Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2011-201231571 nr. O

31 571 Voorstel van wet van het lid Thieme tot wijziging van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren in verband met het invoeren van een verplichte voorafgaande bedwelming bij ritueel slachten

O VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 7 juni 2012

De vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie1 heeft kennis genomen van de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 20 december 2011 (31571, I), waarin hij in het kader van het bij de Eerste Kamer in behandeling zijnde initiatiefvoorstel-Thieme over het invoeren van een verplichte voorafgaande bedwelming bij ritueel slachten (31571) aangeeft alternatieven te zien voor dit initiatiefvoorstel.

Naar aanleiding daarvan heeft de commissie op 31 januari 2012 een brief gestuurd aan de staatssecretaris.

De staatssecretaris heeft op 5 juni 2012 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Warmolt de Boer

BRIEF AAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Den Haag, 31 januari 2012

De vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (ELI) heeft met belangstelling kennis genomen van uw brief van 20 december 2011 (31 571, I), waarin u in het kader van het bij de Eerste Kamer in behandeling zijnde initiatiefvoorstel-Thieme over het invoeren van een verplichte voorafgaande bedwelming bij ritueel slachten (31571) aangeeft alternatieven te zien voor dit initiatiefvoorstel.

De commissie ziet het initiatiefvoorstel en het in uw brief geschetste voorstel als twee afzonderlijke initiatieven, gericht op welzijnsverbeteringen voor dieren. Zoals de commissie uw brief begrijpt, bevat uw voorstel drie hoofdelementen:

  • een convenant met diverse maatregelen gericht op welzijnsverbeteringen voor dieren;

  • wettelijke borging van de afspraken uit het convenant alsmede adequate handhaving, en

  • een meerjarig onderzoeksprogramma voor verbetering van dodingsmethoden en het dierenwelzijn.

Een nadere vraag van de commissie is of het convenant alleen de rituele slacht betreft of dat het ook betrekking heeft op de conventionele/industriële slacht?

U geeft aan een periode van drie maanden uit te willen trekken voor de nadere concretisering van uw plannen. De commissie kan zich in dat tijdpad vinden, maar vraagt zich naar aanleiding daarvan af hoe u zich de wettelijke borging, waarvan u melding maakt, voorstelt. De commissie verzoekt u – gelet op de verdere planning van de hervatting van de plenaire behandeling van het initiatiefvoorstel-Thieme – de Eerste Kamer uiterlijk medio april 2012 te informeren over de uitwerking van uw voorstel.

De commissie ziet uw verdere stappen en uw reactie met belangstelling tegemoet.

Voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, E. M. Kneppers-Heynert

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 juni 2012

In mijn brief van 16 mei 2012 (Kamerstukken I 2011/12, 31 571, nr. M) over de stand van zaken van het convenant over onbedwelmd ritueel slachten volgens religieuze riten, heb ik aangegeven dat het mijn streven was om u begin juni een convenant toe te sturen.

De afgelopen maanden heeft intensief overleg plaatsgevonden over een convenant onbedwelmd slachten volgens de religieuze riten. Het verheugt mij dan ook u te kunnen melden dat op dinsdag 5 juni 2012 het convenant door alle partijen is ondertekend. Een afschrift van dit convenant2 voeg ik als bijlage bij deze brief.

Het convenant is gesloten samen met de Vereniging van Slachterijen en Vleesverwerkende bedrijven, het Contactorgaan Moslims & Overheid, en de Permanente Commissie tot de Algemene Zaken van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap.

In het convenant zijn partijen een aantal concrete afspraken overeengekomen waarmee het welzijn van dieren wordt verbeterd. Daarnaast is afgesproken dat voor een aantal onderwerpen er nog behoefte is aan nader onderzoek, aan de hand waarvan nadere afspraken kunnen worden gemaakt. Hieronder zal ik ingaan op de gemaakte afspraken.

Bewusteloosheid

Afgesproken is dat elk dier dat onbedwelmd wordt geslacht volgens religieuze riten binnen 40 seconden bewusteloos moet zijn. Om bewusteloosheid vast te stellen moet een dier binnen die 40 seconden op bewustzijnsverschijnselen worden getest aan de hand van vijf in het convenant opgenomen indicatoren. Van deze indicatoren moeten er ten minste 3 negatief scoren. Is dit na die 40 seconden niet het geval, dan dient het dier alsnog onmiddellijk te worden bedwelmd.

Concreet betekent deze afspraak dat geen enkel dier langer dan 40 seconden na de halssnede bij bewustzijn zal zijn. Dit betekent een vooruitgang ten opzichte van de huidige praktijk. In de huidige regelgeving is een dergelijke, duidelijke begrenzing van de periode van bewustzijn niet opgenomen. Ik ben er dan ook van overtuigd dat deze afspraak een signifcante welzijnsverbetering ten opzichte van de huidige situatie oplevert.

Halssnede

Er is overeengekomen dat de halssnede in een ononderbroken, vloeiende beweging moet worden uitgevoerd. Hierdoor wordt bereikt dat het dier zo goed mogelijk wordt aangesneden en zijn herhaalde halssneden niet meer toegestaan. De welzijnsaantasting bij het aanbrengen van de halssnede wordt hiermee gereduceerd. Afgesproken is eveneens dat er nader onderzoek wordt verricht naar de vanuit het oogpunt van welzijn optimale locatie voor de halssnede. Binnen de grenzen van hetgeen volgens de religieuze voorschriften mogelijk is, kunnen nadere afspraken hierover worden gemaakt om het welzijn nog verder te verbeteren.

Mes

Het mes dat wordt gebruikt om de halssnede toe te brengen moet altijd zeer scherp en gaaf zijn. Tevens is afgesproken wat de optimale lengte is voor het mes om de dieren onnodig lijden te besparen.

Geschiktheid dier voor onbedwelmde slacht volgens religieuze riten

De slachter zal moeten beoordelen of een concreet dier qua type, omvang, gewicht en mentale toestand wel geschikt is om onbedwelmd te worden geslacht. Het kan immers bijvoorbeeld zo zijn dat het dier dermate groot is dat een optimale fixatie niet mogelijk is of dat een dier dermate gestresst is dat het niet mogelijk is om een dier op de wijze voorgeschreven volgens religieuze riten te slachten. Er zal bovendien onderzoek worden verricht naar de mogelijkheden om deze criteria nader te concretiseren. Als het naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek mogelijk is, dan zullen partijen hierover nadere afspraken maken.

Fixatie

In de Europese Verordening 3 inzake de bescherming van dieren bij het doden (hierna: EU-Verordening) die per 1 januari 2013 van toepassing wordt, is al veel opgenomen over de methode van fixeren alsmede over de apparatuur die daarvoor wordt gebruikt. In het convenant zijn ter nadere uitwerking nog een aantal normen voor de fixatie opgenomen. Zo is uitdrukkelijk bepaald dat fixatie niet eerder mag worden opgeheven dan nadat vast is komen te staan dat een dier bewusteloos is. Ook is de wijze van fixeren nader omschreven. Voor het fixatieapparaat is ook een aantal eisen opgenomen, zoals bijvoorbeeld dat het apparaat in goede staat moet zijn, geen scherpe uitsteeksels mag bevatten en geschikt moet zijn voor het te doden dier. Ten aanzien van de fixatieprocedure is voorts opgenomen dat een dier niet eerder de fixatiebox in mag gaan dan nadat een slachter klaar staat om het dier te doden.

Toezicht

Afgesproken is dat er in de slachthuizen die onbedwelmd mogen slachten permanent toezicht van de NVWA aanwezig is. Als er in de slachthuizen een kwaliteitssysteem aanwezig is dat de naleving van de hierboven genoemde normen kan waarborgen, kan ik besluiten om dit toezicht in frequentie terug te schroeven. Het convenant stimuleert daarmee het ontwikkelen van een adequaat kwaliteitssysteem in de slachthuizen.

Opleiding

De EU-Verordening schrijft voor dat slachtpersoneel beschikt over een getuigschrift van vakbekwaamheid vooraleer zij dieren mogen slachten volgens religieuze riten. Hiertoe moeten passende opleidingen worden opgezet. In het convenant is afgesproken dat ten aanzien de regels ter uitvoering van deze verplichting overleg zal worden gevoerd met de convenantspartijen. Voor alle duidelijkheid is in het convenant hierover nog opgenomen dat de opleidingen niet mogen botsen met hetgeen de religieuze voorschriften over de wijze van slachten voorschrijven.

