nr. 2 Herdruk1
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
EN VAN JUSTITIE
Aan Hare Majesteit de Koningin
Den Haag, 17 januari 2008
In het coalitieakkoord wordt het voornemen geuit tot instelling van een
staatscommissie die advies zal moeten uitbrengen over een herziening van de
Grondwet:
«Ten aanzien van de Grondwet, waarvan de laatste algehele herziening
25 jaar geleden van kracht is geworden, wordt door een staatscommissie advies
uitgebracht over onder meer (niet limitatief) de voor- en nadelen van een
preambule, de toegankelijkheid voor burgers, en de verhouding tussen de opgenomen
grondrechten en de uit internationale verdragen voortvloeiende rechten, zoals
het recht op eerlijke procesgang (fair trial) en het recht op leven.»
In het beleidsprogramma wordt het gewenste advies in het bredere kader
gezet van een versterking van de Grondwet. Daar wordt ook een directe relatie
gelegd met een gewenste versterking van het burgerschap. Een Handvest burgerschap
moet de belangrijkste normen, waarden en beginselen en de bijbehorende verantwoordelijkheden
voor burgers en instellingen benoemen. Een toegankelijke Grondwet kan een
belangrijke rol spelen bij de inburgering en bij de versterking van het burgerschap.
In het beleidsprogramma heeft het kabinet de ambitie neergelegd een staatscommissie
eind 2008 advies te laten uitbrengen over het versterken van de Grondwet.
Daarom zal er een agenda moeten worden gevormd die de mogelijkheid biedt aan
deze ambitie vast te houden. In ieder geval zal de staatscommissie zich moeten
buigen over de drie onderwerpen die in het coalitieakkoord zijn genoemd, te
weten:
– de voor- en nadelen van een preambule;
– de toegankelijkheid voor burgers,
en
– de verhouding tussen de opgenomen
grondrechten en de uit internationale verdragen voortvloeiende rechten, zoals
het recht op een eerlijke procesgang (fair trial) en het recht op leven. In
dit verband lijkt het ook nuttig aandacht te besteden aan de geschiktheid
van de Grondwet als toetsingskader, in het bijzonder de systematiek
van de Grondwet om grondrechten te kunnen beperken. Deze systematiek verschilt
namelijk aanzienlijk van de internationale systematiek en biedt soms minder,
soms een andere inhoudelijke houvast voor grondrechteninperkingen aan de wetgever.
Daarnaast kan de staatscommissie zich buigen over een onderwerp tot opname
waarvan het coalitieakkoord expliciet opdracht geeft, namelijk:
– de Nederlandse taal.
Het is wenselijk dit onderwerp uit het coalitieakkoord in een breder verband
te bezien en onderdeel te laten uitmaken van een opdracht aan de staatscommissie.
Er is namelijk een samenhang van het onderwerp met de hiervoor al genoemde «preambule»
en het hierna te noemen hoofdstuk «algemene bepalingen»; in beide
onderdelen zou de Nederlandse taal vermeld kunnen worden, indien tot de wenselijkheid
van opname van een dergelijk hoofdstuk en/of preambule geadviseerd en uiteindelijk
besloten zou worden.
Voorts is in het concept kabinetsstandpunt op het advies van de Nationale
conventie nog een onderwerp genoemd dat te maken heeft met de toegankelijkheid
van de Grondwet en haar betekenis voor de samenleving, en dat kan worden opgepakt
door een staatscommissie, namelijk:
– het opnemen van een hoofdstuk «Algemene
bepalingen»met daarin bepalingen waarin basiskenmerken of -waarden
van onze staatsinrichting, rechtsorde en/of nationale identiteit tot uitdrukking
komen.
Voorts heeft het kabinet in zijn standpunt op het advies van de Nationale
conventie gesignaleerd dat in de huidige wijzigingsprocedure van de Grondwet,
met tussentijdse kamerontbinding, bij een voortijdige val van een kabinet
een knelpunt kan ontstaan, doordat het besluit tot kamerontbinding al genomen
is voordat een eerste lezing is afgerond.
In wetsvoorstel 31 012, het doen vervallen van het uitsluiten van
wilsonbekwamen van het kiesrecht, is hierop ingegaan. Het kabinet heeft in
dat wetsvoorstel de toezegging gedaan dit knelpunt in de procedure tot herziening
van de Grondwet nader te doen bekijken, een toezegging waaraan het kabinet
nog eens refereert in zijn standpunt op genoemd advies van de Nationale conventie.
– Dit onderwerp lijkt zich bij uitstek te lenen voor onderzoek en
advies door de staatscommissie.
Tot slot kan de staatscommissie onderwerpen ter hand nemen die binnen
de voorgestelde termijn tot een advies kunnen leiden en zonder dat een uitvoerige
maatschappelijke dialoog noodzakelijk is. Ik noem hier:
– de betekenis van de constitutionele weerbaarheidvan de democratie, mede in het licht van eventuele wijzigingsvoorstellen.
Dit vraagstuk heeft onder andere te maken met de mate van veranderbaarheid
van (onderdelen van) de Grondwet en de vraag of het voor politieke partijen
mogelijk is via democratische procedures de democratie af te schaffen. De
Tweede Kamer heeft herhaaldelijk en via verschillende moties (bv. Kamerstukken II 2005/06, 30 697, nr. 3) verzocht
met een onderzoek naar deze constitutionele weerbaarheid te komen. In een
brief van 2 juli jl. hebben wij de Tweede Kamer toegezegd dit vraagstuk
mee te nemen in de besluitvorming over een opdrachtverlening aan de staatscommissie;
de samenhang met de hiervoor genoemde onderwerpen – in het bijzonder
de grondrechten en de wijzigingsprocedure Grondwet – is manifest.
– de ministeriële verantwoordelijkheid en
de interbestuurlijke samenwerking; in het kader van de vernieuwing
van de Rijksdienst wenst het kabinet te komen tot een slagvaardige overheid.
Hierbij verdient ook de integraliteit van bestuur, zowel binnen als tussen
de bestuurslagen, aandacht. Ten aanzien van de horizontale samenwerking op
Rijksniveau is in het bijzonder van belang artikel 44 van de Grondwet,
dat bepalingen bevat over de instelling en leiding van ministeries en over
de benoeming van ministers «zonder portefeuille». De vraag is
in hoeverre dit artikel mogelijkheden biedt voor horizontale samenwerking,
welke rol de minister-president hierbij kan spelen en welke wijziging van
de Grondwet nodig zou zijn om deze horizontale samenwerking te bevorderen.
Tot slot rijst de vraag naar welke andere onderwerpen de Staatscommissie
zou moeten kijken vanuit bovengenoemde invalshoek.
Tegen deze achtergrond mogen wij u verzoeken, daartoe gemachtigd door
de Ministerraad, deze overwegingen en vragen omtrent de opdrachtverlening
aan de staatscommissie op grond van artikel 15, tweede lid van de Wet op de
Raad van State voor advies aan de Raad van State voor te leggen en de Raad
te machtigen zijn advies rechtstreeks aan ons te doen toekomen.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
G. ter Horst
De minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin