toch niet bij de bakker? Er is toch niet een doos met broodjes neergezet? In zo’n werkomgeving moet iedereen zich er tot in de haarvaten van bewust zijn dat het gaat om ernstige delicten. Degene in wiens kamer die doos is neergezet, moet dan toch te horen krijgen dat wat daar is neergezet? Degene die deze doos ziet staan, moet zich dan toch afvragen waarom die daar staat: waarom heeft iemand het nodig gevonden om iets onder mijn aandacht te brengen? Het blijkt vaker te gebeuren dat wanneer er ergens problemen zijn, men in structuren schiet. Het is op zichzelf goed dat mensen hun verantwoordelijkheid nemen maar de vraag is wie in functioneringsgesprekken met deze mensen aan de slag gaat om te bezien of het op het terrein van de houdingsaspecten allemaal wel snor zit. Je kunt niet alles oplossen in structuren. Als ik kijk hoe het is georganiseerd, krijg ik er jeuk van. Dan denk ik: dat is een werkomgeving waar ik nooit wil zijn. Kijkend naar hoe het in al die netwerkjes en systemen allemaal gaat, behoeft er maar een keer iets fout te gaan en dan treedt de wet van Murphy in werking en valt het gehele systeem uit elkaar. En dan komt het aan op houding, op het gevoel voor je verantwoordelijkheid. Het is belangrijk dat de minister daaraan duidelijk aandacht besteedt in de gehele keten van het OM. Iedereen zit daar vreselijk zijn best te doen en ongetwijfeld zit het bij de meeste mensen prima, maar laten wij de mensen vooral aanspreken op houding. Wat er in deze zaak is gebeurd, iséén grote nachtmerrie.

Dat brengt mij tot de volgende vraag. Kunnen wij er toch wel enigszins gerust op zijn dat genoemde opeenstapeling van blunders niet ook elders gebeurt? Er is nu heel gericht gekeken naar het ressortsparket Amsterdam. Wellicht wordt er wat gedaan ten aanzien van de proceseigenaren, de termijnen en de systemen. Mogen wij ervan uitgaan dat dit ook gebeurt wat betreft andere gerechtshoven en andere doorschakelingen van dossiers en systemen? Het mag niet gebeuren dat wij morgen hier weer zitten en dat er weer slachtoffers zijn en dat verdachten maar zitten te wachten in een huis van bewaring terwijl wij helemaal niet weten dat er een dossier zoekgeraakt is.

Het rapport van Steenhuis lezend, snap ik niet hoe een journalist op een gegeven moment naar het OM kan bellen met de mededeling dat het gaat over een zaak ten aanzien waarvan het dossier zoek is. Nergens in het rapport wordt een verwijzing gemaakt naar advocaten. Die zijn nog niet benaderd met het verzoek om dossiers. Eigenlijk kwam het als een soort duveltje uit een doosje. Wij begrijpen dat niet zo goed. Het is schrijnend dat er niet met slachtoffers en anderen werd gecommuniceerd dat er iets ergs was gebeurd met het dossier. Wij willen graag van de minister horen dat wij ervan uit mogen gaan dat het hierbij gaat om een uitzondering. De indruk moet weliswaar niet gewekt worden dat bij het OM sprake is van rondvliegende dossiers, maar wel moet er in dezen sprake zijn van een wake-upcall. Het gaat niet alleen om structuren maar zeker ook om houding. Het OM zal het maximale moeten doen – de minister is daarin uiteindelijk de aanstuurder – om ervoor te zorgen dat dit niet nogmaals kan gebeuren.

Mevrouw Van Velzen (SP): Voorzitter. Het hele gebeuren rond het zoekraken van het strafdossier over de overval op de discotheek Jimmy Woo is gênant te noemen. Door dit soort gebeurtenissen wordt het vertrouwen in de rechtsstaat geschaad. Het Openbaar Ministerie stond in zijn hemd. Het uitgebreide onderzoeksrapport dat de minister aan de Kamer heeft gestuurd laat zien op welke amateuristische manier werd omgegaan met dossiers. Ook het gebrek aan aandacht en urgentie om het dossier terug te vinden, is schrijnend. Er gaat niet eens een memo of een e-mail door de organisatie als een belangrijk dossier verdwenen is met de vraag of iemand er meer van afweet. Het is alsof er gezocht wordt naar een oude krant. Hier lusten de honden geen brood van. Maar goed, de hoofdverantwoordelijke heeft zijn conclusies getrokken en heeft zijn ontslag aangeboden. De twee inmiddels niet meer daders maar wederom verdachten worden opnieuw berecht. De nodige maatregelen zijn getroffen. Lessons learned, zou ik zeggen, maar toch blijf ik met een aantal vragen zitten. Was dit de eerste keer dat een dergelijk dossier zoekraakte? Is er nu voldoende gedaan om dit soort pijnlijke bloopers te voorkomen in alle geledingen en alle arrondissementen? Zijn de aanbevelingen van dit onderzoek ook doorgestuurd naar de andere arrondissementen, zodat zij kunnen voorkomen wat er in Amsterdam is gebeurd? Kan de minister garanderen dat met de huidige maatregelen dit«eens maar nooit meer» was?

De heer Heerts (PvdA): Voorzitter. Wij spreken over een bedrijfsongeval waarvan je er in zijn algemeenheid niet te veel van moet hebben, aangezien het anders toch wel ernstig met het bedrijf zou zijn gesteld. Het rapport-Steenhuis is duidelijk en geeft ook aan waar het probleem zit. Dat zit niet alleen in de structuur maar ook in de gedragsmatige aspecten ofwel de bedrijfscultuur binnen het ressortsparket Amsterdam. Verhuisdozen willen wel eens lang blijven staan als je er tegenop ziet dat je ze moet uitpakken, maar in dit geval bleef een doos staan waar wel heel belangrijke informatie in zat, temeer omdat het ging om een heel ernstig misdrijf. De rechtsorde is zwaar geschaad als het gaat om het voldoende serieus nemen van je werk en het voldoende aanleggen van een schaduwdossier. Intussen heeft de verantwoordelijke zijn functie ter beschikking gesteld en zijn er belangrijke aanbevelingen gedaan. Ik ben het met collega Teeven eens dat wij er nu hard over kunnen oordelen omdat iedereen uiteindelijk heel open en eerlijk heeft meegewerkt aan het onderzoek. Dus wij kunnen ook pijnlijk zien hoe het allemaal fout heeft kunnen lopen.

Een en ander heeft geleid tot drie aanbevelingen die door het college heel snel zijn overgenomen en die door de minister zijn onderstreept. Het allerbelangrijkste is de vraag hoe wij nu toezien op de implementatie. Ik hoop uiteindelijk dat de rechtsorde hersteld wordt en dat de twee betrokkenen door de rechtbank op een juiste manier worden veroordeeld. Het misdrijf is er ernstig genoeg voor. Hoe ziet de minister samen met het College van procureurs-generaal er op toe dat deze bedrijfscultuur van het laten liggen van poststukken, wordt doorbroken? Het programma Versterking opsporing en vervolging geeft aan dat het functioneren van het OM en de zittende magistratuur beter moet worden georganiseerd, waarbij ik onder meer denk aan digitalisering. Hoe zal het bijvoorbeeld gaan als men straks digitaal een dossier moet terugvinden? Hoe verhoudt de implementatie van genoemde drie aanbevelingen zich met het programma Versterking opsporing en vervolging? Als de cultuur niet wijzigt en de urgentie dus niet verbetert ten opzichte van dit soort zaken, vrees ik dat het niet bij één bedrijfsongeval blijft. Wat mijn fractie betreft is het dan ook «eens maar nooit weer».

De heer De Roon (PVV): Voorzitter. Er is inderdaad sprake geweest van een genante vertoning die echt schadelijk is voor het vertrouwen dat de burger in justitie moet kunnen stellen. Dat vertrouwen wordt al op veel manieren aangetast. Ik moet constateren dat hetgeen in dit geval is gebeurd ook weer bijdraagt aan de aantasting van dat vertrouwen. Het is overigens wel een goede zaak dat toen eenmaal bleek wat de misstand was, er zo adequaat mogelijk is gereageerd.

Het gaat hier om een ressortsparket waar ik een band mee heb. Ik heb daar tot november 2006 gewerkt. Wat ik heb gelezen aan constateringen over de bedrijfscultuur die tot dit ongeval heeft geleid, herken ik niet uit mijn eigen tijd daar. Ik vind het ook niet op mijn weg liggen om commentaar te leveren op wat daar wellicht veranderd is sinds ik daar ben vertrokken. Wel wil ik onder de aandacht brengen dat het gebouw waar dit ressortsparket is gevestigd een verschrikkelijk verouderd, onhandig en ondeugdelijk gebouw is als het gaat om een moderne bedrijfsvoering met grote hoeveelheden dossiers. Dat was ook toen ik er werkte al een verschrikking. Zo-even is gesproken over een doos waar men tegen opzag om die uit te pakken. Als dat het was, valt het eigenlijk niet te begrijpen. Het gaat echter niet om één doos, maar om tientallen dozen die op een gang staan en waarvan niemand goed weet wat daarin zit. Ik heb ook geconstateerd dat er tientallen dozen over de grond verspreid staan, tussen de bureaus van vijf of zes medewerkers op een kamer. Dat is onwerkbaar. Het is verschrikkelijk om daar je weg in te vinden. Wat dat betreft heb ik een vraag aan de minister. Toen ik daar nog werkzaam was, was er sprake van nieuwbouw ten behoeve van het gerechtshof en het ressortsparket in Amsterdam. Bestaan die plannen nog steeds en gaan die ook tot uitvoering komen? Hoewel dit allemaal geen verontschuldiging is voor wat er is misgegaan, is het naar mijn idee wel een verklarende factor. Ik denk dat het een goede zaak is als hierin snel een aanzienlijke verbetering wordt aangebracht.

Dat dossiers tijdelijk zoekraken bij Justitie is voor mij geen verrassing. Ik heb dat zelf ook meegemaakt, op dit parket en op andere parketten. Dat leidt in mijn ervaring in principe nooit tot problemen. De constatering dat er iets mis is of zoek is, wordt in de regel tijdig gedaan. Dan wordt een dossier gereconstrueerd aan de hand van bronnen elders. Daar kom je eigenlijk altijd uit. In deze zaak heeft het mij enorm verbaasd en verrast dat de reconstructie van het dossier niet tot stand is gekomen of in ieder geval niet tijdig tot stand is gekomen. Het is heel goed om de vraag te stellen of dit een kwestie is van de unieke omstandigheden van dit geval, namelijk dat de reconstructie niet tijdig heeft plaatsgevonden. Of heeft het toch iets te maken met een structurele misstand? Graag verneem ik hierover de mening van de minister.

Ten slotte vraag ik de minister de Kamer toe te zeggen dat er in 2010 een evaluatieonderzoek wordt ingesteld om na te gaan of alle door de minister in zijn brief uiteengezette maatregelen om herhaling te voorkomen daadwerkelijk zijn doorgevoerd, nageleefd worden en effectief blijken om herhaling te voorkomen. De maatregelen die de minister heeft aangekondigd en voorgesteld, lijken mij allemaal prima en adequaat. Het gaat echter niet alleen om het nemen van maatregelen, maar ook of die uitgevoerd en nageleefd worden en of daarbij knelpunten ontstaan. Graag daarover een rapportage in 2010.

De heer Teeven (VVD): Ik heb in mijn termijn iets gezegd over het ressortsparket Amsterdam. Daarbij heb ik gerefereerd aan de werkkring van de heer De Roon. Het is te prijzen dat de heer De Roon zijn oude werkkring niet afvalt. Ik heb, net als andere sprekers, iets gezegd over de cultuur van eigenaarschap van strafdossiers bij moeilijke zaken en het inlichten van slachtoffers. Ik weet dat de partij van de heer De Roon dit zeer serieus neemt en dat slachtoffers voor hen voorop staan. Herkent de heer De Roon hier niets van? Ik heb tien jaar in het eerstelijnsparket in Amsterdam gewerkt en ook tien jaar te maken gehad met het ressortsparket. Het verbaast mij dat de heer De Roon daarvan niets herkent. Ik herken namelijk wel dat het eigenaarschap in hoger beroep van een moeilijk strafdossier bij AG’s niet tussen de oren zit. Ik herken ook dat slachtoffers niet altijd de aandacht krijgen die zij verdienen, vooral in hoger beroep. Het verbaast mij dus, al waardeer ik dat de heer De Roon rekening houdt met zijn oude werkkring. Ik begrijp echter niet dat hij daar niets van herkent. Als hij bij zijn standpunt blijft, verschillen onze waarnemingen op dit vlak totaal. Dat kan, maar wij hebben alle twee in deze organisatie gewerkt.

De voorzitter: Ik moet zeggen dat de voormalige werkkring van beide Kamerleden hier niet ter discussie staat.

De heer Teeven (VVD): Niet alleen Kamerleden, maar ook de minister doet dat echter vaak. Als de minister mij en de heer De Roon herinnert aan waar wij vroeger hebben gewerkt, glimlacht u alleen en zegt u daar niets van. Dat vind ik bijzonder.

De voorzitter: Ik moet deze opmerking maken omdat u onderling uw voormalige werkkring ter discussie lijkt te willen stellen.

De heer De Roon (PVV): Voor alle duidelijkheid, het gaat mij er niet om al dan niet mijn voormalige werkkring af te willen vallen. Ik wil volledig eerlijk zijn in wat ik daarover vind. Ik wil dan ook volledig ingaan op de vragen van de heer Teeven. Het eigenaarschap van strafdossiers is inderdaad ontzettend belangrijk. Het werkt naar mijn idee het best als een bepaald strafdossier dat behandeld moet worden binnen een parket wordt toegewezen aan een OM-lid, een officier van justitie of een advocaat-generaal, die daar van begin tot eind verantwoordelijk voor is. Dat is de beste werkwijze als het gaat om eigenaarschap van strafdossiers. Ik vind dat een lid van het OM, een officier van justitie of bij een hoger beroep een advocaat-generaal, de eindverantwoordelijke is voor wat er met een zaak gebeurt. Mensen moeten zich nooit kunnen verschuilen achter redenaties dat andere mensen iets hebben gedaan. Iemand moet eindverantwoordelijke zijn op een dossier. Ik onderschrijf dat punt. Daarover bestaat dus geen verschil van mening tussen de heer Teeven en mijzelf.

Over de bejegening van slachtoffers kan ik alleen voor mijzelf spreken over mijn tijd op het ressortsparket. Ik heb niet kunnen waarnemen hoe anderen dat deden. Ik kan alleen voor mijzelf spreken. Ik ga mijzelf echter niet op de borst kloppen. Daarop zit niemand te wachten. Ik kan niet zeggen hoe anderen het hebben gedaan. Dat weet ik gewoon niet.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik zit een beetje te kauwen op de inbreng van de heer De Roon. Ik vraag hem wat prioriteit moet hebben. Ik hoor hem zeggen dat het vaak gebeurt dat er dossiers kwijt zijn en dat het hem verbaast dat men in dit geval niet beter is geslaagd in een reconstructie van het dossier. Vindt hij nu dat wij handiger moeten worden in het maken van schaduwdossiers of moeten wij ervoor zorgen dat dossiers niet meer kwijtraken? Het moet toch niet kunnen dat er ergens dossiers in de gang staan die van niemand zijn? Dan zitten wij hier volgende week misschien weer.

De heer De Roon (PVV): Het gaat natuurlijk om het laatste. Wij moeten ervoor zorgen dat de werkomstandigheden, qua gebouw en bedrijfscultuur, inhouden dat dossiers niet zoekraken. Dat moet vooropstaan. Wij moeten niet varen op de gedachte dat wij het zo moeten laten omdat wij het wel reconstrueren als iets zoekraakt. Dat is naar mijn idee een heel slechte vorm van bedrijfsvoering.

Antwoord van de minister

Minister Hirsch Ballin: Voorzitter. De inbreng van de leden is verschillend qua toonzetting. De leden verschillen ook qua arbeidsverleden. De strekking van wat naar voren is gebracht, strookt echter met mijn opvatting. Dit had niet mogen gebeuren en er is alle reden om daar kritisch en grondig naar te kijken. Er is alle reden om naar aanleiding van het rapport-Steenhuis conclusies te trekken en de uitvoering daarvan scherp in de gaten te houden. Ik reken erop dat de nieuwe hoofdadvocaat-generaal daar samen met zijn mensen voor zal zorgen. Door verschillende sprekers is gezegd dat dit betrokkenheid en verantwoordelijkheidszin verlangt van iedereen die daarmee te maken heeft. Mevrouw Van Toorenburg zei dat heel beeldend. Daarbij spelen allerlei factoren een rol.

Ik denk niet dat er iets op tegen is als ik de heer Teeven af en toe in waarderende zin herinner aan zijn arbeidsverleden. De heer De Roon heb ik eergisteravond ook nog op zijn arbeidsverleden aangesproken. Ik zal vandaag geen enkel Kamerlid belagen met de vraag of zij nog meer gegevens hebben die relevant kunnen zijn voor de nieuwe hoofdadvocaat-generaal. Dat reken ik maar even niet tot mijn taak in dit overleg.

Ik had wel een associatie met mijn arbeidsverleden toen het ging over de huisvesting van het gerechtshof en het parket. Ik heb daar namelijk in mijn eerste ambtsperiode mee te maken gehad. Wij waren toen intens bezig met nieuwbouw voor de gerechten, wat heeft geleid tot vele, inmiddels gerealiseerde bouwplannen en gerechtsgebouwen waarin ook automatisering plaatsvindt en mensen op de goede momenten bij elkaar kunnen binnenlopen zonder de kans op ongewenste bezoekers voor het hof, het hofparket, de rechtbank of het arrondissementsparket. Er was toen grote zorg bij het gerechtshof Amsterdam dat het historische gebouw verlaten zou moeten worden, dat van zoveel betekenis was op die plek in de stad. Dat vond toen ook enige weerklank bij de fracties in de Kamer. Ik weersta nu de verleiding om de fracties die vandaag vertegenwoordigd zijn te herinneren aan wat op dat moment door de toenmalige woordvoerders is gezegd. De heer De Roon kan zich heel veilig voelen. Zijn fractie bestond toen nog niet in de Tweede Kamer. Er is echter een periode geweest dat er zo werd gehecht aan historische gebouwen dat niet overal in het land nieuwbouw is gerealiseerd. Er is toen gekozen voor het opknappen van het gebouw aan de Prinsengracht. Ik kon dat navoelen. Ik kan mij herinneren dat mijn vader in de jaren vijftig naar de praktizijnsbibliotheek aan de Prinsengracht ging. Ik heb een beeld van dat gebouw. Ik kan dan ook zeggen dat het goed is dat er nieuwbouw tot stand komt, zoals voor de meeste andere gerechten in Nederland inmiddels is gerealiseerd. Het College van procureurs-generaal en de Raad voor de rechtspraak zijn bezig met nieuwbouw voor het OM en rechtspraak op hofniveau. Voor de rechtbank is dat er uiteraard allang in Amsterdam. Dit heeft de aandacht. Daarvoor wordt gedacht aan een iets noordelijker locatie in Amsterdam, in de buurt van het IJ.

De heer Heerts (PvdA): Binnenkort beginnen wij met mes en vork aan de herziening van de gerechtelijke kaart. Historie is van belang. Ik ben echter blij dat wij ons bij nieuwbouw niet door het verleden laten leiden.

Minister Hirsch Ballin: Ik ben het ermee eens dat de historie ons niet in de weg mag zitten.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Mij moet van het hart dat het ook mooi kan. Kijk bijvoorbeeld naar de gebouwen van de Tweede Kamer. Het hoeft niet zo te zijn dat de historie wordt gesloopt om te moderniseren.

De voorzitter: Het debat waarop de heer Heerts doelt, staat gepland voor mei.

Minister Hirsch Ballin: Nu moet ik oppassen. Straks spreken wij nog over de gebouwelijke voorzieningen van de Eerste Kamer. Daarvoor moet men zich echter vervoegen bij minister Van der Laan, die verantwoordelijk is voor de Rijksgebouwendienst.

Wij zijn het erover eens dat een aantal zaken van belang is om dit soort situaties te voorkomen. Het is goed dat daarbij ook de huisvesting wordt betrokken. De heer Teeven plaatst dat terecht in de context van het vertrouwen in het Openbaar Ministerie en het rechtsgevoel bij slachtoffers. Dat het gebeurde bij deze zaak, die al zoveel onrust in de samenleving met zich bracht, maakt het dubbel en dwars pijnlijk. Na intern juridisch beraad heeft het Openbaar Ministerie ervoor gekozen om niet via een poging tot cassatie tegen de niet-ontvankelijkverklaring in te gaan, maar via het opnieuw aanbrengen bij de rechtbank de zaak aan de rechter voor te leggen. Ik lever daarop op dit moment uiteraard geen commentaar. De rechter moet zich daarover uitspreken.

Het rapport van 25 november vorig jaar van oud-procureur-generaal Steenhuis is volledig overgenomen door de leiding van het Openbaar Ministerie. Ik ben het daarmee eens. Dat betekent dat de bevindingen het startpunt zijn voor de maatregelen. Ik hecht eraan naar aanleiding van de vraag van mevrouw Van Velzen de complexe organisatie van het Openbaar Ministerie te beklemtonen, waar jaarlijks heel wat mensen onder hoge werkdruk werken met vele honderdduizenden strafdossiers. Er kan menselijkerwijs en redelijkerwijs nooit voor 100% worden uitgesloten dat er niets misgaat. De systemen en de werkwijze moeten echter zodanig ingericht zijn dat het risico zo klein mogelijk is. Vandaar de aanbevelingen van de heer Steenhuis, met als belangrijkste een duidelijk eigenaarschap te creëren voor dossiers over ernstige zaken met grote maatschappelijke gevolgen, zoals bij de Jimmy Woo-zaak duidelijk het geval was. Daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor de contacts- of gebieds-advocaat-generaal, die gekoppeld is aan de regio waarin een strafzaak speelt. In het ressortsparket was weliswaar een begin met dit soort voorzieningen gemaakt door het instellen van gebieds-AG’s. Dat moest verder uitgewerkt worden. Dat is de eerste aanbeveling waaraan gevolg zal worden gegeven.

De tweede aanbeveling is het verplichtstellen van het gebruik van het bestaande registratiesysteem NIAS voor de medewerkers op elk functieniveau, zodat alle dossierbewegingen vastgelegd worden en op elk moment kan worden vastgesteld waar een dossier zich bevindt.

De laatste aanbeveling betreft de logistiek en de termijnaanscherping binnen de werkwijze van het Openbaar Ministerie.

Mevrouw Van Velzen en de heer Teeven vragen naar de concrete maatregelen. De vijf afzonderlijke ressortsparketten zijn opgegaan in een nieuwe landelijke ressortelijke organisatie, die ervoor moet zorgen dat de werkwijze uniform wordt, de bedrijfsvoering centraal wordt geregeld en de advocaten-generaal zo veel mogelijk landelijk kunnen worden ingezet vanuit hun specialistische kennis of kwaliteiten. Daarbij is ook een taakverdeling gerealiseerd tussen de vijf hofparketten.

Op basis van de aanbevelingen van het rapport-Steenhuis is het actieplan versterking eerste en tweede lijn aangescherpt. Dit actieplan heeft als doel de samenwerking en communicatie tussen eerste en tweede lijn te verbeteren. Het taboe is er inmiddels af dat mensen die in de eerste lijn een zaak hebben behandeld ook een grote of kleine rol in de tweede lijn kunnen spelen. Hoe ver dat precies zal gaan en welke rol er voor de hoofdadvocaat-generaal ligt bij de kwaliteitszorg in de tweede lijn bekijkt het OM in samenspraak met mijn beleidsdepartement. Daar zullen wij voor het einde van het jaar conclusies over trekken.

Voor de informatie-uitwisseling over de gevoelige zaken heeft de gebieds-AG met de zaaks-AG een rol te spelen. Er zal meer uitwisseling zijn van medewerkers tussen de arrondissementsparketten en de ressortsparketten.

Naar aanleiding van de vraag van de heer Heerts merk ik op dat het College van procureurs-generaal eind 2009 een interne audit zal uitvoeren naar de eerste en de tweede lijn. Daarbij wordt uitdrukkelijk gekeken naar de wijze waarop aanbevelingen van de heer Steenhuis zijn opgepakt.

