nr. 19
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 juli 2009
Inleiding
In het Algemeen overleg van 30 juni 2009 met de vaste commissie voor
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is het onderwerp meerjarenramingen
gemeentebegrotingen aan de orde geweest. Aanleiding hiervoor zijn de vragen
die bij de gemeenten zijn gerezen over dat onderwerp nu er pm-ramingen voor
de voor de accressen in de jaren 2012 en verder zijn opgenomen in de meicirculaire
Gemeentefonds 2009. Onderstaand geef ik u mijn opvatting over dat onderwerp.
Ik heb deze afgestemd met de VNG en met de provinciale toezichthouders.
Los van akkoord
Expliciet wordt gesteld dat het accres voor de jaren 2012 en verder geen onderdeel uitgemaakt heeft van de aanvullende afspraken
tussen de fondsbeheerders en de koepels.
In de aanvullende afspraken is wèl opgenomen dat de fondsbeheerders
en de koepels de normeringssystematiek (inclusief de incidentele afwijking)
in gezamenlijkheid zullen evalueren, zoals gebruikelijk in aanloop naar een
nieuwe kabinetsperiode. Deze evaluatie zal in 2010 aanvangen. Uitgangspunt
is dat de normeringssystematiek tijdens de volgende kabinetsperiode wordt
gecontinueerd, maar de beslissing daarover wordt door het komende kabinet
genomen, in overleg met de koepels.
Over de situatie voor 2012 en verder is op dit moment
vrijwel niets te zeggen
In principe zou het mogelijk zijn om de «gebruikelijke» normeringssystematiek1 door te rekenen over de jaren 2012 en verder, op basis
van de Netto Gecorrigeerde Rijksuitgaven uit de Voorjaarsnota. Echter, het
beeld dat dan zou ontstaan zou een verkeerd signaal afgeven en zou daardoor verkeerde verwachtingen kunnen wekken. Dit wordt onder andere
veroorzaakt door de volgende factoren:
• Het huidge economisch beeld is uitermate onzeker, met name de lange
termijn (de periode 2012 en verder) is extreem slecht te voorspellen (dit
is de reden waarom het kabinet de verhouding tussen stimuleren en ombuigen
in 2011 afhankelijk heeft gemaakt van de economische groei);
• In 2011 zullen er verkiezingen plaatsvinden en zal er een nieuw
kabinet aantreden, dit kan en zal nogal wat betekenen voor de rijksfinanciën
en de financiën van de medeoverheden;
• Gegeven het verslechterde Nederlandse EMU-saldo is het zeer wel
denkbaar dat het Rijk geconfronteerd wordt met een omvangrijke ombuigingsopgave
op de netto rijksuitgaven, welke op dit moment nog niet ingevuld is;
• In 2010 zal er in samenwerking met de koepels een evaluatie aanvangen
van de normeringssystematiek en er kan niet vooruitgelopen worden op deze
evaluatie; en
• Eind 2009 zal de Wet op de tekortnormering gepresenteerd worden.
Ook de medeoverheden hebben hier een aandeel in en dit kan een effect hebben
op het saldo in de komende jaren.
Bovenstaande heersende onzekerheden zorgen voor een uitermate beweeglijk
beeld voor de jaren 2012 en verder. De fondsbeheerders konden (en wilden)
daardoor geen concrete afspraken maken over het accres in deze periode. Daarbij
zijn de fondsbeheerders terughoudend en voorzichtig in het geven van ramingen,
signalen en/of verwachtingen voor de lange termijn.
Behoedzaamheid en bandbreedte
Gegeven de uitermate onzekere periode die te wachten staat wordt gemeenten
geadviseerd behoedzaamheid te betrachten bij het opstellen van de meerjarige
gemeentelijke begrotingen.
Gegeven de bovenstaande onzekerheden zijn twee scenario’s te schetsen,
die zouden kunnen gelden als een voorlopige hanteerbare
bandbreedte, waaraan overigens op geen enkele wijze rechten kunnen worden
ontleend door gemeenten of provincies.
• Scenario A: een reëel accres van nul in de jaren 2012 en verder.
In dit scenario wordt er gecompenseerd voor de inflatie en het nominale accres
bevat dus enkel loon- en prijscompensatie. Er is geen sprake van reële
groei. Dit scenario is in wezen het doortrekken van het accres uit de gemaakte
afspraken voor 2010 en 2011.
• Scenario B: een nominaal accres van nul in de jaren 2012 en verder.
In dit scenario wordt er geen accres uitgedeeld. Er is sprake van een reële
krimp ter grootte van de inflatie. Ook somberder scenario’s dan dit
scenario kunnen echter bewaarheid worden.
Bezuinigingstaakstelling
Gegeven de beschreven onzekerheden en geschetste bandbreedte wordt gemeenten
geadviseerd om bij het opstellen van de begroting 2010 en de meerjarenraming
(zeer) behoedzame uitgangspunten te hanteren aangaande het accres voor de
jaren 2012 en verder.
Wanneer de begroting 2010 sluitend is volgt repressief toezicht, ook indien
de meerjarenbegroting voor de jaren 2011, 2012 en 2013 niet sluit. Van repressief
toezicht is ook sprake wanneer een tekort ontstaat door versnelling van investeringen.
Daarover zijn in het aanvullende akkoord tenslotte afspraken gemaakt. De meerjarenbegroting
kan eventueel sluitend worden gemaakt met een taakstellende/richtinggevende
bezuiniging. Deze taakstelling moet dan volgend jaar wel invulling
krijgen naar de dan geldende inzichten. Bij begroting 2011 moet er derhalve
weer zicht zijn op een sluitende meerjarenbegroting. In geval de begroting
2010 niet sluit geldt preventief toezicht, tenzij de meerjarenbegroting reëel
in evenwicht is (reëel, dat wil zeggen niet met een taakstellende/richtinggevende
bezuiniging in evenwicht gebracht).
Risicoparagraaf opnemen
De gemeenten wordt nadrukkelijk geadviseerd om in de begroting een paragraaf
op te nemen met een uitleg over de gehanteerde meerjarige uitgangspunten.
In deze paragraaf kan aandacht geschonken worden aan en uitleg gegeven worden
over het toepassen van de scenario’s uit de bandbreedte in de meerjarige
begroting van de betreffende gemeente. Ook kan in deze paragraaf enerzijds
aandacht geschonken worden aan de opgenomen bezuinigingstaakstelling in relatie
tot de actuele (financiële) situatie van de betreffende gemeente, anderzijds
kan in deze paragraaf aandacht geschonken worden aan de geldende begrotingsrisico’s
en hoe wordt opgetreden indien deze risico’s zich zouden manifesteren.
Deze paragraaf is belangrijk voor (het inzicht van) de toezichthouder. Dit
neemt niet weg dat gemeenten verantwoordelijk zijn en blijven voor een verantwoorde
begroting.
Tot slot
Samenvattend kan gesteld worden dat de fondsbeheerders tot nu toe geen
expliciete afspraken hebben gemaakt over het accres in 2012 en verder, maar
zoals blijkt uit bovenstaand hebben de fondsbeheerders hier goede redenen
voor. De fondsbeheerders en de koepels zullen de komende zomermaanden in dialoog
blijven over dit onderwerp en bij het Bestuurlijk overleg financiële
verhouding (Bofv) van september 2009 zal wederom worden gesproken over de
dan geldende inzichten met betrekking tot de economische situatie, de stand
van de rijksfinanciën en de accressen over de jaren 2012 en verder.
Mede namens de minister van Financiën, De staatssecretaris van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A. Th. B. Bijleveld-Schouten