Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-200931567 nr. 12

31 567
Bundeling van het WWB-werkdeel, budgetten voor inburgeringsvoorzieningen en de middelen voor volwasseneneducatie (Wet participatiebudget)

nr. 12
AMENDEMENT VAN HET LID SPEKMAN C.S.

Ontvangen 3 november 2008

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

Na artikel 6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6a. Experimenten

1. Bij algemene maatregel van bestuur kan bij wijze van experiment, met het oog op het doeltreffender uitvoeren van deze wet teneinde de doelen van educatie, inburgering en re-integratie te realiseren, voor een periode van drie jaar worden afgeweken van het bepaalde bij de artikelen 2, eerste lid en 3.

2. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt uiterlijk zes maanden voor de beëindiging van een experiment als bedoeld in het eerste lid een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van het experiment aan beide kamers der Staten-Generaal.

3. De voordracht voor de krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Toelichting

Dit artikel is geënt op de regeling in de Wet Werk en Bijstand die experimenten mogelijk maakt. Dit artikel strekt ertoe experimenten uit te kunnen voeren indien zich omstandigheden voordoen die niet bij onderhavige Wet zijn voorzien. Bij een experiment zal een aantal toelatingseisen voor deelname gaan gelden. Dit is van belang met het oog op een goede beheersbaarheid van de financiële en sociale risico’s waarmee experimenten gepaard kunnen gaan. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan op grond van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgelegde criteria gemeenten aanwijzen die mogen deelnemen aan het experiment. Gemeenten moeten hiervoor een verzoek indienen. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald aan welke voorwaarden een dergelijk verzoek moet voldoen en hoeveel gemeenten er maximaal aan het experiment kunnen deelnemen. In bepaalde omstandigheden kan de minister de aanwijzing ook weer intrekken. Zowel aan de aanwijzing als aan de intrekking kunnen voorschriften worden verbonden. Experimenten zijn per definitie van tijdelijke aard en de looptijd dient dus beperkt te worden. Anderzijds dient er voldoende tijd beschikbaar te zijn om conclusies te kunnen trekken over de effecten van een experiment en de eventuele bredere toepassing. De looptijd van experimenten bedraagt daarom ten hoogste drie jaar. Verder is het is van belang om te onderzoeken of de doelstellingen van experimenten worden bereikt. Mede op grond van de evaluatie kan worden bepaald of een experiment tot wetswijziging moet leiden.

Spekman

Spies

Ortega-Martijn