Dan kom ik op de behandeling van de beoordeling van OM-appels. Naar aanleiding van de aanbevelingen van oud-procureur-generaal Steenhuis over dit onderwerp is de werkwijze ingevoerd dat binnen vier weken na het instellen van het hoger beroep moet worden beslist of het appel van de kant van het OM wordt doorgezet. Die beslissing wordt genomen door de gebieds-AG, tenzij het een specialistische zaak betreft. Dat kan zich bij fraudezaken en milieuzaken voordoen. Dan zal de daarin gespecialiseerde advocaat-generaal dat beoordelen. Ook voor de gespecialiseerde AG die de zaak na overdracht krijgt, geldt de termijn van vier weken. Die werkwijze is mogelijk doordat de advocaat-generaal en de secretaris, in tegenstelling tot vroeger, het OM appel beoordelen op basis van de schaduwstukken. Dat zijn dus de kopiestukken die de officier van justitie gebruikt als hij ze naar het hofparket stuurt. Alleen als er een uitgewerkt vonnis met de bewijsmiddelen in de betreffende zaak nodig is voor de beoordeling, wordt de inzending van het vonnis afgewacht. Er zijn zaken waarin dat helaas een tijd duurt. Het tweedelijns-OM wacht dus zo min mogelijk op de uitgewerkte vonnissen en gaat zo snel mogelijk aan het werk op basis van het schaduwdossier.

Ik ben blij en acht het nodig dat het OM de aanbevelingen uit het rapport-Steenhuis op voortvarende wijze en landelijk, dus niet alleen bij het Amsterdamse hofparket, heeft geïmplementeerd. Het actieplan voor de versterking van de eerste en tweede lijn waarmee men al bezig is, is aangescherpt op grond van de aanbevelingen van de heer Steenhuis. Ook dat juich ik toe en ondersteun ik.

De heer Teeven vroeg naar alertheid op publicitaire risico’s. Dat heeft ook te maken met houding en het geconstateerde gebrek aan eigenaarschap. Het betreft ook de relatie tot de publiciteit en het gevoel dat er bestaat voor strafzaken die veel onrust veroorzaken. Dat betekent niet dat dit in het algemeen zo is. Wij moeten er dus ook niet van uitgaan dat wat er zich in deze zaak helaas heeft voorgedaan een soort algemeen patroon was. Daarmee zouden wij het hofparket in Amsterdam bepaald onrecht aandoen. Het heeft wel kunnen gebeuren en het is gebeurd, vandaar deze aanbevelingen en conclusies. Daarom krijgt het cultuuraspect aandacht. Het OM is één organisatie en moet als zodanig werken en niet denken in een soort verkeerd opgevatte autonomie van onderdelen van het OM ten opzichte van elkaar.

De heer Teeven vroeg terecht naar de informatie aan de slachtoffers. Uit het onderzoek van de heer Steenhuis komt naar voren dat pas kort voor de zitting is getracht de slachtoffers op de hoogte te brengen. Telefonisch informeren was op dat moment de enige mogelijkheid. Toen bleek dat er geen telefoonnummers waren. Dat is allemaal erg pijnlijk en vervelend en dat is onder ogen gezien. De heer Steenhuis constateert in mijn ogen terecht dat er onvoldoende oog is geweest voor de gevolgen die de niet-ontvankelijkheidverklaring voor de slachtoffers zou hebben. Dat is mede toe te schrijven aan het gebrek aan eigenaarschap dat er was voor dit dossier. Het punt dat de heer Teeven terecht onder de aandacht brengt, is door de heer Steenhuis onderkend en onder de aandacht gebracht. Ik vind dat een belangrijk punt, want het betreft de relaties tot de slachtoffers; de mensen die direct voelen hoe ernstig en dramatisch het is als er een niet-ontvankelijkheidverklaring uitkomt.

De heer Teeven (VVD): In het dossier lees je ook dat de eerstelijnsofficier in een vroeg stadium had aangeboden aan het ressortsparket om eventueel bijstand te verlenen. Hij had wel de beschikking over de contactgegevens van de slachtoffers. Wordt er in de nieuwe landelijke organisatie op gewezen dat je soms voor dat soort dingen terug moet naar de eerste lijn?

Minister Hirsch Ballin: Ja zeker. Dat is inderdaad een treffende, maar dus ook pijnlijke illustratie van wat ik net zei. Er moet een eind komen aan het feit dat de eerste en tweede lijn nodeloos langs elkaar heen werken.

Het College van procureurs-generaal was hier al mee bezig, voorafgaand aan deze zaak. Ik wil niet de indruk wekken dat het allemaal pas is gaan lopen naar aanleiding van het rapport-Steenhuis, gelukkig niet. De relatie tussen de eerste en tweede lijn is in ieder geval sinds de eerste gesprekken die ik daarover in 2007 had met de leiding van het Parket-Generaal onder de aandacht. Wij verwachten dit jaar conclusies op dit punt.

Mevrouw Van Toorenburg vroeg naar de lijn naar de journalistiek. Op pag. 13 van het rapport-Steenhuis is daar iets over te vinden. Met de advocatuur is wel gecommuniceerd. Door wie of wat er een link is gelegd naar de media hebben wij niet kunnen vaststellen naar aanleiding van het rapport-Steenhuis. Ik denk dat wij het bij de nuchtere constatering moeten laten dat dit punt niet onderzocht is door de heer Steenhuis. Wij weten dus dat er publiciteit was.

