31 569
Wijziging van de Wet personenvervoer 2000 in verband met de structurele regeling van de overgang van werknemers bij de overgang van een concessie voor openbaar vervoer alsmede van de Spoorwegwet in verband met de begrenzing van stamlijnen

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een permanente status te verlenen aan de bepalingen betreffende de overgang van werknemers bij overgang van een concessie voor openbaar vervoer en dat het wenselijk is voor een deel van de hoofdspoorwegen een afwijkende begrenzing te kunnen hanteren;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Artikel 143 van de Wet personenvervoer 2000 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt de aanduiding «1.».

2. Het tweede lid vervalt.

ARTIKEL II

De Spoorwegwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 20 wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, wordt de begrenzing van een deel van de hoofdspoorwegen die uitsluitend of overwegend bestemd zijn voor het verrichten van goederenvervoer ten behoeve van de lokale ontsluiting van haven- en industriegebieden, gevormd door een lijn liggend op een afstand van drie meter op maaiveldniveau, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor. Wanneer ingevolge artikel 2 of 124 een spoorweg wordt aangewezen als hoofdspoorweg, wordt daarbij bepaald of de hoofdspoorweg onder het bereik van dit lid valt.

B

Aan artikel 21 wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. In afwijking van het eerste lid wordt bij een voor het openbaar verkeer openstaande overweg buiten de bebouwde kom die onderdeel uitmaakt van een hoofdspoorweg, als bedoeld in artikel 20, vierde lid, het vlak, bedoeld in het eerste lid, gevormd door hoekpunten in het hart van het buitenste spoor op 50 meter aan weerszijden van de as van de weg en op elf meter uit het hart van het spoor in de as van de weg.

ARTIKEL III

Een spoorweg waarop de dag voorafgaand aan de aanwijzing als hoofdspoorweg het Reglement op de Raccordementen 1966 van toepassing was en die in overeenstemming was met de in dat Reglement opgenomen voorschriften, wordt met ingang van de dag waarop deze spoorweg wordt aangewezen als hoofdspoorweg, aangemerkt als in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens artikel 6 van de Spoorwegwet.

ARTIKEL IV

Toestemmingen die ingevolge artikel 13, onderdeel d, van het Reglement op de Raccordementen 1966 zijn verleend en gelden op het tijdstip waarop een spoorweg wordt aangewezen als hoofdspoorweg, worden met ingang van de dag dat de spoorweg is aangewezen als hoofdspoorweg, aangemerkt als vergunningen verleend op grond van artikel 19, eerste lid, van de Spoorwegwet.

ARTIKEL V

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Naar boven