Onderzoek

Naast de concrete afspraken zoals hiervoor omschreven, zijn partijen overeengekomen in ieder geval nader onderzoek te laten verrichten naar een aantal onderwerpen. Zoals ik al aangaf is dit het geval naar de meest optimale locatie voor de halssnede en naar het invullen van de geschiktheidscriteria voor dieren om onbedwelmd te worden geslacht volgens religieuze riten. Ook zal worden onderzocht hoe het aantal dieren dat binnen de 40 seconden het bewustzijn verliest omhoog kan worden gebracht, wat de uit welzijnsoogpunt gewenste wijze van fixeren is en hoe de op grond van de EU-Verordening per 1 januari 2013 verplichte standaardwerkwijzen, gidsen voor goede praktijken en monitoringsprocdures in de slachthuizen nader kunnen worden ingevuld.

Het staat partijen vrij nog aanvullende onderwerpen voor nader onderzoek aan te dragen. Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek bepalen partijen wat de gewenste aanvullende afspraken zijn.

Borging

De afspraken in het convenant zie ik als een eerste, maar belangrijke, stap om te komen tot een verbetering van het dierenwelzijn bij het onbedwelmd slachten volgens religieuze riten. Zoals ik heb aangegeven in mijn brief naar aanleiding van het debat op 13 december 2011 over het initiatiefwetsvoorstel van mevrouw Thieme (Kamerstukken I 2011/12, 31 571, nr. I) is een wettelijke borging van de gemaakte afspraken van groot belang om adequate handhaving te kunnen garanderen. Ik zal mij, zoals in het convenant is opgenomen, dan ook inspannen om alle hiervoor genoemde afspraken in regelgeving (algemene maatregel van bestuur dan wel ministeriële regeling) op grond van de Wet dieren vast te leggen. Ook zal ik mij inspannen om een registratieplicht in regelgeving vast te leggen voor slachthuizen die onbedwelmd willen slachten volgens religieuze riten. Als voorwaarde voor het verkrijgen en behouden van deze registratieplicht kunnen onder meer (het naleven van) bovengenoemde voorschriften worden gesteld.

Het nu voorliggende convenant is het resultaat van de bereidheid van partijen om afspraken te maken om de aantasting van het dierenwelzijn bij het onbedwelmd slachten volgens religieuze riten terug te dringen. Aan de hand van de resultaten van de onderzoeken die nog worden verricht, kunnen wij nog verdere stappen zetten. Ik blijf mij hiervoor inzetten.

Daarnaast werk ik aan verbetering van het dierenwelzijn bij de reguliere slacht, inclusief het versterken van het toezicht op dergelijke slachthuizen.

Door middel van dit convenant kan de mogelijkheid om onbedwelmd te slachten volgens religieuze riten behouden blijven, waarbij tegelijkertijd stappen worden gezet ter verbetering van het welzijn van dieren bij deze wijze van slachten.

De komende maanden zet ik mij in om tot een zo breed mogelijk draagvlak voor dit convenant in de samenleving te komen.

De staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, dr. Henk Bleker


X Noot
1

Samenstelling:

Holdijk (SGP), Kneppers-Heynert (VVD) (voorzitter), Terpstra (CDA), Noten (PvdA) (vice-voorzitter), Sylvester (PvdA), Essers (CDA) Thissen (GL), Nagel (50PLUS), Elzinga (SP), Koffeman (PvdD), Reuten (SP), Schaap (VVD), Smaling (SP), Flierman (CDA), Hoekstra (CDA), Van Boxtel (D66), Backer (D66), Vos (GL), De Lange (OSF), Schrijver (PvdA), Postema (PvdA), Vlietstra (PvdA), Klever (PVV), Van Strien (PVV), Faber-van de Klashorst (PVV), Ester (CU), Van Rey (VVD), Bröcker (VVD) en Beckers (VVD)

X Noot
2

Ter inzage gelegd op de afdeling Inhoudelijke ondersteuning onder griffie nr. 148165.81.

X Noot
3

Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van de Europese Unie van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PbEU L 303).