De heer Heerts heeft gevraagd of en wanneer er een evaluatie komt van de nieuwe werkwijze van de ressortsparketten. De nieuwe werkwijze, waarbij tevens de aanbevelingen naar aanleiding van het rapport-Steenhuis gestalte hebben gekregen, wordt landelijk gefaseerd ingevoerd en geïmplementeerd. Een deel is trouwens al geïmplementeerd. Deze werkwijze zal jaarlijks in het najaar geëvalueerd worden. Dat is het antwoord op de vraag van de heer Heerts. De werkwijze zoals uit het rapport voortvloeit, wordt daarin meegenomen. Ik zal de Kamer graag informeren over de eerste evaluatie die dus eind dit jaar zal plaatsvinden, zeg ik in antwoord op de heer De Roon.

Mevrouw Van Velzen en mevrouw Van Toorenburg hebben gevraagd naar eerdere gevallen. Er is een eerder geval geweest, waarover drie jaar geleden de Kamer is geïnformeerd. Toen was er een dossier van een beëindigde strafzaak zoekgeraakt. Daarover is toen uitgebreid gesproken en daar was alle reden voor. Dat is ons op dit moment bekend. Zoals ik al eerder zei, kunnen wij niet alles uitsluiten. Het is mensenwerk. Er zijn veel mensen betrokken bij honderdduizenden strafzaken. Bij navraag bleek dat dit in 2006 met de Kamer besproken geval op het netvlies staat.

De heer Heerts stelde een vraag over de aanbevelingen en het plan van aanpak voor de versterking van het OM. Het accent op de eerste lijn is er. Het actieplan richt zich op versterking van de samenwerking van de eerste en tweede lijn. Die twee dingen zullen naast elkaar lopen.

Daarmee heb ik de gestelde concrete vragen beantwoord. De door de commissie naar voren gebrachte gevoelens en inzichten delen wij volledig. Het OM heeft zich dit terdege aangetrokken, zoals blijkt uit alle deels lopende en deels nieuwe maatregelen die zijn getroffen. In die geest zal worden toegezien op de implementatie daarvan.

Nadere gedachtewisseling

De heer Teeven (VVD): Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn antwoorden. De VVD-fractie heeft er vertrouwen in dat die aanbevelingen zullen worden geïmplementeerd. Wij wachten met interesse af wat de evaluatie eind 2009 of in 2010 oplevert, ook voor de nieuwe inrichting van de ressortelijke organisatie. Ik vond de constatering van de heer Heerts interessant dat de historie voor de minister gelukkig geen belemmering is om op andere terreinen efficiënt met de gerechtelijke organisatie om te gaan.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Voorzitter. Wij danken de minister voor zijn antwoorden en voor de wijze waarop hij dit bespreekt. Daaruit spreekt duidelijk de betrokkenheid en ernst. Ik wil toch nog even terug naar hoe je «houding» kunt vertalen. Ik blijf namelijk horen dat de oplossing wordt gezocht in de zakelijke aanpak. Een «eigenaar» is ook een constructie en dat is toch iets anders dan «houding». Het gaat erom of iemand zich eigenaar voelt, of iemand zich realiseert dat iets zijn dossier is. Het gaat erom dat iemand de verdachte en het slachtoffer voldoende op het netvlies heeft. Wordt daar voldoende aandacht aan besteed? Uit het rapport moeten wij opmaken dat dit misschien niet helemaal snor zat. Wordt aan die gevoelskant nu specifiek aandacht besteed? Iemand moet zich verantwoordelijk weten voor de dossiers en met name voor de slachtoffers.

Mevrouw Van Velzen (SP): Voorzitter. De reactie van de minister was helder. Ik denk dat ons niets anders rest dan in de gaten te houden hoe de maatregelen worden uitgevoerd. Ik wens de minister daarbij sterkte.

De heer Heerts (PvdA): Voorzitter. Bij dat laatste sluit ik me aan en ik dank de minister voor de antwoorden. Ik sluit me ook aan bij wat mevrouw Van Toorenburg gezegd heeft. Ik noemde dat een gedragsmatig knelpunt, maar je zou het ook een gevoelsmatige betrokkenheid kunnen noemen. Over de procedurele kant hebben wij het gehad. Komt het in trainingsdagen of opleidingsaspecten terug dat medewerkers zich innerlijk verantwoordelijk horen te voelen voor alles wat achter een dossier zit, ook voor het slachtoffer? Daarom vroeg ik ook naar dat programma voor de versterking van het OM, waarin een aantal cultuuraspecten zit dat daarmee te maken heeft. Verder heb ik vertrouwen in de aanpak van de minister.

De heer De Roon (PVV): Voorzitter. De minister heeft aangegeven dat er eind 2009 een interne audit door het OM zal plaatsvinden. Ik neem aan dat wij daarover begin 2010 zullen worden geïnformeerd. In mijn oren klinkt dat alsof de organisatie naar zichzelf gaat kijken om te beoordelen of zij de afgesproken wijzigingen goed heeft doorgevoerd. Bij een wijziging in de bedrijfscultuur is het volgens mij een gevaarlijke gang van zaken als een organisatie zichzelf moet beoordelen. Ik zou een lans willen breken voor een Steenhuis II voor een evaluatie van de situatie. Dan kan iemand van buitenaf, die wel heel goed weet wat er speelt bij het OM en de rechtbanken, naar deze situatie kijken. Ik stel voor dat dit in 2010 gebeurt. Dit is niet alleen nodig om te zien of de formele afspraken zijn nagekomen, maar ook om te bekijken of de bedrijfscultuur in voldoende mate van richting is veranderd.

Minister Hirsch Ballin: Voorzitter. Ik dank de woordvoerders voor de reacties en voor de steun die daaruit spreekt voor de manier waarop wij dit aanpakken. Wij zijn ons er goed van bewust dat dit de inzet en de betrokkenheid van iedereen vraagt. Mevrouw Van Toorenburg zei dat eigenaarschap en houding niet hetzelfde zijn. Dat is helemaal waar. Het antwoord op de vraag die daarin besloten ligt, is eigenlijk te vinden in wat de heren Heerts en De Roon zeiden.

Je moet je altijd realiseren dat het om mensen gaat bij het moeilijke werk dat alle 40 000 mensen doen die bij Justitie werken. Tijdens een interne conferentie hebben wij onlangs nog tegen elkaar gezegd dat het motto dat in een eerdere gedachtewisseling aan de orde was, namelijk dat recht mensen raakt, voortdurend bij iedereen op het netvlies moet staan. Dat is ook bij velen het geval die binnen deze grote en uit veel onderdelen opgebouwde organisatie werken. Dat geldt ook voor het Openbaar Ministerie. Het is belangrijk dat wij te maken hebben met informatiesystemen, het nieuwe appelsysteem strafzaken (NIAS), goede gebouwen, een organisatie die qua indeling, huisvesting en werkwijze op de toekomst is gericht en een organisatie waar men de samenwerking weet te vinden tussen de eerste en de tweede lijn. Daarnaast zal men zich echter altijd moeten realiseren dat het gaat om slachtoffers en justitiabelen. Mensen in het land verwachten dat er betrokkenheid is bij de manier waarop zaken voor de rechter worden gebracht, of waarop wordt besloten om ze op een andere manier af te doen. Die betrokkenheid zie ik ook. Die kom ik zó vaak tegen. Het is een kwestie van animo. Het draagt voor mij ook bij aan de animo in mijn eigen werk dat ik zo veel mensen tegenkom bij Justitie en het OM die met dit gevoel van betrokkenheid en animo hun werk doen.

Er wordt van buiten zeker meegekeken, ook door het directoraat-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving, naar hoe het gaat met deze aanbevelingen. Wij doen dat niet omdat wij een soort tegenstelling zien tussen het beleidsdepartement en het OM, maar omdat wij weten dat wij samen voor dezelfde taak staan. Ik sprak al mijn vertrouwen uit in de nieuwe hoofdadvocaat-generaal. Ik weet hoe hij gewerkt heeft als hoofd van het arrondissementsparket in Groningen. Ik weet dat hij altijd die animo uitstraalt en uitdraagt richting slachtoffers. Hij is bezig geweest met onderwerpen als mensenhandel en dergelijke. Ik spreek mijn vertrouwen niet in hem uit omdat ik denk dat hij de enige is die dit meebrengt. Hij zal mensen aantreffen met diezelfde animo in het hofparket in Amsterdam en bij de parketten waarmee wordt samengewerkt. Vanuit het ministerie en vanuit degenen die politieke verantwoordelijkheid dragen, willen wij dat ondersteunen. Ook in dat opzicht zie ik het als veel meer dan werkwijze, organisatie, gebouwen, indeling en NIAS alleen. Het gaat er ook om dat wij ons realiseren dat er heel veel betrokken mensen zijn bij Justitie en het OM, die onze en uw steun verdienen bij het aanpakken van die vaak buitengewoon complexe strafzaken, bij die megadossiers en bij die vele dozen die toch staan voor verdachten, slachtoffers en voor de rechtsstaat van ons allemaal. Dat wilde ik nog zeggen in reactie op de opmerkingen, waarvoor nogmaals veel dank.

De voorzitter: Wij zijn aan het eind gekomen van dit overleg. Ik dank alle aanwezigen en sluit de vergadering.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

De Pater-van der Meer

De griffier van de vaste commissie voor Justitie,

Nava


XNoot
1

Samenstelling:

Van de Camp (CDA), De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), De Krom (VVD), Azough (GroenLinks), Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA), Anker (ChristenUnie) en Heemelaar (GroenLinks).

Plv. leden: Sterk (CDA), Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Smeets (PvdA), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Roemer (SP), Jan de Vries (CDA), Weekers (VVD), Halsema (GroenLinks), Dijsselbloem (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Fritsma (PVV), Koşer Kaya (D66), Gill’ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Bouchibti (PvdA), Van Haersma Buma (CDA) en Slob (ChristenUnie).